CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 26 juni 2003 (1)
Zaak C‑470/00 P
Europees Parlement
tegen
Carlo Ripa di Meana e.a.
„Hogere voorziening – Leden van Europees Parlement ─ Voorlopige ouderdomspensioenregeling ─ Termijn voor indiening van verzoek ─ Kennisneming”
1. Het Europees Parlement heeft hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 26 oktober 2000, Ripa di Meana e.a./Parlement(2) (hierna: „bestreden arrest”), strekkende tot nietigverklaring van dit arrest wat de zaken T‑83/99 en T‑84/99 betreft.
I – Het rechtskader
2. Aangezien een eenvormige communautaire pensioenregeling voor alle leden van het Parlement ontbrak, heeft het bureau van het Parlement op 24 en 25 mei 1982 een voorlopige regeling voor het ouderdomspensioen ingevoerd voor de leden uit lidstaten waarvan de nationale autoriteiten niet in een pensioenregeling voor de leden van het Parlement voorzien (hierna: „voorlopige pensioenregeling”). Deze regeling, die ook van toepassing is indien de hoogte en/of de voorwaarden van het bedoelde pensioen afwijken van die welke van toepassing zijn op de leden van het parlement van de staat waarvoor het betrokken lid van het Parlement werd gekozen, is opgenomen in bijlage III bij de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement (hierna: „bijlage III”).
3. Bijlage III, zoals deze sinds 25 mei 1982 van kracht was, bepaalde met name het volgende:
„Artikel 1
1. Alle leden van het Europees Parlement hebben recht op een ouderdomspensioen.
2. In afwachting van een definitieve communautaire pensioenregeling voor alle leden van het Europees Parlement, wordt op verzoek van het betrokken parlementslid een voorlopig ouderdomspensioen betaald uit de begroting van de Europese Gemeenschappen, afdeling Parlement.
Artikel 2
1. De hoogte en de voorwaarden van het voorlopige pensioen zijn gelijk aan die van het pensioen van de leden van de Tweede Kamer van het parlement van de staat waarvoor het betrokken lid van het Europees Parlement gekozen is.
2. Een lid op wie artikel 1, lid 2, van toepassing is, stort een bijdrage in de begroting van de Gemeenschap die op zodanige wijze wordt berekend dat hij of zij in totaal dezelfde premie betaalt als een lid van de Tweede Kamer van het parlement van de staat waar hij of zij gekozen is.
Artikel 3
Voor de berekening van het pensioenbedrag kunnen dienstjaren als parlementslid van een lidstaat worden opgeteld bij de jaren als lid van het Europees Parlement. De jaren van een dubbel mandaat worden slechts eenmaal berekend.”
4. De voorlopige pensioenregeling is gewijzigd bij besluit van het bureau van het Parlement van 13 september 1995 (hierna: „besluit van 1995”), dat in hoofdzaak ertoe strekte de toetreding tot deze regeling alsook de betaalbaarstelling van het pensioen afhankelijk te maken van de indiening, binnen een gestelde termijn, van een verzoek daartoe.
5. Zo bepaalt artikel 3 van bijlage III, zoals gewijzigd bij besluit van 1995, thans:
„1. Het verzoek om toetreding tot deze voorlopige pensioenregeling moet worden ingediend binnen zes maanden na de aanvang van het mandaat van de betrokkene.
Na het verstrijken van deze termijn wordt de datum van toetreding tot de pensioenregeling vastgesteld op de eerste van de maand van ontvangst van de aanvraag.
2. Het verzoek om betaalbaarstelling van het pensioen moet binnen zes maanden na het ontstaan van het recht worden ingediend.
Na het verstrijken van deze termijn wordt de datum van uitkering van het pensioen vastgesteld op de eerste van de maand van ontvangst van de aanvraag.”
6. Artikel 4 van bijlage III, zoals gewijzigd bij besluit van 1995, neemt de tekst van het vroegere artikel 3 van deze bijlage letterlijk over.
7. Artikel 5 van bijlage III bepaalt thans:
„Deze regeling treedt in werking op de datum van goedkeuring ervan door het bureau [te weten op 13 september 1995].
Leden wier mandaat loopt op het moment van vaststelling van de onderhavige regeling hebben echter vanaf de datum van vankrachtwording van deze bepalingen zes maanden de tijd om een verzoek om toetreding tot deze regeling in te dienen.”
8. Van de bij besluit van 1995 ingevoerde wijziging van bijlage III is aan alle leden van het Parlement kennis gegeven bij mededeling nr. 25/95 van het Parlement van 28 september 1995.
9. Artikel 27, leden 1 en 2, van de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement bepaalt:
„1. Bij de aanvang van hun mandaat ontvangen de leden van de secretaris-generaal een exemplaar van deze regeling; zij bevestigen schriftelijk de ontvangst ervan.
2. Indien een lid van mening is dat deze regeling onjuist is toegepast, kan hij schrijven aan de secretaris-generaal. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt tussen het lid en de secretaris-generaal, wordt de zaak verwezen naar het college van quaestoren, dat besluit na de secretaris-generaal te hebben geraadpleegd. Het college kan eveneens de voorzitter en/of het bureau raadplegen.”
II – De aan het geding ten grondslag liggende feiten en de procedure voor het Gerecht
10. Zoals blijkt uit het bestreden arrest, zijn de aan het geding ten grondslag liggende feiten de volgende:
„1 [Ripa di Meana, Orlando en Parigi] waren lid van het [...] Parlement [...] gedurende de zittingsperiode 1994/1999.
[...]
6 Aangezien [Ripa di Meana, Orlando en Parigi] dachten dat zij van rechtswege onder de voorlopige pensioenregeling vielen, zoals dit bij het Italiaanse parlement het geval is, dienden zij geen verzoek om toetreding in, zoals in de wijziging van 13 september 1995 werd voorgeschreven. Pas in de eerste maanden van 1998 kwamen zij bij toeval te weten dat zij eigenlijk geen enkel ouderdomspensioen zouden ontvangen, aangezien zij niet uitdrukkelijk om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling hadden verzocht binnen de termijn van zes maanden na de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 3, lid 1, van bijlage III, zoals door het [b]ureau op 13 september 1995 gewijzigd.
7 Vervolgens gingen [Ripa di Meana, Orlando en G. Parigi] verschillend te werk. Parigi diende zijn verzoek om toetreding tot de voorlopige regeling op 18 februari 1998 in bij de afdeling sociale zaken [...] van het directoraat-generaal Personeel van het Parlement [...]. Hij verzocht om toepassing met terugwerkende kracht van de voorlopige pensioenregeling. Het college van quaestoren antwoordde met twee brieven, van 2 juli en van 20 oktober 1998, waarin werd meegedeeld dat het onmogelijk was om met terugwerkende kracht tot de voorlopige pensioenregeling toe te treden.
8 Ripa di Meana en Orlando namen contact op met de administratie van het Parlement zonder schriftelijke verzoeken.
9 Na deze vruchteloze pogingen bij de bevoegde diensten benaderden verzoekers de vice-voorzitters van het Parlement, Imbeni en Podestà, met het verzoek een oplossing voor dit probleem te vinden.
10 Laatstgenoemden verzochten het college van quaestoren bij brief van 19 november 1998 de situatie van verzoekers opnieuw te onderzoeken. Dit verzoek werd afgewezen in individuele brieven aan verzoekers (nr. 300762 aan Ripa di Meana, nr. 300763 aan Orlando en nr. 300761 aan Parigi) van het college van 4 februari 1999, met als motivering dat alle leden van het Parlement was meegedeeld dat toetreding tot bovengenoemde pensioenregeling alleen mogelijk was indien daartoe een verzoek werd ingediend binnen de termijn vastgesteld bij het eerder genoemde besluit van het [b]ureau van het Parlement van 13 september 1995 [...].”
11. In deze omstandigheden stelden Ripa di Meana (zaak T‑83/99), Orlando (zaak T‑84/99) en Parigi (zaak T‑85/99) bij verzoekschriften, neergelegd op 13 april 1999 ter griffie van het Hof, beroep in tot nietigverklaring van de beschikkingen van het Parlement van 4 februari 1999 tot afwijzing van hun verzoeken om toetreding met terugwerkende kracht tot de voorlopige pensioenregeling.
12. Deze drie zaken werden wegens verknochtheid voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd bij beschikking van de president van de Vierde kamer van het Gerecht van 22 mei 2000.
III – Het bestreden arrest
13. In het bestreden arrest heeft het Gerecht de door het Parlement opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid gedeeltelijk aanvaard.
14. Wat het door Parigi ingestelde beroep betreft, heeft het Gerecht geoordeeld dat de brief van het college van quaestoren van 4 februari 1999 aan deze laatste geen enkel nieuw element bevatte ten opzichte van de brieven van 2 juli en 20 oktober 1998 en bijgevolg een beschikking vormde die de in deze twee brieven vervatte beschikkingen louter bevestigde. Aangezien de twee beschikkingen van 1998 niet binnen de wettelijke termijn waren betwist en de beschikking van 4 februari 1999 bovendien niet was voorafgegaan door een heronderzoek van de situatie van Parigi, heeft het Gerecht in punt 36 van het bestreden arrest geoordeeld dat diens beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk was.
15. Wat daarentegen de door Ripa di Meana en Orlando ingestelde beroepen betreft, heeft het Gerecht afwijzend beslist op de stelling van het Parlement dat deze beroepen niet-ontvankelijk waren omdat de brieven van 4 februari 1999 de inhoud van het besluit van het bureau van het Parlement van 13 september 1995 gewoon herhaalden. In punt 26 van het bestreden arrest oordeelde het Gerecht dat „[d]e brief van 19 november 1998 moet worden beschouwd als een verzoek dat door de ondervoorzitters namens verzoekers is ingediend”, waarna het in de punten 27 tot en met 31 het volgende overwoog:
„27 Vervolgens zij eraan herinnerd, dat het Hof reeds in het arrest van 14 december 1962, Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes e.a./Raad (16/62 en 17/62, Jurispr. blz. 941), heeft verklaard dat het woord ‚beschikking’ in artikel 173, tweede alinea, EG‑Verdrag (thans artikel 230, vierde alinea, EG) moet worden opgevat in de technische betekenis die artikel 189 EG-Verdrag (thans artikel 249 EG) eraan toekent, en dat het criterium voor het onderscheid tussen een normatieve handeling en een beschikking in de zin van laatstgenoemd artikel in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling moet worden gezocht.
28 Bovendien is het vaste rechtspraak dat een handeling haar normatieve karakter niet verliest door het feit dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie zij van toepassing is, min of meer nauwkeurig kan worden bepaald (zie beschikking Hof van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C‑10/95 P, Jurispr. blz. I‑4149, punt 30, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 In het onderhavige geval moet worden vastgesteld, dat de definities die in de wijziging van 13 september 1995 van bijlage III zijn neergelegd, die in algemene en abstracte bewoordingen zijn gesteld en dus rechtsgevolgen teweegbrengen voor op algemene en abstracte wijze bepaalde leden van het Parlement en derhalve voor elk van de leden, moeten worden geacht een algemene en normatieve gelding te hebben. Zelfs indien was aangetoond, dat de leden op wie artikel 5, lid 2, van de wijziging van 13 september 1995 van toepassing is, identificeerbaar waren op het moment waarop de bepaling werd vastgesteld, zou dit niet afdoen aan het normatieve karakter ervan, in aanmerking genomen dat zij enkel het oog heeft op objectieve situaties rechtens of feitelijk.
30 Ook al heeft het Hof erkend, dat een bepaling van normatieve aard in zekere omstandigheden bepaalde natuurlijke en rechtspersonen rechtstreeks en individueel kan raken (zie arrest Gerecht van 27 juni 2000, Salamander e.a./Parlement en Raad, T‑172/98, T‑175/98–T‑177/98, Jurispr. blz. II‑2487, punt 30, en de aldaar aangehaalde rechtspraak), deze rechtspraak kan in het onderhavige geval niet worden ingeroepen, nu de bestreden bepaling geen enkel specifiek recht van verzoekers in de zin van deze rechtspraak heeft aangetast.
31 Hieruit volgt dat de argumenten van het Parlement betreffende de niet-ontvankelijkheid van de beroepen T‑83/99 en T‑84/99 moeten worden afgewezen.”
16. Vervolgens heeft het Gerecht bij het onderzoek ten gronde van de door Ripa di Meana en Orlando ingestelde beroepen de exceptie van onwettigheid afgewezen die zij tegen het besluit van het bureau van het Parlement van 13 september 1995 hadden opgeworpen, doch hun middelen aanvaard zowel betreffende de inachtneming van de in bijlage III gestelde termijn van zes maanden, als betreffende schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van het rechtszekerheidsbeginsel.
17. Daaromtrent heeft het Gerecht inzonderheid geoordeeld:
„75 Het Gerecht is van oordeel, dat het Parlement op grond van de beginselen van rechtszekerheid en van behoorlijk bestuur en gelet op artikel 27, lid 1, van de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Parlement, de betrokken leden over de wijziging van bijlage III had moeten informeren door middel van een individuele kennisgeving met ontvangstbevestiging.
76 Alleen op die manier zou het Parlement hebben gehandeld overeenkomstig de communautaire rechtspraak, die voorschrijft dat iedere handeling van de administratie die rechtsgevolgen teweegbrengt, duidelijk en nauwkeurig is en de belanghebbende op zodanige manier ter kennis wordt gebracht, dat deze met zekerheid kan weten vanaf welk tijdstip de handeling bestaat en rechtsgevolgen heeft (zie arrest Gerecht van 7 februari 1991, Tagaras/Hof van Justitie, T‑18/89 en T‑24/89, Jurispr. blz. II‑53, punt 40; zie eveneens arrest Hof van 23 september 1986, AKZO Chemie/Commissie, 5/85, Jurispr. blz. 2585, punt 39).
77 Aangezien een dergelijke kennisgeving niet heeft plaatsgehad, kan een termijn voor indiening van een verzoek op basis van een handeling die pensioenrechten als de in casu aan de orde zijnde verleent, volgens de communautaire rechtspraak pas ingaan op het moment waarop de betrokkene, nadat hij weet heeft gekregen van het bestaan van die handeling, binnen een redelijke termijn nauwkeurig kennis van de handeling heeft genomen (zie in die zin arrest Gerecht van 15 maart 1994, La Pietra/Commissie, T‑100/92, JurAmbt. blz. I‑A-83 en II‑275, punt 30, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
78 Ook al bestrijden verzoekers niet, dat zij in de loop van de eerste maanden van 1998 weet hebben gekregen van het bestaan van de wijziging van bijlage III, het Parlement heeft niet bewezen, dat zij meer dan zes maanden vóór de indiening van de aanvraag, op 19 november 1998, nauwkeurig bekend waren met die wijziging. Bovendien blijkt uit de omstandigheden van de zaak, dat de wijziging binnen een redelijke termijn nauwkeurig bekend was.
79 Verzoekers hebben hun verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling dan ook ingediend binnen de in het besluit tot wijziging van bijlage III gestelde termijn.”
18. Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht in de punten 1 en 3 van het dictum van het bestreden arrest de beschikkingen nrs. 300762 en 300763 van 4 februari 1999 tot afwijzing van de verzoeken van Ripa di Meana en Orlando om toetreding met terugwerkende kracht tot de voorlopige pensioenregeling nietig verklaard en het Parlement verwezen in zijn eigen kosten, alsook in de kosten van Ripa di Meana en van Orlando in de zaken T‑83/99 en T‑84/99.
19. Het Gerecht heeft daarentegen in de punten 2 en 4 van het dictum van het bestreden arrest het beroep van Parigi als niet-ontvankelijk verworpen en deze laatste verwezen in zijn eigen kosten, alsook in die van het Parlement in zaak T‑85/99.
IV – De procedure voor het Hof en de conclusies van partijen
20. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 december 2000, heeft het Europees Parlement krachtens artikel 49 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie onderhavige hogere voorziening ingesteld.
21. Het Parlement concludeert dat het het Hof behaagt:
– het bestreden arrest te vernietigen wat de zaken T‑83/99 en T‑84/99 betreft;
– bijgevolg, de beroepen van verzoekers in eerste aanleg niet-ontvankelijk en ongegrond te verklaren;
– verzoekers in eerste aanleg te verwijzen in alle kosten van de procedures voor het Gerecht en het Hof.
22. Ripa di Meana en Orlando concluderen van hun kant dat het het Hof behaagt:
– de hogere voorziening van het Parlement tegen de punten 1 en 3 van het dictum van het bestreden arrest in haar geheel kennelijk niet-ontvankelijk en/of ongegrond te verklaren;
– bijgevolg de punten 1 en 3 van het dictum van het bestreden arrest te bevestigen en de door Ripa di Meana en Orlando in eerste aanleg geformuleerde vorderingen definitief en volledig toe te wijzen;
– het Parlement te gelasten ook de kosten van de hogere voorziening te vergoeden.
23. Voor het geval dat het Hof de hogere voorziening geheel of ten dele toewijst, concluderen Ripa di Meana en Orlando, subsidiair, dat het het Hof behage:
– de vordering van het Parlement, ertoe strekkende hen te verwijzen in alle kosten van de procedures voor het Gerecht, niet-ontvankelijk te verklaren, daar het gaat om conclusies die in strijd met artikel 113, lid 1, tweede streepje, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof voor het eerst in hogere voorziening zijn ingediend;
– de kosten van de hogere voorziening naar billijkheid te verdelen.
24. Incidenteel heeft Parigi hogere voorziening tegen het bestreden arrest ingesteld voorzover het Gerecht hem behalve in zijn eigen kosten ook in die van het Parlement heeft verwezen. In zijn memorie van antwoord concludeert Parigi dat het het Hof behage:
– het bestreden arrest uitsluitend te vernietigen met betrekking tot punt 4 van het dictum, betreffende zaak T‑85/99;
– bijgevolg in zaak T‑85/99 elke partij te verwijzen in haar eigen kosten;
– het Parlement te verwijzen in de kosten van de onderhavige hogere voorziening.
25. Voor het geval dat het Hof de incidentele hogere voorziening geheel of ten dele afwijst, verzoekt Parigi het Hof de kosten van de hogere voorziening naar billijkheid te verdelen.
26. Het Parlement heeft een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen deze incidentele hogere voorziening opgeworpen. Het concludeert dat het het Hof behage:
– de door Parigi ingestelde incidentele hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren;
– Parigi te verwijzen in alle kosten van de procedure in hogere voorziening.
V – Analyse van de principale hogere voorziening
A – Het eerste middel
1. Argumenten van partijen
27. Het Parlement bestrijdt in zijn eerste middel dat de brief van de twee ondervoorzitters van het Parlement van 19 november 1998 als een „verzoek om toetreding van verzoekers” dient te worden opgevat, zoals het Gerecht heeft gedaan. In dit verband heeft het Gerecht in punt 26 van het bestreden arrest vastgesteld dat „[d]e brief van 19 november 1998 moet worden beschouwd als een verzoek dat door de vice-voorzitters namens verzoekers is ingediend”.
28. Het Parlement merkt op dat het standpunt van het Gerecht geen enkele steun vindt in het recht, aangezien de betrokken ondervoorzitters geen specifieke bevoegdheid hadden om namens Ripa di Meana en Orlando een verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling in te dienen, noch op grond van enige regelgevende bepaling noch op grond van een lastgeving die door deze beide leden van het Parlement zou zijn verleend. Het is volgens het Parlement uitgesloten dat voor handelingen als de onderhavige, die rechtstreeks de juridische en financiële positie van de betrokken leden van het Parlement beïnvloeden, een vertegenwoordiging zonder lastgeving kan worden aanvaard. De brief van 19 november 1998 staat dus gelijk met een informele benadering om de positie van de verzoekers nogmaals te onderzoeken, maar kan geenszins als een verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling worden beschouwd.
29. Deze stelling wordt overigens door de inhoud van deze brief zelf bevestigd. Volgens het Parlement blijkt hieruit dat de ondervoorzitters de situatie niet volledig hebben begrepen omdat zij in deze brief de positie van Ripa di Meana en Orlando met die van Parigi vergelijken. Bij lezing van het arrest wordt echter duidelijk dat hun posities fundamenteel verschillen.
30. In ieder geval hebben Ripa di Meana en Orlando uitdrukkelijk erkend dat zij nimmer een verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling hebben ingediend volgens de formaliteiten die zijn vastgelegd in de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Parlement, en evenmin op een andere wijze; zij hebben overigens ook in hun memories of ter terechtzitting voor het Gerecht nimmer gevraagd om de brief van 19 november 1998 te beschouwen als een verzoek om toetreding tot deze regeling dat de beide ondervoorzitters in hun naam en voor hun rekening zouden hebben geformuleerd. Hieruit vloeit voort dat het Gerecht ultra petitum uitspraak heeft gedaan.
31. Wat het argument van Ripa di Meana en Orlando betreft dat noch in bijlage III noch in enige andere bepaling van nationaal of communautair recht wordt aangegeven op welke wijze een verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling moet worden ingediend, merkt het Parlement ten eerste op dat er speciale formulieren bestaan die door de bevoegde diensten van het Parlement ter beschikking worden gesteld – formulieren waarvan Ripa di Meana en Orlando het bestaan kenden – en ten tweede dat, indien men aanvaardt dat een verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling geen bijzondere formaliteiten vereist, dit verzoek in ieder geval op schrift moet zijn gesteld om de administratie waaraan dit verzoek is gericht de nodige gegevens te verschaffen voor het vervullen van de vereiste formaliteiten, waarbij met name dient te worden gedacht aan de gevolgen van de datum van indiening van het verzoek.
32. Het Parlement herinnert vervolgens in verband met ditzelfde argument – dat het verzoek om toetreding niet aan vormvereisten is gebonden – eraan dat het probleem in casu niet ligt in de wijze waarop het verzoek om toetreding dient te geschieden, maar in het feit dat Ripa di Meana en Orlando geen enkel verzoek om toetreding hebben ingediend. In dit verband merkt het op dat beiden zich tot de administratie van het Parlement hebben gewend, niet om een „mondeling” verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling in te dienen, maar enkel om „inlichtingen” hieromtrent in te winnen. De bevoegde diensten hebben hen bij die gelegenheid op de hoogte gesteld van het feit dat schriftelijk om toetreding moet worden verzocht en dat hiervoor speciale formulieren beschikbaar zijn.
33. Ripa di Meana en Orlando merken op dat noch in bijlage III noch in enige andere bepaling van nationaal of communautair recht wordt aangegeven op welke wijze een verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling moet worden ingediend. Niets verhinderde hen derhalve om zich voor de indiening van een dergelijk verzoek door de Italiaanse ondervoorzitters van het Parlement te laten vertegenwoordigen. Bij gebreke van vormvereisten waaraan de lastgeving moet voldoen, kan deze in elke willekeurige vorm, zelfs mondeling of stilzwijgend, worden verleend.
34. In casu maakte de brief van de ondervoorzitters duidelijk en ondubbelzinnig melding van een door beide betrokken leden van het Parlement verleende lastgeving, zodat deze brief als een werkelijk verzoek in naam en voor rekening van Ripa di Meana en Orlando om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling moet worden beschouwd. Deze gevolgtrekking wordt trouwens bevestigd door het feit dat het college van quaestoren – dat had kunnen weigeren om te antwoorden of de brief van de ondervoorzitters niet-ontvankelijk had kunnen verklaren met de motivering dat de procedure van artikel 27, lid 2, van de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement niet in acht was genomen – niet alleen op deze brief heeft geantwoord, maar ook nog rechtstreeks en afzonderlijk aan Ripa di Meana en Orlando, daarbij uitdrukkelijk verwijzend naar hun verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling. Deze omstandigheid toont, volgens deze leden van het Parlement duidelijk aan dat de brief van de ondervoorzitters als een geldig verzoek om toetreding tot deze regeling moet worden beschouwd, hetgeen het Gerecht trouwens in punt 26 van het bestreden arrest heeft bevestigd.
35. Ripa di Meana en Orlando leggen er verder de nadruk op dat het argument van het Parlement dat zij geen verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling zouden hebben ingediend, in ieder geval irrelevant is omdat het bij de bestreden handelingen die door het Gerecht nietig zijn verklaard, gaat om de brieven van het college van quaestoren van 4 februari 1999, en de ontvankelijkheid van de beroepen in eerste aanleg daarom enkel op basis van deze brieven diende te worden onderzocht.
2. Beoordeling
36. Het staat vast dat Ripa di Meana en Orlando op een eigenaardige manier te werk zijn gegaan.
37. De stelling van het Parlement dat de brief van de ondervoorzitters door het Gerecht niet als een verzoek om toetreding kan worden aangemerkt, wordt echter ondergraven door het feit dat een van zijn eigen organen, namelijk het college van quaestoren, hem eveneens heeft beschouwd als een verzoek om toetreding dat deze ondervoorzitters namens de betrokken leden van het Parlement hebben ingediend.
38. Dat volgt niet alleen uit de strekking van de brieven van 4 februari 1999 van het college van quaestoren, die als volgt worden afgesloten: „Derhalve kan op grond van de bestaande regeling uw verzoek niet worden ingewilligd”(3). Het volgt ook, zoals Ripa di Meana en Orlando terecht opmerken, uit het feit dat deze brieven weliswaar inhoudelijk een antwoord op de brief van de ondervoorzitters van 19 november 1998 zijn, doch gericht zijn aan de drie leden van het Parlement, die daardoor rechtstreeks en afzonderlijk worden geraakt.
39. Ik stel derhalve voor het eerste middel van het Parlement ongegrond te verklaren.
B – Het tweede middel
1. Argumenten van partijen
40. In zijn tweede middel bestrijdt het Parlement het standpunt van het Gerecht dat de brieven van het college van quaestoren van 4 februari 1999 „beschikkingen van het Parlement” zijn. Zijns inziens gaat het immers om eenvoudige mededelingen die de quaestoren van het Parlement louter ter informatie hebben verstuurd, ter bevestiging van een bestaande situatie waarvan de betrokken leden van het Parlement volkomen op de hoogte waren.
41. Het Parlement betwist ten eerste de overweging in punt 30 van het bestreden arrest, dat het besluit van 13 september 1995 „geen enkel specifiek recht van verzoekers in de zin van [de] rechtspraak heeft aangetast”. Door uiterste termijnen voor de verkrijging van een pensioen van het Parlement in te voegen, tast dit besluit immers wel degelijk de subjectieve rechtspositie van de leden van het Parlement aan; Ripa di Meana en Orlando hadden dus volstrekt het recht tegen dit besluit een beroep tot nietigverklaring in te stellen. Dit beroep moest echter binnen de termijnen van artikel 230 EG worden ingesteld. Het feit dat deze termijnen niet in acht zijn genomen kan in geen geval ongedaan worden gemaakt door een beroep tegen brieven die het Parlement beschouwt als eenvoudige beleefdheidsbrieven die slechts een door de leden van het Parlement gekende regel bevestigen. Een tegenovergestelde uitlegging zou volgens het Parlement een schending van het grondbeginsel van rechtszekerheid met zich brengen.
42. Ten tweede vestigt het Parlement de aandacht op de tegenstrijdigheden in het arrest van het Gerecht, dat in de punten 29 en 30 oordeelt dat het besluit van het bureau van het Parlement een normatieve handeling van algemene strekking is die geen specifiek recht van verzoekers heeft aangetast, en vervolgens in punt 75 van hetzelfde arrest dat het Parlement op grond van de beginselen van rechtszekerheid en behoorlijk bestuur de betrokken leden van het Parlement over de wijziging van bijlage III had moeten informeren door middel van een individuele kennisgeving met een ontvangstbevestiging. Volgens het Parlement kan slechts één van deze twee opvattingen worden verdedigd: ofwel moet het besluit van 1995 worden beschouwd als een handeling van algemene strekking die de rechten van de adressaten ervan niet schaadt en moet de gewone manier van communicatie tussen een instelling en haar leden als toereikend worden beschouwd; ofwel vormt een dergelijk besluit een handeling van individuele strekking waarvan aan alle leden van het Parlement kennis moet worden gegeven en in dit geval hadden de leden van het Parlement tegen deze handeling een beroep tot nietigverklaring moeten instellen binnen de gestelde termijn, die zou zijn ingegaan op de dag waarop zij van de handeling kennis hadden gekregen. Aangezien deze termijn was verstreken, moest het beroep door het Gerecht niet-ontvankelijk worden verklaard.
43. Het Parlement wijst er ten slotte op dat de brieven van 4 februari 1999 in geen geval als „beschikkingen van het Parlement” kunnen worden aangemerkt, aangezien Ripa di Meana en Orlando door hun informele en ongebruikelijke stappen bij twee ondervoorzitters in ieder geval de gewone regels en procedures naast zich hadden neergelegd. Het Parlement verwijst in dit verband meer in het bijzonder naar artikel 27, lid 2, van de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement, dat als volgt luidt: „Indien een lid van mening is dat deze regeling onjuist is toegepast, kan hij schrijven aan de secretaris-generaal. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt tussen het lid en de secretaris-generaal, wordt de zaak verwezen naar het college van quaestoren, dat besluit na de secretaris-generaal te hebben geraadpleegd. Het college kan eveneens de voorzitter en/of het bureau raadplegen.”
44. Wat het argument betreft dat Ripa di Meana en Orlando aan het arrest Weber/Parlement(4) ontlenen, herinnert het Parlement eraan dat, hoewel volgens dit arrest de handelingen van het Parlement die jegens derden juridische gevolgen hebben, zeker aan rechterlijke toetsing zijn onderworpen, er een handeling ter uitvoering van de betrokken regelgeving moet bestaan. In het reeds aangehaalde arrest Weber/Parlement ging het om een beschikking van het college van quaestoren inzake de door Weber gevraagde overgangsvergoeding bij neerlegging van het mandaat. In de onderhavige zaak echter was er geen handeling ter uitvoering van de relevante regelgeving omdat de juridische voorwaarden voor het ontstaan van een dergelijke handeling niet waren vervuld. Met andere woorden, de brieven van het college van quaestoren konden geen juridisch gevolg hebben omdat er in casu geen formeel verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling zijdens Ripa di Meana en Orlando voorlag. Het Parlement herinnert er in dit verband aan dat een schriftelijk en ondertekend verzoek van de belanghebbende onontbeerlijk is om een bestuursrechtelijke procedure in gang te zetten en eventueel tot een voor beroep vatbare beschikking te komen. In casu echter heeft geen van beide leden van het Parlement een handeling verricht die hiermee kan worden vergeleken. De brief van de twee ondervoorzitters – die ipso facto niet van de belanghebbenden zelf afkomstig was – kon dus geen enkele juridische waarde hebben.
45. Ripa di Meana en Orlando merken in hun repliek op het tweede middel van het Parlement op dat het college van quaestoren zelf, door rechtstreeks aan de betrokken leden van het Parlement te antwoorden, de procedure van artikel 27, lid 2, van de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement niet in acht hebben genomen. Zij bestrijden de stelling van het Parlement dat de brieven van het college van quaestoren slechts beleefdheidsbrieven zijn en dat de enige voor beroep vatbare handeling het besluit van 13 september 1995 is. Volgens hen wordt deze stelling ontkracht zowel door de ondubbelzinnige bewoordingen in die brieven („het verzoek [van Ripa di Meana en Orlando] kan niet worden ingewilligd”) als door een doorslaggevend precedent in ‘s Hofs rechtspraak, namelijk het reeds aangehaalde arrest Weber/Parlement.
46. In die zaak had het college van quaestoren het verzoek van een Parlementslid tot betaling van een overbruggingstoelage bij neerlegging van het mandaat afgewezen op grond van een beschikking van het bureau van het Parlement waarnaar de brief van het college van quaestoren expressis verbis verwees. Het Hof heeft in zijn arrest het door Weber ingestelde beroep tegen de brief van het college van quaestoren ontvankelijk verklaard op grond „dat de regeling betreffende de overbruggingstoelage die de leden van het Parlement bij hun ambtsbeëindiging ontvangen, alsmede de individuele handelingen waarbij die regeling wordt toegepast, rechtsgevolgen teweegbrengen die verder reiken dan de interne organisatie van de werkzaamheden van de instelling, daar zij de vermogenssituatie van het lid bij diens ambtsbeëindiging raken”. Volgens Ripa di Meana en Orlando zijn dus alle handelingen voor beroep vatbaar die de vermogenspositie van de leden van het Parlement raken, met inbegrip van handelingen ter uitvoering van een algemene regeling.
47. Huns inziens was dit juist het geval met de brieven van het college van quaestoren van 4 februari 1999, die geenszins loutere mededelingen ter informatie of uit beleefdheid zijn, maar handelingen ter uitvoering van de algemene regeling van het Parlement inzake ouderdomspensioenen. Zelfs indien zij verricht zijn ter uitvoering van de wijziging die door het besluit van 1995 in bijlage III is aangebracht, zijn het deze brieven die de vermogenspositie van de betrokken leden van het Parlement concreet hebben aangetast en moesten dus zij – en niet het besluit van 1995 – voor het Gerecht worden aangevochten.
48. Overigens wordt volgens Ripa di Meana en Orlando het feit dat de brieven van het college van quaestoren van 4 februari 1999 wel degelijk beschikkingen zijn die rechtsgevolgen voor hen teweegbrengen, bevestigd door een brief van dit college van 21 mei 1999. Deze brief vormde een antwoord op twee brieven van maart en april 1999 waarin Ripa di Meana en Orlando het college hadden gewaarschuwd dat zij van plan waren de zaak bij het Gerecht aanhangig te maken. In deze brief van 21 mei 1999 heeft het college van quaestoren immers verklaard, enerzijds, „dat het college [de brieven van Ripa di Meana en Orlando, waarin zij] de weigering van het college [bestrijden] om hun toe te staan met terugwerkende kracht tot het pensioenfonds toe te treden, heeft onderzocht” en, anderzijds, dat „bij afwezigheid van andere gegevens ter ondersteuning van [hun] verzoek, het college zijn uitspraak herhaalt dat het onmogelijk een gunstig advies kan uitbrengen”. Deze beide feiten bevestigen volgens Ripa di Meana en Orlando dat de brieven van 4 februari 1999 geenszins gelijk zijn te stellen met loutere beleefdheidsbrieven, maar beschikkingen zijn die op grond van artikel 230 EG kunnen worden bestreden.
49. Verder herinneren Ripa di Meana en Orlando eraan dat zij er geen enkel belang bij hebben, te verzoeken om nietigverklaring van de in bijlage III aangebrachte wijziging – waarvan zij niet in kennis zijn gesteld – maar dat zij enkel wensen te bereiken dat deze wijziging voor hen geldt vanaf de datum waarop zij er kennis van hadden genomen. Zij komen tot de conclusie dat het Gerecht hun beroep terecht ontvankelijk heeft verklaard.
2. Beoordeling
50. Ik stel het Hof voor de stelling van Ripa di Meana en Orlando te aanvaarden, dat het Gerecht het recht niet heeft geschonden door de brieven van het college van quaestoren van 4 februari 1999 als beschikkingen in de zin van artikel 230 EG aan te merken.
51. Voorzover het Parlement betoogt dat de brieven van het college van quaestoren niet als beschikkingen dienen te worden aangemerkt omdat Ripa di Meana en Orlando in casu geen enkel formeel verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling hebben ingediend, moet om te beginnen worden vastgesteld dat dit tweede middel samenvalt met het eerste, dat mij, zoals ik hierboven heb aangegeven, ongegrond voorkomt.
52. Vervolgens kan het argument van het Parlement, dat de brieven van het college van quaestoren van 4 februari 1999 slechts een bevestiging van het besluit van 1995 zijn en dat de termijn om in beroep te gaan dus verstreken was, niet worden aanvaard.
53. Het Gerecht heeft in de punten 29 en 30 van het bestreden arrest immers terecht geoordeeld dat het besluit van 1995 een algemene en normatieve strekking heeft en op zich genomen geen enkel specifiek recht van de betrokken leden van het Parlement aantast. Dit besluit bepaalt inderdaad enkel op algemene wijze dat het verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling binnen een termijn van zes maanden moet worden ingediend op straffe van weigering om het pensioen met terugwerkende kracht uit te keren.
54. De brieven van het college van quaestoren van 4 februari 1999 zijn daarentegen van andere aard, omdat daarin het besluit van 1995 op het concrete geval van de leden van het Parlement wordt toegepast. Pas op dat moment wordt, door de concrete afwijzing van het verzoek om toetreding met terugwerkende kracht tot de voorlopige pensioenregeling, een van hun specifieke rechten aangetast en bestaat er een beschikking in de zin van artikel 230 EG.
55. Het verschil tussen het besluit van 1995 en de brieven van 4 februari 1999, die dus geenszins dit besluit bevestigen, wordt overigens erg duidelijk gemaakt door het argument van Ripa di Meana en Orlando, dat zij geen enkel belang erbij hadden om nietigverklaring van het besluit van 1995 te verzoeken, maar dat zij enkel wensten te bereiken dat deze wijziging voor hen zou gelden vanaf de datum waarop zij ervan kennis hadden genomen.
56. Evenzo komt de vergelijking die Ripa di Meana en Orlando tussen de onderhavige zaak en de reeds aangehaalde zaak Weber/Parlement maken, mij in die zin relevant voor, dat het ook in deze laatste zaak ging om de weigering van een financieel voordeel door het college van quaestoren op grond van een door het bureau van het Parlement vastgestelde regeling. Het Parlement heeft in deze laatste zaak echter geenszins bestreden dat het door Weber ingestelde beroep tegen deze afwijzende beschikking van het college van quaestoren ontvankelijk was.
57. Ten slotte lijkt mij het argument van het Parlement, dat er een tegenstrijdigheid zou bestaan tussen enerzijds de punten 29 en 30 en anderzijds punt 75 van het bestreden arrest, deel uit te maken van zijn derde middel; het Parlement komt trouwens in het kader van dit middel op dit argument terug.
58. Op grond van de voorgaande overwegingen stel ik het Hof voor het tweede middel van het Parlement te verwerpen.
C – Het derde middel
59. In zijn derde middel komt het Parlement op tegen de conclusie van het Gerecht dat Ripa di Meana en Orlando hun verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling binnen de daartoe in het besluit van 1995 gestelde termijn hebben ingediend. Het Parlement voert daartoe vier argumenten aan, die ik in twee groepen indeel. De eerste groep, die de eerste twee argumenten omvat, betreft de vraag of een individuele kennisgeving van het besluit van 1995 nodig was (punten 75 en 76 van het bestreden arrest); de tweede groep, bestaande uit de laatste twee argumenten, heeft betrekking op de wijze waarop Ripa di Meana en Orlando van het besluit van 1995 kennis hebben genomen (punten 77 en 78 van het bestreden arrest).
1. Het eerste onderdeel van het derde middel: de verplichte kennisgeving van het besluit van 1995
a) Argumenten van partijen
i) Het eerste argument van het Parlement
60. Het Parlement bestrijdt de vaststelling in punt 75 van het bestreden arrest dat het de betrokken leden had moeten informeren over de wijziging van bijlage III door middel van een individuele kennisgeving met ontvangstbevestiging, „gelet op artikel 27, lid 1, van de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement”. Volgens het Parlement betreft dit laatste artikel – dat bepaalt dat „[b]ij de aanvang van hun mandaat […] de leden van de secretaris-generaal een exemplaar van deze regeling [ontvangen en] schriftelijk de ontvangst ervan [bevestigen]” – immers slechts de volledige regeling zoals die bij het begin van de ambtsperiode van de leden van het Parlement van kracht was, en niet de latere wijzigingen van deze regeling en van de bijlagen erbij.
61. Het Parlement stelt in dit verband dat de volledige regeling een veel belangrijker geheel van regels is dan de latere handelingen tot wijziging of tot aanvulling, en dat de regeling die bij de aanvang van het mandaat van kracht was over het algemeen is vastgesteld door een Parlement waarvan de betrokkene nog geen deel uitmaakte, en dus nog niet aan het lid bekend kon zijn, tenzij in het geval van opeenvolgende mandaten. De wijzigingen van de regeling die in de loop van zijn mandaat zijn vastgesteld zijn daarentegen handelingen van het Parlement waarvan hij deel uitmaakt; het is dus normaal dat deze hem op een soepeler wijze, zoals typisch bij de interne bekendmaking van de handelingen van het Parlement en zoals gebruikelijk bij alle parlementen, ter kennis worden gebracht. Door artikel 27, lid 1, van de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement ruim uit te leggen, heeft het Gerecht dus verschillende situaties gelijk behandeld en zo het fundamentele gelijkheidsbeginsel geschonden.
62. Ripa di Meana en Orlando antwoorden dat bijlage III deel uitmaakt van de regeling waarvan ieder lid van het Parlement bij het begin van zijn mandaat tegen ontvangstbevestiging een kopie heeft ontvangen, en dat dus bij elke wijziging van deze regeling, met inbegrip van de wijzigingen van de bijlagen, de procedure van artikel 27, lid 1, dient te worden gevolgd. Enkel deze uitlegging maakt het mogelijk de beginselen van rechtszekerheid en behoorlijk bestuur in acht te nemen.
63. Ripa di Meana en Orlando stellen in dit verband nadrukkelijk dat het ongerijmd is een schriftelijk ontvangstbewijs te eisen voor de gehele desbetreffende regeling indien de latere wijzigingen ervan effect kunnen sorteren na een informele, bovendien onzekere, kennisgeving aan de belanghebbenden. Een dergelijke oplossing is in hun ogen even ongerijmd als de publicatie van de gemeenschapsverordeningen in het Publicatieblad verplicht stellen en toestaan dat van de wijzigingen in deze verordeningen in een of ander intern, tot de instellingen beperkt mededelingenblad kennis wordt gegeven.
ii) Het tweede argument van het Parlement
64. Hoewel het Parlement het standpunt in punt 76 van het bestreden arrest deelt dat „de communautaire rechtspraak […] voorschrijft dat iedere handeling van de administratie die rechtsgevolgen teweegbrengt, duidelijk en nauwkeurig is en de belanghebbende op zodanige manier ter kennis wordt gebracht, dat deze met zekerheid kan weten vanaf welk tijdstip de handeling bestaat en rechtsgevolgen heeft”, wijst het erop dat deze regel enkel voor individuele handelingen geldt of in ieder geval voor handelingen die de situatie van bepaalde personen beïnvloeden. Bij dergelijke handelingen zijn er immers adressaten waaraan zij ter kennis gebracht kunnen worden. Uit de punten 28 tot en met 30 van het bestreden arrest vloeit echter voort dat het Gerecht de wijziging van bijlage III gelijkstelt met een regelgevende handeling van algemene strekking die is vastgesteld om de pensioenaanspraken van alle huidige en toekomstige leden van het Parlement die niet onder een definitief stelsel ten laste van hun lidstaat vallen, te regelen. Het Gerecht heeft dus het recht geschonden door vervolgens in de punten 75 en volgende van het bestreden arrest de wijziging van bijlage III aan te merken als een individuele administratieve handeling die een individuele kennisgeving met ontvangstbewijs vereist.
65. Wat het door Ripa di Meana en Orlando aangehaalde geval betreft van een lid van het Parlement dat blijkens het jaarverslag van de Europese ombudsman voor 1998, zowel in het Parlement als thuis schriftelijk mededeling van het besluit van 1995 had ontvangen, stelt het Parlement dat deze situatie verschilt van die van Ripa di Meana en Orlando en verder dat het feit dat het Parlement in een bepaald geval een schriftelijke mededeling van een handeling zowel naar de belanghebbende in het Parlement als naar zijn domicilie heeft gezonden, niet betekent dat het juridisch verplicht is om in alle gevallen zo te handelen of dat het beginsel van behoorlijk bestuur noodzakelijkerwijze zou eisen dat de mededeling op verschillende wijzen geschiedt.
66. Ripa di Meana en Orlando wijzen op de tegenstrijdigheid in het betoog van het Parlement, dat enerzijds slechts het besluit van 13 september 1995 door hen kan worden aangevochten, en anderzijds dit besluit moet worden aangemerkt als een regelgevende handeling van algemene strekking die de pensioenaanspraken van alle huidige en toekomstige leden van het Parlement beoogt te regelen, zelfs van die van de toekomstige lidstaten van de Europese Unie. De draagwijdte van dit besluit is immers zo algemeen dat het moeilijk te verdedigen valt dat twee leden van het Parlement het op grond van artikel 230 EG kunnen aanvechten.
67. Ripa di Meana en Orlando herinneren vervolgens eraan dat, ook al is het besluit van 1995 een regelgevende handeling van algemene strekking, in ieder geval een individuele kennisgeving met ontvangstbevestiging vereist is omdat een dergelijke verplichting uit de tekst zelf van artikel 27, lid 1, van de Regeling kosten en vergoedingen van leden van het Europees Parlement voortvloeit.
68. Ten slotte halen beide leden van het Parlement het geval aan van een Europees parlementslid dat had nagelaten tijdig een verzoek om toetreding tot het aanvullend ouderdomspensioen in te dienen en dat in 1997, na afwijzing van zijn (verlate) verzoek door de bevoegde diensten van het Parlement, bij de ombudsman een klacht wegens onbehoorlijk bestuur tegen het Parlement had ingediend. De juridische dienst van het Parlement had in die zaak geantwoord dat de stelling van de klager, dat hij niet behoorlijk was ingelicht over de wijzigingen in het stelsel van het aanvullend ouderdomspensioen – die, zoals in de onderhavige zaak, inhielden dat slechts aanspraak kon worden gemaakt op deze pensioenregeling indien binnen een termijn van zes maanden daartoe een verzoek werd ingediend – niet gegrond was omdat hij als lid van het Parlement „zowel in het Parlement als thuis schriftelijk mededeling ervan had ontvangen”. Vervolgens had de ombudsman de klacht verworpen met de motivering dat deze dubbele mogelijkheid om kennis te nemen van de termijn van indiening van het verzoek het lid van het Parlement voldoende beschermde en tevens genoegzaam met het vereiste van behoorlijk bestuur rekening hield. Ripa di Meana en Orlando verwonderen zich erover dat in het onderhavige geval een soortgelijke wijze van mededeling voor de wijzigingen van bijlage III ontbrak.
b) Beoordeling
69. Met deze beide argumenten bestrijdt het Parlement respectievelijk de punten 75 en 76 van het bestreden arrest, waarmee het Gerecht zijn oordeel motiveert dat een individuele kennisgeving van het besluit van 1995 aan de betrokken leden van het Parlement met ontvangstbevestiging vereist was.
70. Ik herinner eraan dat punt 75 als volgt is geformuleerd:
„Het Gerecht is van oordeel, dat het Parlement op grond van de beginselen van rechtszekerheid en van behoorlijk bestuur en gelet op artikel 27, lid 1, van de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Parlement, de betrokken leden over de wijziging van bijlage III had moeten informeren door middel van een individuele kennisgeving met ontvangstbevestiging.”
71. Met Ripa di Meana en Orlando ben ik van mening dat het Gerecht met deze redenering het recht niet heeft geschonden.
72. Met de bepaling in artikel 27, lid 1, van de Regeling dat bij „de aanvang van hun mandaat […] de leden van de secretaris- generaal een exemplaar van deze regeling [ontvangen en] schriftelijk de ontvangst ervan [bevestigen]”, heeft het Parlement getoond dat het er veel belang aan hechtte dat de leden van het Parlement nauwkeurig van hun rechten op de hoogte waren.
73. De wijziging van 1995 was van groot belang aangezien de niet-inachtneming van de termijn van zes maanden de pensioenrechten van de leden van het Parlement, zoals die uit de vorige versie van de regeling voortvloeiden, op niet te verwaarlozen wijze kon aantasten.
74. Derhalve had het beginsel van behoorlijk bestuur, de zorgplicht en, tot op zekere hoogte, het beginsel van parallellisme van vormen het Parlement ertoe moeten brengen een ruime uitlegging aan artikel 27, lid 1, te geven door te overwegen dat deze bepaling ten minste ook geldt voor wijzigingen waarvan de miskenning negatieve gevolgen kan hebben voor de parlementsleden.
75. Het Gerecht heeft dus terecht overwogen dat de aandacht van de leden van het Parlement op de pas ingestelde termijn had moeten worden gevestigd door middel van een individuele kennisgeving met ontvangstbevestiging.
76. Wat daarentegen punt 76 van het bestreden arrest betreft, deel ik de redenering van het Gerecht niet.
77. Ik breng in herinnering dat dit punt 76 als volgt luidt:
„Alleen op die manier [dat wil zeggen door een individuele kennisgeving met ontvangstbevestiging] zou het Parlement hebben gehandeld overeenkomstig de communautaire rechtspraak, die voorschrijft dat iedere handeling van de administratie die rechtsgevolgen teweegbrengt, duidelijk en nauwkeurig is en de belanghebbende op zodanige manier ter kennis wordt gebracht, dat deze met zekerheid kan weten vanaf welk tijdstip de handeling bestaat en rechtsgevolgen heeft (zie arrest Gerecht van 7 februari 1991, Tagaras/Hof van Justitie, T‑18/89 en T‑24/89, Jurispr. blz. II‑53, punt 40; zie eveneens arrest Hof van 23 september 1986, AKZO Chemie/Commissie, 5/85, Jurispr. blz. 2585, punt 39).”(5)
78. Het begrip „handeling van de administratie die rechtsgevolgen teweegbrengt” is in het licht van de verwijzingen naar de rechtspraak in deze passage van het bestreden arrest dubbelzinnig.
79. In het reeds aangehaalde arrest Tagaras/Hof van Justitie ging het om de publicatie van een besluit tot benoeming van een ambtenaar, hetgeen uiteraard een individueel besluit is. Het Gerecht heeft echter, zoals het Parlement terecht opmerkt, in punt 30 van het bestreden arrest geoordeeld dat het besluit van 1995 juist niet een dergelijk besluit was. De door het Gerecht in punt 76 gevolgde redenering is dus irrelevant.
80. In het reeds aangehaalde arrest AKZO Chemie/Commissie daarentegen ging het om de bekendmaking van de besluiten tot machtiging van de leden van de Commissie, die wel degelijk, evenals het besluit van 1995, handelingen van algemene strekking zijn. In de door het Gerecht aangehaalde passage heeft het Hof echter enkel verwezen naar de noodzaak om machtigingsbesluiten te publiceren en geenszins naar de een of andere verplichting deze individueel ter kennis te brengen.
81. Aangezien de redenering van het Gerecht in punt 76 van het bestreden arrest van toepassing is op handelingen van algemene strekking, is deze redenering onjuist. Het is immers niet mogelijk uit het aangehaalde arrest AKZO Chemie/Commissie een verplichting tot individuele kennisgeving van handelingen van normatieve aard af te leiden, een verplichting die trouwens in de meeste gevallen niet uitvoerbaar zou zijn.
82. Ondanks punt 76 van het bestreden arrest ben ik echter van mening dat het Gerecht om de hierboven uiteengezette redenen terecht heeft geoordeeld dat van het besluit van 1995 individueel kennis had moeten worden gegeven.
83. Ik stel derhalve voor het eerste onderdeel van het derde middel te verwerpen.
2. Het tweede onderdeel van het derde middel: de wijze van kennisneming van het besluit van 1995
a) Argumenten van partijen
i) Het eerste argument van het Parlement
84. Het Parlement bestrijdt de vaststelling in punt 77 van het bestreden arrest dat bij ontstentenis van een individuele kennisgeving met ontvangstbevestiging, „een termijn voor indiening van een verzoek op basis van een handeling die pensioenrechten als de in casu aan de orde zijnde verleent, volgens de communautaire rechtspraak pas [kan] ingaan op het moment waarop de betrokkene, nadat hij weet heeft gekregen van het bestaan van die handeling binnen een redelijke termijn nauwkeurig kennis van de handeling heeft genomen”. Volgens het Parlement is deze regel, die eerder door het Gerecht was geformuleerd voor de betrekkingen tussen een instelling en haar personeel, niet op de betrekkingen tussen een instelling en haar leden overdraagbaar. Ambtenaren staan in een gezagsverhouding ten opzichte van de instelling die hen tewerkstelt, zodat de hen betreffende handelingen van het tot aanstelling bevoegde gezag geen gevolgen teweegbrengen zolang zij niet binnen een redelijke termijn daarvan nauwkeurig hebben kennis genomen. De rechtspositie van de leden van het Parlement is daarentegen totaal verschillend.
85. Enerzijds zijn de leden van het Parlement niet ondergeschikt aan de instelling, maar maken zij er zelf deel van uit. De leden van het Parlement nemen derhalve – zelfs indirect, in het geval van besluiten van het bureau – deel aan de wilsvorming van de instelling en staan niet in enig ondergeschikt verband ten opzichte van deze instelling.
86. Anderzijds is de redelijke termijn waarbinnen deze leden, die deel uitmaken van de instelling die een handeling verricht, na weet te hebben gekregen van het bestaan van deze handeling, nauwkeurig kennis van de inhoud ervan kunnen nemen, waardoor rechtsgevolgen worden teweeggebracht, buitengewoon kort en kan zij in geen geval langer zijn dan een maand.
87. Wat in de eerste plaats de stelling van het Parlement betreft dat de regels die het Gerecht heeft geformuleerd inzake de betrekkingen tussen een instelling en haar personeel niet op die tussen een instelling en haar leden overdraagbaar zijn, betogen Ripa di Meana en Orlando dat het niet de organische betrekking tussen een persoon en een instelling is die bepaalt welke specifieke regels op een arbeidsverhouding van toepassing zijn. Men moet daarentegen elk geval op zich onderzoeken, daarbij terdege rekening houdend met de desbetreffende materie. Het kan in casu niet worden ontkend dat, wat de problemen rond het ouderdomspensioen van leden van het Parlement betreft, de betrekking tussen het Parlement en zijn (voormalige) leden van zuiver administratieve aard is en geenszins verband houdt met het politieke mandaat van deze leden. Het beroep van Ripa di Meana en Orlando voor het Gerecht moet in casu dus worden opgevat als ieder ander beroep van een personeelslid van een instelling tegen die instelling.
88. Wat de stelling van het Parlement betreft dat de redelijke termijn waarbinnen de leden van het Parlement, na weet te hebben gekregen van het bestaan van een handeling, nauwkeurig kennis moeten nemen van de inhoud ervan, in geen geval langer kan zijn dan een maand, wijzen Ripa di Meana en Orlando erop dat deze termijn niet op abstracte en mathematische wijze kan worden gekwantificeerd, maar geval per geval volgens de gegeven omstandigheden en op basis van het onderzoek in eerste aanleg moet worden beoordeeld. Voor deze kwantificering is uitsluitend het Gerecht, de enige feitelijke rechter, bevoegd en zij is dus als zodanig niet toetsbaar in hogere voorziening.
ii) Het tweede argument van het Parlement
89. Het Parlement vecht de vaststelling in punt 78 van het bestreden arrest aan dat, „[o]ok al bestrijden verzoekers niet, dat zij in de loop van de eerste maanden van 1998 weet hebben gekregen van het bestaan van de wijziging van bijlage III, het Parlement [niet heeft] bewezen, dat zij meer dan zes maanden vóór de indiening van de aanvraag, op 19 november 1998, nauwkeurig bekend waren met die wijziging.”
90. Enerzijds immers kan in casu de „nauwkeurige” kennis niet van de „eenvoudige” kennis worden onderscheiden omdat de wijziging van bijlage III duidelijk en beknopt was. Deze wijziging hield eenvoudigweg in, dat een verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling, dat voorheen in alle gevallen terugwerkende kracht bezat, vanaf de inwerkingtreding van deze wijziging slechts terugwerkende kracht kon hebben indien het verzoek binnen zes maanden na deze inwerkingtreding of, in voorkomend geval, na het begin van het mandaat van het lid van het Parlement was ingediend. Het Parlement vraagt zich dan ook af wat de precieze betekenis is van deze twee bijvoeglijke naamwoorden, die verschillende graden van kennis van een zo eenvoudige handeling als de onderhavige aanduiden, en met name wat een „eenvoudige” kennis betekent die, volgens het Gerecht, de termijn van beroep niet kan doen ingaan.
91. Anderzijds heeft volgens het Parlement het Gerecht een procedurefout gemaakt door de bewijslast om te keren en te eisen dat het Parlement aantoont dat de eenvoudige – door verzoekers erkende – kennis van de wijziging van bijlage III meer dan zes maanden vóór de datum van de brief van de ondervoorzitters, die door het Gerecht als een verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling werd beschouwd, in een „nauwkeurige” kennis van deze wijziging is veranderd.
92. Toen eenmaal in rechte was vastgesteld dat de twee betrokken leden van het Parlement daadwerkelijk kennis hadden van de wijziging van bijlage III, stond het volgens het Parlement aan hen – en niet aan het Parlement – om te bewijzen dat deze eenvoudige kennis van het bestaan van deze wijziging niet voldoende was om de termijn voor het verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling te doen ingaan. Dit vloeit met name voort uit het arrest Michel/Parlement.6(6) Indien Ripa di Meana en Orlando dus voordeel hadden willen halen uit het onderscheid tussen de eenvoudige kennis en de nauwkeurige (of voldoende) kennis en uit het feit dat de termijn pas vanaf dit laatste stadium van kennis ingaat, hadden zij moeten uitleggen wat zij precies dienden te weten alvorens hun verzoek om toetreding in te dienen, dat in casu nooit is ingediend.
93. In punt 78 van zijn arrest heeft het Gerecht naar de opvatting van het Parlement geen aandacht geschonken aan de gevolgen van de door verzoekers tijdens de schriftelijke en mondelinge behandeling afgelegde verklaring dat zij „ten laatste in de loop van de eerste maanden van 1998” weet hadden gekregen van het bestaan van de wijziging van bijlage III. Het Parlement herinnert er in dit verband aan dat de tekst van deze wijziging aan de leden van het Parlement was toegezonden via mededeling nr. 25/95 van 28 september 1995 en de notulen van de vergadering van het bureau van 13 september 1995, die op grond van artikel 28, lid 1, van het reglement van orde van het Parlement in de officiële talen van de Europese Unie aan alle leden van het Parlement worden toegezonden.
94. Deze wijziging was bovendien ter kennis gebracht van de leden van het Parlement door toezending – volgens de normale procedures van toezending van de interne regels van algemene aard die gelden voor alle leden van het Parlement – van de geconsolideerde tekst van de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement, die in maart 1996 en september 1997 was gepubliceerd.
95. Ten slotte ontvingen Ripa di Meana en Orlando op hun uitdrukkelijk verzoek iedere maand een kosten- en vergoedingsstaat. Deze vermeldde steeds de bedragen die door de administratie van het Parlement werden ingehouden op het bedrag van de voor hen bestemde overmakingen alsmede, in voorkomend geval, de verschuldigde bedragen uit hoofde van de toetreding tot de voorlopige pensioenregeling of tot andere pensioenregelingen. Het was dus voor de betrokken leden van het Parlement eenvoudig om na te gaan of zij al dan niet bij een pensioenregeling waren aangesloten.
96. Wat ten eerste het argument van het Parlement betreft dat in casu geen onderscheid dient te worden gemaakt tussen de „nauwkeurige” kennis en de eenvoudige kennis van de wijziging van bijlage III, stellen Ripa di Meana en Orlando dat er een tegenstrijdigheid is in het betoog van het Parlement. Het lijkt alsof het Parlement het onderscheid tussen deze twee begrippen wil afwijzen, terwijl het dit eerder heeft aanvaard door te stellen dat de redelijke termijn waarbinnen de leden van het Parlement, na weet te hebben gekregen van het bestaan van een handeling, nauwkeurig kennis ervan moeten nemen, niet langer mag zijn dan één maand.
97. Ripa di Meana en Orlando betogen vervolgens dat, in tegenstelling tot wat het Parlement in zijn hogere voorziening zegt, het Gerecht niet pas in deze zaak de voorwaarde van „nauwkeurige kennis” heeft ingevoerd om de termijn van zes maanden voor de indiening van een verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling te laten ingaan. Deze voorwaarde alsmede het onderscheid tussen de kennis van het bestaan van een handeling en de nauwkeurige kennis van de inhoud ervan vinden hun oorsprong in de vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht en met name in het reeds aangehaalde arrest La Pietra/Commissie.
98. Volgens Ripa di Meana en Orlando vloeit met name uit punt 30 van dat arrest voort dat een persoon die, zonder verwijtbaar te hebben gehandeld, niet binnen de termijn van zes maanden het verlangde verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenvoorziening heeft kunnen indienen, slechts geacht kan worden het zorgvuldigheidsbeginsel in acht te hebben genomen indien hij, zodra hij van het bestaan van de handeling die de termijn vaststelt in kennis is gesteld, a) binnen een redelijke termijn (eventueel slechts mondeling) met de bevoegde diensten contact opneemt om zich nauwkeurig op de hoogte te stellen van de inhoud en de motivering van de desbetreffende handeling en b) vervolgens binnen zes maanden het verzoek om toetreding indient. Het Gerecht heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat genoemde fasen a) en b) elkaar hebben opgevolgd tussen de maanden februari en november 1998, binnen de termijn die in de reeds aangehaalde rechtspraak is aanvaard. Het middel van het Parlement is dus niet-ontvankelijk aangezien hiermee wordt geprobeerd een soevereine beoordeling van de feiten door het Gerecht in twijfel te trekken.
99. Wat verder het argument van het Parlement betreft, dat het Gerecht een procedurefout heeft gemaakt door de bewijslast om te keren en te eisen dat het Parlement aantoont, dat de eenvoudige kennis van de wijziging van bijlage III meer dan zes maanden vóór de brief van de ondervoorzitters in een „nauwkeurige” kennis van deze wijziging is veranderd, merken Ripa di Meana en Orlando enerzijds op dat de met de bewijslast verbonden vragen de grond van de zaak en niet de vorm betreffen en dus niet een „procedurefout” met zich kunnen brengen, en anderzijds dat uit de reeds aangehaalde rechtspraak van het Hof en het Gerecht blijkt dat het aan de betrokken instelling staat om te bewijzen dat de adressaat van een bepaalde maatregel er daadwerkelijk kennis van heeft genomen.
100. Ten slotte verwerpen Ripa di Meana en Orlando het argument van het Parlement, dat zij op hun verzoek elke maand een kosten- en vergoedingsstaat ontvingen waardoor zij onmiddellijk konden nagaan of al dan niet bijdragen aan de voorlopige pensioenregeling waren afgetrokken. Zij zijn van mening dat het argument niet-ontvankelijk is, omdat het een nieuwe poging van het Parlement is om voor het Hof een soevereine beoordeling van de feiten door het Gerecht in twijfel te trekken.
101. Zij stellen eveneens dat dit argument in ieder geval elke grond mist omdat de vormgeving van de maandelijkse staten niet hetzelfde is voor ambtenaren als voor leden van het Parlement. Voor eerstgenoemden immers wordt het cijfer „0” op deze uittreksels vermeld wanneer de betrokken ambtenaar voor een bepaald onderdeel niets heeft bijgedragen. De ambtenaren worden dus in staat gesteld hun administratieve positie op dit boekhoudkundig onderdeel na te gaan, zodat iedere onachtzaamheid hunnerzijds niet te rechtvaardigen is. Voor laatstgenoemden vermelden de maandelijkse uittreksels echter een enkel bedrag, zodat het onmogelijk is vast te stellen of er eventueel bedragen zijn afgetrokken. Derhalve kan deze leden van het Parlement geen onachtzaamheid worden verweten.
b) Beoordeling
102. Het Gerecht heeft in punt 77 van het bestreden arrest mijns inziens terecht gewezen op het onderscheid tussen de kennis van het bestaan van een handeling – in casu het besluit van 1995 – en de nauwkeurige kennis van deze handeling. Het Hof heeft namelijk in punt 14 van het arrest Dillinger Hüttenwerke/Commissie7(7), waarnaar het Gerecht in punt 77 van het bestreden arrest indirect heeft verwezen, het volgende geoordeeld:
„Volgens de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag (arresten van 5 maart 1980, zaak 76/79, Koenecke, Jurispr. 1980, blz. 665, en 5 maart 1986, zaak 59/84, Tezi, Jurispr. 1986, blz. 887) ligt het, bij gebreke van kennisgeving of openbaarmaking, op de weg van degene die kennis krijgt van het bestaan van een hem betreffende handeling, om binnen een redelijke termijn om de volledige tekst ervan te verzoeken; dit neemt echter niet weg dat de beroepstermijn pas kan ingaan op de dag waarop de betroffen derde kennis krijgt van de exacte inhoud en van de motivering van de betrokken handeling, zodat hij met vrucht van zijn beroepsrecht gebruik kan maken.”8(8)
103. In tegenstelling tot wat het Parlement betoogt, is het onderscheid tussen deze beide vormen van kennis niet enkel relevant in ambtenarenzaken, zoals trouwens door het reeds aangehaalde arrest Dillinger Hüttenwerke/Commissie, gewezen in een EGKS-zaak, wordt aangetoond.
104. Daarentegen deel ik het – ter terechtzitting nogmaals herhaalde – standpunt van het Parlement, dat het Gerecht deze rechtspraak van het Hof en dus ook zijn eigen reeds aangehaalde arrest La Pietra/Commissie, dat geheel daarop is gebaseerd, slecht heeft toegepast door in punt 78 van het bestreden arrest te oordelen dat, zodra de datum was vastgesteld waarop de betrokkenen weet hadden gekregen van het bestaan van de handeling, het aan het Parlement stond het bewijs te leveren van de datum waarop zij kennis hadden gekregen van de exacte inhoud van de handeling.
105. Het Hof heeft immers in de hierboven aangehaalde passage uit het arrest Dillinger Hüttenwerke/Commissie geoordeeld dat „het op de weg van degene [ligt] die kennis krijgt van het bestaan van een hem betreffende handeling, om binnen een redelijke termijn om de volledige tekst ervan te verzoeken”. Deze passage ontbreekt echter geheel in het bestreden arrest.
106. Deze passage is evenwel van wezenlijk belang. Het zou immers tegen de rechtszekerheid indruisen om toe te staan dat iemand van wie is vastgesteld dat hij kennis heeft van het bestaan van een handeling die voor hem juridische gevolgen teweeg kan brengen, zich op zijn eigen passiviteit kan beroepen om te stellen dat deze handeling hem niet kan worden tegengeworpen.
107. Ik ben dus van mening dat het Gerecht het recht heeft geschonden door, na te hebben vastgesteld dat Ripa di Meana en Orlando in de eerste maanden van 1998 kennis hadden gekregen van het besluit van 1995, niet te onderzoeken of zij hun verplichting waren nagekomen om binnen een redelijke termijn om de tekst van het besluit te verzoeken.
108. In plaats daarvan heeft het Gerecht zich in punt 78 van het bestreden arrest ertoe beperkt vast te stellen dat het Parlement moest bewijzen dat Ripa di Meana en Orlando meer dan zes maanden vóór de indiening van hun verzoek bekend waren met de inhoud van het besluit van 1995. Het komt mij echter voor dat, aangezien deze leden van het Parlement verplicht waren de tekst binnen een redelijke termijn op te vragen, de bewijslast op hen rustte. Het stond aan hen om te bewijzen dat zij binnen een redelijke termijn de nodige stappen hadden genomen.
109. Het tweede onderdeel van het derde middel is dus gegrond; ik stel voor het bestreden arrest te vernietigen voorzover het, in de zaken T‑83/99 en T‑84/99, het beroep houdende nietigverklaring van beschikkingen nrs. 300762 en 300763 van het Parlement van 4 februari 1999, waarbij de verzoeken van respectievelijk Ripa de Meana en Orlando om toepassing met terugwerkende kracht van de voorlopige ouderdomspensioenregeling van bijlage III zijn afgewezen, ontvankelijk heeft verklaard.
110. Volgens artikel 54, eerste alinea, tweede volzin, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie kan het Hof ingeval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht, zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. Zulks lijkt mij hier het geval te zijn.
111. Vaststaat dat Ripa di Meana en Orlando, zoals blijkt uit punt 78 van het bestreden arrest, „in de loop van de eerste maanden van 1998” weet hadden van het bestaan van het besluit van 1995.
112. Wat de kennisneming van de inhoud van het besluit van 1995 betreft, hebben Ripa di Meana en Orlando, ter terechtzitting door tussenkomst van hun raadsman ondervraagd, geen enkele verklaring kunnen geven over de datum en evenmin over de wijze waarop zij kennis hebben genomen van de inhoud van het besluit van 1995.
113. Ripa di Meana en Orlando tonen dus niet aan dat zij, toen zij van het bestaan van het besluit van 1995 weet hadden gekregen, daadwerkelijk binnen een redelijke termijn de tekst van dit besluit hebben opgevraagd. Zij kunnen zich dus niet beroepen op de reeds aangehaalde rechtspraak Dillinger Hüttenwerke/Commissie, die de exceptie dat de beroepstermijn pas ingaat op de dag waarop de betrokken derde kennis krijgt van de exacte inhoud en van de motivering van de betrokken handeling, door de uitdrukking „dit neemt [...] niet weg” afhankelijk maakt van de voorwaarde dat deze derde, zodra hij kennis krijgt van het bestaan van de betrokken handeling, ervoor zorgt dat hij binnen een redelijke termijn om de tekst ervan verzoekt.
114. Er zijn derhalve geen termen aanwezig om aan te nemen dat Ripa di Meana en Orlando kennis hebben genomen van de inhoud van het besluit van 1995 op een datum na die waarop zij ontegenzeglijk kennis kregen van het bestaan van deze handeling.
115. De feiten bevestigen trouwens dat, zoals het Parlement stelt, beide kennisnemingen hebben plaatsgevonden op tijdstippen die niet ver van elkaar lagen.
116. Ik verwijs in dit verband naar een passage in de dupliek van Ripa di Meana en Orlando waarin zij het eerste middel van het Parlement in hogere voorziening ter discussie stellen en die als volgt luidt:
„De stelling van het Parlement dat verzoekers in eerste aanleg geen formeel verzoek om toetreding hebben ingediend en dat zij dat zelf hebben erkend, komt neer op een onjuiste voorstelling van zaken: een aandachtige lezing van het dossier (zie punten 8 en 9 van de inleidende verzoekschriften en punt 2 van de repliek in de zaken T‑83/99 en T‑84/99; punten 8, 21, 25 en 26 van het bestreden arrest; punt 18 van de memorie van antwoord in hogere voorziening) toont aan dat Ripa di Meana en Orlando, onmiddellijk nadat zij in de loop van de eerste maanden van 1998 bij toeval kennis hadden gekregen van de wijziging van bijlage III, de bevoegde diensten van het Parlement hebben verzocht, zij het mondeling, om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling met terugwerkende kracht, en dat deze diensten hun hebben geantwoord dat dit niet mogelijk was, omdat de in 1995 ingevoerde termijn was verlopen”.9(9)
117. Uit het bovenstaande blijkt dus ontegenzeglijk dat Ripa di Meana en Orlando kennis van de inhoud van de wijziging hadden „onmiddellijk” nadat zij van het bestaan ervan kennis hadden gekregen.
118. Het door de diensten van het Parlement gegeven antwoord komt immers geheel overeen met de inhoud van het besluit van 1995, dat in wezen niets anders vastlegt dan deze termijn van zes maanden waarbinnen met terugwerkende kracht aanspraak op pensioenrechten kan worden gemaakt.
119. Er zij in dit verband aan herinnerd dat het vereiste om een verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling in te dienen zelfs geen nieuwigheid is die bij het besluit van 1995 is ingevoerd. De verplichting daartoe vloeide reeds uit de versie van bijlage III voort die vóór de vaststelling van het besluit van 1995 van kracht was en waarvan niet bestreden is dat Ripa di Meana en Orlando die bij het begin van hun mandaat tegen ontvangstbewijs hebben ontvangen.
120. Uit het bovenstaande blijkt dus dat men niet kan stellen dat Ripa di Meana en Orlando hun verzoek om toetreding tot de voorlopige pensioenregeling binnen een termijn van zes maanden na kennisneming van het besluit van 1995 hebben ingediend.
121. Aangezien het verzoek op 19 november 1998 bij brief van de twee ondervoorzitters is ingediend, zou de kennisneming van het besluit van 1995 op een datum na 19 mei 1998 hebben moeten plaatsvinden om het verzoek nog binnen de termijn van zes maanden te doen vallen.
122. Deze kennisneming, zowel van het bestaan van het besluit van 1995 als van de inhoud ervan, heeft echter, zoals gezegd, in de loop van de eerste maanden van 1998 plaatsgevonden, dus in januari, februari, hoogstens maart, maar niet in mei.
123. Het Parlement heeft dus in zijn beschikkingen van 4 februari 1999 de door Ripa di Meana en Orlando ingediende verzoeken terecht afgewezen. Ik stel derhalve voor het verzoek tot nietigverklaring van deze beschikkingen te verwerpen.
D – Kosten
1. Argumenten van partijen
124. Voor het geval dat het Hof de hogere voorziening geheel of gedeeltelijk zou toewijzen, verzoeken Ripa di Meana en Orlando het Hof in ieder geval de vordering van het Parlement om verzoekers in eerste aanleg te verwijzen in „alle kosten van de procedures voor het Gerecht [...]” niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens hen gaat het immers om een nieuwe vordering, die voor de eerste maal in hogere voorziening is ingediend, hetgeen ingevolge artikel 113, lid 1, tweede streepje, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verboden is. Zij herinneren in dit verband eraan dat het Parlement in eerste aanleg geen specifieke kostenveroordeling heeft gevorderd, doch het Hof gewoon heeft verzocht „over de kosten rechtens te beslissen”. Overeenkomstig artikel 87, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat bepaalt dat „[v]oorzover dit is gevorderd, [...] de in het ongelijk gestelde partij in de kosten [wordt] verwezen”, had het Parlement dus zijn eigen kosten moeten dragen indien het in eerste aanleg in het gelijk was gesteld. De vordering in hogere voorziening, Ripa di Meana en Orlando in alle kosten van de procedures voor het Gerecht te verwijzen, vormt dus een nieuwe vordering, die als niet-ontvankelijk moet worden verworpen.
125. Het Parlement legt de nadruk erop dat zijn vordering tot verwijzing van verzoekers in eerste aanleg in alle kosten van de procedures voor het Gerecht geen nieuwe vordering in hogere voorziening is, maar reeds met andere bewoordingen voor het Gerecht was geformuleerd. Het beste bewijs is dat het Gerecht deze bewoordingen op de juiste wijze heeft uitgelegd in zaak T‑85/99 door Parigi te verwijzen in zijn eigen kosten alsook in die van het Parlement.
2. Beoordeling
126. Zoals Ripa di Meana en Orlando terecht opmerken, is het zeker juist dat een verzoek om rechtens over de kosten te beslissen niet gelijkstaat aan een verzoek om verwijzing van de tegenpartij in de kosten. Het Hof heeft in de zaak Lestelle/Commissie uitdrukkelijk in deze zin geoordeeld.1(10)0
127. Ik ben echter van mening dat het feit dat het Parlement het Gerecht heeft verzocht over de kosten rechtens te beslissen het Hof niet bindt bij zijn beoordeling, in het stadium van de hogere voorziening, van de verdeling van de kosten, daaronder begrepen de kosten van de procedure voor het Gerecht.
128. De redenering van Ripa di Meana en Orlando is immers gebaseerd op artikel 113, lid 1, tweede streepje, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, terwijl de kosten worden geregeld in artikel 122 van dit Reglement en, onder voorbehoud van het bepaalde in dit artikel, door de artikelen 69 tot en met 75, die ingevolge artikel 118 van het Reglement voor de procesvoering van toepassing zijn op de procedure in hogere voorziening.
129. Deze bepalingen doen de bevoegdheid van het Hof inzake de kosten niet afhangen van wat een partij al dan niet op dit punt voor het Gerecht heeft verzocht.
130. Artikel 122, eerste alinea, bepaalt immers in het algemeen dat „wanneer, bij gegrondheid [van de hogere voorziening], het Hof zelf de zaak afdoet, [...] het Hof ten aanzien van de proceskosten [beslist]”.
131. Anderzijds wordt ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien Ripa di Meana en Orlando mijns inziens in de zaken T‑83/99 en T‑84/99 alsmede in hogere voorziening in het ongelijk moeten worden gesteld en het Parlement voor het Hof hun verwijzing in de kosten van beide instanties heeft gevorderd, is er geen reden om deze vordering niet toe te wijzen. Ik stel derhalve voor Ripa di Meana en Orlando in alle kosten van beide instanties te verwijzen.
VI – Analyse van de incidentele hogere voorziening
A – Argumenten van partijen
132. Met zijn incidentele hogere voorziening beoogt Parigi de vernietiging van punt 4 van het dictum van het bestreden arrest, voorzover hij behalve in zijn eigen kosten ook in die van het Parlement in zaak T‑85/99 is verwezen. Hij baseert zich in dit verband op de volgende drie argumenten.
133. Ten eerste heeft het Gerecht artikel 87, lid 2, eerste alinea, van zijn eigen Reglement voor de procesvoering geschonden door in punt 81, derde volzin, van het bestreden arrest te oordelen dat Parigi, aangezien hij in het ongelijk is gesteld, in de kosten van het Parlement dient te worden verwezen „overeenkomstig de vordering van het Parlement”. Het Parlement heeft volgens Parigi nooit, noch in zijn verweerschrift, noch in zijn dupliek, het Gerecht verzocht Parigi in de kosten te verwijzen, maar enkel „over de kosten rechtens te beslissen”.
134. Ten tweede heeft het Gerecht artikel 88 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht geschonden, dat bepaalt dat „[...] in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste [blijven]”. Volgens Parigi moet het beroep dat hij voor het Gerecht heeft ingesteld immers beschouwd worden als een beroep van een personeelslid van de Gemeenschap tegen een van haar instellingen, aangezien dit beroep niet de uitoefening van zijn politiek mandaat betreft, maar een beschikking van zuiver administratieve aard van het college van quaestoren inzake een ouderdomspensioen. Zelfs al is hij in het ongelijk gesteld, hadden de kosten van het Parlement dus nimmer te zijnen laste mogen worden gebracht.
135. Wat ten slotte het verbod van artikel 51, tweede alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie betreft om een hogere voorziening in te stellen die uitsluitend betrekking heeft op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten, merkt Parigi op dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij het Hof enkel verplicht hogere voorzieningen niet-ontvankelijk te verklaren die gericht zijn tegen de beslissing omtrent de kosten die het Gerecht na de beoordeling van de hem voorgelegde feiten heeft genomen. In casu echter wordt in de incidentele hogere voorziening gewezen op een duidelijke feitelijke vergissing van het Gerecht, dat ten onrechte heeft vastgesteld dat er een verzoek tot verwijzing in de kosten was ingediend, waardoor het het recht heeft geschonden. Van mening dat hij het slachtoffer is van een rechterlijke dwaling verzoekt Parigi het Hof de incidentele hogere voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren.
136. Het Parlement betwist in de eerste plaats de kwalificatie die Parigi aan zijn hogere voorziening geeft. Volgens het Parlement blijkt zowel uit de analyse van de artikelen waarop Parigi zich beroept als uit de inhoud van zijn „memorie van antwoord”, dat het niet zozeer om een „incidentele hogere voorziening” tegen het arrest van het Gerecht gaat als wel om een zelfstandige hogere voorziening tegen dit arrest die buiten de termijn is ingesteld. Het Parlement stelt in dit verband dat artikel 51, eerste alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie, waarop Parigi zich beroept, niet van toepassing is op de incidentele hogere voorziening, terwijl artikel 115, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verwijst naar de memorie van antwoord in hogere voorziening en niet naar een handeling „die een incidentele hogere voorziening inhoudt”. Ook heeft artikel 116, lid 1, eerste streepje, van dit Reglement betrekking op de gehele of gedeeltelijke verwerping van de hogere voorziening dan wel de gehele vernietiging van de beslissing van het Gerecht die het voorwerp van de hogere voorziening uitmaakt. In casu kunnen de conclusies van de memorie van antwoord dus slechts het arrest van het Gerecht in de zaken T‑83/99 en T‑84/99 betreffen, die betrekking hebben op Ripa di Meana en Orlando.
137. Het Parlement merkt in de tweede plaats op dat artikel 116, lid 1, tweede streepje, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, hoewel het verwijst naar de gehele of gedeeltelijke toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde, met uitsluiting van nieuwe conclusies, in geen geval toestaat dat de termijn van artikel 49, eerste alinea, van het Statuut‑EG van het Hof van Justitie wordt verlengd. In het onderhavige geval heeft Parigi zijn hogere voorziening evenwel lang na het verstrijken van de wettelijke termijn van twee maanden na de betekening van het bestreden arrest ingesteld.
138. Ten slotte stelt het Parlement dat, mocht met de memorie van Parigi rekening worden gehouden, deze in ieder geval niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 51, tweede alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie, dat bepaalt dat „[h]ogere voorziening [...] niet uitsluitend betrekking [kan] hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten.” Het Parlement is het niet eens met de „valse” interpretatie die Parigi in zijn memorie aan deze bepaling heeft gegeven.
B – Beoordeling
139. Het volstaat om vast te stellen dat de incidentele hogere voorziening van Parigi uitsluitend is gericht tegen de kostenbeslissing van het Gerecht in zaak T‑85/99.
140. Zoals het Parlement terecht stelt, kan een hogere voorziening volgens artikel 51, tweede alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie niet uitsluitend betrekking hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten. Deze bepaling is duidelijk en laat in tegenstelling tot hetgeen Parigi betoogt, niet toe uitzonderingen te maken naar gelang van de aard van de onjuistheid waarop de beslissing van het Gerecht inzake de kosten is gebaseerd.
141. Ik stel derhalve voor de incidentele hogere voorziening als niet-ontvankelijk te verwerpen en Parigi in de kosten van de incidentele hogere voorziening te verwijzen.
142. Ik voeg daar volledigheidshalve aan toe dat het argument van Parigi dat zijn beroep als een beroep van een personeelslid van de Gemeenschap tegen een van de instellingen moet worden beschouwd en dat derhalve het Gerecht artikel 88 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht had moeten toepassen, niet kan worden aanvaard.
143. Weliswaar kan een lid van een instelling, zoals blijkt uit het door Parigi aangehaalde arrest Kontogeorgis/Commissie1(11)1, op grond van artikel 236 EG beroep tegen deze instelling instellen.
144. Aan een dergelijk beroep moet echter, wil het ontvankelijk zijn, de administratieve procedure van de artikelen 90 en 91 van het Statuut voor de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen zijn voorafgegaan.1(12)2
145. Aangezien Parigi, en trouwens ook Ripa di Meana en Orlando, deze procedure, in tegenstelling tot Kontogeorgis1(13)3, niet hebben gevolgd, kan hun beroep niet als een op artikel 236 EG gegrond beroep worden beschouwd, maar moet het worden opgevat als een beroep op grond van artikel 230 EG, dat eveneens openstaat voor leden van een instelling.1(14)4
VII – Conclusie
146. Op grond van bovenstaande overwegingen stel ik het Hof voor:
– het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer) van 26 oktober 2000, Ripa di Meana e.a./Parlement (T‑83/99 tot en met T‑85/99) te vernietigen, voorzover in de zaken T‑83/99 en T-84/99 het beroep tot nietigverklaring van de beschikkingen nrs. 300762 en 300763 van het Europees Parlement van 4 februari 1999, houdende afwijzing van de respectieve verzoeken van Ripa di Meana en Orlando tot toepassing met terugwerkende kracht van de voorlopige pensioenregeling bedoeld in bijlage III bij de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement, is toegewezen;
– het beroep tot nietigverklaring in de zaken T-83/99 en T-84/99 ongegrond te verklaren;
– de door Parigi ingestelde incidentele hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren;
– Ripa di Meana en Orlando te verwijzen in hun eigen kosten alsook in die welke het Europees Parlement in de zaken T-83/99 en T-84/99 en in hogere voorziening zijn opgekomen;
– Parigi te verwijzen in zijn eigen kosten alsook in die welke het Europees Parlement in hogere voorziening zijn opgekomen.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – T‑83/99–T‑85/99, Jurispr. blz. II‑3493.
3 – Cursivering van mij.
4 – Arrest van 23 maart 1993 (C‑314/91, Jurispr. blz. I‑1093).
5 – Cursivering van mij.
6 – Arrest van 26 november 1981 (195/80, Jurispr. blz. 2861).
7 – Arrest van 6 juli 1988 (236/86, Jurispr. blz. 3761).
8 – Zie eveneens arresten van 6 december 1990, Wirtschaftsvereinigung Eisen‑ und Stahlindustrie/Commissie (C‑180/88, Jurispr. blz. I-4413, punt 22), en 19 februari 1998, Commissie/Raad (C‑309/95, Jurispr. blz. I-655, punt 18), en beschikking van 5 maart 1993, Ferriere Acciaierie Sarde/Commissie (C‑102/92, Jurispr. blz. I‑801, punt 18).
9 – Punt 13, sub d, eerste alinea van de dupliek. Gecursiveerd in de oorspronkelijke tekst met uitzondering van de zinsnede „onmiddellijk [...] wijziging” (cursivering van mij).
10 – Arrest van 9 juni 1992 (C‑30/91 P, Jurispr. blz. I‑3755, punt 38).
11 – Arrest van 12 december 1989 (163/88, Jurispr. blz. 4189).
12 – Zie met name arrest van 27 juni 1989, Giordani/Commissie (200/87, Jurispr. blz. 1877, punt 22).
13 – Zie conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Kontogeorgis/Commissie, reeds aangehaald, punt 7.
14 – Zie onder meer arrest van 17 mei 1994, H/Rekenkamer (C‑416/92, Jurispr. blz. I‑1741), en meer in het bijzonder de conclusie van advocaat-generaal Lenz in deze zaak, punt 31.
Full & Egal Universal Law Academy