Conclusie van de advocaat generaal
I - Feiten, rechtskader en precontentieuze procedure
1. Met het onderhavige beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, binnengekomen bij het Hof van Justitie op 22 december 2000, verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/50/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden (hierna: richtlijn"), de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2. Volgens artikel 13 van de richtlijn moeten de lidstaten binnen uiterlijk 18 maanden na de inwerkingtreding ervan de nodige uitvoeringsmaatregelen treffen en de Commissie daarvan in kennis stellen. Daar de richtlijn op 7 oktober 1996 in werking is getreden, was deze termijn op 7 april 1998 verstreken.
3. Aangezien de Commissie op dat tijdstip door de Franse regering niet in kennis was gesteld van uitvoeringsmaatregelen en zij verder ook geen inlichtingen daarover had ontvangen, zond zij de Franse regering op 28 april 1999 een aanmaningsbrief met het verzoek binnen twee maanden haar opmerkingen in te dienen.
4. De Franse regering antwoordde daarop bij brief van 19 juli 1999 en deelde mee dat maatregelen ter uitvoering van de richtlijn in voorbereiding waren.
5. Op 31 januari 2000 zond de Commissie de Franse Republiek een met redenen omkleed advies in de zin van artikel 226 EG, waarin zij haar verzocht binnen een termijn van twee maanden de nodige maatregelen te treffen.
6. De Franse Republiek antwoordde hierop bij brief van 8 april 2000, waarin zij te kennen gaf dat de nodige uitvoeringsmaatregelen voor het einde van het eerste halfjaar van 2000 zouden worden getroffen.
7. Aangezien een dergelijke mededeling of informatie over het treffen van de noodzakelijk maatregelen ter uitvoering van de richtlijn door de Franse Republiek ook daarna uitbleef, heeft de Commissie bij verzoekschrift van 6 december 2000 beroep ingesteld bij het Hof.
8. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
1. vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/50/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden, of althans door de Commissie niet in kennis te stellen van deze bepalingen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2. de Franse Republiek te verwijzen in de kosten.
9. De Franse Republiek heeft in haar verweerschrift geen conclusies geformuleerd. De Commissie heeft bij brief van 16 maart 2001 afgezien van repliek.
II - Schending van het Verdrag
Argumenten van de partijen
10. Onder verwijzing naar de verplichtingen van de lidstaten op grond van artikel 249, lid 3, EG, artikel 10 EG, en artikel 13 van de richtlijn betoogt de Commissie, dat de Franse Republiek niet de maatregelen heeft getroffen die nodig zijn voor de uitvoering van de richtlijn, respectievelijk deze niet heeft medegedeeld, en de genoemde verplichtingen daardoor niet is nagekomen.
11. De Franse Republiek bestrijdt niet dat zij haar verplichting om de richtlijn binnen de gestelde termijn in nationaal recht om te zetten niet is nagekomen, doch betoogt dat de vertraging bij de uitvoering van de richtlijn te wijten is aan de omvang van het daartoe benodigde wetgevingsarbeid en de vereiste adviezen. Zij wijst evenwel op de reeds geboekte vooruitgang en op het ontwerp voor een decreet betreffende vaarbewijzen voor binnenvaartuigen en voor een overeenkomstig toepassingsbesluit, waarvan de respectieve teksten als bijlage bij het verweerschrift zijn gevoegd.
Beoordeling
12. Daar de Franse Republiek de vertraging bij de vaststelling van de noodzakelijke wettelijke maatregelen niet bestrijdt, bestrijdt zij evenmin dat de richtlijn niet binnen de gestelde termijnen is uitgevoerd.
13. Met betrekking tot de argumenten van de Franse Republiek betreffende de moeilijkheden op nationaal niveau bij de vaststelling van de noodzakelijke maatregelen, volstaat het eraan te herinneren dat een lidstaat zich volgens vaste rechtspraak van het Hof niet ten exceptieve op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen.
14. Bovendien is een argument als de verwijzing naar de voortgang in het wetgevingsproces, waarmee de Franse Republiek in het onderhavige geval kennelijk haar inspanning om de richtlijn uit te voeren tracht te staven, irrelevant, omdat een beroep krachtens artikel 226 EG uitsluitend op de objectieve vaststelling van de niet-nakoming is gericht en niet op vragen betreffende het eventuele verzet van de betrokken lidstaat.
15. Het beroep van de Commissie is derhalve gegrond.
III - Kosten
16. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
IV - Conclusie
17. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de wettelijke en bestuurlijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/50/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) de Franse Republiek te verwijzen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy