Conclusie van de advocaat generaal
1. Met haar op 28 november 2000 ingestelde niet-nakomingsberoep verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 98/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 tot wijziging van richtlijn 93/38/EEG houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, of althans door die bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Feiten en precontentieuze procedure
2. Ingevolge artikel 2, lid 1, van richtlijn 98/4 moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 16 februari 1999 aan deze richtlijn te voldoen, en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3. Daar bij het verstrijken van de door deze richtlijn gestelde termijn geen kennis was gegeven van maatregelen tot omzetting ervan, heeft de Commissie bij brief van 10 mei 1999 de Franse regering aangemaand om binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken.
4. Bij brief van 6 januari 2000 hebben de Franse autoriteiten de Commissie meegedeeld dat de procedure voor de vaststelling van een ontwerpdecreet tot omzetting van onder meer deze richtlijn aan de gang was, dat deze tekst spoedig aan de Conseil d'Etat (Raad van State) (Frankrijk) zou worden voorgelegd en dat de richtlijn reeds gedeeltelijk bij een besluit van 22 april 1998 was omgezet.
5. Op 18 februari 2000 heeft de Commissie de Franse Republiek een met redenen omkleed advies gezonden, waarin zij haar uitnodigde om binnen twee maanden vanaf de betekening van dit advies de nodige maatregelen te nemen om de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen na te komen.
6. Bij gebreke van nadere inlichtingen over de voltooiing van de wetgevingsprocedure en de vaststelling van dat decreet heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Beoordeling
7. Onder verwijzing naar de krachtens artikel 249, derde alinea, EG op de lidstaten rustende verplichtingen stelt de Commissie dat de Franse Republiek de nodige maatregelen moest nemen om binnen de gestelde termijn aan de betrokken richtlijn te voldoen.
8. In haar verweerschrift wijst de Franse regering erop dat de omzetting van de richtlijn wijziging van de code des marchés publics (wetboek inzake overheidsopdrachten) alsook van andere wettelijke maatregelen noodzakelijk maakt. Een voorstel tot wijziging van dit wetboek is reeds aan de Raad van State voorgelegd. Ook het ontwerpdecreet tot omzetting van de richtlijn voor de niet aan het wetboek onderworpen aanbestedende diensten zal met het oog op de coherentie tussen de aanpassing van het wetboek en van alle andere regelingen inzake overheidsopdrachten worden voorgelegd aan de Raad van State.
9. Niettemin is het mijns inziens duidelijk dat de wetgeving op de datum waarop het beroep is ingesteld, nog niet in overeenstemming was gebracht met richtlijn 98/4, hetgeen de Franse Republiek ook niet betwist.
Conclusie
10. Mitsdien geef ik het Hof in overweging het beroep van de Commissie toe te wijzen en bijgevolg:
1) vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 98/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 tot wijziging van richtlijn 93/38/EEG houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) de Franse Republiek te verwijzen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy