Conclusie van de advocaat generaal
1. De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft het Hof van Justitie verzocht het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (hierna: Verenigd Koninkrijk") te veroordelen wegens niet-nakoming van de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 3 van richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater (hierna: richtlijn").
I - De richtlijn
2. Blijkens de eerste overweging van de considerans en artikel 1 heeft de richtlijn tot doel, het milieu en de volksgezondheid te beschermen door de vermindering van de verontreiniging van het zwemwater en het vermijden van een kwaliteitsvermindering daarvan, met uitzondering van water bestemd voor therapeutisch gebruik en het water van zwembaden.
3. Ingevolge artikel 3 moeten de lidstaten voor alle badzones of voor elke badzone afzonderlijk de waarden vaststellen voor de in de bijlage vermelde fysisch-chemische en microbiologische parameters. Volgens artikel 2 maken deze parameters integrerend deel uit van deze richtlijn.
4. Volgens artikel 4 moesten de lidstaten binnen een termijn van tien jaar na kennisgeving van de richtlijn de nodige maatregelen nemen om de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming te brengen met de ingevolge artikel 3 vastgestelde grenswaarden. Van de richtlijn is aan het Verenigd Koninkrijk op 10 december 1975 kennis gegeven, zodat de termijn voor naleving ervan op 10 december 1985 is verstreken.
5. Overeenkomstig de nieuwe versie van artikel 13 van de richtlijn moeten de lidstaten elk jaar bij de Commissie een verslag indienen over het zwemwater en de belangrijkste kenmerken daarvan.
6. Krachtens de richtlijn moeten de lidstaten met name voor alle badzones de waarden voor de algemeen geldende fysisch-chemische en microbiologische parameters vaststellen en alle nodige maatregelen nemen opdat binnen een termijn van tien jaar nadat van de richtlijn kennis is gegeven de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming is met deze waarden.
II - De feiten
7. Op basis van de verslagen van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot de seizoenen 1996 en 1997 heeft de Commissie vastgesteld dat respectievelijk 89,4 % en 88,3 % van het Britse zwemwater aan de normen van de richtlijn voldeed. Op 22 januari 1999 heeft zij de regering van het Verenigd Koninkrijk daarop attent gemaakt en haar verzocht de opmerkingen te maken die zij nuttig achtte.
8. De Britse autoriteiten hebben bij brief van 30 maart daaraanvolgend geantwoord, vastbesloten te zijn zo snel mogelijk aan de verplichtingen van de richtlijn te voldoen, met de precisering dat er werd gewerkt aan een verbetering van de kwaliteit van het zwemwater.
9. Omdat zij met dit antwoord geen genoegen nam, heeft de Commissie het Verenigd Koninkrijk op 28 februari 2000 een met redenen omkleed advies toegezonden, waarin zij deze lidstaat een termijn van twee maanden verleende om de situatie te regulariseren.
10. In haar antwoord van 14 juni heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk erkend, dat het zwemwater waarvoor zij verantwoordelijk is niet ten volle aan de normen van de richtlijn voldeed. Zij heeft daaraan toegevoegd dat de situatie in 1997 evenwel uitzonderlijk was, dat in 1999 91,4 % van het zwemwater aan de normen voldeed, en dat dit percentage vóór 2005 97 % zou kunnen bedragen.
11. Aangezien volgens de Commissie de inbreuk op de datum van het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn voortduurde, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
III - Vorderingen van partijen en procedure voor het Hof
12. De Commissie verzoekt het Hof, vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door er niet voor te zorgen dat het zwemwater in overeenstemming is met de in artikel 3 juncto de bijlage bij de richtlijn vastgestelde grenswaarden, en de regering van het Verenigd Koninkrijk in de kosten te verwijzen.
13. Voor de seizoenen die het voorwerp uitmaken van het beroep, geeft het Verenigd Koninkrijk de inbreuk toe.
14. Overeenkomstig artikel 44 bis van het Reglement voor de procesvoering heeft het Hof op rapport van de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, met uitdrukkelijke instemming van partijen besloten, af te zien van de mondelinge behandeling.
IV - De niet-nakoming
15. De regering van het Verenigd Koninkrijk erkent de door de Commissie aangevoerde feiten, te weten dat tijdens de seizoenen 1996 en 1997 het Brits zwemwater niet volledig in overeenstemming was met de in artikel 3 juncto de bijlage bij de richtlijn vermelde waarden. Bijgevolg zal het Hof moeten vaststellen, dat de gestelde niet-nakoming bewezen is, en een arrest in die zin moeten wijzen.
16. Ingevolge de richtlijn moesten de lidstaten bepaalde resultaten bereiken en zich niet beperken tot de inzet van de middelen die nodig zijn om de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming te brengen met bepaalde daarin vermelde grenswaarden, behoudens de in de richtlijn vastgestelde afwijkingen, die in casu niet van toepassing zijn.
17. Ongeacht de voor de naleving van de richtlijn geleverde inspanningen, volstaat voor een inbreuk op de onderhavige richtlijn één overschrijding tijdens één seizoen, die niet te wijten is aan een absolute onmogelijkheid om de bepalingen ervan na te leven.
18. Bijgevolg geef ik het Hof in overweging vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk, zoals het zelf erkent, de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, omdat tijdens de seizoenen 1996 en 1997 niet alle zwemwater waarvoor het verantwoordelijk is in overeenstemming was met de in artikel 3 juncto de bijlage bij de richtlijn vastgestelde grenswaarden.
V - De kosten
19. Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering zal, in geval van toewijzing van het beroep van de Commissie, de verwerende partij in de kosten moeten worden verwezen.
VI - Conclusie
20. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, het beroep gegrond te verklaren en vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de krachtens richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door er niet voor te hebben gezorgd dat zijn zwemwater in overeenstemming is met de grenswaarden van deze richtlijn, en de verwerende partij in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy