Conclusie van de advocaat generaal
1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing heeft ten doel vast te stellen hoe de douanewaarde van bepaalde soorten groenten en fruit die vanuit derde landen in de Gemeenschap worden ingevoerd, moet worden berekend. De betrokken groenten en fruit zijn opgenomen in de bijlage bij verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit.
2. Op de in deze regeling bedoelde groenten en fruit is een gemengd douanerecht van toepassing. Het recht bestaat uit twee gedeelten, te weten een ad valorem-recht uitgedrukt als percentage van de waarde van de goederen en een specifiek recht dat wordt uitgedrukt in ecu per 100 kg netto. Het ad valorem-recht wordt berekend op basis van de douanewaarde van de goederen, terwijl het specifieke recht wordt berekend op basis van de invoerprijs" van het product in de Gemeenschap.
3. In deze zaak verschillen de partijen van mening over de wijze waarop de douanewaarde van deze groenten en fruit moet worden berekend. Het Verenigd Koninkrijk van Groot Brittannië en Noord-Ierland is van mening dat de douanewaarde moet worden vastgesteld op basis van de invoerprijs van de producten ingevolge artikel 5 van verordening nr. 3223/94. Daartegenover betoogt Capespan International plc (hierna: Capespan") dat de douanewaarde moet worden bepaald volgens de regels van de verordeningen (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek en (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92.
I - De feiten en de prejudiciële vragen
4. Capespan is een importeur van fruit die is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. In de periode van 18 maart 1997 tot en met 24 augustus 1998 voerde zij fruit - met name appels - in uit Zuid-Afrika. Dat fruit werd in de Gemeenschap verkocht tegen een voorlopige prijs, die aan het einde van het seizoen werd aangepast.
5. Voor de bepaling van de douanewaarde van het geïmporteerde fruit meende Capespan zich te kunnen baseren op de bepaling van artikel 29 van het douanewetboek. Die bepaling houdt in dat de douanewaarde van de goederen overeenkomt met de transactiewaarde", dus met de prijs die in werkelijkheid is of moet worden betaald voor de producten. Aangezien evenwel de definitieve prijs van het fruit niet bekend was op het moment van invoer, heeft Capespan op grond van artikel 254 van de toepassingsverordening een voorlopige vermelding van de douanewaarde gegeven.
6. De douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk - de Commissioners of Customs & Excise - hebben de geldigheid van de door Capespan gehanteerde methode aangevochten.
7. Enerzijds waren zij van mening dat de douanewaarde van het betrokken fruit niet kon worden berekend op basis van artikel 29 van het douanewetboek. Aangezien het fruit valt binnen de werkingssfeer van verordening nr. 3223/94, moet de douanewaarde worden bepaald op basis van de invoerprijs van de producten in de Gemeenschap. Anderzijds mocht Capespan huns inziens geen voorlopige vermelding van de douanewaarde van de producten ingevolge artikel 254 van de toepassingsverordening geven. Derhalve hebben zij van haar een bedrag van 2 884 279 GBP gevorderd voor de importen die in de litigieuze periode waren verricht.
8. Capespan stelde beroep in bij het VAT and Duties Tribunal, London (Verenigd Koninkrijk). Het Tribunal heeft overwogen dat de beslissing van het geschil afhing van de uitlegging van de communautaire bepalingen waarop partijen een beroep deden. Het heeft daarom besloten de behandeling te schorsen en aan het Hof de navolgende prejudiciële vragen voor te leggen:
1) Moet de douanewaarde van producten die zijn opgenomen in de bijlage bij verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1890/96 van de Commissie, en in de periode van 18 maart 1997 tot 18 juli 1998, de datum waarop verordening (EG) nr. 1498/98 van de Commissie tot wijziging van artikel 5 van verordening nr. 3223/94 in werking is getreden, in de Europese Gemeenschap zijn ingevoerd, worden bepaald
a) volgens de regels van hoofdstuk 3 van titel II (namelijk de artikelen 28 tot en met 36) van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad en de regels van titel V (namelijk de artikelen 141 tot en met 181 bis) van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie, dan wel
b) volgens artikel 5 van verordening nr. 3223/94?
2) Wanneer de douanewaarde niet volgens een van die methoden moet worden bepaald, op welke basis moet de douanewaarde van die producten dan wel worden bepaald?
3) Is verordening nr. 1498/98, waarbij artikel 5 van verordening nr. 3223/94 [...] met ingang van 18 juli 1998 is gewijzigd, geldig?
4) Indien verordening nr. 1498/98 ongeldig is, hoe moet dan de douanewaarde van producten van de in de eerste vraag bedoelde soort, die vanaf 18 juli 1998 in de Europese Gemeenschap zijn ingevoerd, worden bepaald?
5) Ongeacht of verordening nr. 1498/98 al dan niet geldig is, sluit verordening nr. 3223/94 uit dat een voorlopige vermelding van de douanewaarde overeenkomstig artikel 254 van de toepassingsbepalingen wordt gegeven?"
II - Bepalingen van gemeenschapsrecht
9. De relevante bepalingen voor het onderzoek van de prejudiciële vragen zijn te vinden in de douanewetgeving en in de landbouwwetgeving. Ter verduidelijking geef ik die bepalingen weer in hun algemene context.
A - De douanewetgeving
10. De douanewetgeving bestaat in hoofdzaak uit het douanewetboek en de toepassingsverordening.
11. Het douanewetboek bepaalt dat de invoerrechten gebaseerd zijn op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen. Het preciseert dat het tarief de gecombineerde nomenclatuur van de goederen alsmede de percentages en de andere toepasselijke heffingsgrondslagen met betrekking tot de douanerechten en de landbouwheffingen omvat.
12. Op 23 juli 1987 heeft de Raad verordening (EEG) nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief vastgesteld. Bijlage I bij die verordening bevat de gecombineerde nomenclatuur en de tabel der rechten van het gemeenschappelijk douanetarief. Die bijlage wordt jaarlijks gewijzigd en de relevante versie in deze procedure is:
- voor het jaar 1997, verordening (EG) nr. 1734/96 van de Commissie van 9 september 1996 tot wijziging van bijlage I van verordening nr. 2658/87.
- voor het jaar 1998, verordening (EG) nr. 2086/97 van de Commissie van 4 november 1997 tot wijziging van bijlage I van verordening nr. 2658/87.
13. Voor groenten en fruit vallend onder verordening nr. 3223/94 bevat bijlage I bij verordening nr. 2658/87 de gecombineerde nomenclatuur en de tabel van rechten met betrekking tot producten waarop een invoerprijs van toepassing is". Zij preciseert dat de regels voor vaststelling van de invoerprijs zijn neergelegd in verordening nr. 3223/94.
14. Groenten en fruit vallen volgens die tabel onder een gemengd douanerecht. Het recht bestaat uit twee gedeelten: te weten een ad valorem-recht uitgedrukt als percentage van de waarde van de goederen en een specifiek recht dat wordt uitgedrukt in ecu per 100 kg netto. Het ad valorem-recht wordt berekend op basis van de waarde van het product, terwijl het specifieke recht wordt berekend op basis van de invoerprijs. Bovendien is het specifieke recht omgekeerd evenredig aan de invoerprijs. Dat betekent dat naarmate de invoerprijs lager is, het specifieke recht hoger is.
15. Met de invoerprijs kan dus de tariefindeling van groenten en fruit evenals het tarief van de toepasselijke rechten (ad valorem-recht en specifiek recht) worden vastgesteld. Daarover zijn de partijen in deze procedure het eens. Daarentegen verschillen zij van mening over de manier waarop de douanewaarde van de producten moet worden berekend. Het Verenigd Koninkrijk en de Commissie menen dat de invoerprijs eveneens moet dienen om de douanewaarde van groenten en fruit te bepalen. Daartegenover betoogt Capespan dat die waarde moet worden bepaald op basis van de artikelen 29 tot 36 van het douanewetboek.
16. De artikelen 29 tot en met 36 bevatten regels krachtens welke de douanewaarde [wordt] vastgesteld voor de toepassing van het [gemeenschappelijk] douanetarief [...] en van [...] maatregelen [...] die in het kader van het goederenverkeer bij specifieke communautaire bepalingen zijn vastgesteld".
17. Genoemde artikelen geven zes berekeningsmethoden. Die methoden zijn opeenvolgend, zodat als de douanewaarde niet op basis van een methode kan worden vastgesteld, wordt overgegaan tot de onmiddellijk daaropvolgende methode. Krachtens die bepalingen is de douanewaarde:
a) de transactiewaarde" van het product, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap worden verkocht (artikel 29, lid 1, van het wetboek);
b) de transactiewaarde van identieke goederen die voor uitvoer naar de Gemeenschap zijn verkocht en op hetzelfde tijdstip zijn uitgevoerd als de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald (artikel 30, lid 2, sub a, van het wetboek);
c) de transactiewaarde van soortgelijke goederen die voor uitvoer naar de Gemeenschap zijn verkocht en op hetzelfde tijdstip zijn uitgevoerd als de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald (artikel 30, lid 2, sub b, van het wetboek);
d) de waarde die berust op de prijs per eenheid bij verkoop in de Gemeenschap van de ingevoerde goederen of van ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in de grootste totale hoeveelheid (artikel 30, lid 2, sub c, van het wetboek);
e) een aangenomen" waarde bestaande uit de som van de fabricagekosten van de goederen, een bedrag voor winst en bedrijfskosten, alsmede de transportkosten en kosten van verzekering van de goederen, tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap (artikel 30, lid 2, sub d, van het wetboek);
f) een waarde vastgesteld aan de hand van de in de Gemeenschap beschikbare gegevens (artikel 31 van het wetboek).
18. Artikel 36, lid 2, van het douanewetboek bevat een uitzondering voor aan bederf onderhevige goederen die gewoonlijk met toepassing van de handelsregeling inzake consignatieverkoop worden geleverd. De consignatieverkoop is de handelsregeling die erin bestaat de goederen op te slaan met het oog op latere verkoop. In dat geval kan de importeur vragen dat de douanewaarde berekend wordt volgens de vereenvoudigde regeling van de artikelen 173 tot en met 177 van de toepassingsverordening.
19. Krachtens die regels kan de douanewaarde van groenten en fruit worden berekend op basis van een referentie-eenheidswaarde". In dat vrij ingewikkelde systeem wordt de waarde van de goederen bepaald op basis van hun prijzen op bepaalde internationale markten. Om de veertien dagen moet de Commissie voor ieder product een eenheidswaarde, uitgedrukt in de munteenheden van de lidstaten, per 100 kg nettogewicht berekenen. De eenheidswaarde wordt berekend op basis van:
- de gemiddelde eenheidsprijs berekend op basis van de prijzen voor partijen producten in bepaalde handelscentra. Die eenheidsprijs is gebaseerd op de verkoopprijzen tussen importeurs en grossiers en moet worden verminderd met: een handelsmarge van 15 %, de kosten van vervoer en verzekering binnen de Gemeenschap, een forfaitair bedrag van 5 ecu en de rechten bij invoer en andere heffingen die niet in de douanewaarde moeten worden begrepen.
- de per kalenderjaar in het vrije verkeer gebrachte hoeveelheden welke zijn onderworpen aan de heffing van rechten bij invoer.
20. De eenheidswaarde komt overeen met het gewogen gemiddelde van de gemiddelde eenheidsprijzen al naar gelang van de hoeveelheden producten die in het vrije verkeer zijn gebracht. Het gebruik van dat systeem is facultatief voor de importeur. Maakt hij gebruik van dit systeem, dan wordt de douanewaarde van zijn producten bepaald op de in de betrokken periode geldende eenheidswaarde. De eenheidswaarden worden voor tijdvakken van telkens veertien dagen toegepast.
21. Het douanewetboek bevat eveneens vereenvoudigde regels voor de formaliteiten van de douaneaangifte. In principe moet de importeur zijn aangifte stellen op een officieel formulier. Bovendien moet de aangifte alle vermeldingen bevatten die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen van de douaneregeling.
22. Evenwel voorziet artikel 76 van het douanewetboek erin dat de importeur in bepaalde gevallen bepaalde vermeldingen in zijn aangifte kan overslaan. Zo kan de importeur die niet in staat is om voor goederen waarop ad valorem-rechten van toepassing zijn, een definitieve douanewaarde aan te geven, ingevolge artikel 254 van de toepassingsverordening een voorlopige vermelding van de waarde geven. In dat geval gaan de douaneautoriteiten over tot heffing van de op basis van de voorlopige waarde berekende rechten en eisen zij, in voorkomend geval, een zekerheid ter dekking van het verschil tussen deze rechten en de rechten die uiteindelijk op de goederen van toepassing kunnen zijn.
B - De landbouwwetgeving
23. De gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector groenten en fruit is een van de gemeenschappelijke ordeningen waar artikel 40 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 34 EG) op doelt.
24. Oorspronkelijk werd hieraan vorm gegeven in verschillende gemeenschapsverordeningen, die in verordening (EEG) nr. 1035/72 van de Raad van 18 mei 1972 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit zijn geconsolideerd. Die verordening bevat meerdere bepalingen ter regeling van het handelsverkeer met derde landen.
25. Voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke markt in de sector van groenten en fruit was immers de instelling van een uniforme regeling van het handelsverkeer met derde landen vereist. De Raad ging ervan uit dat de toepassing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief in beginsel moest volstaan om de markt van de Gemeenschap te stabiliseren. De Raad achtte het evenwel nodig bepalingen vast te stellen teneinde verstoringen door aanbiedingen uit derde landen tegen abnormale prijzen te voorkomen. In de basisverordening is daarom een stelsel opgenomen waarmee referentieprijzen" worden vastgelegd en compenserende heffingen boven de douanerechten worden toegepast wanneer de prijs van de geïmporteerde producten beneden de referentieprijs gelegen is.
26. Dat stelsel werkt als volgt.
27. Ieder jaar stellen de bevoegde autoriteiten een referentieprijs vast voor de groenten en fruit die vallen onder de toepassing van de basisverordening. De referentieprijs is gelijk aan het gemiddelde van de producentenprijzen van elke lidstaat, verhoogd met een bedrag op de grondslag van de commercialisatiekosten voor producten van oorsprong uit de Gemeenschap. De referentieprijs wordt vastgesteld voor de duur van één jaar of voor verschillende perioden in het jaar.
28. De Commissie stelt een invoerprijs vast voor elk product en iedere herkomst. De invoerprijs is gelijk aan de laagste prijs die geconstateerd is voor tenminste 30 % van de hoeveelheden van de betrokken herkomst die op alle representatieve markten zijn verkocht. Die prijs moet worden verminderd met verschillende elementen, te weten de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, de eventuele compenserende heffingen, de overige invoerbelastingen, alsmede de vervoerskosten vanaf de plaatsen van grensoverschrijding van de Gemeenschap tot de representatieve invoermarkten waarop de prijzen zijn geconstateerd. In tegenstelling tot de referentieprijs wordt de invoerprijs berekend voor elke marktdag.
29. De basisverordening bepaalt dat wanneer de invoerprijs van een product gedurende twee opeenvolgende marktdagen beneden de referentieprijs ligt, een compenserende heffing voor de betrokken herkomst wordt ingesteld. Deze heffing is gelijk aan het verschil tussen de referentieprijs en de gemiddelde invoerprijs, dat wil zeggen het gemiddelde van de laatste twee bekende invoerprijzen. De heffing wordt aan de geldende douanerechten toegevoegd.
30. Het hiervoor beschreven systeem had ten doel de communautaire productie tegen importen uit derde landen te beschermen. Het gaf de mogelijkheid te verzekeren dat de prijzen van in de Gemeenschap verhandelde importen vergelijkbaar waren met die van in de Gemeenschap geteelde producten.
31. Het stelsel van referentieprijzen kwam op losse schroeven te staan door de ondertekening op 15 april 1994 van de slotakte ter afsluiting van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde (hierna: slotakte"), van de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (hierna: WTO"), alsmede van verschillende in de bijlagen 1 tot en met 4 bij de oprichtingsovereenkomst van de WTO opgenomen overeenkomsten (hierna: WTO-overeenkomsten").
32. De overeenkomst inzake de landbouw behoort tot de WTO-overeenkomsten die in 1994 te Marrakesh (Marokko) zijn ondertekend. Daarmee wordt een hervorming van de wereldhandel in landbouwproducten ondernomen en met name gestreefd naar een verbreding van de toegang tot de markten van de aangesloten landen voor producten uit andere aangesloten landen. Daartoe verplicht artikel 4, lid 2, van die overeenkomst de leden om alle maatregelen die de invoer van landbouwproducten op hun grondgebied beperken, om te zetten in douanerechten. Die restrictieve maatregelen omvatten variabele importheffingen, zoals de compenserende heffing krachtens de basisverordening.
33. Op 22 december 1994 heeft de Raad verordening (EG) nr. 3290/94 vastgesteld inzake de aanpassingen en de overgangsmaatregelen in de landbouwsector voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde.
34. Geheel in overeenstemming met de landbouwovereenkomst schaft verordening nr. 3290/94 de variabele heffingen bij invoer af. De Raad heeft als uitgangspunt genomen dat de douanerechten die van toepassing zijn, zullen worden vastgesteld in het gemeenschappelijk douanetarief. In de sector groenten en fruit heeft de Raad echter een aanvullende regeling naast de heffing van stabiele douanerechten ingevoerd.
35. In de plaats van de compenserende heffing volgens de basisverordening heeft de Raad het systeem van invoerprijzen" ingevoerd. Dat systeem maakt het mogelijk om groenten en fruit te belasten met specifieke douanerechten indien hun invoerprijs in de Gemeenschap gelegen is beneden een forfaitaire waarde bij invoer". Het is geregeld in artikel 23 van de basisverordening, zoals gewijzigd bij bijlage XIII bij verordening nr. 3290/94 (hierna: gewijzigde verordening"), en in verordening nr. 3223/94.
36. Het systeem van de invoerprijzen" is opgezet als volgt.
37. Voor ieder product en iedere herkomst moet de Commissie een forfaitaire invoerwaarde vaststellen. Deze waarde wordt berekend op basis van:
- de representatieve gemiddelde prijzen van de uit derde landen ingevoerde en op de importmarkten van de lidstaten verhandelde producten. Die prijzen moeten worden geconstateerd in het stadium importeur/grossier en verminderd met bepaalde bedragen, te weten een handelsmarge van 15 % en de kosten van vervoer en verzekering binnen het gebied van de Gemeenschap;
- de totale hoeveelheden goederen waarop de bedoelde prijsnoteringen betrekking hebben.
38. De forfaitaire invoerwaarde komt overeen met het gewogen gemiddelde van de representatieve prijzen, verminderd met een forfaitair bedrag van 5 ecu per 100 kg netto en met de douanerechten ad valorem. De waarde wordt voor elke werkdag berekend.
39. Bovendien bevat verordening nr. 3223/94 de regels voor de bepaling van de invoerprijs van groenten en fruit. Artikel 5 geeft drie berekeningsmethoden waarbij de keus aan de importeur wordt overgelaten. Volgens die bepaling is de invoerprijs:
a) de fob-prijs (free on board) van de producten in het land van oorsprong, vermeerderd met de kosten van verzekering en vervoer tot aan de grens van het douanegebied van de Gemeenschap, voorzover deze prijs en deze kosten bekend zijn op het moment van de douaneaangifte (artikel 5, lid 1, sub a, van verordening nr. 3223/94);
b) de overeenkomstig artikel 30, lid 2, sub c, van het douanewetboek berekende douanewaarde, dat wil zeggen de prijs per eenheid bij verkoop in de Gemeenschap van de ingevoerde goederen of van identieke of soortgelijke goederen (artikel 5, lid 1, sub b, van verordening nr. 3223/94);
c) de forfaitaire invoerwaarde berekend volgens de bovenomschreven regels (artikel 5, lid 1, sub c, van verordening nr. 3223/94).
40. Het douanetarief bepaalt dat, indien de invoerprijs lager is dan de forfaitaire invoerwaarde, de geïmporteerde producten worden belast met een specifiek douanerecht. Het specifieke recht is omgekeerd evenredig aan de invoerprijs. Dat betekent hoe lager de invoerprijs, hoe hoger het specifieke recht. Als daarentegen de invoerprijs hoger is dan de forfaitaire invoerwaarde, worden de ingevoerde producten niet met een specifiek recht belast. In dat geval zijn slechts de ad valorem-rechten volgens het douanetarief van toepassing.
41. Op 28 oktober 1996 heeft de Raad verordening (EG) nr. 2200/96 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit vastgesteld. Die verordening is in de plaats gekomen van de basisverordening en de gewijzigde verordening vanwege de nieuwe situatie die in de sector is ontstaan. Echter is daarmee geen wijziging gebracht in het handelsverkeer in groenten en fruit met derde landen. De voorschriften van de nieuwe basisverordening zijn dus identiek aan de voorschriften die hiervoor in de punten 34 tot 39 zijn weergegeven.
42. Daarentegen heeft de Commissie verordening nr. 3223/94 gewijzigd door verordening nr. (EG) 1498/98 van 14 juli 1998 vast te stellen.
43. De Commissie is ervan uitgegaan dat de procedures voor de berekening van de invoerprijs en de regels voor de vaststelling van de douanewaarde coherent moeten zijn. De Commissie benadrukt dat dit expliciet dient te worden vermeld in de tekst zelf van verordening [...] nr. 3223/94, met name om het opstellen van de douaneaangiften te vergemakkelijken". Daartoe heeft zij aan artikel 5, lid 1, van verordening nr. 3223/94 het navolgende lid toegevoegd:
Wanneer de invoerprijs wordt vastgesteld op basis van de fob-prijs van de producten in het land van oorsprong, wordt voor de vaststelling van de douanewaarde de verkoop in aanmerking genomen waarop deze prijs betrekking heeft.
Wanneer de invoerprijs wordt vastgesteld volgens een van de in lid 1, sub b of c, [...] vermelde procedures, wordt de douanewaarde bepaald op dezelfde basis als de invoerprijs."
44. De geldigheid van die wijziging wordt in de onderhavige procedure aangevochten.
III - Behandeling van de prejudiciële vragen
45. Het verzoek van het VAT and Duties Tribunal om een prejudiciële beslissing stelt drie reeksen van vragen aan de orde:
- de wijze waarop de douanewaarde van groenten en fruit die vallen onder de toepassing van verordening nr. 3223/94, moet worden berekend;
- de geldigheid van verordening nr. 1498/98;
- de mogelijkheid voor een importeur om een voorlopige vermelding te geven van de douanewaarde van groenten en fruit die vallen onder de toepassing van verordening nr. 3223/94.
A - De berekening van de douanewaarde van groenten en fruit
46. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen hoe de douanewaarde van onder verordening nr. 3223/94 vallende groenten en fruit voor de periode van 18 maart 1997 tot en met 17 juli 1998 moet worden berekend. Meer specifiek vraagt hij of die waarde moet worden bepaald volgens de in het douanewetboek geformuleerde methoden dan wel volgens de regels van artikel 5 van verordening nr. 3223/94.
47. Met het Verenigd Koninkrijk en de Commissie ben ik van mening dat de douanewaarde van het betrokken fruit moet worden bepaald op basis van de invoerprijs in de Gemeenschap krachtens de bepalingen van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 3223/94.
48. Het Verenigd Koninkrijk en de Commissie hebben ter zake drie verschillende reeksen argumenten aangevoerd die mij volstrekt overtuigend voorkomen. Die argumenten kunnen als volgt worden weergegeven.
49. In de eerste plaats neemt artikel 5, lid 1, van verordening nr. 3223/94 de verschillende in het douanewetboek en de toepassingsverordening ervan neergelegde methoden voor de berekening van de douanewaarde over en past ze aan aan de bijzondere aard van groenten en fruit.
50. De groenten- en fruitsector wordt gekenmerkt door een hevige fluctuatie van vraag en aanbod. Dit is een sector waarin de prijzen van de producten belangrijke schommelingen kennen. Bovendien worden groenten en fruit veelal in de Gemeenschap in consignatie ingevoerd. Dat betekent dat de handelaren producten importeren met de bedoeling deze later te verkopen. De verkoopprijs is dus zelden bekend op het moment van de douaneaangifte op het grondgebied van de Gemeenschap.
51. De in artikel 5 van verordening nr. 3223/94 neergelegde regels maken het mogelijk om met die verschillende kenmerken rekening te houden. Zo constateer ik dat:
- de berekeningswijze ingevolge artikel 5, lid 1, sub a, van verordening nr. 3223/94 vergelijkbaar is met die van artikel 29, lid 1, van het douanewetboek. In beide gevallen moet de verkregen waarde overeenstemmen met de fob-prijs van de producten in het land van oorsprong, vermeerderd met de kosten van verzekering en vervoer tot aan de grens van het douanegebied van de Gemeenschap;
- artikel 5, lid 1, sub b, van verordening nr. 3223/94 expliciet bepaalt dat de invoerprijs gelijk is aan de overeenkomstig artikel 30, lid 2, sub c, van het douanewetboek berekende douanewaarde, dat wil zeggen de prijs per eenheid bij verkoop in de Gemeenschap van ingevoerde goederen of van identieke of soortgelijke goederen;
- de berekeningsmethode ingevolge artikel 5, lid 1, sub c, van verordening nr. 3223/94 vergelijkbaar is met die neergelegd in de artikelen 173 tot 177 van de toepassingsverordening. In beide gevallen komt de forfaitaire waarde overeen met het gewogen gemiddelde van de genoteerde prijzen van de ingevoerde producten op de invoermarkten van de lidstaten. Bovendien moet in beide gevallen de prijs geconstateerd worden in het stadium grossier/importeur en verminderd worden met verschillende bedragen, te weten een handelsmarge van 15 %, de kosten van transport en verzekering van de goederen binnen de Gemeenschap, een forfaitair bedrag van 5 ecu en de invoerrechten. Het verschil tussen de twee methoden bestaat daarin dat de eenheidswaarde ingevolge de toepassingsverordening berekend wordt voor perioden van 14 dagen, terwijl de forfaitaire invoerwaarde ingevolge verordening nr. 3223/94 vastgesteld wordt voor iedere werkdag. Verordening nr. 3223/94 maakt het dus mogelijk beter rekening te houden met de prijsschommelingen die de groenten- en fruitsector kenmerken;
- artikel 5, lid 1, van verordening nr. 3223/94 geen methode bevat die vergelijkbaar is met die van artikel 30, lid 2, sub a en b, van het douanewetboek. Die methoden worden evenwel zelden gebruikt om de douanewaarde van groenten en fruit te bepalen. Zij gaan ervan uit dat de verkoopprijs bekend is vóór de export van de betrokken of soortgelijke producten naar de Gemeenschap. Zoals hiervoor echter aangegeven, worden groenten en fruit veelal in consignatie naar de Gemeenschap geëxporteerd, dat wil zeggen voordat de verkoop tot stand gekomen is;
- artikel 5, lid 1, van verordening nr. 3223/94 geen methode bevat die vergelijkbaar is met die van artikel 30, lid 2, sub d, van het douanewetboek. Die methode heeft echter geen enkele betekenis voor groenten en fruit, omdat daarbij wordt uitgegaan van de kosten van de grondstoffen en de vervaardiging van de ingevoerde goederen.
52. Uit het vorenstaande volgt dat de regels van artikel 5 van verordening nr. 3223/94 beter geschikt zijn voor de berekening van de douanewaarde van uit derde landen in de Gemeenschap ingevoerde groenten en fruit.
53. Op meerdere gronden valt trouwens aan te nemen dat een van de doelstellingen van verordening nr. 3223/94 nu juist was om de regels van het douanewetboek en de toepassingsverordening voor de berekening van de douanewaarde van groenten en fruit te wijzigen. Ik moge erop wijzen dat:
- de Commissie in de considerans van verordening nr. 3223/94 aangeeft dat de in de bijlage genoemde aan bederf onderhevige groenten- en fruitsoorten voor het merendeel met toepassing van de handelsregeling inzake consignatieverkoop worden geleverd [en] dat deze regeling bijzondere problemen oplevert ten aanzien van de bepaling van de waarde van deze producten". Zoals het Verenigd Koninkrijk heeft onderstreept, wordt met de waarde van deze producten" bedoeld de douanewaarde van groenten en fruit. Daar kunnen wij uit afleiden dat de Commissie bij het opstellen van de regels voor de berekening van de invoerprijzen een deel van de moeilijkheden wilde vermijden die bij de bepaling van de douanewaarde van groenten en fruit ontstaan door het feit dat de verkoopprijs van de producten zelden bekend is op het moment van hun invoer in het gebied van de Gemeenschap;
- artikel 4, lid 2, van verordening nr. 3223/94 met zoveel woorden bepaalt: [v]oorzover voor de producten en gedurende de toepassingsperioden die in de bijlage zijn vermeld, overeenkomstig deze verordening een forfaitaire waarde wordt vastgesteld, geldt de eenheidswaarde in de zin van de artikelen 173 tot en met 176 van [de toepassings]verordening niet. In de plaats daarvan komt dan de in lid 1 bedoelde forfaitaire invoerwaarde." Daaruit volgt dat verordening nr. 3223/94 uitdrukkelijk bepaalt dat gedurende de in de bijlage vermelde perioden de methode tot bepaling van de douanewaarde volgens de vereenvoudigde regels van de toepassingsverordening wordt vervangen door een van de berekeningsmethoden van de invoerprijs van groenten en fruit, te weten de forfaitaire invoerwaarde;
- verordening nr. 1498/98 bevestigt dat een van de doelstellingen van verordening nr. 3223/94 erin bestond de douanewaarde van groenten en fruit te berekenen op basis van de invoerprijs. Immers, de wijziging die verordening nr. 1498/98 meebracht maakt enkel die regel expliciet in de tekst zelf van de verordening [...] nr. 3223/94". Dat betekent a contrario dat verordening nr. 3223/94 reeds het principe bevatte dat de douanewaarde van groenten en fruit moet worden bepaald op basis van de invoerprijs ingevolge artikel 5, lid 1, daarvan.
54. Daaruit volgt dat het doel van verordening nr. 3223/94 is de regels voor de bepaling van de douanewaarde van groenten en fruit te wijzigen. Ingevolge die verordening dient de invoerprijs niet alleen ter vaststelling van de tariefindeling van de producten en de hoogte van de specifieke douanerechten volgens het gemeenschappelijk douanetarief, maar ook ter vaststelling van de douanewaarde van groenten en fruit die uit derde landen gedurende de perioden als aangegeven in de bijlage bij de verordening worden ingevoerd.
55. In de tweede plaats ben ik van mening, in tegenstelling tot het standpunt van Capespan, dat de Commissie rechtsgeldig gemachtigd was om specifieke regels voor de bepaling van de douanewaarde van groenten en fruit vast te stellen.
56. Ik breng in herinnering dat de Raad ingevolge artikel 40, lid 2, van het Verdrag en artikel 43, lid 3, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 37, lid 3, EG) de bevoegdheid heeft een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten tot stand te brengen. Bovendien preciseert artikel 40, lid 2, van het Verdrag dat de gemeenschappelijke ordening van de markten alle maatregelen kan medebrengen welke noodzakelijk zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te bereiken, en met name gemeenschappelijke organisatorische voorzieningen voor de stabilisatie van de in- of uitvoer".
57. Daaruit volgt dat de Raad bevoegd is om een systeem op te zetten voor het handelsverkeer met derde landen in het kader van een gemeenschappelijke ordening van de markten. Dat is het geval bij de gemeenschappelijke ordening van de markten in de groenten- en fruitsector, aangezien de basisverordening voorzag in een stelsel gebaseerd op de compenserende heffing en de gewijzigde verordening een stelsel gebaseerd op de invoerprijzen in het leven roept.
58. De Raad heeft de Commissie uitdrukkelijk de bevoegdheid gegeven om de nodige maatregelen te nemen voor de vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de regeling van het handelsverkeer met derde landen. Immers, artikel 23 van de gewijzigde verordening bepaalt:
1. Behoudens andersluidende bepalingen in deze verordening gelden voor de in artikel 1, lid 2, bedoelde producten de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.
2. Indien de toepassing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief afhankelijk is van de invoerprijs van de ingevoerde partij, wordt de echtheid van deze prijs gecontroleerd aan de hand van een forfaitaire waarde bij invoer, die wordt berekend door de Commissie naar oorsprong en naar product op basis van het gewogen gemiddelde van de noteringen van de betrokken producten op de representatieve invoermarkten van de lidstaten [...].
3. Indien de opgegeven invoerprijs voor de betrokken partij hoger is dan de forfaitaire waarde bij invoer, [...] geldt de verplichting een zekerheid te stellen die gelijk is aan de invoerrechten en die wordt vastgesteld op basis van de forfaitaire waarde bij invoer.
4. Indien de invoerprijs van de betrokken partij niet wordt opgegeven op het moment van inklaring, hangt de toepassing van de rechten van het douanetarief af van de forfaitaire waarde bij invoer of van de toepassing, op overeenkomstig lid 5 vast te stellen voorwaarden, van de desbetreffende bepalingen van de douanewetgeving.
5. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 33."
59. Artikel 33 van de gewijzigde verordening stelt een bijzondere procedure vast die de Commissie de bevoegdheid geeft om de nodige uitvoeringsmaatregelen te nemen op advies van het Comité van beheer voor groenten en fruit. Daaruit volgt dat de Commissie de bevoegdheid had om verordening nr. 3223/94 vast te stellen.
60. Bovendien wil ik onderstrepen dat, in tegenstelling tot wat Capespan aanvoert, bepalingen van de landbouwwetgeving rechtmatig regels kunnen vaststellen die specifiek zijn ten opzichte van de algemene regels van het douanewetboek.
61. Immers, artikel 1 van het douanewetboek bepaalt dat dit van toepassing is [o]nverminderd de bijzondere bepalingen die op andere gebieden zijn vastgesteld". De considerans preciseert dat het wetboek geen afbreuk doet aan de bijzondere bepalingen welke op andere gebieden zijn vastgesteld [en] dat dergelijke bijzondere regels [...] kunnen bestaan of kunnen worden ingesteld in het kader van de voorschriften op het gebied van de landbouw".
62. Daaruit volgt dat, gezien de bepalingen van het douanewetboek, verordening nr. 3223/94 rechtmatig specifieke bepalingen voor de berekening van de douanewaarde van groenten en fruit kan bevatten.
63. Ten slotte ben ik van mening dat het gebruik van de invoerprijs voor de berekening van de douanewaarde van groenten en fruit een significante vermindering van de administratieve formaliteiten en van het risico van fraude bij invoer tot gevolg heeft.
64. Immers, aanvaarding van de stelling van Capespan zou erop neerkomen dat de douanerechten die zijn vastgelegd in het gemeenschappelijk douanetarief op basis van twee verschillende waarden zouden kunnen worden bepaald. De ad valorem-rechten zouden worden bepaald op basis van de douanewaarde van de goederen conform de artikelen 29 tot en met 36 van het douanewetboek. De specifieke rechten zouden daarentegen op basis van de invoerprijs volgens artikel 5, lid 1, van verordening 3223/94 worden bepaald. Aangezien de wijze van berekening van de invoerprijs geheel aan de keuze van de importeur is overgelaten, zou deze bovendien een methode kunnen kiezen die niet vergelijkbaar is met de corresponderende methode van het douanewetboek.
65. Onder deze omstandigheden zou het standpunt van Capespan ertoe kunnen leiden dat de formaliteiten van de douaneaangifte ingewikkelder werden. In concreto zouden de douaneautoriteiten van de lidstaten gedwongen zijn een dubbele berekening te maken (of een dubbele verificatie te verrichten), terwijl zij in het algemeen de ad valorem-rechten en de specifieke rechten tegelijk incasseren.
66. Bovendien zouden de importeurs hun activiteiten zo kunnen regelen dat de douanerechten volgens het gemeenschappelijk douanetarief maximaal werden verlaagd. Zo zouden zij de douanewaarde van de goederen kunnen trachten te verlagen om het tarief van de ad valorem-rechten te verminderen. Maar tegelijkertijd zouden zij de methode kiezen die een hoge invoerprijs oplevert, teneinde het tarief van de specifieke rechten te verlagen. Zoals de Commissie heeft aangegeven, is het geenszins uitgesloten dat het handelen van bepaalde marktdeelnemers de Gemeenschap een deel van haar inkomsten kan ontnemen.
67. Derhalve geef ik het Hof in overweging om op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat voor de periode tussen 18 maart 1997 en 17 juli 1998 de douanewaarde van groenten en fruit vallende onder de toepassing van verordening nr. 3223/94 moet worden bepaald op basis van de overeenkomstig de regels van artikel 5, lid 1, van voornoemde verordening berekende invoerprijs van de producten.
B - De geldigheid van verordening nr. 1498/98
68. Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of verordening nr. 1498/98 geldig is.
69. Die vraag sluit aan bij verschillende argumenten die door Capespan in het hoofdgeding naar voren gebracht zijn om de geldigheid van verordening nr. 1498/98 te bestrijden. Capespan betoogt dat die verordening niet geldig kan bepalen dat de douanewaarde van groenten en fruit vallend onder verordening nr. 3223/94 moet worden vastgesteld op dezelfde basis als de invoerprijs in de Gemeenschap.
70. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft Capespan drie reeksen argumenten aangevoerd die ik achtereenvolgens zal behandelen.
71. Allereerst voert Capespan aan dat de Commissie de bevoegdheden die haar door de Raad zijn verleend in de gewijzigde verordening heeft overschreden. Daartoe stelt Capespan dat:
- in tegenstelling tot de doelstelling van verordening nr. 1498/98, de gewijzigde verordening nergens bepaalt dat de douanewaarde van groenten en fruit op basis van de invoerprijs moet worden vastgesteld;
- de methoden voor de berekening van de invoerprijs van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 3223/94 niet stroken met de artikelen 29 tot en met 36 van het douanewetboek;
- verordening nr. 1498/98, gezien de eisen die gesteld worden in artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG), niet toereikend gemotiveerd is;
72. Naar mijn mening zijn die verschillende argumenten ongegrond. Voor wat betreft de eerste twee heb ik reeds vastgesteld dat de Commissie gemachtigd was om specifieke regels uit te vaardigen voor de berekening van de douanewaarde van groenten en fruit en dat de voorschriften voor de berekening van de invoerprijs vergelijkbaar waren met de methoden voor de vaststelling van de douanewaarde die zijn bepaald in de artikelen 29 tot en met 36 van het douanewetboek en 173 tot en met 177 van de toepassingsverordening.
Voor wat betreft het derde argument volsta ik met te stellen dat de considerans van verordening nr. 1498/98 de bedoelingen van de Commissie helder uiteenzet. Deze heeft het nodig geoordeeld om met zoveel woorden het principe en de nadere voorschriften, volgens welke de douanewaarde van groenten en fruit moet worden bepaald op basis van de invoerprijs van de producten, in de tekst van verordening nr. 3223/94 op te nemen. Ik zie dan ook niet op welk punt verordening nr. 1498/98 onvoldoende met redenen omkleed zou zijn in de zin van artikel 190 EG-Verdrag.
73. Ten tweede voert Capespan aan dat de Commissie gehandeld heeft in strijd met de internationale verplichtingen van de Gemeenschap. Capespan is van mening dat het beginsel volgens hetwelk de douanewaarde van groenten en fruit moet worden berekend op basis van de invoerprijs van de producten in de Gemeenschap, in strijd is met artikel VII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994 (hierna: GATT") en de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994. Immers, de regels voor de berekening van de invoerprijs ingevolge artikel 5 van verordening nr. 3223/94 verschillen haars inziens fundamenteel van en zijn dus onverenigbaar met de methoden van waardebepaling volgens artikel VII van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994.
74. Los van de vraag of de geldigheid van verordening nr. 1498/98 kan worden getoetst aan artikel VII van de GATT 1994 en van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994, ben ik van mening dat het argument van Capespan niet gefundeerd is. Ik heb immers reeds vastgesteld dat de regels voor de berekening van de invoerprijs van de producten ruimschoots vergelijkbaar zijn met de methoden voor de bepaling van de douanewaarde in de artikelen 29 tot en met 36 van het douanewetboek en 173 tot en met 177 van de toepassingsverordening.
Op geen moment in de onderhavige procedure heeft Capespan betoogd of aangetoond dat deze methoden tot vaststelling van de douanewaarde onverenigbaar zijn met artikel VII van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994. Daarom is het moeilijk de redenen te onderkennen waarom de regels voor de berekening van de invoerprijs, die in overeenstemming zijn met het douanewetboek en de toepassingsverordening, in strijd zouden zijn met artikel VII van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994.
75. In de derde plaats voert Capespan overtreding van wezenlijke vormvoorschriften aan. Zij wijst erop dat de maatregelen ter uitvoering van het douanewetboek moeten worden genomen overeenkomstig de daartoe in artikel 249 daarvan voorziene procedure. In dit geval is verordening nr. 1498/98 vastgesteld volgens een andere procedure, namelijk die van artikel 46 van de nieuwe basisverordening.
76. Dat argument treft geen doel. Aangezien namelijk de landbouwwetgeving rechtmatig specifieke bepalingen inzake de douanewaarde van producten kan bevatten, is het normaal dat de maatregelen ter uitvoering van die bepalingen worden vastgesteld volgens de procedure in de machtigingsverordening. In de sector groenten en fruit kon de Commissie derhalve verordening nr. 1498/98 niet volgens een andere procedure dan die van artikel 46 van de nieuwe basisverordening vaststellen.
77. Onder die omstandigheden geef ik het Hof in overweging vast te stellen dat bij het onderzoek van de gestelde vragen niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 1498/98 kunnen aantasten.
C - De voorlopige vermelding van de douanewaarde van groenten en fruit
78. Met zijn laatste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 5 van verordening nr. 3223/94 aldus moet worden uitgelegd dat een importeur die op het tijdstip van inklaring van de producten in het douanegebied van de Gemeenschap niet in staat is een definitieve douanewaarde aan te geven, een voorlopige vermelding van deze waarde overeenkomstig artikel 254 van de toepassingsverordening mag geven.
79. De verwijzende rechter wenst aldus vastgesteld te zien of Capespan rechtmatig een voorlopige vermelding kon geven van de douanewaarde van de door haar in de litigieuze periode ingevoerde producten.
80. Met het Verenigd Koninkrijk ben ik van mening dat het antwoord op die vraag logisch voortvloeit uit de overwegingen naar aanleiding van de behandeling van de eerste prejudiciële vraag.
81. Er moet namelijk aan worden herinnerd dat de eerste methode voor de berekening van de invoerprijs berust op de fob-prijs van de producten, vermeerderd met de kosten van verzekering en vervoer tot aan de grens van het douanegebied van de Gemeenschap. In dat geval dient de toelating van een voorlopige vermelding van de douanewaarde geen enkel belang, aangezien de definitieve waarde van de producten bekend is op het moment van hun inklaring. Overigens preciseert artikel 5, lid 1, sub a, van verordening nr. 3223/94 dat deze methode alleen kan worden gebruikt voorzover deze prijs en deze kosten bekend zijn op het ogenblik waarop voor deze producten de aangifte voor het vrije verkeer wordt ingediend".
82. Evenzo is de derde wijze van berekening gebaseerd op de forfaitaire invoerwaarde. In dat geval zal de definitieve waarde van de producten eveneens bekend zijn ten tijde van hun inklaring, omdat de forfaitaire invoerwaarde berekend wordt voor iedere werkdag. Het is dus evenmin nodig om de importeur een voorlopige vermelding van de douanewaarde te laten geven.
83. In werkelijkheid is de enige situatie waarin het voor een importeur nodig kan zijn om een onvolledige aangifte in de zin van artikel 254 van de toepassingsverordening in te dienen, het geval waarin hij gebruik maakt van de tweede methode voor de bepaling van de invoerprijs, als bedoeld in artikel 5, lid 1, sub b, van verordening nr. 3223/94. In dat geval kan de waarde van de producten worden berekend op basis van de prijs per eenheid bij verkoop van ingevoerde identieke of soortgelijke producten. Dat betekent dat de prijs van de aangegeven producten niet noodzakelijkerwijs bekend is op het moment van hun inklaring.
84. Aangezien het douanewetboek uitdrukkelijk toestaat om in een dergelijk geval een voorlopige vermelding te verstrekken van de douanewaarde, zie ik niet in welk opzicht een dergelijke vermelding verboden zou moeten worden als de douanewaarde van groenten en fruit bepaald wordt op basis van artikel 5, lid 1, sub b, van verordening nr. 3223/94.
85. Derhalve geef ik het Hof in overweging vast te stellen dat artikel 5 van verordening nr. 3223/94 aldus moet worden uitgelegd dat een importeur die niet in staat is een definitieve douanewaarde aan te geven op het tijdstip van inklaring van de producten, uitsluitend een voorlopige vermelding van die douanewaarde overeenkomstig artikel 254 van de toepassingsverordening mag geven als de waarde van de producten wordt bepaald volgens de regels van artikel 5, lid 1, sub b, van verordening nr. 3223/94.
IV - Conclusie
86. Op grond van een en ander geef ik het Hof in overweging op de door het VAT and Duties Tribunal, Londen, gestelde vragen te antwoorden als volgt:
1) Voor de periode tussen 18 maart 1997 en 17 juli 1998 moet de douanewaarde van groenten en fruit die vallen binnen de werkingssfeer van verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit, worden bepaald overeenkomstig de regels van artikel 5 van die verordening voor de berekening van de invoerprijs.
2) Bij onderzoek van de gestelde vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening (EG) nr. 1498/98 van de Commissie van 14 juli 1998 tot wijziging van verordening nr. 3223/94, kunnen aantasten.
3) Artikel 5 van verordening nr. 3223/94 moet aldus worden uitgelegd dat een importeur die niet in staat is een definitieve douanewaarde aan te geven op het tijdstip van inklaring van producten, uitsluitend een voorlopige vermelding van deze waarde overeenkomstig artikel 254 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, mag geven als de waarde van de producten wordt bepaald volgens de regels van artikel 5, lid 1, sub b, van verordening nr. 3223/94."
Full & Egal Universal Law Academy