Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. In aansluiting aan zaak C-333/99 inzake de vangstseizoenen 1988 en 1990 richt het onderhavige niet-nakomingsberoep zich tegen de wijze waarop de Franse autoriteiten de visquota gedurende de vangstseizoenen 1991 tot en met 1994 (zaak C-418/00) alsmede 1995 en 1996 (zaak C-419/00) hebben beheerd. De Commissie kritiseert in wezen dat de Franse autoriteiten de visserijactiviteiten na uitputting van de quota niet tijdig en effectief hebben beëindigd met als gevolg dat deze quota in de betrokken seizoenen zijn overschreden.
2. De twee zaken zijn bij beschikking van 18 januari 2001 overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof gevoegd voor de schriftelijke behandeling en voor het arrest.
3. In het licht van het in zaak C-333/99 gewezen arrest zal ik mij concentreren op de vraag of de Commissie de gestelde schendingen van het gemeenschapsrecht aannemelijk heeft gemaakt, evenals op de vraag in hoeverre de de vangstseizoenen 1995 en 1996 betreffende wijziging van de gemeenschappelijke rechtsgrondslagen relevant is.
II - Rechtskader
4. De communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden is gebaseerd op meerdere verordeningen. Algemeen streeft deze regeling ernaar de visgronden te beschermen, de biologische rijkdommen van de zee in stand te houden en een duurzame en evenwichtige exploitatie daarvan onder verantwoorde economische en sociale omstandigheden te waarborgen.
5. Om deze doelstellingen te bereiken, worden instandhoudings- en controlemaatregelen genomen.
6. Tot de laatstgenoemde maatregelen behoren ook de inspectie van de vissersvaartuigen en de controle van de visvangst. De rechtsgrondslag voor deze maatregelen vormt artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 junctis artikel 1, leden 1 en 2, en artikel 2, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2241/87.
7. Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 bepaalt onder meer:
De lidstaten stellen, in overeenstemming met de geldende communautaire bepalingen, de voorschriften vast voor het gebruik van de hun toegewezen quota. [...]"
8. Verordening nr. 170/83 is op 1 januari 1993 vervangen door verordening nr. 3760/92. Artikel 9, lid 2, van die verordening bevat een kennelijk vergelijkbare verplichting:
De lidstaten stellen de Commissie elk jaar in kennis van de criteria voor de verdeling van de hun toegewezen beschikbare vangsten en van de bepalingen betreffende het gebruik daarvan die zij in overeenstemming met het gemeenschapsrecht en het gemeenschappelijk visserijbeleid hebben vastgesteld."
9. Titel I van verordening nr. 2241/87 luidt Inspectie en controle van vissersvaartuigen en hun activiteiten". Artikel 1, lid 1, van deze verordening bepaalt ter concretisering van de in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 vastgelegde verplichting het volgende:
Teneinde te waarborgen dat alle geldende regelingen met betrekking tot de instandhoudings- en controlemaatregelen worden nageleefd, draagt iedere lidstaat op zijn grondgebied en in de onder zijn soevereiniteit of jurisdictie vallende maritieme wateren zorg voor controle op de uitoefening van de visserij en bijkomende activiteiten. Hij inspecteert de vissersvaartuigen en alle activiteiten ten aanzien waarvan inspectie de mogelijkheid biedt de naleving van deze verordening te verifiëren, met name de aanvoer, de verkoop en de opslag van vis, alsmede de registratie van de aanvoer en de verkoop."
10. Artikel 2 van verordening nr. 2241/87 luidt:
(1) De in artikel 1 bedoelde inspectie en controle worden door elke lidstaat voor eigen rekening uitgevoerd en verricht door een door deze lidstaat daartoe aangewezen inspectiedienst.
Bij de uitvoering van deze taak moeten de lidstaten erop toezien dat de in artikel 1 bedoelde bepalingen en maatregelen worden nageleefd. Bovendien moeten zij daarbij zodanig te werk gaan dat de normale visserijactiviteit niet nodeloos wordt gehinderd. [...]
(2) De personen die verantwoordelijk zijn voor de vissersvaartuigen die worden geïnspecteerd, verlenen hun medewerking aan inspecties overeenkomstig lid 1."
11. Verordening nr. 2241/87 is op 1 januari 1994 vervangen door verordening (EEG) nr. 2847/93. Artikel 2 van Titel I, Inspectie en controle van vissersvaartuigen en hun activiteiten", van laatstgenoemde verordening bepaalt:
(1) Teneinde te waarborgen dat alle geldende regelingen in verband met de instandhoudings- en controlemaatregelen worden nageleefd, verricht iedere lidstaat op zijn grondgebied en in de onder zijn soevereiniteit of jurisdictie vallende maritieme wateren controles op de uitoefening van de visserij en aanverwante activiteiten. Hij inspecteert de vissersvaartuigen en onderzoekt alle activiteiten op basis waarvan de naleving van deze verordening kan worden geverifieerd, waaronder de aanvoer, de verkoop, het vervoer en de opslag van visserijproducten, alsmede de registratie van de aanvoer en de verkoop.
(2) Vissersvaartuigen die visserijactiviteiten kunnen uitoefenen en onder de vlag van een derde land in maritieme wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van een lidstaat varen, worden onderworpen aan een regeling inzake melding van de verplaatsingen en van de vangsten die aan boord zijn.
De lidstaten delen de Commissie de uitvoeringsbepalingen mee die zijn vastgesteld om deze procedures te doen naleven.
(3) Iedere lidstaat controleert, buiten de communautaire visserijzone en voorzover deze controle nodig is om de communautaire regelingen voor die wateren te doen naleven, de visserijactiviteiten van de vissersvaartuigen die zijn vlag voeren.
(4) Teneinde te waarborgen dat de inspectie zo doeltreffend mogelijk en met zo min mogelijk kosten wordt uitgevoerd, coördineren de lidstaten hun controleactiviteiten. Zij kunnen daartoe gemeenschappelijke inspectieprogramma's opzetten die hen in staat stellen vissersvaartuigen uit de Gemeenschap in de in de leden 1 en 3 bedoelde wateren te inspecteren. Zij nemen maatregelen waarbij de bevoegde nationale autoriteiten en de Commissie in de gelegenheid worden gesteld elkaar regelmatig in te lichten over de opgedane ervaring."
12. De sluiting van de visserij is geregeld in artikel 11 van verordening nr. 2241/87 respectievelijk artikel 21 van verordening nr. 2847/93. Artikel 11, leden 1 en 2, van verordening nr. 2241/87, dat valt onder Titel III, Verbod van visserijactiviteiten", bepaalt het volgende:
(1) Alle vangsten door vaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren of die in een lidstaat zijn geregistreerd, uit een bestand of groep bestanden waarvoor quota gelden, worden, ongeacht de plaats van aanlanding, in mindering gebracht op het betrokken quotum.
(2) Iedere lidstaat stelt de datum vast waarop, ten gevolge van de vangsten uit een aan quota onderworpen bestand of groep bestanden, verricht door vissersvaartuigen die de vlag van die lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het voor deze lidstaat met betrekking tot dat bestand of die groep bestanden geldende quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt. Hij vaardigt met ingang van die datum een voorlopig verbod uit op het vangen van vis uit dat bestand of die groep bestanden door de bedoelde vaartuigen, alsmede op het aan boord houden, overladen en lossen voorzover de vangsten na die datum zijn gedaan en stelt een datum vast tot welke het overladen en het lossen of de laatste kennisgevingen over de vangsten zijn toegestaan. Deze maatregel wordt onverwijld medegedeeld aan de Commissie, die de overige lidstaten hiervan in kennis stelt."
13. Artikel 21, leden 1 en 2, van verordening nr. 2847/93, dat valt onder Titel IV, Regulering en sluiting van de visserij", bepaalt:
(1) Alle hoeveelheden die door vaartuigen uit de Gemeenschap zijn gevangen uit een bestand of groep bestanden waarvoor quota gelden, worden ongeacht de plaats van aanvoer in mindering gebracht op het quotum waarover de lidstaat van de vlag voor dat bestand of die groep bestanden beschikt.
(2) Iedere lidstaat stelt de datum vast waarop, ten gevolge van de vangsten uit een bestand of groep bestanden waarvoor quota gelden en die zijn verricht door vissersvaartuigen die de vlag voeren van of geregistreerd zijn in die lidstaat, het quotum van die lidstaat voor dat bestand of die groep bestanden wordt geacht volledig te zijn opgebruikt. Hij vaardigt met ingang van die datum een voorlopig verbod uit op de visserij op dat bestand of die groep bestanden door de betrokken vaartuigen, alsmede op het aan boord houden, overladen en aanvoeren van de hoeveelheden welke na die datum zijn gevangen, en stelt voorts vast tot welke datum het overladen en de aanvoer of de laatste vangstaangiften zijn toegestaan. Deze maatregel wordt onverwijld meegedeeld aan de Commissie, die de overige lidstaten hiervan in kennis stelt."
14. Ten slotte zijn de verplichtingen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten met betrekking tot strafrechtelijke en administratieve sancties vastgelegd in artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2241/87 respectievelijk artikel 31 van verordening nr. 2847/93, dat daarvoor in de plaats is gekomen.
15. Artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2241/87 bepaalt:
Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat bij een krachtens lid 1 uitgevoerde controle of inspectie constateren dat de geldende regelingen met betrekking tot de instandhoudings- en controlemaatregelen niet zijn nageleefd, worden tegen de kapitein van het betrokken vaartuig of tegen elke andere verantwoordelijke persoon strafrechtelijke of administratieve stappen ondernomen."
16. Artikel 31 van verordening nr. 2847/93 bepaalt van zijn kant:
(1) Wanneer de lidstaten, met name na een controle of inspectie op grond van deze verordening, constateren dat de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid niet zijn nageleefd, zien zij erop toe dat passende maatregelen worden getroffen, daaronder begrepen de inleiding, overeenkomstig hun nationale wetgeving, van een administratieve of strafrechtelijke actie tegen de verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersonen.
(2) De krachtens lid 1 ingeleide actie moet er, overeenkomstig de relevante bepalingen van de nationale wetgeving, voor kunnen zorgen dat het economisch voordeel van de verantwoordelijke personen wordt tenietgedaan, of leiden tot resultaten die in verhouding staan tot de ernst van de overtreding, zodat verdere overtredingen van hetzelfde type effectief worden ontraden.
(3) De sancties voortvloeiend uit de in lid 2 bedoelde actie kunnen, naar gelang van de ernst van de overtreding, het volgende behelzen:
- boetes,
- inbeslagneming van verboden vistuig en verboden vangsten,
- conservatoir beslag op het vaartuig,
- tijdelijke stillegging van het vaartuig,
- schorsing van de vergunning,
- intrekking van de vergunning.
(4) [...]"
III - Feiten, procesverloop en conclusies van partijen
17. De Commissie heeft tegen de Franse Republiek twee niet-nakomingsprocedures ingeleid, een betreffende de vangstseizoenen 1991 tot en met 1994, en een betreffende de vangstseizoenen 1995 en 1996.
A - De vangstseizoenen 1991 tot en met 1994
18. Bij brief van 16 januari 1996 maakte de Commissie de Franse regering erop attent dat de Franse visquota voor de vangstseizoenen 1991 tot en met 1994 ten aanzien van verschillende visbestanden waren overschreden. Zij verweet de Franse autoriteiten in dit verband met name hun controleverplichtingen niet te zijn nagekomen, en verzocht hen om mededeling van de gegevens betreffende de vangsten en de aanvoer waarop zij zich hadden gebaseerd om een voorlopig vangstverbod uit te vaardigen, alsmede van verdere gegevens over de eventueel tegen de voor de overbevissing verantwoordelijken (hierna: verantwoordelijken") ingeleide sanctieprocedures.
19. Bij brief van 16 april 1996 erkenden de Franse autoriteiten dat sprake was van overbevissing van de bestanden in kwestie. Zij meldden eveneens dat zij de processen-verbaal betreffende de ingeleide sanctieprocedures niet hadden kunnen terugvinden.
20. Bij aanmaningsbrief van 27 maart 1998 stelde de Commissie dat de Franse Republiek de op haar rustende verplichtingen inzake het toezicht op het beheer van de bestanden niet was nagekomen, met name door de visvangst niet tot nader order te verbieden toen bepaalde quota werden geacht volledig te zijn opgebruikt door vangsten van onder Franse vlag varende vaartuigen. Aangezien zij geen toereikende passende informatie had ontvangen, concludeerde de Commissie bovendien dat de Franse autoriteiten de bij de artikelen 2 en 31 van verordening nr. 2847/93 voorgeschreven strafrechtelijke of administratieve acties niet hadden ingeleid.
21. In hun antwoord van 7 augustus 1998 betwistten de Franse autoriteiten de beweerde niet-nakomingen en stelden zij dat zij alle noodzakelijke maatregelen hadden genomen zodra uit de beschikbare statistieken was gebleken dat een quotum was opgebruikt of bijna was opgebruikt.
22. Daar de Commissie van mening was dat deze brief de verdenking van niet-nakoming niet wegnam, zond zij de Franse Republiek op 30 september 1999 een met redenen omkleed advies. In haar brief van 7 december 1999 betwistte de Franse regering de door de Commissie vastgestelde quotaoverschrijdingen niet en erkende zij dat zij op basis van de destijds geldende nationale regeling niet in staat was geweest tijdig tot sluiting van de visserij over te gaan. Zij betoogde evenwel dat de ministeriële besluiten inzake voorlopige sluiting van de visserij vanaf 1998 via een spoedprocedure werden vastgesteld. Wat het verwijt van het ontbreken van strafrechtelijke of administratieve acties tegen de verantwoordelijken betreft, verklaarden de Franse autoriteiten dat zij hadden gekozen voor een systeem van collectief beheer van de visquota waarbij de producentenorganisaties die voor overbevissing verantwoordelijk waren, economische en administratieve sancties werden opgelegd.
B - De vangstseizoenen 1995 en 1996
23. Bij brieven van 3 februari en 11 november 1997 maakte de Commissie de Franse regering erop attent dat de Franse visquota voor de vangstseizoenen 1995 en 1996 ten aanzien van verschillende visbestanden waren overschreden zonder dat de visserij tijdig voorlopig was gesloten. Zij verzocht de Franse autoriteiten om mededeling van de gegevens betreffende de vangsten en de aanvoer waarop zij zich hadden gebaseerd om een voorlopig vangstverbod uit te vaardigen, alsmede van alle verdere gegevens over de eventuele strafrechtelijke en administratieve acties die tegen de verantwoordelijken waren ingeleid.
24. Bij brieven van 3 april 1997 en 26 januari 1998 maakten de Franse autoriteiten gewag van fouten in de door de Commissie voorgelegde cijfers en meldden zij dat zij de processen-verbaal betreffende de ingeleide strafrechtelijke of administratieve procedures niet hadden kunnen terugvinden. Zij betoogden bovendien dat de ministeriële besluiten tot voorlopige sluiting van de visserij reeds waren vastgesteld toen uit de statistieken was gebleken dat het quotum was opgebruikt.
25. Aangezien de Commissie van mening was dat de genoemde maatregelen niet geëigend waren om overbevissing in 1995 en 1996 te voorkomen, deed zij de Franse Republiek op 4 maart 1999 een aanmaningsbrief toekomen. Uit de door de Commissie opgestelde tabellen bleek dat in 1995 en 1996 voor elf visbestanden sprake van overbevissing was geweest. De Commissie stelde voorts dat de Franse autoriteiten hun verplichtingen inzake het toezicht op het beheer van de bestanden niet waren nagekomen, met name door de visvangst niet tot nader order te verbieden toen bepaalde quota werden geacht volledig te zijn opgebruikt door vangsten van onder Franse vlag varende vaartuigen en door geen strafrechtelijke of administratieve maatregelen tegen de verantwoordelijken te nemen.
26. In haar antwoord van 27 april 1999 betwistte de Franse regering de gestelde niet-nakomingen, in het bijzonder ten aanzien van makreel in 1996. Zij stelde dat ondanks alle noodzakelijke maatregelen die zij had genomen zodra uit de statistieken was gebleken dat een quotum was opgebruikt of bijna was opgebruikt, sommige overschrijdingen te wijten waren aan de aanlanding in het buitenland van onder de Franse vlag varende vaartuigen, die de Franse autoriteiten te laat was meegedeeld, terwijl andere het gevolg waren van de voortzetting van de visvangst tussen het tijdstip waarop tot sluiting was besloten en de uitvoering van dat besluit.
27. Daar de Commissie van mening was dat deze brief de verdenking van niet-nakoming niet wegnam, deed zij de Franse Republiek op 30 september 1999 een met redenen omkleed advies toekomen. In hun antwoord van 7 december 1999 betwistten de Franse autoriteiten de door de Commissie vastgestelde quotaoverschrijdingen niet, behoudens die betreffende makreel. Zij erkenden dat zij op basis van de destijds geldende nationale regeling niet in staat waren geweest tijdig tot sluiting van de visserij over te gaan, maar voerden aan dat vanaf 1998 een spoedprocedure was ingesteld voor de vaststelling van ministeriële besluiten inzake voorlopige sluiting van de visserij. Wat het verwijt van het ontbreken van strafrechtelijke of administratieve acties tegen de verantwoordelijken betreft, verklaarden de Franse autoriteiten dat zij hadden gekozen voor een systeem van collectief beheer van de visquota waarbij de producentenorganisaties die voor overbevissing verantwoordelijk waren, economische en administratieve sancties werden opgelegd.
C - Conclusies van partijen
28. Beide verzoekschriften zijn op 13 november 2000 neergelegd ter griffie van het Hof.
Zaak C-418/00
29. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
1. vast te stellen dat de Franse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 170/83, de artikelen 1 en 11, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 2241/87, de artikelen 2, 21, leden 1 en 2, en 31 van verordening (EEG) nr. 2847/93 en artikel 9, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3760/92, door
- niet de passende voorschriften te hebben vastgesteld voor het gebruik van de haar toegewezen quota voor de vangstseizoenen 1991, 1992, 1993 en 1994,
- niet door een adequate controle van de visserijactiviteiten alsmede door een passende inspectie van de aanvoer en de registratie van de vangsten te hebben toegezien op de naleving van de gemeenschapsregeling met betrekking tot de instandhouding van de bestanden,
- voor de vangstseizoenen 1991, 1992, 1993 en 1994 de visserij door onder de Franse vlag varende of in Frankrijk geregistreerde vissersvaartuigen niet voorlopig te hebben verboden toen de quota werden geacht door de betrokken vangsten te zijn opgebruikt, en door uiteindelijk de visserij te verbieden toen het quotum reeds ruimschoots was overschreden,
- geen strafrechtelijke of administratieve stappen te hebben ondernomen tegen de kapitein of iedere andere persoon die verantwoordelijk was voor visserijactiviteiten na de vangstverboden voor de vangstseizoenen 1991, 1992, 1993 en 1994;
2. de Franse Republiek in de kosten te verwijzen.
Zaak C-419/00
30. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
1. vast te stellen dat de Franse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 9, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3760/92, de artikelen 2, 21 en 31 van verordening (EEG) nr. 2847/93 junctis de verordeningen (EG) nr. 3362/94 en nr. 3074/95, door
- niet de passende voorschriften te hebben vastgesteld voor het gebruik van de haar toegewezen quota voor de vangstseizoenen 1995 en 1996,
- niet door een adequate controle van de visserijactiviteiten alsmede door een passende inspectie van de aanvoer en de registratie van de vangsten te hebben toegezien op de naleving van de gemeenschapsregeling met betrekking tot de instandhouding van de bestanden,
- voor de vangstseizoenen 1995 en 1996 de visserij door onder de Franse vlag varende of in Frankrijk geregistreerde vissersvaartuigen niet voorlopig te hebben verboden toen de quota werden geacht door de betrokken vangsten te zijn opgebruikt, en door uiteindelijk de visserij te verbieden toen het quotum reeds ruimschoots was overschreden,
- geen strafrechtelijke of administratieve stappen te hebben ondernomen tegen de kapitein of iedere andere persoon die verantwoordelijk was voor visserijactiviteiten na de vangstverboden voor de vangstseizoenen 1995 en 1996;
2. de Franse Republiek in de kosten te verwijzen.
31. In haar voor de twee zaken geldende verweerschrift heeft de Franse Republiek ervan afgezien een formele conclusie te formuleren. Zij verzoekt het Hof alleen het voorwerp en de gegrondheid van de beroepen in het licht van het gemeenschappelijk visserijbeleid te toetsen".
IV - Beoordeling rechtens
32. In haar memorie van repliek heeft de Commissie verzocht het verweerschrift van de Franse Republiek niet in aanmerking te nemen, op grond dat het niet voldoet aan de vormvoorschriften van artikel 40, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
33. Dit probleem deed zich reeds voor in zaak C-333/99, maar het Hof heeft het niet noodzakelijk geacht zich hierover uit te spreken.
34. In het onderhavige geval lijkt het mij met het oog op de eerbiediging van de rechten van de verdediging niet redelijk, het Franse verweerschrift - ongeacht het vraagstuk van de rechtsgrondslag - niet in aanmerking te nemen. Advocaat-generaal Alber heeft in zaak C-333/99 terecht voorgesteld, uit het feit dat verweer wordt gevoerd, te concluderen dat de vordering strekt tot verwerping van het beroep. Ik stel het Hof derhalve voor, het verweerschrift in deze zin aanvullend te interpreteren.
A - Ontvankelijkheid van de beroepen
1. Argumenten van partijen
35. De Franse Republiek betwijfelt in haar voor beide zaken ingediende verweerschrift of de twee beroepen ontvankelijk zijn, omdat deze kennelijk zijn ingesteld om een principiële veroordeling van Frankrijk te verkrijgen zonder dat rekening wordt gehouden met de inspanningen die deze lidstaat zich heeft getroost.
2. Beoordeling
36. Het Hof heeft zich reeds in zaak C-333/99 over dit argument gebogen.
37. In punt 23 herinnert het Hof aan zijn vaste jurisprudentie omtrent de ontvankelijkheid van beroepen wegens niet-nakoming:
Er zij aan herinnerd, dat de Commissie bij de uitoefening van haar aan de artikelen 211 EG en 226 EG ontleende bevoegdheden geen procesbelang behoeft aan te tonen, aangezien zij in het algemeen belang van de Gemeenschap ambtshalve erop moet toezien, dat de lidstaten het Verdrag toepassen en een eventuele niet-nakoming van de daaruit voortvloeiende verplichtingen met het oog op de beëindiging van die niet-nakoming moet doen vaststellen (arresten van 4 april 1974, Commissie/Frankrijk, 167/73, Jurispr. blz. 359, punt 15; 11 augustus 1995, Commissie/Duitsland, C-431/92, Jurispr. blz. I-2189, punt 21, en 9 november 1999, Commissie/Italië, C-365/97, Jurispr. blz. I-7773, punt 59)."
38. Uit deze rechtspraak volgt reeds dat beide beroepen ontvankelijk zijn.
B - Gegrondheid van de beroepen
1. Geen vaststelling van passende voorschriften voor het gebruik van de quota
Argumenten van partijen
39. In beide zaken verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat de Franse Republiek het Verdrag niet is nagekomen door onder meer geen passende voorschriften vast te stellen voor het gebruik van de deze lidstaat voor de betrokken periode toegekende visquota.
40. In de verzoekschriften wordt deze grief evenwel niet apart, maar in verband met een gestelde schending van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 respectievelijk artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3760/92 en de bijbehorende uitvoeringsbepalingen aan de orde gesteld.
41. Deze benadering komt overeen met die in zaak C-333/99.
42. In haar met redenen omkleed advies betoogt de Commissie dat de Franse autoriteiten - in weerwil van de krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 (zaak C-418/00), artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3760/92 (zaken C-418/00 en C-419/00) evenals artikel 21 van verordening nr. 2847/93 (zaak C-419/00) op hen rustende verplichtingen - kennelijk niet de per vangstwijze passende voorschriften voor het gebruik van de vangstquota hebben vastgesteld. Zij is van mening dat voor de quota die in de laatste maanden van de jaren 1991 tot en met 1996 waren opgebruikt, specifieke gebruiksvoorschriften noodzakelijk zouden zijn geweest, omdat hierdoor het toezicht op het tempo van het quotagebruik zou zijn verscherpt, hetgeen een tijdige sluiting van de visserij had kunnen vergemakkelijken.
Beoordeling
43. Ik stel voor dit middel samen met het middel dat berust op het ontbreken van controlemaatregelen, te behandelen.
2. Ontbreken van controlemaatregelen
Argumenten van partijen
44. De Commissie stelt dat artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 junctis de artikelen 1, lid 1, en 11 van verordening nr. 2241/87 (in zaak C-418/00), artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3760/92 (in beide zaken) en de artikelen 2 en 21 van verordening nr. 2847/93 (in zaak C-419/00) zijn geschonden.
45. Zij betoogt ten eerste dat de Franse autoriteiten geen voldoende gedifferentieerde en doeltreffende maatregelen voor het gebruik van de quota hebben vastgesteld. Ten tweede hebben zij niet voldoende toegezien op de uitoefening van de visserij en de hiermee verband houdende activiteiten. Ten slotte hebben zij de visserijvaartuigen niet adequaat geïnspecteerd en niet adequaat toegezien op de aanvoer, de verkoop en de opslag van de vis. Doeltreffende controlemaatregelen zouden naleving van de quota en een tijdige sluiting van de visserij mogelijk hebben gemaakt.
46. De Commissie benadrukt in het bijzonder dat de quotaoverschrijdingen die blijken uit de bij de twee aanmaningsbrieven gevoegde tabellen, aantonen dat de Franse autoriteiten de vereiste controlemaatregelen niet tijdig genoeg hebben genomen om de overschrijdingen van de toegekende quota voor de in deze tabellen genoemde soorten te kunnen voorkomen. Onder verwijzing naar zaak 262/87 stelt zij dat een lidstaat die bij de invoering van een doeltreffend controlemechanisme met praktische problemen geconfronteerd wordt, verplicht is deze door het uitvaardigen van passende maatregelen op te lossen.
47. In haar verweerschrift stelt de Franse regering om te beginnen dat ondanks de verbetering van het quotabeheer in het binnenland, er nog steeds een probleem bestaat met betrekking tot de Franse aanlandingen in het buitenland. Aangezien de Franse autoriteiten slechts na verloop van tijd in kennis worden gesteld van deze aanlandingen, is het mogelijk dat quota worden overschreden.
48. De Commissie repliceert dat de nationale autoriteiten over een instrument" dienen te beschikken dat hen onverwijld informeert over vangsten die door onder de Franse vlag varende vaartuigen in het buitenland worden aangeland. Overeenkomstig punt 4.2.2 van bijlage IV bij verordening (EEG) nr. 2807/83 dienen de kapiteins de Franse autoriteiten namelijk het originele formulier van het zogeheten logboek evenals de eerste kopie van de aangifte van aanvoer binnen 48 uur na afloop van de lossing toe te zenden. De Franse regering heeft geen informatie over desbetreffende controles overgelegd.
49. Ten aanzien van het vangstseizoen 1996 betwist de Franse regering alleen de door de Commissie gestelde overschrijding van het makreelquotum. Zij wijst in dit verband op de flexibiliteitsregelingen voor overdracht van makreelvangsten tussen de oostelijke en westelijke bestanden, waarin is voorzien bij verordening nr. 3074/95. In wezen komt dit erop neer dat een deel van de totaal toegestane vangst van het westelijke bestand (ten belope van 65 000 ton) gedurende het laatste trimester van het jaar in de het oostelijke bestand omvattende ICES-gebieden II a (EG-zone), III a, III b, c, d en IV kan worden gevist.
50. Dankzij deze regelingen kunnen Franse vissers naast het nationale quotum voor het oostelijke bestand nog eens maximaal 2 770 ton makreel vissen in de Noordzee. Bijgevolg moet het verschil tussen de daadwerkelijke vangsthoeveelheden en het quotum van 1 270 ton worden verrekend met deze flexibiliteitsmarge van 2 770 ton, zodat het quotum niet is overschreden.
51. De Commissie merkt echter op dat ondanks de flexibiliteitsregeling het totale quotum is overschreden. Desondanks is echter geen mededeling gedaan van maatregelen tegen de voor de overschrijding verantwoordelijken.
52. Voorts betwist de Franse regering een eventuele quotumoverschrijding voor haring in de gebieden V b, VI a N en VI b. De Commissie stelt van haar kant dat zij is uitgegaan van de door de Franse autoriteiten overeenkomstig artikel 15, lid 1, van verordening nr. 2847/93 verstrekte gegevens. Zij kan geen rekening houden met gegevens die de Franse autoriteiten pas jaren later overleggen.
53. De Franse regering benadrukt ten slotte dat zij ernaar heeft gestreefd de overschrijdingen te verminderen, zodat de quotaoverschrijdingen van 1988 tot en met 1999 een duidelijke neerwaartse trend vertoonden.
Beoordeling
54. Om te beginnen worden de door de Commissie gelaakte quotaoverschrijdingen door Frankrijk - net als in zaak C-333/99 - in wezen niet betwist. Ook de tegenwerpingen van Frankrijk omtrent de makreelvangst in het vangstseizoen 1996 doen hieraan niet af. Ten aanzien van het vangstseizoen 1996 verwijt de Commissie deze lidstaat nog drie quotaoverschrijdingen. De Franse regering heeft in dit verband in elk geval niet omstandig aangetoond dat de het quotum overschrijdende hoeveelheid is gevangen in gebieden die onder de flexibiliteitsregeling vallen. Bovendien stelt de Commissie ten aanzien van haring terecht vast dat zij geen gegevens in aanmerking behoeft te nemen die pas in de loop van de procedure zijn verstrekt, aangezien de aanvoerhoeveelheden binnen een bepaalde termijn aan de Commissie moeten worden gemeld.
55. Onbetwist is voorts dat bij meerdere bestanden de aanvoer ook na uitvaardiging van het nationale vangstverbod werd voortgezet.
56. Ook het feit dat de quota in de betrokken periode bij herhaling werden overschreden, wordt in wezen niet betwist. Ten aanzien van de vangstseizoenen 1991 tot en met 1994 constateert de Commissie jaarlijks twee tot vier quotaoverschrijdingen, in de twee daaropvolgende jaren zelfs vier respectievelijk zeven. De Franse Republiek beperkt zich ertoe op haar inspanningen te wijzen en te benadrukken dat het beheer van de visbestanden haars inziens trendmatig is verbeterd. Dienaangaande merkte het Hof reeds in zijn arrest van 1 februari 2001 op: Dergelijke inspanningen kunnen, ook al hebben zij tot een vermindering van de overschrijdingen van de quota geleid, geen verontschuldiging vormen voor het vastgestelde verzuim."
57. Het argument van de Franse regering dat het moeilijk is de aanvoer in het buitenland statistisch vast te leggen, kan deze grief evenmin weerleggen. Afgezien van het feit dat het Franse argument aangaande de oorzaken van de quotaoverschrijding niet onderbouwd is, benadrukt de Commissie namelijk terecht dat de communautaire regeling dit probleem heeft onderkend door te voorzien in specifieke meldingsplichten voor aanvoer in het buitenland. Zelfs wanneer de herhaalde quotaoverschrijdingen te wijten zouden zijn aan aanlandingen in het buitenland, was de Franse Republiek verplicht te controleren of de meldingsplicht werd nageleefd. De herhaalde overschrijdingen duiden echter erop dat dit niet is gebeurd. Overigens wijs ik erop dat volgens vaste jurisprudentie de oorzaak van de niet-nakoming in een niet-nakomingsprocedure principieel niet relevant is.
58. De nieuwe communautaire voorschriften hebben geen wezenlijke verandering gebracht in de controle- en toezichtplichten van de lidstaten.
59. De overbevissing was dus kennelijk alleen maar mogelijk omdat de Franse autoriteiten zich niet van hun controleplichten hebben gekweten.
60. Hieruit leid ik af dat de Franse Republiek de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83, de artikelen 1, leden en 2, en 2, lid 2, van verordening nr. 2241/87 evenals artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3760/92 en artikel 2 van verordening nr. 2847/93, niet is nagekomen door niet de passende voorschriften te hebben vastgesteld voor het gebruik van de haar toegewezen quota voor de vangstseizoenen 1991 tot en met 1996 en door niet door een adequate controle van de visserijactiviteiten alsmede door een passende inspectie van de aanvoer en de registratie van de vangsten te hebben toegezien op de naleving van de gemeenschapsregeling met betrekking tot de instandhouding van de bestanden.
3. Te late sluiting van de visserij
Argumenten van partijen
61. Onder verwijzing naar het arrest in zaak C-52/95 is de Commissie van mening dat Frankrijk artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2241/87 niet heeft nageleefd. Overeenkomstig dit voorschrift moet iedere lidstaat op basis van de beschikbare informatie over de vangsthoeveelheden de vermoedelijke datum voor de uitputting van het quotum vaststellen en de noodzakelijke maatregelen nemen om de visserijactiviteit vanaf dat tijdstip te verbieden. Volgens de Commissie is deze analyse ook van toepassing op het daarvoor in de plaats gekomen artikel 21, lid 2, van verordening nr. 2847/93, omdat dit op soortgelijke wijze is geformuleerd.
62. De Commissie wijst erop dat de Franse autoriteiten de visserij bijzonder laat hebben gesloten, aangezien het besluit ter zake in verschillende gevallen pas twee of drie maanden na overschrijding van de vastgestelde quota werd genomen.
63. De Franse regering stelt dat de door de nationale autoriteiten gebruikte gegevens afkomstig zijn uit de maandelijkse vangstverslagen aan de Commissie, die deze in staat moeten stellen vangstverboden uit te vaardigen. Bovendien zijn de vangstgegevens voor een bepaalde maand pas vanaf de tiende dag van de daaropvolgende maand beschikbaar.
64. Zij betoogt voorts dat zij met het sluiten van de visserij niet heeft gewacht tot de quota waren opgebruikt. Volgens Frans recht verstrijkt evenwel een termijn van vijftien dagen tussen het besluit tot sluiting en de inwerkingtreding hiervan door bekendmaking in het staatsblad (Journal officiel de la République française). De overschrijdingen zijn te wijten aan de voortzetting van de visserij in die periode. Toen werd vastgesteld dat deze termijn buitensporig lang was, is een spoedprocedure ingevoerd om deze tot zes dagen in te korten.
65. De Commissie stelt hier tegenover dat de lidstaat verplicht is, bij de vaststelling van de datum van inwerkingtreding rekening te houden met de tijd die verstrijkt tussen de uitvaardiging van het vangstverbod en de daadwerkelijke uitvoering hiervan na bekendmaking. Hieruit concludeert zij dat de Franse Republiek de krachtens artikel 21, lid 2, van verordening nr. 2847/93 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door de visvangst niet voorlopig te verbieden.
Beoordeling
66. In zijn arrest van 1 februari 2001 herinnerde het Hof aan zijn rechtspraak tot dusver aangaande het belang van een tijdige sluiting van de visserij.
67. De Commissie verwijt de Franse Republiek in wezen, het besluit inzake voorlopige sluiting van de visserij ofwel in het geheel niet ofwel te laat te hebben uitgevaardigd. De gegevens waarop de Commissie zich baseert, worden in het geheel niet betwist. Derhalve concludeer ik dat in de vangstseizoenen die voorwerp zijn van de onderhavige procedure, het besluit inzake voorlopige sluiting van de visserij ofwel in het geheel niet ofwel te laat is uitgevaardigd in de door de Commissie genoemde gevallen.
68. Ik benadruk ook in deze context dat de nieuwe communautaire bepalingen geen wezenlijke wijziging hebben gebracht in de rechtssituatie in kwestie.
69. Ook wat de door de Franse Republiek aangevoerde technische problemen of publicatietermijnen voor ministeriële besluiten betreft, kan worden volstaan met een verwijzing naar de reeds aangehaalde vaste jurisprudentie van het Hof.
70. Ik stel derhalve vast dat de Franse Republiek de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2241/87 respectievelijk artikel 21, lid 2, van verordening nr. 2847/93 niet is nagekomen door in de vangstseizoenen 1991 tot en met 1994 respectievelijk 1995 en 1996 de visserij door onder de Franse vlag varende of in Frankrijk geregistreerde vissersvaartuigen niet tot nader order te hebben verboden, alhoewel het desbetreffende quotum op grond van de vangsten werd geacht te zijn opgebruikt, en door in sommige gevallen de visserij uiteindelijk te verbieden toen het quotum reeds ruimschoots was overschreden.
4. Ontbreken van strafrechtelijke of administratieve sancties
Argumenten van partijen
71. Eveneens onder verwijzing naar het arrest in zaak C-52/95 herinnert de Commissie eraan dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat op grond van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2241/87 respectievelijk artikel 2 van verordening nr. 2847/93 gehouden zijn, in geval van schending van de regeling inzake instandhoudings- en controlemaatregelen strafrechtelijke of administratieve stappen tegen de verantwoordelijken te ondernemen. De Commissie is van mening dat de regeling van artikel 31 van verordening nr. 2847/93 hierin geen verandering brengt.
72. Zij verwijst in dit verband in het bijzonder naar artikel 31, lid 2, van verordening nr. 2847/93.
73. Aangezien het Franse argument dat de processen-verbaal niet kunnen worden teruggevonden, irrelevant is en niet kan worden aangetoond dat sanctieprocedures tegen de producentenorganisaties zijn ingeleid, concludeert de Commissie dat de Franse autoriteiten de vereiste procedures niet hebben ingeleid.
74. De Franse regering wil een onderscheid maken tussen de - administratieve - sancties tegen de producentenorganisaties en de - strafrechtelijke - sancties tegen de vissers. Zij betoogt dat de sancties tegen de producentenorganisaties, die zijn belast met het beheer van de nationale quota, van economische aard zijn, voorzover, zodra het aan een bepaalde organisatie toegekende subquotum is overschreden, bij de berekening van de sleutel voor de verdeling van het nationale quotum tussen de producentenorganisaties in het daaropvolgende jaar, de desbetreffende hoeveelheid in mindering wordt gebracht.
75. De Commissie acht deze maatregelen ontoereikend, aangezien de Franse regering zich niet reeds van haar in het gemeenschapsrecht verankerde verplichtingen kan ontdoen om afzonderlijke vissers sancties op te leggen, door het quotabeheer aan producentenorganisaties over te laten en deze verantwoordelijk te stellen voor eventuele overschrijdingen. Voorts kan het collectieve stelsel met de producentenorganisaties geen vervanging bieden voor doeltreffende sancties in de zin van artikel 31 van verordening nr. 2847/93.
76. De Franse regering erkent dat deze maatregelen ontoereikend zijn, in het bijzonder in gevallen waarin de overschrijding van een subquotum de overschrijding van het nationale quotum tot gevolg heeft. Derhalve is er een decreet in voorbereiding dat de sancties tegen de afzonderlijke, voor de quotaoverschrijdingen verantwoordelijke producentenorganisaties in detail dient te regelen. De Commissie verklaart dat zij in strijd met artikel 38, lid 2, van verordening nr. 2847/93 niet van dit ontwerpdecreet op de hoogte is gebracht.
77. Aangaande de aan de vissers op te leggen strafrechtelijke sancties stelt de Franse regering dat de wijzigingen in de vangsthoeveelheden na sluiting van de visserij niet te wijten zijn aan een onrechtmatige voortzetting van de visserij, maar het gevolg zijn van statistische rectificaties met betrekking tot de vóór de sluiting verrichte vangsten.
78. Voorts stellen sancties van strafrechtelijke aard een in het nationale staatsblad bekendgemaakt besluit van de bevoegde minister inzake sluiting van de visserij voor een bepaalde soort en een bepaalde vangstzone voorop, alsmede vaststelling van deze overtreding, meestal op zee, door een beëdigd ambtenaar.
79. Onder verwijzing naar punt 52 van het arrest Commissie/Frankrijk, merkt de Commissie op dat een overtreding in een haven kan worden vastgesteld, onder meer bij de aanvoer of de overlading van de vangsten.
Beoordeling
80. In zaak C-333/99 heeft het Hof een schending van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 en artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2241/87 afgeleid uit het feit dat een verplichting om strafrechtelijke of administratieve stappen te ondernemen tegen de verantwoordelijken, rechtstreeks voortvloeit uit artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2241/87, terwijl de Franse regering had gesteld dat zij pas in 1997 - overeenkomstig verordening (EG) nr. 847/96 - een stelsel van administratieve sancties bij overschrijding van de quota had ingevoerd.
81. Dit argument van de Franse regering in zaak C-333/99 kan met het oog op de logica van haar redenering in de onderhavige zaken niet buiten beschouwing worden gelaten.
82. Ik stel vast dat ten aanzien van de vangstseizoenen 1991 tot en met 1994 het ontbreken van strafrechtelijke sancties in wezen niet wordt betwist.
83. Dit betekent dat het argument van Frankrijk aangaande de voorwaarden voor strafrechtelijke vervolging overeenkomstig nationaal recht irrelevant is. Het Hof overwoog op dit punt in het arrest Commissie/Frankrijk als volgt: Volgens vaste rechtspraak kan een lidstaat zich, ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit communautaire voorschriften voortvloeiende verplichtingen en termijnen, evenwel niet ten exceptieve beroepen op bepalingen, praktijken of sancties van zijn nationale rechtsorde [...]."
84. Wat de administratieve sancties betreft, lijkt het stelsel van collectief quotabeheer niet geschikt om te voldoen aan de communautaire vereisten inzake bestraffing van quotaoverschrijdingen. Het stelsel beperkt zich namelijk ertoe, de hoeveelheid die een bepaalde producentenorganisatie boven haar subquotum heeft gevangen, af te trekken van haar toekomstige subquotum. Dit betekent dat de voor de overbevissing verantwoordelijke producentenorganisatie niet ertoe wordt aangezet het subquotum te eerbiedigen, aangezien de overbevissing voor haar in eerste instantie geen negatieve gevolgen heeft. Ook herhaling wordt hierdoor niet voorkomen, aangezien de aftrek naar believen kan worden herhaald. Mocht de totale aftrek even hoog zijn als het subquotum voordat de visserij in een bepaald vangstseizoen op gang komt, waarborgt het stelsel namelijk niet dat de betrokken producentenorganisatie in de uitoefening van de activiteit wordt gehinderd.
85. Overigens heeft de Franse regering in zaak C-333/99 uitdrukkelijk erkend dat zij pas in 1997 een stelsel van administratieve sancties heeft ingevoerd.
86. Met betrekking tot de vangstseizoenen 1995 en 1996 merk ik algemeen op dat artikel 31 van verordening nr. 2847/93 de verplichtingen van de lidstaten aangaande de op te leggen sancties heeft aangescherpt, voorzover deze sancties thans ervoor moeten kunnen zorgen dat het economisch voordeel van de verantwoordelijke personen wordt tenietgedaan, of [moeten] leiden tot resultaten die in verhouding staan tot de ernst van de overtreding, zodat verdere overtredingen van hetzelfde type effectief worden ontraden".
87. De Commissie stelt derhalve terecht dat het Franse stelsel vooral in deze periode ontoereikend was. Het collectieve quotabeheer lijkt niet zozeer op een sanctiestelsel, maar veeleer op een stelsel voor de exploitatie van de quota.
88. Ik concludeer in het licht van het voorgaande dat de Franse Republiek de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 junctis artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2241/87 respectievelijk artikel 31 van verordening nr. 2847/93 niet is nagekomen door geen strafrechtelijke of administratieve stappen te hebben ondernomen tegen de kapitein of iedere andere persoon die verantwoordelijk was voor visserijactiviteiten na de vangstverboden voor de vangstseizoenen 1991 tot en met 1996.
V - Kosten
89. Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk moet worden gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
VI - Conclusie
90. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, vast te stellen:
In zaak C-418/00:
1. De Franse Republiek is de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens (i) artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden, junctis artikel 1, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 2241/87 van de Raad van 23 juli 1987 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de visserijactiviteiten, respectievelijk artikel 9, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur, en artikel 2 van verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid; (ii) artikel 11, leden 1 en 2, van verordening nr. 2241/87 respectievelijk artikel 21, leden 1 en 2, van verordening nr. 2847/93, en (iii) artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 junctis artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2241/87 respectievelijk artikel 31 van verordening nr. 2847/93, door
- niet de noodzakelijke gedetailleerde voorschriften te hebben vastgesteld voor het gebruik van de haar voor de vangstseizoenen 1991 tot en met 1994 toegewezen quota en door in die seizoenen niet door een toereikende controle op de uitoefening van de visserij, alsmede door een passende inspectie van de vissersvaartuigen, de aanvoer en de registratie van de vangsten, op de naleving van de gemeenschapsregeling inzake instandhouding van de soorten te hebben toegezien,
- voor de vangstseizoenen 1991 tot en met 1994 de visserij door onder de Franse vlag varende of in Frankrijk geregistreerde vissersvaartuigen niet tot nader order te hebben verboden, ofschoon het quotum werd geacht door de betrokken vangsten te zijn uitgeput, en mogelijkerwijs door uiteindelijk de visserij te verbieden toen het quotum reeds ruimschoots was overschreden, en
- geen strafrechtelijke of administratieve stappen te hebben ondernomen tegen de kapitein of iedere andere persoon die verantwoordelijk was voor visserijactiviteiten na de vangstverboden voor de vangstseizoen 1991 tot en met 1994.
2. De Franse Republiek wordt in de kosten verwezen.
In zaak C-419/00:
1. De Franse Republiek is de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens (i) artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3760/92 en artikel 2 van verordening nr. 2847/93, (ii) artikel 21, leden 1 en 2, van verordening nr. 2847/93, en (iii) artikel 31 van verordening nr. 2847/93, door
- niet de noodzakelijke gedetailleerde voorschriften te hebben vastgesteld voor het gebruik van de haar voor de vangstseizoenen 1995 en 1996 toegewezen quota en door in die twee seizoenen niet door een toereikende controle op de uitoefening van de visserij, alsmede door een passende inspectie van de vissersvaartuigen, de aanvoer en de registratie van de vangsten, op de naleving van de gemeenschapsregeling inzake instandhouding van de soorten te hebben toegezien,
- voor de vangstseizoenen 1995 en 1996 de visserij door onder de Franse vlag varende of in Frankrijk geregistreerde vissersvaartuigen niet tot nader order te hebben verboden, ofschoon het quotum werd geacht door de betrokken vangsten te zijn uitgeput, en mogelijkerwijs door uiteindelijk de visserij te verbieden toen het quotum reeds ruimschoots was overschreden, en
- geen strafrechtelijke of administratieve stappen te hebben ondernomen tegen de kapitein of iedere andere persoon die verantwoordelijk was voor visserijactiviteiten na de vangstverboden voor de vangstseizoenen 1995 en 1996.
2. De Franse Republiek wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy