Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Partijen
In zaak C-31/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Hof van Cassatie (België), in het aldaar aanhangige geding tussen
Nationale raad van de orde van architecten
en
Nicolas Dreessen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 10 EG en 43 EG,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, S. von Bahr, D. A. O. Edward (rapporteur), A. La Pergola en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Nationale raad van de orde van architecten, vertegenwoordigd door P. Henry, F. Moïses en V. Bertrand, avocats,
- Dreessen, vertegenwoordigd door L. Misson en P. Mbaya Kapita, avocats,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door F. Quadri, avvocato dello Stato,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Mongin als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Nationale Raad van de Orde van Architecten, vertegenwoordigd door V. Bertrand, Dreessen, vertegenwoordigd door P. Mbaya Kapita, de Franse regering, vertegenwoordigd door S. Pailler als gemachtigde, de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door F. Quadri, en de Commissie, vertegenwoordigd door B. Mongin, ter terechtzitting van 8 maart 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 mei 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 21 januari 2000, ingekomen bij het Hof op 7 februari daaraanvolgend, heeft het Hof van Cassatie krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 10 EG en 43 EG.
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een geding tussen Dreessen en de Nationale raad van de orde van architecten (hierna: "Nationale raad"), betreffende de inschrijving van Dreessen bij de orde van architecten van de provincie Luik.
Toepasselijke bepalingen
3 Richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 223, blz. 15), voorziet in de automatische erkenning van bepaalde titels in het kader van twee onderscheiden regelingen.
4 Enerzijds wordt bij de artikelen 2 tot en met 9 van richtlijn 85/384, die deel uitmaken van hoofdstuk II, "Diploma's, certificaten en andere titels die toegang geven tot de werkzaamheden op het gebied van de architectuur onder de beroepstitel van architect", een algemene regeling ingevoerd inzake de automatische onderlinge erkenning van alle titels op het gebied van de architectuur die aan de in deze artikelen gestelde voorwaarden voldoen. Zo bepaalt Artikel 2, dat "[e]lke lidstaat de door de overige lidstaten aan de onderdanen van de lidstaten afgegeven diploma's, certificaten en andere titels [erkent] die behaald zijn na een opleiding welke beantwoordt aan de eisen van de artikelen 3 en 4".
5 Anderzijds wordt bij de artikelen 10 tot en met 15 van richtlijn 85/384, die deel uitmaken van hoofdstuk III, "Diploma's, certificaten en andere titels die toegang geven tot de werkzaamheden op het gebied van de architectuur uit hoofde van verworven rechten of bestaande nationale bepalingen", een overgangsregeling ingevoerd inzake de onderlinge erkenning van bepaalde limitatief opgesomde titels. Volgens artikel 10 "[erkent] elke lidstaat de in artikel 11 vermelde diploma's, certificaten en andere titels die door de overige lidstaten zijn afgegeven aan onderdanen van de lidstaten die op de datum van kennisgeving van deze richtlijn reeds in het bezit zijn van deze kwalificaties of die uiterlijk in de loop van het derde academiejaar volgende op deze kennisgeving zijn begonnen met de opleiding die door het behalen van deze diploma's, certificaten en andere titels wordt afgesloten, ook al voldoen zij niet aan de minimumeisen van de in hoofdstuk II bedoelde diploma's, certificaten en andere titels". Het jaar waarnaar in deze bepaling wordt verwezen is het academiejaar 1987/1988.
6 Tot de Duitse diploma's, certificaten en andere titels die op basis van de tweede regeling kunnen worden erkend, behoren luidens artikel 11, sub a, vierde streepje, van richtlijn 85/384, de certificaten die vóór 1 januari 1973 zijn afgegeven door de afdeling architectuur ("Architektur") van de "Ingenieurschulen", vergezeld van een attest van de bevoegde autoriteiten waaruit blijkt dat de betrokkene met goed gevolg een onderzoek op grond van bewijsstukken overeenkomstig artikel 13 van deze richtlijn heeft doorstaan.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
7 Dreessen, die de Belgische nationaliteit bezit, is houder van een in Duitsland op 16 februari 1966 door de afdeling "Allgemeiner Hochbau" (bouwkunde) van de Staatliche Ingenieurschule für Bauwesen Aachen ter afsluiting van de studie bouwkundig ingenieur ("Ingenieurkunde, Fachrichtung Hochbau") afgegeven ingenieursdiploma. Hij heeft gedurende vijfentwintig jaar in België in loondienst gewerkt bij verschillende architectenbureaus te Luik.
8 Nadat de vennootschap waarbij hij was tewerkgesteld was vereffend, verzocht Dreessen op 12 december 1991 de raad van de orde van architecten van de provincie Luik (hierna: "provinciale raad") om inschrijving op het tableau van deze orde, teneinde het beroep van architect als zelfstandige te kunnen uitoefenen. Op 29 april 1993 werd deze inschrijving geweigerd, op grond dat zijn diploma niet overeenkwam met een door een afdeling architectuur afgegeven diploma in de zin van artikel 11, sub a, vierde streepje, van richtlijn 85/384, en dus niet in dit artikel was bedoeld.
9 Nadat Dreessen tegen deze weigering was opgekomen bij de Franstalige raad van beroep van de orde van architecten (hierna: "raad van beroep"), heeft deze raad van beroep bij beschikking van 17 november 1993 het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht.
10 Bij arrest van 9 augustus 1994, Dreessen (C-447/93, Jurispr. blz. I-4087), heeft het Hof geoordeeld, dat een in 1966 door de afdeling "Allgemeiner Hochbau" van de Staatliche Ingenieurschule für Bauwesen Aachen afgegeven diploma niet kan worden gelijkgesteld met de in artikel 11, sub a, vierde streepje, van richtlijn 85/384 bedoelde certificaten.
11 Op basis van dit arrest heeft de raad van beroep bij beslissing van 15 februari 1995 Dreessens beroep verworpen. Bij arrest van 25 november 1995 heeft het Hof van Cassatie Dreessens cassatieberoep verworpen.
12 Op 25 oktober 1997 diende Dreessen bij de provinciale raad een nieuw verzoek om inschrijving in, onder meer met het betoog dat zijn diploma als gevolg van een vergissing van de Duitse autoriteiten niet was opgenomen in de in artikel 11, sub a, van richtlijn 85/384 vermelde lijst, en dat een vergelijkend onderzoek van de gevolgde opleidingen had moeten worden uitgevoerd, overeenkomstig het arrest van 7 mei 1991, Vlassopoulou (C-340/89, Jurispr. blz. I-2357).
13 Bij beslissing van 5 februari 1998 wees de provinciale raad dit nieuwe verzoek af met de overweging dat hij geen rekening hoefde te houden met Dreessens kennis en kwalificaties, noch deze hoefde te beoordelen, en dat het verzoek reeds eerder was ingediend en afgewezen zodat het, nu de zaak in gewijsde was gegaan, niet-ontvankelijk was. De raad van beroep vernietigde deze beslissing en gelastte op 16 juni 1999 de inschrijving van Dreessen op het tableau van de orde van architecten van de provincie Luik, omdat hij volgens de raad de in de Belgische wettelijke regeling vereiste kwalificaties en kennis kon aantonen.
14 De nationale raad heeft cassatieberoep ingesteld met het betoog, dat wanneer op grond van artikel 47, lid 1, EG een richtlijn is vastgesteld om de voorwaarden te bepalen voor de onderlinge erkenning van de voor de toegang tot een beroep vereiste diploma's, de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, waarbij een verzoek tot uitoefening van dit beroep is ingediend, enkel mogen nagaan of aan de in de richtlijn vastgestelde voorwaarden is voldaan, doch dat zij, indien aan deze voorwaarden niet is voldaan, de kwalificaties en de kennis van verzoeker niet mogen vergelijken met die welke in de nationale bepalingen inzake de toegang tot het beroep zijn vereist - wat de Raad van Beroep op grond van artikel 43 EG ten onrechte heeft gedaan.
15 Aangezien het Hof van Cassatie twijfelt over de juiste uitlegging van het ter zake toepasselijke gemeenschapsrecht, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
"Hebben de artikelen 5 [EG-Verdrag (thans artikel 10 EG)] en 52 [EG-] Verdrag [thans, na wijziging, artikel 43 EG] tot gevolg dat de lidstaat bij een bevoegde autoriteit waarvan een gemeenschapsonderdaan die houder is van een in een andere lidstaat behaald diploma, een verzoek heeft ingediend om een beroep te mogen uitoefenen dat volgens de nationale wettelijke regeling slechts toegankelijk is voor wie een diploma of een beroepskwalificatie bezit, verplicht is het diploma waarop de verzoeker zich beroept, in aanmerking te nemen, en de uit dit diploma blijkende kennis en bekwaamheden te vergelijken met die welke door de nationale regels worden vereist, ook al bestaat er voor het betrokken beroep een door de Raad krachtens artikel 57, eerste en tweede alinea, EG-Verdrag vastgestelde richtlijn en bevat deze richtlijn, wat de in de loop van een overgangsperiode aangevangen of voortgezette studiecycli betreft, een uitputtende opsomming van de in de verschillende lidstaten afgegeven diploma's of certificaten die de uitoefening van het betrokken beroep in de andere lidstaten mogelijk moeten maken, en ook al valt de verzoeker onder die overgangsregeling en komt het diploma waarop hij zich beroept, niet in die uitputtende opsomming voor?"
De prejudiciële vraag
Bij het Hof ingediende opmerkingen
16 De Nationale raad en de Italiaanse regering betogen, dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Volgens hen mag Dreessens diploma, aangezien het niet is vermeld in artikel 11 van richtlijn 85/384, niet worden erkend in een andere lidstaat, zonder dat de uit dit diploma blijkende bekwaamheden en kwalificaties zijn vergeleken met die welke in de nationale bepalingen worden vereist.
17 Zij voegen hieraan toe, dat de in het arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, bedoelde verplichting om tot een dergelijke vergelijking over te gaan, strikt beperkt is tot de beroepen waarvoor geen richtlijn inzake onderlinge erkenning van diploma's is vastgesteld. De nationale raad gaat nog verder en betoogt dat, ook al bestaat er, zoals in het hoofdgeding, een dergelijke richtlijn, de nationale autoriteiten enkel moeten nagaan of aan de voorwaarden van deze richtlijn is voldaan.
18 Volgens Dreessen beoogt artikel 47 EG alleen de onderlinge erkenning van de voor de uitoefening van bepaalde beroepen vereiste kwalificaties te coördineren, doch komt het niet in de plaats van het in artikel 43 EG neergelegde fundamentele recht van vrije vestiging voor alle beroepen, ongeacht de aard ervan.
19 De Commissie stelt eveneens, dat richtlijn 85/384 weliswaar een uitputtende lijst bevat van diploma's op het gebied van de architectuur die voor automatische erkenning in aanmerking komen, doch er niet aan in de weg staat dat voor diploma's die niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen, het arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, wordt toegepast.
Beoordeling door het Hof
20 Blijkens het arrest Dreessen, reeds aangehaald, voldoet Dreessens ingenieursdiploma niet aan de voorwaarden om te worden gelijkgesteld met de in artikel 11, sub a, vierde streepje, van richtlijn 85/384 bedoelde certificaten, en komt dit diploma bijgevolg niet in aanmerking voor de in artikel 10 van deze richtlijn vastgestelde automatische erkenning van architectendiploma's.
21 Beklemtoond moet echter worden dat het Hof zich, wegens de bewoordingen van de aan het arrest Dreessen, reeds aangehaald, ten grondslag liggende prejudiciële vraag, die enkel de uitlegging van artikel 11 van richtlijn 85/384 betrof, in dit arrest niet heeft uitgesproken over het probleem van een eventuele erkenning van Dreessens kwalificaties op basis van de in het arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, verstrekte uitlegging van artikel 43 EG.
22 In de onderhavige zaak daarentegen betreft de prejudiciële vraag juist dit probleem.
23 Met de onderhavige prejudiciële verwijzing wordt dus niet beoogd te vernemen, of de nationale autoriteiten in het hoofdgeding gehouden zijn Dreessens diploma als gelijkwaardig aan de in richtlijn 85/384 bedoelde titels op het gebied van de architectuur te erkennen, maar of die autoriteiten moeten onderzoeken of Dreessens beroepskwalificaties en beroepservaring geheel of gedeeltelijk voldoen aan de eisen en de voorwaarden voor de toegang tot het beroep van architect in België, teneinde hem, in voorkomend geval, het recht toe te kennen dit beroep aldaar uit te oefenen.
24 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de autoriteiten van een lidstaat die moeten beslissen op een verzoek van een gemeenschapsonderdaan om toelating tot een beroep dat naar nationaal recht slechts toegankelijk is voor degene die over een diploma, een beroepskwalificatie of praktijkervaring beschikt, rekening moeten houden met alle diploma's, certificaten en andere titels alsmede met de relevante ervaring van de betrokkene, door de uit die titels en ervaring blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale wettelijke regeling verlangde kennis en kwalificaties (zie met name arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, punten 16, 19 en 20, alsmede arresten van 9 februari 1994, Haim, C-319/92, Jurispr. blz. I-425, punten 27 en 28, en 14 september 2000, Hocsman, C-238/98, Jurispr. blz. I-6623, punt 23).
25 Het Hof heeft beklemtoond, dat deze rechtspraak slechts een weergave vormt van een beginsel dat inherent is aan de in het Verdrag neergelegde fundamentele vrijheden, en dat dit beginsel niet aan juridische waarde kan verliezen door de vaststelling van richtlijnen inzake onderlinge erkenning van diploma's (arrest Hocsman, reeds aangehaald, punten 24 en 31).
26 Blijkens artikel 47, lid 1, EG beogen dergelijke richtlijnen immers de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels te vergemakkelijken door gemeenschappelijke regels en criteria vast te stellen die, voorzover mogelijk, de automatische erkenning van deze diploma's, certificaten en andere titels tot gevolg hebben. Deze richtlijnen hebben echter niet tot doel en kunnen evenmin tot gevolg hebben, dat de erkenning van dergelijke diploma's, certificaten en andere titels wordt bemoeilijkt in situaties die niet onder de richtlijnen vallen.
27 Bijgevolg moeten de lidstaten hun verplichtingen inzake onderlinge erkenning van beroepskwalificaties, zoals deze voortvloeien uit de door het Hof aan de artikelen 43 EG en 47 EG gegeven uitlegging (zie met name de reeds aangehaalde arresten Vlassopoulou, Haim en Hocsman), naleven bij elk onderzoek van een verzoek om toelating tot een beroep dat naar nationaal recht slechts toegankelijk is voor degene die over een diploma, een beroepskwalificatie of praktijkervaring beschikt, wanneer het diploma waarover de gemeenschapsonderdaan beschikt niet automatisch wordt erkend op basis van een richtlijn inzake de onderlinge erkenning van diploma's, ook al is een dergelijke richtlijn vastgesteld voor de betrokken beroepssector.
28 Dienaangaande is het van geen belang, dat de betrokkene, hoewel hij in het bezit is van een diploma op een gebied waarop een richtlijn inzake de onderlinge erkenning van diploma's is vastgesteld, zich niet kan beroepen op het bij deze richtlijn ingevoerde stelsel van automatische erkenning, omdat zijn diploma in een derde land is afgegeven (zoals het geval was in de zaak Hocsman, reeds aangehaald), dan wel omdat -om andere redenen- niet aan de toepassingsvoorwaarden van dit stelsel is voldaan (zoals in de zaak Dreessen, reeds aangehaald, en in de onderhavige zaak).
29 Het belang van de eerbiediging van de beginselen die zijn ontwikkeld in het arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, en in de daaruit voortvloeiende rechtspraak in situaties die niet onder een richtlijn inzake de onderlinge erkenning van diploma's vallen, vindt bevestiging in de omstandigheid, dat het mogelijk is dat het betrokken type van diploma per vergissing niet onder de in die richtlijn bedoelde titels voorkomt. Dienaangaande merkt de Commissie op, zonder dat het Hof zich op dit punt behoeft uit te spreken, dat het type van het door Dreessen behaalde diploma per vergissing niet op de lijst van artikel 11 van richtlijn 85/384 is vermeld.
30 Gelet op bovenstaande overwegingen hoeft artikel 10 EG niet te worden uitgelegd, aangezien de enkele uitlegging van artikel 43 EG volstaat om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te verstrekken.
31 Het antwoord op de prejudiciële vraag dient derhalve te luiden, dat artikel 43 EG aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer een gemeenschapsonderdaan bij de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een verzoek indient om te worden toegelaten tot een beroep dat naar nationaal recht slechts toegankelijk is voor degene die over een diploma, een beroepskwalificatie of praktijkervaring beschikt, die autoriteiten rekening moeten houden met alle diploma's, certificaten en andere titels alsmede met de relevante ervaring van de betrokkene, door de uit deze titels en ervaring blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale wettelijke regeling verlangde kennis en kwalificaties ook, al is voor het betrokken beroep een richtlijn inzake de onderlinge erkenning van diploma's vastgesteld, maar dat de toepassing van die richtlijn niet kan leiden tot automatische erkenning van de titel(s) van de verzoeker.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 De kosten door de Franse en de Italiaanse regering, alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Hof van Cassatie bij beschikking van 21 januari 2000 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 43 EG moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een gemeenschapsonderdaan bij de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een verzoek indient om te worden toegelaten tot een beroep dat naar nationaal recht slechts toegankelijk is voor degene die over een diploma, een beroepskwalificatie of praktijkervaring beschikt, die autoriteiten rekening moeten houden met alle diploma's, certificaten en andere titels alsmede met de relevante ervaring van de betrokkene, door de uit deze titels en ervaring blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale wettelijke regeling verlangde kennis en kwalificaties, ook al is voor het betrokken beroep een richtlijn inzake de onderlinge erkenning van diploma's vastgesteld, maar dat de toepassing van die richtlijn niet kan leiden tot automatische erkenning van de titel(s) van de verzoeker.
Full & Egal Universal Law Academy