CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 11 juli 2002 (1)
Zaak C-440/00
Gesamtbetriebsrat der Kühne & Nagel AG & Co. KG
tegen
Kühne & Nagel AG & Co. KG
[verzoek van het Bundesarbeitsgericht (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Richtlijn 94/45/EG – Europese ondernemingsraad – Concern – Hoofdbestuur gevestigd in een derde land – Fictieve vertegenwoordiger in de Gemeenschap – Verplichting van de ondernemingen van het concern informatie te verschaffen aan voornoemde vertegenwoordiger – Omvang”
1. Bij beschikking van 27 juni 2000 heeft het Bundesarbeitsgericht (Duitsland) het Hof krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen voorgelegd over de uitlegging van richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (2) (hierna: richtlijn 94/45, of eenvoudigweg richtlijn). Het Bundesarbeitsgericht wil in het bijzonder weten of, in het geval van een concern waarvan het hoofdbestuur buiten de lidstaten is gevestigd, de in de Gemeenschap gevestigde ondernemingen de verplichting hebben informatie te verstrekken aan de onderneming waarvan de bestuursorganen op grond van de richtlijn de verantwoordelijkheid van het hoofdbestuur dragen, en zo ja, welke omvang deze verplichting heeft.
I ─ Rechtskader
A ─ De relevante bepalingen van de richtlijn
2. Artikel 1 van de richtlijn bepaalt:
1. Met deze richtlijn wordt beoogd het recht op informatie en raadpleging van de werknemers in ondernemingen met een communautaire dimensie en concerns met een communautaire dimensie te verbeteren.
2. Te dien einde wordt in elke onderneming met een communautaire dimensie en in elk concern met een communautaire dimensie, wanneer daarom wordt verzocht overeenkomstig de procedure van artikel 5, lid 1, een Europese ondernemingsraad of een procedure voor de informatie en raadpleging van de werknemers ingesteld met het doel genoemde werknemers in te lichten en te raadplegen overeenkomstig de voorwaarden, op de wijze en met de gevolgen als bedoeld in deze richtlijn.[...]
4. Tenzij in de in artikel 6 bedoelde overeenkomsten in een ruimer toepassingsgebied is voorzien, strekken de rechten en bevoegdheden van de Europese ondernemingsraden en procedures voor de informatie en raadpleging van de werknemers die zijn ingesteld om de doelstelling van lid 1 te verwezenlijken zich bij een onderneming met een communautaire dimensie uit tot alle in de lidstaten gelegen vestigingen en bij een concern met een communautaire dimensie tot alle in de lidstaten gelegen ondernemingen van het concern.[...]
3. Artikel 2, lid 1, van de richtlijn bepaalt: In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) onderneming met een communautaire dimensie: een onderneming met ten minste 1000 werknemers in de lidstaten en, in ten minste twee lidstaten, elk ten minste 150 werknemers;
b) concern: een groep bestaande uit een onderneming die zeggenschap uitoefent en de ondernemingen waarover zeggenschap wordt uitgeoefend;
c) concern met een communautaire dimensie: een concern dat voldoet aan de volgende voorwaarden:
─ het heeft ten minste 1000 werknemers in de lidstaten,
het heeft ten minste 1000 werknemers in de lidstaten,
─ het bestaat uit ten minste twee ondernemingen die deel uitmaken van het concern, in verschillende lidstaten, en
het bestaat uit ten minste twee ondernemingen die deel uitmaken van het concern, in verschillende lidstaten, en
─ ten minste één onderneming van het concern heeft ten minste 150 werknemers in een lidstaat, en ten minste een andere onderneming van het concern heeft ten minste 150 werknemers in een andere lidstaat; [...]
ten minste één onderneming van het concern heeft ten minste 150 werknemers in een lidstaat, en ten minste een andere onderneming van het concern heeft ten minste 150 werknemers in een andere lidstaat; [...]
e) hoofdbestuur: het hoofdbestuur van de onderneming met een communautaire dimensie of, in het geval van een concern met een communautaire dimensie, van de onderneming die zeggenschap uitoefent; [...]
4. Artikel 3, lid 1, bepaalt:
1. In deze richtlijn wordt verstaan onder zeggenschap uitoefenende onderneming: een onderneming die een overheersende invloed kan uitoefenen op een andere onderneming ( de onderneming waarover zeggenschap wordt uitgeoefend), bijvoorbeeld door eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften.
5. Artikel 4 van de richtlijn bepaalt:
1. Het hoofdbestuur is ervoor verantwoordelijk de voorwaarden te scheppen en in middelen te voorzien die nodig zijn voor de instelling van de in artikel 1, lid 2, bedoelde Europese ondernemingsraad of informatie- en raadplegingsprocedure voor de onderneming met een communautaire dimensie of het concern met een communautaire dimensie.
2. Indien het hoofdbestuur niet in een lidstaat is gevestigd, draagt de vertegenwoordiger van het hoofdbestuur in een, in voorkomend geval, aan te wijzen lidstaat de in lid 1 bedoelde verantwoordelijkheid.Wanneer er geen vertegenwoordiger is, berust de in lid 1 bedoelde verantwoordelijkheid bij het bestuur van de vestiging of het hoofdbestuur van de onderneming van het concern met het grootste aantal werknemers in een lidstaat.
3. In deze richtlijn wordt (worden) de vertegenwoordiger(s) of, bij ontstentenis, het bestuur of het hoofdbestuur, beschouwd als het hoofdbestuur.
6. Artikel 5, lid 1, van de richtlijn bepaalt:Teneinde de doelstelling van artikel 1, lid 1, te verwezenlijken opent het hoofdbestuur op eigen initiatief of op schriftelijk verzoek van ten minste 100 werknemers of hun vertegenwoordigers afkomstig uit ten minste twee ondernemingen of vestigingen in ten minste twee verschillende lidstaten onderhandelingen met het oog op de instelling van een Europese ondernemingsraad of een informatieverstrekkings- en raadplegingsprocedure.
7. In artikel 6, lid 1, van de richtlijn is bepaald:Het hoofdbestuur en de bijzondere onderhandelingsgroep dienen in een geest van samenwerking te onderhandelen om een overeenkomst over de wijze waarop de in artikel 1, lid 1, bedoelde informatieverstrekking aan en raadpleging van de werknemers wordt verwezenlijkt.
8. Artikel 11 van de richtlijn bepaalt:
1. Elke lidstaat ziet erop toe dat het bestuur van de vestigingen van een onderneming met communautaire dimensie en het bestuur van de ondernemingen van een concern die op zijn grondgebied zijn gevestigd, en hun werknemersvertegenwoordigers of, in voorkomend geval, hun werknemers de in deze richtlijn omschreven verplichtingen naleven, ongeacht of het hoofdbestuur al dan niet op zijn grondgebied is gevestigd.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de gegevens over het in artikel 2, lid 1, onder a) en c), bedoelde aantal werknemers door de ondernemingen beschikbaar worden gesteld op verzoek van de partijen die belang hebben bij de toepassing van deze richtlijn.
3. De lidstaten treffen passende maatregelen voor het geval deze richtlijn niet wordt nageleefd in het bijzonder zien zij erop toe dat er administratieve of gerechtelijke procedures bestaan om de in deze richtlijn opgenomen verplichtingen te doen naleven.[...]
9. Ten slotte bepaalt artikel 14, lid 1, van de richtlijn dat:[...] de lidstaten alle nodige maatregelen dienen te treffen opdat de sociale partners te allen tijde voor de op grond van deze richtlijn vereiste resultaten kunnen instaan. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
B ─ De Duitse regeling
10. De Bondsrepubliek Duitsland heeft de richtlijn omgezet door middel van het Gesetz über Europäische Betriebsräte (wet op de Europese ondernemingsraden) van 28 oktober 1996 (hierna: EBRG). (3)
11. In § 1, lid 3, EBRG wordt het begrip hoofdbestuur van de onderneming of van het concern gedefinieerd, terwijl § 2, lid 2, het geval regelt waarin dat bestuur zich in een derde land bevindt. In dit geval maakt de Duitse wetgever, indien er op het grondgebied van de lidstaten geen gedecentraliseerd bestuur en evenmin een door het hoofdbestuur benoemde vertegenwoordiger is, gebruik van een juridische fictie waarmee hij de kwestie regelt overeenkomstig artikel 4, leden 2, tweede alinea, en 3, van de richtlijn.
12. § 5 EBRG bepaalt:
1. Het hoofdbestuur geeft een werknemersvertegenwoordiging op verzoek inlichtingen over het gemiddeld totaal aantal werknemers en hun verdeling over de lidstaten, de ondernemingen en bedrijven, alsook over de structuur van de onderneming of het concern.
2. Een ondernemingsraad of centrale ondernemingsraad kan zich op dit recht ingevolge lid 1 beroepen tegenover het plaatselijke bedrijfs- of ondernemingsbestuur; dit is verplicht de voor de inlichtingen vereiste informatie en gegevens bij het hoofdbestuur op te vragen.
(4)
II ─ Feiten en procedure voor de nationale rechter
13. In het voor het Bundesarbeitsgericht aanhangige geding staan de Duitse onderneming Kühne & Nagel AG & Co. KG (hierna: Kühne & Nagel of de Duitse onderneming) en de Gesamtbetriebsrat (centrale ondernemingsraad) van deze onderneming tegenover elkaar.
14. Uit de verwijzingsbeschikking kan worden opgemaakt dat Kühne & Nagel deel uitmaakt van een concern met een communautaire dimensie, waarvan het hoofdbestuur zich in Zwitserland bevindt. In het betrokken concern is geen Europese ondernemingsraad opgericht en geen procedure voor de informatie en raadpleging van de werknemers in de zin van artikel 1, lid 2, van de richtlijn ingesteld. Evenmin hebben de pogingen van de werknemers om een bijzondere onderhandelingsgroep in de zin van artikel 5 van dezelfde richtlijn in te stellen, tot resultaat geleid.
15. Uit de beschikking blijkt bovendien dat in geen enkele lidstaat een gedecentraliseerd bestuur van het Kühne & Nagel-concern bestaat, en dat het hoofdbestuur nooit een plaatselijke vertegenwoordiger heeft benoemd in de zin van artikel 4, lid 2, eerste alinea, van de richtlijn. Nu Kühne & Nagel binnen het concern de onderneming met het grootste aantal werknemers in de lidstaten is, berust krachtens artikel 2, lid 2, EBRG (artikel 4, leden 2, tweede alinea, en 3, van de richtlijn) de verantwoordelijkheid van het hoofdbestuur bij de Duitse onderneming. Uitgaande van deze vooronderstelling heeft de Gesamtbetriebsrat Kühne & Nagel verzocht hem de in artikel 5, lid 1, EBRG bedoelde informatie te verstrekken, alsmede de namen en adressen van de bij de in de andere lidstaten gevestigde ondernemingen van het concern ingestelde personeelsvertegenwoordigingen.
16. Ten aanzien van de weigering van Kühne & Nagel heeft de Gesamtbetriebsrat een beroep gedaan op de bevoegde Duitse rechterlijke instanties ter nakoming van zijn eis. In eerste en tweede aanleg is Kühne & Nagel in het ongelijk gesteld, en vervolgens is zij in hoger beroep gegaan bij het Bundesarbeitsgericht. De Duitse onderneming betwist niet dat zij verplicht is de in artikel 5, lid 1, EBRG bedoelde informatie te verstrekken, maar stelt dat zij hieraan niet kan voldoen, aangezien het hoofdbestuur van het concern niet gebonden is aan het gemeenschapsrecht en weigert haar de betrokken informatie te verstrekken. Op de vervolgens tot de andere ondernemingen van het concern gerichte verzoeken zou geen antwoord zijn gekomen, en Kühne & Nagel beschikt zelf ook niet over de betrokken informatie. De eis van de Gesamtbetriebsrat zou dus op een onmogelijk voorwerp zijn gericht, zodat hij zou moeten worden afgewezen. Bovendien is de Duitse onderneming van mening dat het verzoek met betrekking tot informatie over in andere lidstaten ingestelde personeelsvertegenwoordigingen geen rechtsgrondslag heeft.
17. De verwijzende rechter is van oordeel dat de eis van de Gesamtbetriebsrat om de in § 5, lid 1, EBRG bedoelde informatie te ontvangen, gegrond is, maar ziet een onevenwicht in de positie van de Duitse onderneming, die verplicht zou zijn deze informatie te verstrekken, zonder echter over de geschikte middelen te beschikken om die te verkrijgen bij de in de andere lidstaten gevestigde ondernemingen van het concern. Om het bezwaar van Kühne & Nagel te kunnen verwerpen, zou het derhalve nodig zijn dat zij over deze middelen beschikt. Het Bundesarbeitsgericht sluit uit dat de oplossing gezocht kan worden in de Duitse regeling, die geen werking heeft voor de buiten Duitsland gevestigde ondernemingen; op grond van artikel 4, lid 2, tweede alinea, en artikel 11, leden 1 en 2, van de richtlijn zou het echter mogelijk zijn, het bestuur dat de plaats inneemt van het hoofdbestuur, een recht op informatie jegens de in andere lidstaten gevestigde ondernemingen en vestigingen van het concern toe te kennen.
18. De verwijzende rechter sluit bovendien niet uit, dat de eis van de Gesamtbetriebsrat om informatie te ontvangen met betrekking tot de personeelsvertegenwoordigingen bij de in andere lidstaten gevestigde ondernemingen van het Kühne & Nagel-concern, zijn grondslag kan vinden in de richtlijn. Niettemin hoeft deze vraag naar zijn mening pas beantwoord te worden indien het bestaan van een recht op informatie ten gunste van het fictieve hoofdbestuur van het concern wordt bevestigd.
19. Nu er derhalve twijfel is gerezen over de juiste uitlegging van de desbetreffende bepalingen van de richtlijn, heeft het Bundesarbeitsgericht de behandeling van de zaak geschorst om het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
1) Zijn ondernemingen die deel uitmaken van een concern waarvan de zeggenschap uitoefenende onderneming buiten de Gemeenschap is gevestigd, op grond van richtlijn 94/45/EG inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers, met name op grond van de artikelen 4 en 11 daarvan, verplicht om de onderneming die volgens artikel 4, lid 2, tweede alinea, en lid 3, van de richtlijn als hoofdbestuur geldt, inlichtingen te verstrekken over het gemiddelde totale aantal werknemers, hun verdeling over de lidstaten, de bedrijven van de onderneming en de van haar afhankelijke ondernemingen, alsmede over de structuur van de onderneming en van de van haar afhankelijke ondernemingen?
2) Ingeval het Hof de eerste vraag bevestigend beantwoordt: Omvat de informatieplicht ook de namen en adressen van de werknemersvertegenwoordigingen die voor de werknemers van de onderneming of van de van haar afhankelijke ondernemingen bij de samenstelling van een bijzondere onderhandelingsgroep in de zin van artikel 5 van de richtlijn of van een Europese ondernemingsraad moeten worden betrokken?
III ─ Procedure bij het Hof
20. Tijdens de schriftelijke procedure zijn bij het Hof opmerkingen ingediend door de Gesamtbetriebsrat, Kühne & Nagel, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Zweden en de Commissie van de Europese Gemeenschappen. De Duitse en de Zweedse regering, alsmede de Commissie, hebben vervolgens de schriftelijke vragen van het Hof beantwoord. De Gesamtbetriebsrat, Kühne & Nagel en de Commissie hebben bovendien deelgenomen aan de terechtzitting van 15 januari 2002.
IV ─ Juridische analyse
A ─ De eerste prejudiciële vraag
1. Samenvatting van de bij het Hof ingediende opmerkingen
21. Kühne & Nagel betwist allereerst dat de betrekkingen tussen het hoofdbestuur en de andere ondernemingen van het concern door de richtlijn beheerst kunnen worden. In casu is er in ieder geval sprake van een zuiver fictief bestuur, dat door de wet in de plaats van het werkelijke bestuur wordt gesteld. Deze juridische fictie verleent het fictieve hoofdbestuur echter geen bevoegdheid ten aanzien van de zusterondernemingen, die onafhankelijk zijn, en dus ook geen bevoegdheid om van laatstgenoemde informatie te verkrijgen, temeer daar deze informatie vertrouwelijk zou kunnen zijn. Deze bevoegdheid zou ook niet kunnen voortvloeien uit de ter uitvoering van de richtlijn vastgestelde nationale bepalingen. Van de andere kant is het volgens Kühne & Nagel niet noodzakelijk de onafhankelijkheid van de afzonderlijke ondernemingen van het concern op het spel te zetten om de nuttige werking van de richtlijn te verzekeren, maar is het voldoende de werknemersvertegenwoordigers een recht op informatie jegens elk van deze ondernemingen toe te kennen. De vraag zou derhalve ontkennend beantwoord moeten worden.
22. De Gesamtbetriebsrat en de Duitse en de Zweedse regering zijn een andere mening toegedaan. Met name de Gesamtbetriebsrat is van oordeel dat het recht op informatie van de werknemersvertegenwoordigers alleen kan worden verzekerd als het fictieve hoofdbestuur zelf een recht op informatie heeft jegens de in de lidstaten gevestigde andere ondernemingen van het concern. Anders zou het doel van de richtlijn niet kunnen worden verwezenlijkt. De Gesamtbetriebsrat benadrukt, dat immers uit artikel 11 van de richtlijn kan worden afgeleid dat deze groot belang hecht aan de effectieve en werkelijke uitvoering van de in deze richtlijn geregelde rechten. Het niet naleven van de richtlijn ten gevolge van de weigering van de andere ondernemingen van het concern om mee te werken, moet dus middels passende gerechtelijke procedures worden bestraft.
23. Volgens de Duitse en de Zweedse regering volgt het bestaan van het betrokken recht niet alleen uit het beginsel van de nuttige werking van de richtlijn, maar ook uit de artikelen 4, lid 1, en 6, lid 1, van deze richtlijn, die een verplichting tot samenwerking binnen het concern tussen het hoofdbestuur en de in de lidstaten gevestigde andere ondernemingen vooronderstellen. Het recht op informatie van het hoofdbestuur zou ook kunnen worden afgeleid uit de informatieplicht die op grond van artikel 11, lid 2, van de richtlijn voor alle concernondernemingen geldt, omdat het het hoofdbestuur is dat deze ondernemingen bij de instelling van de Europese ondernemingsraad coördineert. Uit de tekst van de richtlijn zelf kan bovendien worden opgemaakt dat de daarin geregelde informatie- en coördinatiemechanismen alle ondernemingen van het concern betreffen, zodat zij alle verplicht zijn mee te werken om de doelen van de richtlijn te verwezenlijken. Volgens de Zweedse regering is het dan de taak van de lidstaten om in de hiervoor benodigde middelen te voorzien.
24. Van haar kant geeft de Commissie toe, dat uit de artikelen 4 en 11 van de richtlijn een recht van het fictieve hoofdbestuur kan worden afgeleid, om van de andere ondernemingen van het concern informatie te verkrijgen, maar zij twijfelt of dit, in de meerderheid van de gevallen, een passend middel is om de nuttige werking van de richtlijn te verzekeren. De Commissie wijst op de moeilijkheden die het fictieve hoofdbestuur zou kunnen tegenkomen bij het geldend maken van een dergelijk recht; om te beginnen zou het onbekend kunnen zijn met de structuur van het gehele concern en derhalve niet in staat zijn alle ondernemingen of vestigingen die belang hebben bij de toepassing van de richtlijn te identificeren. Afgezien daarvan zou het fictieve hoofdbestuur dit recht op informatie jegens de andere ondernemingen van het concern, vooral als deze in verschillende lidstaten zijn gevestigd, pas zinvol kunnen doen gelden als er op nationaal niveau wordt voorzien in bijzondere bepalingen in het kader van maatregelen ter omzetting van de richtlijn.
25. De Commissie stelt daarom voor, het probleem te benaderen vanuit een andere zienswijze, die naar haar oordeel nauwer aansluit op de tekst en het systeem van de richtlijn. Zij gaat uit van de vooronderstelling dat het hoofdbestuur, ook al is het in een derde land gevestigd, zich er niet aan kan onttrekken de richtlijn na te leven voor wat betreft de ondernemingen en de vestigingen van het concern die zich daarentegen bevinden op het grondgebied van de lidstaten, waar het derhalve het door de richtlijn zelf geregelde recht op informatie van de werknemers moet verzekeren. Het hoofdbestuur zou dus aan het fictieve hoofdbestuur, dat hier in de zin van de richtlijn verantwoordelijk voor is, de door de werknemers gevraagde informatie moeten geven. Volgens de Commissie betekent de weigering van het hoofdbestuur om mee te werken niet dat het fictieve bestuur wordt ontheven van deze verantwoordelijkheid, maar wel dat het zich blootstelt aan de toepassing van de in artikel 11, lid 3, van de richtlijn bedoelde maatregelen. Op deze wijze slaagt men erin, zij het indirect, de niet-naleving door het hoofdbestuur, en uiteindelijk door het gehele concern, van de door de richtlijn voorgeschreven verplichtingen te bestraffen. De Commissie concludeert, dat in casu dus niets belet dat Kühne & Nagel wordt veroordeeld om de gevraagde informatie te verstrekken, en eventueel wordt onderworpen aan de dwangmaatregelen waarin het Duitse recht bij niet-naleving van deze verplichting voorziet.
2. Beoordeling
26. In deze procedure wordt het Hof voor de tweede keer verzocht te beslissen over het recht van de werknemers om informatie te krijgen met het oog op de instelling van een Europese ondernemingsraad in de zin van richtlijn 94/95. De eerste keer was dit het geval in de zaak Bofrost * (5) , waarin moest worden vastgesteld of de werknemers zich konden beroepen op artikel 11, lid 2, van de richtlijn om van een onderneming die tot een concern behoort, informatie te krijgen, wanneer het hoofdbestuur van het concern zelf nog niet bekend is. Nu betreft de aan het Hof gestelde vraag echter het geval waarin het hoofdbestuur van het concern bekend is, maar het zich niet op het grondgebied van de lidstaten bevindt en de op hem rustende verplichtingen in de zin van artikel 4, leden 2, tweede alinea, en 3, van de richtlijn worden overgenomen door een fictief hoofdbestuur. De nationale rechterlijke instantie wil derhalve weten op welke wijze de richtlijn, ook in dit geval, de werkelijke uitoefening van het recht op informatie van de werknemers jegens het hoofdbestuur verzekert.
27. Zoals is opgemerkt, wordt het recht van de werknemers om informatie te krijgen in de zin van de richtlijn, niet door Kühne & Nagel betwist. Zij werpt echter tegen, dat zij als fictief hoofdbestuur van het concern de naleving van dit recht niet kan verzekeren zonder de medewerking van het werkelijke hoofdbestuur en de andere ondernemingen van het concern. De verwijzende rechter vraagt daarom of hij, om deze hindernis te nemen, mag veronderstellen dat aan de Duitse onderneming een op de artikelen 4 en 11 van de richtlijn gebaseerd overeenkomstig recht op informatie jegens de in de andere lidstaten gevestigde ondernemingen van het concern toekomt.
28. Voor de beantwoording van deze vraag moet er in de eerste plaats op worden gewezen, dat de richtlijn blijkens artikel 1 tot doel heeft de grensoverschrijdende informatie en raadpleging van werknemers van in twee of meer lidstaten werkzame ondernemingen en concerns te verbeteren, doordat zij, in de ondernemingen en concerns waar daarom wordt verzocht, voorziet in de instelling van een Europese ondernemingsraad of in andere procedures die even geschikt zijn om dit doel te bereiken. Dit betreft, zo verklaart artikel 1 van de richtlijn, de gehele onderneming met een communautaire dimensie, of in het geval van een concern, alle ondernemingen van het concern die in de lidstaten zijn gevestigd en die dus belang hebben bij de toepassing van de richtlijn. (6)
29. Er moet ook op worden gewezen dat het in de richtlijn geschetste systeem steunt op de rol van het hoofdbestuur van de onderneming of het concern met een communautaire dimensie, waaraan artikel 4, lid 1, van de richtlijn de hoofdverantwoordelijkheid voor het bereiken van het doel toewijst, aangezien het hoofdbestuur het eigenlijke beslissingscentrum van de onderneming of het concern is (artikel 2, lid 1, sub e, en artikel 3, lid 1). Het beginsel van de verantwoordelijkheid van het hoofdbestuur zou dan ook volgens sommige commentatoren beschouwd moeten worden als een van de leidende beginselen van de richtlijn. (7) Zoals blijkt uit artikel 4, lid 1, is de verantwoordelijkheid van het hoofdbestuur erg ruim en omvat zij de voorwaarden en de middelen die nodig zijn om de in de richtlijn bedoelde mechanismen voor de informatie en de raadpleging van de werknemers in te stellen. Deze verantwoordelijkheid omvat de verplichting om met alle beschikbare middelen te voldoen aan elke eis die naar voren kan komen bij de instelling van een Europese ondernemingsraad of een procedure voor informatieverstrekking aan en raadpleging van werknemers in de zin van de richtlijn, met als enige beperking dat de aan het hoofdbestuur gevraagde handeling voor het bereiken van dit doel werkelijk noodzakelijk moet zijn.
30. Uit het voorafgaande blijkt, voorzover hier van belang, dat het hoofdbestuur de verplichting heeft om alle voorwaarden te scheppen en in alle materiële en logistieke middelen te voorzien, opdat de onderhandelingen met de werknemersvertegenwoordigers reglementair kunnen plaatsvinden (8) en, eerder nog, om de samenstelling mogelijk te maken van een bijzondere onderhandelingsgroep in de zin van artikel 5, lid 2, van de richtlijn. Maar bovenal blijkt, dat het hoofdbestuur de verplichting heeft de werknemers de informatie te verstrekken die nodig is voor de start en de goede afloop van de onderhandelingen, alsmede eventueel, indien de voorwaarden aanwezig zijn, voor de instelling van de Europese ondernemingsraad krachtens de wet in de zin van artikel 7 van de richtlijn. (9)
31. Na dit vastgesteld te hebben, moet ik erop wijzen dat, zoals is af te leiden uit de veertiende overweging van de considerans (10) en uit artikel 11, lid 1, van de richtlijn, de mechanismen voor de informatie en de raadpleging van de werknemers in de onderneming of het concern met een communautaire dimensie correct moeten worden ingesteld, ongeacht of het hoofdbestuur al dan niet op het grondgebied van de lidstaten is gevestigd. Om te vermijden dat de eventuele vestiging van het hoofdbestuur in een derde land een obstakel vormt bij het bereiken van het doel van de richtlijn, voorziet artikel 4 in een systeem waarmee deze situatie kan worden tegengegaan. Zoals uiteengezet, bepaalt artikel 4, lid 2, dat een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur in een lidstaat wordt aangewezen en, wanneer deze er niet is, dat [...] de in lid 1 bedoelde verantwoordelijkheid bij het bestuur [...] van de onderneming van het concern met het grootste aantal werknemers in een lidstaat [berust]. In elk geval bepaalt artikel 4, lid 3, dat de aangewezen vertegenwoordiger of, bij ontstentenis, het fictieve bestuur in deze richtlijn wordt [...] beschouwd als het hoofdbestuur. (11) Hieruit volgt dat de verantwoordelijkheid die de richtlijn aan het hoofdbestuur toekent, in beide gevallen volledig overgaat op het fictieve bestuur, dat derhalve dezelfde verplichtingen heeft als het hoofdbestuur, en op dezelfde wijze als dit bestuur voor de nakoming ervan verantwoordelijk is.
32. Ik wijs erop, dat men een soortgelijke benadering als de bovenstaande ook tegenkomt in richtlijnen die in het kader van gemeenschapswetgeving inzake sociale politiek zijn vastgesteld. Ik doel in het bijzonder op zowel de communautaire richtlijn inzake collectief ontslag (12) als die inzake de bescherming van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen. Deze laatste wordt ook door de Zweedse regering aangehaald in haar opmerkingen voor het Hof. (13) Deze richtlijnen bepalen uitdrukkelijk, dat de verplichtingen van voorlichting en raadpleging van de werknemers in geval van collectief ontslag of overgang van ondernemingen, die zij de werkgevers opleggen, nageleefd moeten worden ongeacht of de betrokken beslissingen worden genomen door de werkgever dan wel door een over de werkgever zeggenschap uitoefenende andere onderneming. Om de naleving van deze verplichtingen te verzekeren, bepalen de betrokken richtlijnen dat de verantwoordelijkheid van de werkgever niet wordt uitgesloten door het feit dat de over hem zeggenschap uitoefenende onderneming hem de noodzakelijke informatie niet heeft verstrekt. (14)
33. Zoals gezegd, is overigens ook tegengeworpen dat van het fictieve hoofdbestuur niet de volledige naleving van de verplichtingen van artikel 4, lid 1, van de richtlijn zou kunnen worden verlangd, aangezien dit bestuur, anders dan het werkelijke, niet over de hiervoor noodzakelijke bevoegdheden tot het besturen en coördineren van het concern beschikt. Klaarblijkelijk is dit ook de zorg van de verwijzende rechter, die dan ook vraagt of hij, om het fictieve hoofdbestuur in staat te stellen de krachtens artikel 4, lid 1, op hem rustende verplichting tot informatie na te leven, uit deze richtlijn mag afleiden dat dit bestuur het recht heeft om van de andere ondernemingen van het concern de hiervoor noodzakelijke informatie te krijgen, waarbij de rechter zich in het bijzonder baseert op het bepaalde in artikel 11, lid 2, van de richtlijn, dat, zoals is uiteengezet, aan deze ondernemingen een informatieverplichting oplegt.
34. Het komt mij echter voor, dat de tegenwerping niet de betekenis eerbiedigt van de door artikel 4, leden 2 en 3, van de richtlijn voorgeschreven regeling. Het is namelijk zo, dat de richtlijn het systeem baseert op het (werkelijke) hoofdbestuur van de onderneming of het concern, wegens de coördinatie- en bestuursbevoegdheden waarover het beschikt, en derhalve wegens zijn leidende positie binnen de onderneming of het concern. Het is echter ook zo, dat de richtlijn, zonder de interne structuur van de onderneming of het concern te willen veranderen, heeft willen voorkomen dat een van beide de opgelegde verplichtingen zou omzeilen door het hoofdbestuur buiten de Gemeenschap te vestigen. Om deze doelstelling te bereiken, stellen de leden 2 en 3 van artikel 4 middels een fictie het fictieve bestuur gelijk aan het werkelijke, en kennen zij aan eerstgenoemde alle verantwoordelijkheden toe die voorzien zijn voor laatstgenoemde. Hieruit volgt, zoals de Commissie ook heeft benadrukt, dat de eventuele niet-naleving door het fictieve hoofdbestuur van de verplichtingen van artikel 4, lid 1, overeenkomstig artikel 11, lid 1, en artikel 14 van de richtlijn bestraft moet worden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, precies zoals dit het geval zou zijn bij niet-naleving door het werkelijke hoofdbestuur van het concern, in het bijzonder door middel van de in lid 3 van artikel 11 bedoelde administratieve of gerechtelijke procedures [...] om de [hierin] opgenomen verplichtingen te doen naleven.
35. Natuurlijk valt niet te ontkennen dat het in ieder geval het werkelijke hoofdbestuur is dat over de middelen en mogelijkheden beschikt om de beslissingen te nemen die nodig zijn om de door de richtlijn opgelegde verplichtingen na te leven. Maar de vermoede verantwoordelijkheid van het fictieve hoofdbestuur en de daaruit volgende toepassing van het sanctiestelsel hierop, beogen juist druk uit te oefenen op het werkelijke hoofdbestuur, opdat eerstgenoemde in het belang van het concern in staat gesteld wordt deze verplichtingen na te leven. Tegenwerpen dat de verantwoordelijkheid van het fictieve hoofdbestuur uitgesloten zou zijn indien het werkelijke hoofdbestuur niet zou willen meewerken, zou derhalve betekenen dat laatstgenoemde wordt aangemoedigd om niet de maatregelen te nemen die nodig zijn om de door de richtlijn voorgeschreven verplichtingen na te leven, en dus ten slotte om de doelstellingen van de bepaling van artikel 4, lid 3, te omzeilen; met andere woorden, het zou een gemakkelijk excuus bieden om de nuttige werking van de richtlijn teniet te doen door het hoofdbestuur buiten de Gemeenschap te vestigen.
36. Daarom lijkt mij de opvatting van de verwijzende rechter twijfelachtig, dat hij de niet-naleving door Kühne & Nagel van de verplichting om aan de werknemers informatie te verstrekken, niet kan bestraffen zonder dat haar een overeenkomstig recht op informatie jegens de andere ondernemingen van het concern is toegekend. Een dergelijke opvatting zou er namelijk toe leiden dat de betekenis en het doel van de betrokken bepalingen veranderen, omdat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de richtlijn dan van het hoofdbestuur naar de andere ondernemingen van het concern zou verschuiven en de op eerstgenoemde rustende verplichtingen naar de achtergrond zouden worden gedrongen of wellicht helemaal zouden worden ontdaan van hun inhoud, terwijl het gehele door de richtlijn ingestelde systeem is gebaseerd op het hoofdbestuur, omdat alleen dit er direct of indirect de volledige en doeltreffende toepassing van kan verzekeren.
37. Meer concreet moet ik opmerken dat de door artikel 11, lid 2, van de richtlijn aan de afzonderlijke ondernemingen opgelegde informatieplicht mij vanwege haar specifieke en beperkte functie niet geschikt lijkt om te voldoen aan de door de verwijzende rechter ter sprake gebrachte vereisten. Zoals reeds uit de tekst zelf van deze bepaling blijkt, streeft de in de richtlijn bedoelde informatieplicht er enkel naar, de werknemers in staat te stellen om te constateren of de richtlijn wel of niet van toepassing is op de onderneming of het concern waar zij werkzaam zijn, en eventueel om het hoofdbestuur van het concern te identificeren. Enerzijds richt de bepaling zich zonder onderscheid tot de ondernemingen als zodanig, zonder in te gaan op het begrip hoofdbestuur of het begrip onderneming of concern met een communautaire dimensie, en verwijst zij naar de verzoeken om informatie, die in het algemeen door de partijen die belang hebben bij de toepassing van de[ze] richtlijn worden gedaan. Anderzijds betreft de door de bepaling voorgeschreven verplichting alleen de gegevens over het in artikel 2, lid 1, onder a) en c), bedoelde aantal werknemers [in de onderneming of in het concern], dat wil zeggen, juist de gegevens die het mogelijk maken om vast te stellen of het wel of niet om een onderneming of concern met een communautaire dimensie gaat. (15)
38. Wanneer echter eenmaal is vastgesteld dat de onderneming of het concern binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, dan heeft het hoofdbestuur op grond van de uit genoemd artikel 4, lid 1, voortkomende algemene verantwoordelijkheid de verplichting om aan de werknemers alle informatie te verstrekken die nodig is voor de instelling van de Europese ondernemingsraad, waaronder begrepen natuurlijk de informatie die elke onderneming van het concern, met betrekking tot de haar betreffende specifieke gegevens, krachtens artikel 11, lid 2, zou moeten verschaffen. Deze ondernemingen blijven wel afzonderlijk verplicht om desverzocht de in de bepaling bedoelde informatie te verstrekken, maar dit is niet van belang voor de verantwoordelijkheid van het hoofdbestuur, die ─ aangezien zij op artikel 4, lid 1, en niet op artikel 11, lid 2, van de richtlijn berust ─ hierdoor noch vervangen noch beperkt wordt. Deze verantwoordelijkheid blijft derhalve ten aanzien van haar inhoud en algemene omvang volledig en onverkort van kracht, zoals, gelet op hetgeen hierboven is gezegd, ook de verantwoordelijkheid van het fictieve hoofdbestuur volledig en onverkort van kracht blijft.
39. Afgezien hiervan moet ik opmerken dat de oplossing die erin bestaat, dat aan het fictieve hoofdbestuur een recht op informatie jegens de andere ondernemingen van het concern wordt toegekend, ook als dit bij de praktische uitvoering aanzienlijke moeilijkheden meebrengt ─ zoals uitvoerig is uiteengezet in de loop van de procedure voor het Hof ─, er zeker toe kan bijdragen de werknemers de toegang te verzekeren tot de informatie die noodzakelijk is met het oog op de instelling van de Europese ondernemingsraad. Niettemin verzekert zij, meer algemeen gezien, helemaal niet de werkelijke instelling van de in de richtlijn bedoelde informatie- en raadplegingsmechanismen. Men denke er alleen maar aan dat, tenzij men niet wil ingrijpen in de structuur van de organisatorische en rechtsbetrekkingen tussen de ondernemingen van het concern, ook na de instelling van de Europese ondernemingsraad de medewerking van het werkelijke hoofdbestuur van het concern noodzakelijk blijft om de correcte werking ervan te verzekeren. Het is dan ook duidelijk dat alleen het werkelijke hoofdbestuur de ondernemingsraad ─ zoals de richtlijn verlangt ─ zinvol kan inlichten en raadplegen over de algemene situatie en de vooruitzichten van het concern, alsmede over de strategische beslissingen die een wezenlijke invloed kunnen hebben op de belangen van de werknemers (16) , terwijl het fictieve hoofdbestuur de hiervoor noodzakelijke gegevens niet bij de andere ondernemingen van het concern zou kunnen inwinnen.
40. Concluderend ben ik van oordeel dat de eerste vraag aldus moet worden beantwoord dat, in het geval van concerns waarvan het hoofdbestuur buiten de lidstaten is gevestigd, het bestuur dat in de zin van de artikelen 4, leden 2, tweede alinea, en 3, van de richtlijn de plaats van het hoofdbestuur inneemt, verplicht is de interne werknemersvertegenwoordigingen op verzoek alle voor de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure voor grensoverschrijdende informatie en raadpleging van de werknemers noodzakelijke informatie beschikbaar te stellen. Het is de taak van de lidstaten om de naleving van deze verplichting overeenkomstig de artikelen 11, leden 1 en 3, en 14 van de richtlijn te verzekeren.
B ─ De tweede prejudiciële vraag
41. Met deze vraag wil de verwijzende rechter weten of de door de richtlijn opgelegde informatieplicht ook betrekking heeft op de namen en adressen van de werknemersvertegenwoordigingen die bij de samenstelling van een bijzondere onderhandelingsgroep in de zin van artikel 5 van de richtlijn of de instelling van een Europese ondernemingsraad zijn betrokken. Gelet op het voorgestelde antwoord op de eerste vraag, ben ik van oordeel dat ik ook de tweede vraag moet onderzoeken.
42. Hierover merk ik allereerst op, dat volgens Kühne & Nagel de informatie met betrekking tot de namen en adressen van de werknemersvertegenwoordigingen niet tot het toepassingsgebied van de richtlijn behoort, aangezien zij verder gaat dan voor de instelling van een Europese ondernemingsraad noodzakelijk is. De Commissie volgt dezelfde gedachtegang, maar voegt daaraan toe, dat juist om deze reden de verplichting om genoemde informatie te verstrekken, ook niet kan worden afgeleid uit de door de richtlijn voorgeschreven verplichting tot loyale samenwerking tussen de ondernemingen en de werknemers of hun vertegenwoordigers. De Gesamtbetriebsrat en de Duitse regering zijn daarentegen van oordeel dat de betrokken informatie noodzakelijk is voor de instelling van een Europese ondernemingsraad, en derhalve binnen het toepassingsgebied van de richtlijn valt.
43. Mijns inziens is alles wat hierover gezegd kan worden, dat om de omvang van de informatieplicht vast te stellen, moet worden nagegaan of de gevraagde informatie noodzakelijk is met het oog op de instelling van een Europese ondernemingsraad. (17) Ik ben echter van oordeel dat niet het Hof, maar de verwijzende rechter, op grond van alle hem ter beschikking staande gegevens, moet vaststellen of in het onderhavige geval de in de vraag bedoelde informatie van dien aard is. Ik voeg hier alleen aan toe dat, aangezien de betrokken informatieplicht bij het hoofdbestuur berust vanwege de hem door artikel 4, lid 1, van de richtlijn toegewezen algemene verantwoordelijkheid, hieruit volgt dat, om de hierboven uiteengezette redenen, deze verplichting ook berust bij het bestuur dat op grond van artikel 4, leden 2, tweede alinea, en 3, van de richtlijn de plaats inneemt van het hoofdbestuur.
44. Ik ben derhalve van oordeel dat de tweede prejudiciële vraag aldus moet worden beantwoord, dat het hoofdbestuur van het concern of, in voorkomend geval, het bestuur dat op grond van artikel 4, leden 2, tweede alinea, en 3, van richtlijn 94/45 de verantwoordelijkheid ervan overneemt, gehouden is de werknemersvertegenwoordigingen op verzoek informatie te verstrekken met betrekking tot de namen en adressen van de werknemersvertegenwoordigingen van de ondernemingen die deel uitmaken van een concern, als die informatie noodzakelijk is voor de instelling van een Europese ondernemingsraad binnen het concern zelf.
V ─ Conclusie
45. In het licht van de voorafgaande overwegingen, stel ik het Hof voor, de hem door het Bundesarbeitsgericht bij beschikking van 27 juni 2000 voorgelegde vragen als volgt te beantwoorden:
1) De artikelen 4 en 11 van richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers, moeten aldus worden uitgelegd, dat in het geval van concerns waarvan het hoofdbestuur buiten de lidstaten is gevestigd, het bestuur dat in de zin van de artikelen 4, leden 2, tweede alinea, en 3, van de richtlijn de plaats van het hoofdbestuur inneemt, verplicht is de interne werknemersvertegenwoordigingen op verzoek alle voor de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure voor grensoverschrijdende informatie en raadpleging van de werknemers noodzakelijke informatie beschikbaar te stellen. Het is de taak van de lidstaten om de naleving van deze verplichting overeenkomstig de artikelen 11, leden 1 en 3, en 14 van de richtlijn te verzekeren.
2) Het hoofdbestuur van het concern of, in voorkomend geval, het bestuur dat op grond van artikel 4, leden 2, tweede alinea, en 3, van richtlijn 94/45 de verantwoordelijkheid ervan overneemt, is gehouden de werknemersvertegenwoordigingen op verzoek informatie te verstrekken met betrekking tot de namen en adressen van de werknemersvertegenwoordigingen van de ondernemingen die deel uitmaken van een concern, als die informatie noodzakelijk is voor de instelling van een Europese ondernemingsraad binnen het concern zelf.
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – PB L 254, blz. 64. Aangezien de richtlijn gebaseerd is op artikel 2, lid 2, van het Protocol betreffende de sociale politiek, bijlage bij Protocol nr. 14 van het EG-Verdrag, was zij aanvankelijk niet van toepassing op het Verenigd Koninkrijk. De richtlijn werd vervolgens op deze lidstaat van toepassing verklaard door richtlijn 97/74/EG (PB 1998, L 10, blz. 22).
3 – BGBl. 1996 I, blz. 1548.
4 – Niet-officiële vertaling.
5 – Arrest van 29 maart 2001, Bofrost * (C-62/99, Jurispr. blz. I-2579).
6 – Zie ook de elfde, de twaalfde en de veertiende overweging van de considerans van de richtlijn. Ik merk op, dat de richtlijn ook het geval in aanmerking neemt, dat het concern met een communautaire dimensie een of meer dochterconcerns met ook een communautaire dimensie of een of meer ondernemingen met een communautaire dimensie omvat. Op grond van artikel 1, lid 3, van de richtlijn wordt de Europese ondernemingsraad op het niveau van het gehele concern opgericht, tenzij de betrokken sociale partners anders overeenkomen.
7 – Zie in het bijzonder Leite, J., Fernandes, L., Amado, L., Reis, J., Conselhos de impresa europeus. Comentários à directiva 94/45/CE, Lissabon 1996, in het bijzonder blz. 32. Zie over de rol van het hoofdbestuur ook Teyssié, B., Le comité d'entreprise européen, Parijs 1997, in het bijzonder blz. 199, alsmede Gulotta, C., Le relazioni industriali nelle imprese multinazionali. I diritti d'informazione e di consultazione dei lavoratori nell'Unione europea e nel diritto internazionale, Milaan 2002, in het bijzonder blz. 132.
8 – Van de andere kant moet worden opgemerkt dat op grond van artikel 5, lid 6, van de richtlijn [d]e uitgaven in verband met de [...] onderhandelingen ten laste van het hoofdbestuur [komen] in zoverre als nodig is om de bijzondere onderhandelingsgroep in de gelegenheid te stellen haar taak naar behoren te vervullen.
9 – Op grond van artikel 7 van de richtlijn wordt de Europese ondernemingsraad ook ingesteld als er geen overeenstemming wordt bereikt tussen het hoofdbestuur en de bijzondere onderhandelingsgroep, in het bijzonder als het hoofdbestuur weigert de onderhandelingen te openen binnen zes maanden na het formele verzoek van de werknemers of als er geen overeenkomst wordt gesloten binnen drie jaar na dit verzoek. De bevoegdheid en de samenstelling van de op deze wijze ingestelde raad worden door de toepasselijke wetgeving van de lidstaat overeenkomstig de subsidiaire voorschriften in de bijlage van de richtlijn geregeld.
10 – De veertiende overweging van de considerans luidt: dat de mechanismen voor de informatie en de raadpleging van de werknemers [van de ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie] alle in de lidstaten gelegen vestigingen of ondernemingen van de concerns moeten omvatten, ongeacht of het hoofdbestuur van de ondernemingen of, in het geval van een concern, die van de zeggenschap uitoefenende onderneming, al dan niet op het grondgebied van de lidstaten is gevestigd.
11 – Voor het gemak van de uiteenzetting ga ik hierna alleen in op het geval van het fictieve bestuur, dat wil zeggen het geval waarin de verantwoordelijkheid van het hoofdbestuur wordt gedragen door het bestuur [...] van de onderneming van het concern met het grootste aantal werknemers in een lidstaat. Het is duidelijk dat de desbetreffende overwegingen ook gelden voor het geval waarin deze verantwoordelijkheid wordt gedragen door een door dat in een derde land gevestigd hoofdbestuur aangewezen vertegenwoordiger.
12 – Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 225, blz. 16).
13 – Richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB L 61, blz. 26), gewijzigd bij richtlijn 98/50/EG (PB L 201, blz. 88). Deze richtlijn is vervolgens ingetrokken bij richtlijn 2001/23/EG (PB L 82, blz. 16).
14 – Zie wat betreft het collectief ontslag artikel 2, lid 4, van richtlijn 98/59; zie echter wat betreft de overgang van ondernemingen artikel 6, lid 4, van richtlijn 77/187, waarvan de inhoud nauwkeurig is overgenomen in artikel 7, lid 4, van richtlijn 2001/23.
15 – Het komt mij voor, dat het Hof niet anders geredeneerd heeft in het aangehaalde arrest Bofrost *, waarin het verklaarde dat de betrokken verplichting zich uitstrekte tot de informatie op grond waarvan zij [de betrokken werknemers of hun vertegenwoordigers] kunnen beoordelen of zij al of niet aanspraak hebben op de opening van onderhandelingen [tot instelling van een Europese ondernemingsraad of van een transnationale procedure voor informatie en raadpleging van de werknemers], en op grond waarvan zij in voorkomend geval hun verzoek hiertoe correct kunnen formuleren (punt 38). Ik wijs erop, dat deze uitspraak een concern betrof waarin de aanwezigheid van een zeggenschap uitoefenende onderneming, en derhalve van een hoofdbestuur in de zin van de richtlijn, nog niet was vastgesteld.
16 – Zie in het bijzonder de punten 2 en 3 van de subsidiaire voorschriften in de bijlage bij de richtlijn (zie ook voetnoot 9).
17 – Wat dit betreft, wijs ik er overigens op, dat krachtens artikel 8, lid 2, van de richtlijn in specifieke gevallen en onder de bij of krachtens de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden en beperkingen het hoofdbestuur kan weigeren de informatie bekend te maken mits die van dien aard is dat zij, op grond van objectieve criteria, de betrokken ondernemingen ernstig in hun functioneren zou belemmeren, dan wel hen zou schaden.
Full & Egal Universal Law Academy