CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 15 november 2001 ( 1 )
1.
In de onderhavige zaak vraagt het Hof van Beroep te Brussel het Hof of het gemeenschapsrecht, meer bepaald de Derde levensverzekeringsrichtlijn, ( 2 ) in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling krachtens welke een voorstel voor een levensverzekering of, bij gebrek aan voorstel, de polis de verzekeringnemer moet meedelen dat de opzegging, de reductie of de afkoop van een lopende levensverzekeringsovereenkomst met het oog op het onderschrijven van een andere levensverzekering doorgaans nadelig is voor de verzekeringnemer.
Het gemeenschapsrecht
2.
De Derde levensverzekeringsrichtlijn strekt tot voltooiing van de interne markt in de sector van het directe levensverzekeringsbedrijf ten einde het voor verzekeringsondernemingen die hun hoofdkantoor in de Gemeenschap hebben, gemakkelijker te maken in de Gemeenschap verbintenissen aan te gaan. ( 3 )
3.
In de considerans van de richtlijn wordt het volgende overwogen:
„(9)
Overwegende dat een aantal bepalingen van de onderhavige richtlijn minimumnormen vaststellen; dat de lidstaat van herkomst ( 4 ) strengere regels kan opleggen aan verzekeringsondernemingen waaraan door zijn eigen bevoegde autoriteiten vergunning is verleend;
[...]
(19)
Overwegende dat de harmonisatie van het recht op het gebied van verzekeringsovereenkomsten geen prealabele voorwaarde is voor de totstandbrenging van de interne verzekeringsmarkt; dat derhalve de aan de lidstaten gelaten mogelijkheid om verzekeringsovereenkomsten die op hun grondgebied aangegane verbintenissen behelzen, onder toepassing van hun recht te doen vallen, voldoende waarborgen biedt voor verzekeringnemers;
(20)
Overwegende dat het in het kader van de interne markt in het belang van de verzekeringnemer is dat hij toegang heeft tot een zo breed mogelijke waaier van in de Gemeenschap aangeboden verzekeringsproducten, waaruit hij de keuze kan maken die het best aan zijn behoeften voldoet; dat de lidstaat waar de verbintenis is aangegaan ( 5 ), er derhalve op moet toezien dat alle in de Gemeenschap aangeboden verzekeringsproducten zonder enige belemmering op zijn grondgebied op de markt kunnen worden gebracht, voorzover zij niet in strijd zijn met de wettelijke bepalingen van algemeen belang die in deze lidstaat gelden en voorzover dit algemeen belang niet door de voorschriften van de lidstaat van herkomst wordt gevrijwaard, mits deze wettelijke bepalingen zonder discriminatie van toepassing zijn op alle in deze lidstaat werkzame verzekeringsondernemingen, en mits zij objectief nodig zijn en toegesneden zijn op het beoogde doel;
[...]
(23)
Overwegende dat de consument in het kader van een eengemaakte verzekeringsmarkt een grotere en meer gediversifieerde keuze uit overeenkomsten zal hebben; dat hij om ten volle van deze diversiteit en een toegenomen concurrentie te kunnen profiteren, moet beschikken over de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past; dat deze behoefte aan inlichtingen nog sterker is omdat de looptijd van de verbintenissen zeer lang kan zijn; dat het dientengevolge wenselijk is de minimumvoorschriften te coördineren opdat de consument een duidelijke en nauwkeurige informatie zou ontvangen over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden producten en over de gegevens betreffende de organismen die bevoegd zijn om kennis te nemen van de klachten van verzekeringnemers, verzekerden of begunstigden van de overeenkomst.”
4.
Artikel 31 van de richtlijn bepaalt:
„1.
Vóór de sluiting van de verzekeringsovereenkomst dienen aan de verzekeringnemer ten minste de in bijlage II, onder A, vermelde gegevens te worden medegedeeld.
2.
De verzekeringnemer dient gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst te worden ingelicht over elke wijziging van de in bijlage II, onder B, vermelde gegevens.
3.
De lidstaat van de verbintenis mag van de verzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage II vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis.
4.
De toepassingsvoorschriften betreffende dit artikel en bijlage II worden door de lidstaat van de verbintenis vastgesteld.”
5.
Bijlage II heeft als titel „Aan de verzekeringnemer te verstrekken inlichtingen”. Zij wordt ingeleid als volgt:
„De volgende inlichtingen, die hetzij vóór de sluiting van de overeenkomst (A) hetzij gedurende de looptijd ervan (B) aan de verzekeringnemer moeten worden meegedeeld, moeten duidelijk, nauwkeurig en schriftelijk worden verstrekt in een officiële taal van de lidstaat van de verbintenis. [...]”
6.
Punt A van bijlage II bevat gedetailleerde informatie over de verzekeringsonderneming en de verbintenis, waaronder:
„a.4
Omschrijving van elke verzekeringsdekking en keuzemogelijkheid.
a.5
Looptijd van de overeenkomst.
a.6
Wijze van beëindiging van de overeenkomst.
a.7
Wijze en duur van betaling van de premies.
a.8
Wijze van berekening en toewijzing van winstdelingen.
a.9
Gegevens over de afkoop- en premievrije waaiden en in hoeverre deze zijn gegarandeerd.
a.10
Inlichtingen over de premies voor iedere verzekeringsdekking [...]”.
7.
Volgens punt B van bijlage II dienen aan de verzekeringnemer de volgende inlichtingen te worden verstrekt: (1) iedere wijziging van de gegevens van de verzekeringsonderneming, (2) alle inlichtingen betreffende de verbintenis in punt A bij een wijziging van de overeenkomst of wijziging van de daarop van toepassing zijnde wetgeving, en (3) elk jaar inlichtingen betreffende de situatie van de winstdeling.
8.
Het kan dienstig zijn hier in te gaan op de verschillende wijzen van beëindiging van een levensverzekeringspolis (of -overeenkomst in de woorden van de richtlijn), zoals hier in het geding is. Een verzekeringnemer die geen premies meer wenst te betalen voor een lopende levensverzekeringspolis, heeft verschillende keuzemogelijkheden. Wanneer de polis geen afkoopwaarde heeft, kan hij gewoon opzeggen door geen premies meer te betalen. Wanneer de polis daarentegen een afkoopwaarde heeft, kan hij ze afkopen en zal de verzekeringsonderneming hem dat bedrag betalen. Wil de verzekeringnemer geen premies meer betalen, maar de polis handhaven, dan wordt het verzekerde bedrag gereduceerd, daar minder premies zullen zijn betaald dan oorspronkelijk voorzien; dit wordt reductie genoemd.
De toepasselijke nationale wettelijke regeling
9.
De hier in het geding zijnde nationale wettelijke regeling is artikel 4, lid 2, sub b, van het koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit. Artikel 4, lid 2, sub b, van het koninklijk besluit bepaalt: „Het voorstel of, bij gebrek aan voorstel, de polis moet de verzekeringnemer meedelen dat de opzegging, de reductie of de afkoop van een lopende levensverzekeringsovereenkomst met het oog op het onderschrijven van een andere levensverzekering doorgaans nadelig is voor de verzekeringnemer.”
10.
In het verwijzingsarrest vermeldt de verwijzende rechter dat het koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit is vastgesteld tot omzetting van de Derde levensverzekeringsrichtlijn. De Commissie stelt echter in haar schriftelijke opmerkingen dat de richtlijn blijkens inlichtingen van de Belgische autoriteiten door drie in 1994 vastgestelde koninklijke besluiten is omgezet ( 6 ). Met name zijn artikel 31 van en bijlage II bij de richtlijn woordelijk omgezet door twee van deze besluiten ( 7 ).
Procesverloop
11.
In het verwijzingsarrest wordt slechts vermeld dat Axa Royale Belge SA in het hoofdgeding (i) verklaring voor recht vordert dat Stratégie Finance Sprl door in strijd met artikel 4, lid 2, sub b, van het koninklijk besluit van 17 december 1992 te handelen, het nationale recht inzake eerlijke handelspraktijken ( 8 ) heeft geschonden en (ii) staking daarvan vordert. Het geschil is blijkbaar ontstaan doordat een verzekeringsmakelaar de door artikel 4, lid 2, sub b, vereiste waarschuwing in levensverzekeringsvoorstellen schrapte, zodat verzekeringnemers ertoe werden aangezet hun voorheen met AXA gesloten lopende levensverzekeringspolissen te vervangen.
12.
Alvorens uitspraak te doen op de vordering wenst het Hof van Beroep te vernemen of de lidstaten, gelet op de doelstellingen van richtlijn 92/96/EEG, kunnen verlangen dat aan consumenten die van plan zijn een lopende levensverzekeringsovereenkomst op te zeggen, te reduceren of af te kopen met het oog op de sluiting van een andere levensverzekeringsovereenkomst, wordt meegedeeld dat zulks doorgaans nadelig is.
13.
Volgens AXA geeft het Hof van Beroep blijk van een onjuiste rechtsopvatting door artikel 4, lid 2, sub b, van het koninklijk besluit toepasselijk te achten wanneer consumenten van plan zijn een lopende levensverzekeringsovereenkomst op te zeggen, te reduceren of af te kopen, aangezien dit artikel blijkens de bewoordingen ervan in feite van toepassing is op eenieder die een levensverzekeringsovereenkomst wil sluiten. Deze uitlegging kan weliswaar kloppen, maar maakt mijns inziens geen verschil voor de analyse van de verwijzende rechter, aangezien artikel 4, lid 2, sub b, in de praktijk alleen gevolgen heeft in gevallen waarin de consument overweegt een lopende polis te beëindigen en door een nieuwe te vervangen.
14.
In zijn verwijzingsarrest vraagt het Hof van Beroep of artikel 4, lid 2, sub b, van het koninklijk besluit verenigbaar is met de richtlijn voorzover:
—
de mededeling aan de consument dat de opzegging, de reductie of de afkoop van zijn lopende levensverzekeringsovereenkomst doorgaans nadelig is, hem niet aanzet tot vergelijking van de verschillende in de Gemeenschap aangeboden verzekeringsproducten om het product te kunnen kiezen dat het best aan zijn behoeften voldoet, maar veeleer wordt aangemoedigd tot behoud van zijn lopende overeenkomst, terwijl de richtlijn blijkens de considerans ervan juist tot doel heeft, de verzekeringnemer toegang te verschaffen tot een zo breed mogelijk aanbod van verzekeringsproducten in de Gemeenschap, waaruit hij de keuze kan maken die het best aan zijn behoeften voldoet, waarbij er met name voor moet worden gezorgd dat de verzekeringnemer duidelijke en nauwkeurige informatie ontvangt over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden producten;
—
de verplichting om de verzekeringnemer erop te wijzen dat de opzegging, de afkoop of de reductie van een lopende levensverzekeringsovereenkomst met het oog op het sluiten van een andere levensverzekering doorgaans nadelig is, de verzekeraars die op het nationale grondgebied actief zijn, op het ogenblik van de inwerkingtreding van bovengenoemd koninklijk besluit een mededingingsvoordeel kan geven, terwijl de lidstaat van de verbintenis blijkens de considerans van de richtlijn erop moet toezien, dat alle in de Gemeenschap aangeboden verzekeringsproducten zonder enige belemmering op zijn grondgebied op de markt kunnen worden gebracht;
—
het algemeen belang de consument in te lichten over de mogelijke gevolgen van de opzegging, de reductie of de afkoop van een lopende levensverzekeringsovereenkomst met het oog op het sluiten van een andere levensverzekering, niet adequaat lijkt te worden beschermd door de loutere vermelding dat zulks doorgaans nadelig is, terwijl de bepalingen van algemeen belang blijkens de overwegingen van de considerans van de richtlijn objectief nodig moeten zijn en evenredig aan het beoogde doel.
15.
Derhalve heeft het Hof van Beroep de in punt 1 weergegeven vraag gesteld.
16.
De twee partijen in het hoofdgeding, de Oostenrijkse, de Belgische, de Griekse en de Spaanse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. De partijen en de Commissie waren vertegenwoordigd ter terechtzitting.
Verenigbaarheid van artikel 4, lid 2, sub b, van het koninklijk besluit met de richtlijn
17.
AXA, de Oostenrijkse, de Belgische en de Griekse regering zijn in wezen van mening dat de betrokken nationale wettelijke regeling verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, zodat de vraag ontkennend moet worden beantwoord. Strategie Finance en de Commissie menen het tegendeel. Het standpunt van de Spaanse regering zit daar tussenin. Haars inziens is de wetgeving verenigbaar met het gemeenschapsrecht, voorzover de voorgeschreven waarschuwing betrekking heeft op de algemene nadelige gevolgen van opzegging of reductie, maar daarmee onverenigbaar voorzover zij de gevolgen van afkoop betreft.
18.
Volgens de Commissie is artikel 4, lid 2, sub b, van het koninklijk besluit in zeer algemene en abstracte bewoordingen gesteld. Terwijl de vereisten van de richtlijn van toepassing zijn op alle mogelijke omstandigheden waarin een levensverzekeringspolis kan worden opgezegd, gereduceerd of afgekocht, is artikel 4, lid 2, sub b, alleen van toepassing wanneer een verzekeringnemer hiertoe overgaat met het oog op het onderschrijven van een nieuwe polis. De Commissie betwijfelt of een dergelijke waarschuwing voldoende is ter bescherming van verzekeringnemers, gezien de veel grotere bescherming die de richtlijn biedt. Ofschoon de lidstaten overeenkomstig artikel 31 van de richtlijn de consumentenvoorlichting mogen verbeteren, mag deze voorlichting bestaande verzekeraars of lopende polissen niet bevoordelen. De krachtens artikel 4, lid 2, sub b, verplichte mededeling valt evenwel niet onder aanvullende gegevens in de zin van artikel 31 van de richtlijn aangezien, wanneer de verzekeringnemer reeds over de in de richtlijn (en de Belgische omzettingswetgeving) voorgeschreven specifieke inlichtingen beschikt, de bij artikel 4, lid 2, sub b, voorgeschreven waarschuwing die inlichtingen niet zodanig lijkt aan te vullen dat deze het goede begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis in de zin van artikel 31 vergemakkelijkt.
19.
Voorts, aldus de Commissie, is artikel 4, lid 2, sub b, onverenigbaar met de doelstellingen van de richtlijn: het kan ertoe leiden dat verzekeringnemers door een algemene waarschuwing waarmee zij de consequenties van een verandering van polis niet kunnen beoordelen, ervan worden weerhouden om een andere levensverzekering te nemen en aldus van het gevarieerde aanbod van producten te profiteren.
20.
De Oostenrijkse, de Belgische, de Griekse en de Spaanse regering baseren zich allen op de twintigste overweging van de considerans van de richtlijn voor de stelling dat artikel 4, lid 2, sub b, van het koninklijk besluit als niet-discriminerende, objectief noodzakelijke en evenredige bepaling van algemeen belang, met de richtlijn verenigbaar is. ( 9 ) Volgens de Oostenrijkse regeling beoogt artikel 4, lid 2, sub b, de consument te beschermen en voldoet aldus aan een van de doelstellingen van de richtlijn, namelijk het de consument mogelijk te maken de aan het sluiten van een nieuwe overeenkomst verbonden voor- en nadelen af te wegen en aldus een overeenkomst te sluiten die het best bij zijn behoeften past ( 10 ); het Hof heeft erkend dat op het gebied van de consumentenbescherming dwingende redenen van algemeen belang kunnen bestaan die beperkingen van de fundamentele vrijheden rechtvaardigen ( 11 ). Volgens de Belgische regering is de bepaling objectief noodzakelijk om de consumentenbescherming te garanderen in een sector waarin vakterminologie wordt gebruikt en de consument de zwakkere partij is; bovendien is gewone informatieverstrekking het minst restrictieve middel ter bescherming van de consument. Volgens de Griekse regering is de overeenkomstig artikel 4, lid 2, sub b, van het koninklijk besluit ingelichte consument in staat de voor- en nadelen van de beëindiging van een lopende overeenkomst te vergelijken. Ook volgens de Spaanse regering zijn bepalingen als artikel 4, lid 2, sub b, rechtmatig voorzover zij de toegang van de verzekeringnemer tot een zo breed mogelijke waaier van in de Gemeenschap aangeboden levensverzekeringsproducten niet beperken, zodat hij de overeenkomst kan kiezen die het best bij zijn behoeften past.
21.
Uiteraard kan een bepaling van nationaal recht ter bescherming van de consument in het algemeen belang zijn ( 12 ) en kan een nationale beperking van de verkoop van levensverzekeringsproducten dus met de richtlijn verenigbaar zijn, voorzover zij niet-discriminerend en evenredig is. Dit wordt uitdrukkelijk bepaald in artikel 28 van de richtlijn krachtens hetwelk de lidstaat van de verbintenis de verzekeringnemer niet kan beletten een overeenkomst te sluiten met een verzekeringsonderneming die volgens de Eerste levensverzekeringsrichtlijn een vergunning heeft verkregen, „voorzover deze overeenkomst niet in strijd is met de wettelijke bepalingen van algemeen belang die in de lidstaat van de verbintenis gelden”. Deze formulering sluit nauw aan bij de tekst van punt 20 van de considerans waarop de regeringen die opmerkingen hebben ingediend zich beroepen, en mijns inziens ziet deze overweging dus op artikel 28. Deze opvatting wordt bovendien ondersteund door de systematiek van de overwegingen van de considerans: overweging 18 van de considerans ziet duidelijk op artikel 27, de overwegingen 21 en 22 op artikel 29, overweging 23 op artikel 31 en overweging 24 op artikel 41.
22.
De onderhavige zaak valt naar mijn mening echter eerder onder artikel 31 van de richtlijn dan onder artikel 28, aangezien zij de specifieke soort beperking betreft waarop artikel 31 ziet. Onbetwist moeten volgens artikel 4, lid 2, sub b, van het koninklijk besluit aan de toekomstige verzekeringnemer vóór het sluiten van een verzekeringsovereenkomst inlichtingen worden verstrekt die verder reiken dan de volgens artikel 31, lid 1, van de richtlijn vereiste gegevens. Artikel 31, lid 1, is duidelijk een bepaling die een minimumnorm vaststelt: slechts voorzover zij „nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis”, mag de lidstaat van de verbintenis volgens artikel 31, lid 3, verlangen dat de verzekeringsonderneming meer gegevens verstrekt dan voorgeschreven door artikel 31, lid 1. Voor de toetsing van de rechtmatigheid van artikel 4, lid 2, sub b, van het koninklijk besluit moet mijns inziens dus worden uitgegaan van artikel 31, lid 3, van de richtlijn.
23.
Of artikel 4, lid 2, sub b, van het koninklijk besluit verenigbaar is met de richtlijn, hangt dus af van de vraag of de krachtens dit artikel te verstrekken gegevens over levensverzekeringsvoorstellen of polissen „nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis” in de zin van artikel 31, lid 3.
24.
Blijkens die bepaling is duidelijk alleen specifieke, voor de bijzondere verbintenis direct relevante, informatie toegestaan. Een algemene waarschuwing voor de mogelijk nadelige gevolgen van afkoop, reductie of opzegging van een lopende polis met het oog op vervanging ervan kan mijns inziens niet een dergelijke informatie vormen.
25.
Deze uitlegging wordt bevestigd door het overwogene in punt 23 van de considerans van de richtlijn, „dat het dientengevolge wenselijk is de minimumvoorschriften te coördineren opdat de consument een duidelijke en nauwkeurige informatie zou ontvangen over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden producten”. ( 13 )
26.
Zij wordt ook bevestigd door de uitlegging van de eerste gepubliceerde versie van artikel 31, namelijk artikel 27 van het voorstel voor een Derde levensverzekeringsrichtlijn. ( 14 ) Artikel 27, leden 1, 2 en 3, zijn in wezenlijk dezelfde bewoordingen ais artikel 31, leden 1, 2 en 3, van de richtlijn gesteld; bijlage 2 bij het voorstel komt in wezen eveneens overeen met bijlage II bij de richtlijn. In haar toelichting verklaart de Commissie:
„De in bijlage 2 opgenomen lijst is een minimumlijst die de lidstaten kunnen aanvullen met betrekking tot de verbintenissen betreffende hun ingezetenen, met dien verstande dat alleen de bescherming van de consument moet worden nagestreefd door middel van deze informatieverplichting, die beoogt een goed begrip door de verzekeringnemer van de fundamentele elementen van het hem aangeboden contract te bevorderen, en niet de keuze van de aangeboden producten te beperken.”
27.
Een waarschuwing zoals artikel 4, lid 2, sub b, van het koninklijk besluit voorschrijft, kan weliswaar in het belang van de consumentenbescherming lijken, maar een dergelijke algemene waarschuwing, ook al wordt zij terecht geacht de consument echt te beschermen, betreft slechts één aspect van het belang van de consument. Zonder informatie over alternatieve mogelijkheden waarmee de consument de voor- en nadelen van de verschillende aan hem geboden keuzemogelijkheden kan beoordelen, is alle consumentenbescherming waarin artikel 4, lid 2, sub b, in feite voorziet, duidelijk onvolledig. Het is duidelijk dat de richtlijn, door de aan verzekeringnemers te verstrekken gegevens te regelen, niet alleen de nadruk legt op hetgeen de gemeenschapswetgever als de correcte afweging tussen de consumentenbescherming enerzijds en de opening van de levensverzekeringsmarkt anderzijds beschouwde, maar dit ook doet in bewoordingen die een voorschrift als dat van artikel 4, lid 2, sub b, van de richtlijn uitsluiten.
Conclusie
28.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vraag van het Hof van Beroep te Brussel te beantwoorden als volgt:
„Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG verzet zich tegen een nationale regeling op grond waarvan het levensverzekeringsvoorstel of, bij gebreke van een voorstel, de polis de verzekeringnemer moet meedelen dat de opzegging, de reductie of de afkoop van een lopende levensverzekeringsovereenkomst met het oog op de sluiting van een andere levensverzekeringsovereenkomst, doorgaans nadelig is voor de verzekeringnemer.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (Derde levensverzekeringsrictlijn) (PB L 360, blz. 1).
( 3 ) Eerste overweging van de considerans van de richtlijn. Op dat gebied was al vooruitgang geboekt door de Eerste en de Tweede levensverzekeringsrichtlijn [richtlijn 79/267/EEG van de Raad van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrij f, en de uitoefening daarvan (PB L 63, blz. 1) en richtlijn 90/619/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf, tot vaststelling van de bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van richtlijn 79/267/EEG (PB L 330, blz. 50)].
( 4 ) Gedefinieerd in artikel 1, sub d, van de richtlijn als de lidstaat waar het hoofdkantoor is gevestigd van de verzekeringsonderneming die de verbintenis aangaat.
( 5 ) Gedefinieerd in artikel 2, sub e, van de in voetnoot 3 genoemde Tweede levensverzekeringsrichtlijn als de lidstaat waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft of. indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de lidstaat waar zich de vestiging van deze rechtspersoon bevindt waarop de overeenkomst betrekking heeft.
( 6 ) Koninklijk Besluit van 12 augustus 1994 tot wijziging van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, koninklijk besluit van 12 augustus 1994 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen, en koninklijk besluit van 22 november 1994 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen.
( 7 ) In artikel 20, lid 2, van de wet van 9 juli 1975, zoals gewijzigd, en artikel 15 van het koninklijk besluit van 22 februari 1991, zoals gewijzigd.
( 8 ) Artikelen 93 en 94 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument.
( 9 ) Gedeeltelijk wat de Spaanse regering betreft.
( 10 ) Zie overweging 23 van de considerans.
( 11 ) Arrest van 4 december 1986, Commissie/Bondsrepubliek Duitsland (205/84, Jurispr. blz. 3755).
( 12 ) Arrest Commissie/Duitsland, aangehaald in punt 11, punten 30-33.
( 13 ) Cursivering van mij.
( 14 ) Voorsiel voor een Derde richtlijn van de Raad lot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe Ievensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de richtlijn 79/267/EEG en 90/619/EEG, COM (91) 57 van 22 maart 1991 (PB 1991, C 99, biz. 2).
Full & Egal Universal Law Academy