Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Harmonisatie van wetgevingen - Maatregelen ter verwezenlijking van interne markt en inzake werking ervan - Rechtsgrondslag - Artikel 100 van Verdrag (thans artikel 94 EG) - Bevoegdheid van lidstaten om van communautaire harmonisatiemaatregelen afwijkende bepalingen te handhaven of in te voeren - Geen
[EEG-Verdrag, art. 100 (na wijziging, art. 100 EG-Verdrag, inmiddels art. 94 EG); EG-Verdrag, art. 100 A (thans, na wijziging, art. 95 EG)]
2. Harmonisatie van wetgevingen - Maatregelen ter verwezenlijking van interne markt en inzake werking ervan - Richtlijnen die bij inwerkingtreding van artikel 153 EG reeds waren vastgesteld - Bevoegdheid van lidstaten om op basis van artikel 153 EG striktere maatregelen ter bescherming van consument te handhaven of in te voeren - Geen invloed
(Art. 94 EG, 95 EG en 153 EG)
3. Harmonisatie van wetgevingen - Aansprakelijkheid voor producten met gebreken - Richtlijn 85/374 - Beoordelingsmarge van lidstaten - Mate van harmonisatie door richtlijn
(Richtlijn 85/374 van de Raad)
4. Harmonisatie van wetgevingen - Aansprakelijkheid voor producten met gebreken - Richtlijn 85/374 - Mogelijkheid om algemeen stelsel van aansprakelijkheid voor producten met gebreken te handhaven dat verschilt van stelsel van richtlijn - Geen
(Richtlijn 85/374 van de Raad, art. 13)
5. Beroep wegens niet-nakoming - Niet-nakoming van uit richtlijn voortvloeiende verplichtingen - Verweermiddelen - Betwisting van wettigheid van richtlijn - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 226 EG, 227 EG, 230 EG en 232 EG)
6. Harmonisatie van wetgevingen - Aansprakelijkheid voor producten met gebreken - Richtlijn 85/374 - Werkingssfeer - Verschillende aansprakelijkheidsstelsels voor producenten en gelaedeerden - Rechtvaardiging
(Richtlijn 85/374 van de Raad, art. 9, lid 1, sub b)
7. Beroep wegens niet-nakoming - Voorwerp van geschil - Vaststelling tijdens precontentieuze procedure - Latere wijziging in beperkende zin - Toelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
Samenvatting
1. Anders dan artikel 100 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 95 EG), voorziet artikel 100 EEG-Verdrag (na wijziging artikel 100 EG-Verdrag, thans artikel 94 EG) in geen enkele mogelijkheid voor de lidstaten om van communautaire harmonisatiemaatregelen afwijkende nationale bepalingen te handhaven of in te voeren.
( cf. punt 14 )
2. Artikel 153 EG is geformuleerd als een voor de Gemeenschap geldend richtsnoer met het oog op haar toekomstig beleid en laat, vanwege het directe gevaar voor het acquis communautaire, de lidstaten niet de vrijheid om autonoom maatregelen te nemen die in strijd zijn met het gemeenschapsrecht zoals dit voortvloeit uit de ten tijde van de inwerkingtreding ervan reeds vastgestelde richtlijnen. De door artikel 153, lid 5, EG aan de lidstaten verleende bevoegdheid om maatregelen ter bescherming van de consument te handhaven of in te voeren die strikter zijn dan de communautaire maatregelen, betreft immers enkel de in lid 3, sub b, van deze bepaling bedoelde maatregelen. Deze bevoegdheid geldt niet voor de in lid 3, sub a, van deze bepaling bedoelde maatregelen, te weten de op grond van artikel 95 EG genomen maatregelen, waarmee in dit verband de krachtens artikel 94 EG vastgestelde maatregelen dienen te worden gelijkgesteld.
( cf. punt 15 )
3. De beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken om de aansprakelijkheid voor producten met gebreken te regelen, wordt volledig bepaald door richtlijn 85/374 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, en moet worden afgeleid uit de bewoordingen, doelstelling en opzet van de richtlijn. Dat de richtlijn in bepaalde afwijkingen voorziet, of op bepaalde punten naar het nationale recht verwijst, betekent niet dat de harmonisatie op de punten die zij regelt, niet volledig is. Hieruit volgt dat richtlijn 85/374 voor deze punten een volledige harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten nastreeft.
( cf. punten 16, 19, en 24 )
4. Artikel 13 van richtlijn 85/374 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, kan niet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten de mogelijkheid laat om een algemeen aansprakelijkheidsstelsel inzake producten met gebreken te handhaven dat verschilt van het stelsel van de richtlijn.
De verwijzing in artikel 13 van de richtlijn naar de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid, moet namelijk aldus worden uitgelegd dat het door de richtlijn ingevoerde stelsel niet de toepassing uitsluit van andere stelsels van contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid die op een andere grondslag berusten, zoals de aansprakelijkheid wegens verborgen gebreken of onrechtmatige daad. Ook de verwijzing in het genoemde artikel naar de rechten die de gelaedeerde ontleent aan een op het ogenblik van de kennisgeving van de richtlijn bestaande bijzondere aansprakelijkheidsregeling moet aldus worden begrepen dat zij betrekking heeft op een tot een bepaalde productiesector beperkte specifieke regeling.
( cf. punten 21-23 )
5. In het door het Verdrag gecreëerde stelsel van beroepsmogelijkheden wordt onderscheiden tussen de beroepen van de artikelen 226 EG en 227 EG, strekkende tot vaststelling dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen, en die van de artikelen 230 EG en 232 EG, strekkende tot toetsing van de wettigheid van het handelen of nalaten van de gemeenschapsinstellingen. Deze beroepsmogelijkheden hebben verschillende oogmerken en zijn aan verschillende regels onderworpen. Nu geen enkele verdragsbepaling uitdrukkelijk in die mogelijkheid voorziet, kan een lidstaat zich niet op de onwettigheid van een tot hem gerichte beschikking beroepen als verweer in een procedure wegens niet-nakoming van diezelfde beschikking.
( cf. punt 28 )
6. De door de gemeenschapswetgever verrichte afbakening van de werkingssfeer van richtlijn 85/374 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, is het resultaat van een gecompliceerde afweging tussen verschillende belangen. Zoals blijkt uit de eerste en de negende overweging van de considerans van de richtlijn, omvatten deze belangen de waarborg van een onvervalste mededinging, het vergemakkelijken van de handelsbetrekkingen binnen de gemeenschappelijke markt, de bescherming van de consument, en de zorg voor een goede rechtsbedeling.
De door de gemeenschapswetgever gemaakte keuze impliceert dat, om het aantal beroepen te beperken, de gelaedeerden, slachtoffers van producten met gebreken, zich in geval van geringe materiële schade niet op de aansprakelijkheidsregels van de richtlijn kunnen beroepen, maar hun vordering op het gemene recht inzake contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid moeten baseren.
In deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat de franchise van artikel 9, eerste alinea, sub b, van de richtlijn het recht van de gelaedeerden op toegang tot de rechter schendt.
Evenmin vormt het feit dat op producenten en gelaedeerden van producten met gebreken verschillende aansprakelijkheidsstelsels van toepassing zijn, een schending van het beginsel van gelijke behandeling, wanneer de differentiatie naar gelang van de aard en de omvang van de geleden schade objectief gerechtvaardigd is.
( cf. punten 29-32 )
7. Weliswaar vereist de rechtspraak van het Hof dat de in het verzoekschrift uiteengezette grieven identiek zijn aan deze van de aanmaning en van het met redenen omkleed advies, maar dit betekent niet dat de formulering steeds volkomen gelijkluidend moet zijn wanneer het voorwerp van het geschil niet is verruimd of gewijzigd.
( cf. punt 44 )
Partijen
In zaak C-52/00,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia en B. Mongin als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger en R. Loosli-Surrans, vervolgens door deze laatste en J.-F. Dobelle als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Franse Republiek,
- door artikel 3 van wet nr. 98-389 van 19 mei 1998 relative à la responsabilité du fait des produits défectueux" (wet betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, JORF van 21 mei 1998, blz. 7744) ook te laten gelden voor schade van minder dan 500 euro;
- door in artikel 8 van diezelfde wet te bepalen, dat de distributeur van een gebrekkig product steeds en onder dezelfde voorwaarden als de producent aansprakelijk is, en
- door in artikel 13 van die wet te bepalen, dat de producent zich slechts op de exoneratiegronden van artikel 7, sub d en e, van de richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 210, blz. 29) kan beroepen wanneer hij aantoont dat hij de nodige maatregelen heeft genomen om de schadelijke gevolgen van het gebrekkige product te voorkomen,
de krachtens de artikelen 9, 3, lid 3, en 7 van genoemde richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, S. von Bahr en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 3 mei 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 september 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 17 februari 2000, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG het Hof verzocht vast te stellen dat de Franse Republiek,
- door artikel 3 van wet nr. 98-389 van 19 mei 1998 relative à la responsabilité du fait des produits défectueux" (wet betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, JORF van 21 mei 1998, blz. 7744) ook te laten gelden voor schade van minder dan 500 euro;
- door in artikel 8 van diezelfde wet te bepalen, dat de distributeur van een gebrekkig product steeds en onder dezelfde voorwaarden aansprakelijk is als de producent, en
- door in artikel 13 van die wet te bepalen, dat de producent zich slechts op de exoneratiegronden van artikel 7, sub d en e, van de richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 210, blz. 29; hierna: richtlijn") kan beroepen wanneer hij aantoont dat hij de nodige maatregelen heeft genomen om de schadelijke gevolgen van het gebrekkige product te voorkomen,
de krachtens de artikelen 9, 3, lid 3, en 7 van genoemde richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
2 De richtlijn beoogt de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de aansprakelijkheid van de producent voor schade die door een gebrek van diens producten is veroorzaakt. Volgens de eerste overweging van de considerans is deze onderlinge aanpassing noodzakelijk omdat onderlinge verschillen in deze wetgevingen de mededinging kunnen vervalsen, het vrij verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt kunnen aantasten en tot verschillen kunnen leiden in het niveau van de bescherming van de consument tegen schade die door een product met gebreken wordt toegebracht aan diens gezondheid en goederen".
3 Volgens artikel 1 van de richtlijn is de producent aansprakelijk voor de schade, veroorzaakt door een gebrek in zijn product".
4 Artikel 3, lid 3, van de richtlijn bepaalt:
Indien niet kan worden vastgesteld wie de producent van het product is, wordt elke leverancier als producent ervan beschouwd, tenzij hij de gelaedeerde binnen een redelijke termijn de identiteit meedeelt van de producent of van degene die hem het product heeft geleverd. Dit geldt ook voor geïmporteerde producten, als daarop de identiteit van de in lid 2 bedoelde importeur niet is vermeld, zelfs al is de naam van de producent wel aangegeven."
5 Artikel 7 van de richtlijn bepaalt dat de producent niet aansprakelijk is indien hij bewijst:
[...]
d) dat het gebrek een gevolg is van het feit dat het product in overeenstemming is met dwingende overheidsvoorschriften;
e) dat het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken;
[...]".
6 Artikel 9, eerste alinea, van de richtlijn definieert het begrip schade" in de zin van artikel 1 van de richtlijn als:
[...]
b) beschadiging of vernietiging van een andere zaak dan het gebrekkige product, met toepassing van een franchise ten belope van 500 [euro], indien deze zaak
i) gewoonlijk bestemd is voor ge- of verbruik in de privésfeer en
ii) door de gelaedeerde hoofdzakelijk is gebruikt voor ge- of verbruik in de privésfeer".
7 Artikel 13 van de richtlijn bepaalt:
Deze richtlijn laat de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid of aan een op het ogenblik van de kennisgeving van deze richtlijn bestaande speciale aansprakelijkheidsregeling onverlet."
8 Artikel 15, lid 1, van de richtlijn bepaalt:
Elke lidstaat kan:
[...]
b) in afwijking van artikel 7, sub e, in zijn wetgeving de bepaling handhaven of, met inachtneming van de in lid 2 beschreven procedure, bepalen dat de producent ook aansprakelijk is als hij bewijst dat het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken."
9 Krachtens artikel 19, lid 1, van de richtlijn doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 30 juli 1988 aan deze richtlijn te voldoen.
Bepalingen van nationaal recht
10 Bij wet nr. 98-389 zijn de volgende bepalingen in de Franse code civil (burgerlijk wetboek; hierna: code civil") ingevoegd:
Artikel 1386-1:
De producent is aansprakelijk voor de door een gebrek in zijn product veroorzaakte schade, ongeacht of hij met de gelaedeerde een overeenkomst heeft gesloten."
Artikel 1386-2:
De bepalingen van de [...] titel [betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken] zijn van toepassing op de vergoeding van schade ten gevolge van persoonlijk letsel of schade aan een ander goed dan het gebrekkige goed zelf."
Artikel 1386-7, eerste alinea:
De verkoper, de verhuurder, met uitzondering van de lessor of een daarmee gelijk te stellen verhuurder, en elke beroepsmatige leverancier is aansprakelijk voor veiligheidsgebreken van zijn product onder dezelfde voorwaarden als de producent."
Artikel 1386-11, eerste alinea:
De producent is van rechtswege aansprakelijk, tenzij hij bewijst:
[...]
4° dat het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken;
5° dat het gebrek een gevolg is van het feit dat het product in overeenstemming is met dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke voorschriften."
Artikel 1386-12, tweede alinea:
De producent kan zich niet op de sub 4° en 5° van artikel 1386-11 vermelde exoneratieclausules beroepen indien een gebrek aan het licht is gekomen binnen een termijn van tien jaar nadat het product in de handel is gebracht, en hij niet de nodige maatregelen heeft genomen om de schadelijke gevolgen daarvan te voorkomen."
Precontentieuze procedure
11 Van mening dat de richtlijn niet binnen de gestelde termijn naar behoren in Frans recht was omgezet, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure ingeleid. Na de Franse Republiek in de gelegenheid te hebben gesteld om haar opmerkingen te maken, heeft de Commissie op 6 augustus 1999 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij deze lidstaat verzocht binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen. Aangezien zij geen genoegen kon nemen met het antwoord van de Franse Republiek op dit advies, heeft de Commissie besloten het onderhavige beroep in te stellen.
Ten gronde
12 De Commissie voert drie grieven aan, waarmee de prealabele vraag aan de orde wordt gesteld of de richtlijn, voor de punten die zij regelt, een algehele of slechts een minimale harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten nastreeft.
De door de richtlijn verwezenlijkte mate van harmonisatie
13 Volgens de Franse regering moet de richtlijn worden uitgelegd in het licht van het groeiend belang van de consumentenbescherming binnen de Gemeenschap, zoals deze thans blijkt uit artikel 153 EG. De bewoordingen van artikel 13 van de richtlijn, waarin het begrip rechten" is gebruikt, tonen aan dat de richtlijn de realisatie van een hoger nationaal beschermingsniveau niet wil verhinderen. Deze zienswijze zou eveneens worden bevestigd door het feit dat de richtlijn zelf de lidstaten de mogelijkheid geeft om op bepaalde punten af te wijken van de door haar vastgelegde regels.
14 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de richtlijn door de Raad met eenparigheid van stemmen is vastgesteld op grond van artikel 100 EEG-Verdrag (na wijziging artikel 100 EG-Verdrag, thans artikel 94 EG) inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten welke rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de gemeenschappelijke markt. Anders dan artikel 100 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 95 EG), dat na de vaststelling van de richtlijn in het Verdrag is opgenomen en in de mogelijkheid van bepaalde afwijkingen voorziet, bevat deze rechtsgrondslag geen enkele mogelijkheid voor de lidstaten om van communautaire harmonisatiemaatregelen afwijkende nationale bepalingen te handhaven of in te voeren.
15 Ook op artikel 153 EG, dat eveneens na de vaststelling van de richtlijn in het Verdrag is opgenomen, kan geen beroep worden gedaan ten betoge dat de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij een minimale harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten nastreeft, die niet zou kunnen verhinderen dat een lidstaat beschermingsmaatregelen handhaaft of invoert die strikter zijn dan de communautaire maatregelen. De daartoe door artikel 153, lid 5, EG aan de lidstaten verleende bevoegdheid betreft immers enkel de in lid 3, sub b, van deze bepaling bedoelde maatregelen, te weten maatregelen om het beleid van de lidstaten te ondersteunen, aan te vullen en te controleren. Dergelijke bevoegdheid geldt niet voor de in lid 3, sub a, bedoelde maatregelen, te weten de op grond van artikel 95 EG in het kader van de totstandbrenging van de interne markt genomen maatregelen, waarmee in dit verband de krachtens artikel 94 EG vastgestelde maatregelen dienen te worden gelijkgesteld. Zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie stelt, is artikel 153 EG bovendien geformuleerd als een voor de Gemeenschap geldend richtsnoer met het oog op haar toekomstig beleid en laat het, vanwege het directe gevaar voor het acquis communautaire, de lidstaten niet de vrijheid om autonome maatregelen te nemen die in strijd zijn met het gemeenschapsrecht zoals dit voortvloeit uit de ten tijde van de inwerkingtreding ervan reeds vastgestelde richtlijnen.
16 Hieruit volgt, dat de beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken om de aansprakelijkheid voor producten met gebreken te regelen, volledig door de richtlijn zelf wordt bepaald en moet worden afgeleid uit haar bewoordingen, doelstelling en opzet.
17 Dienaangaande zij om te beginnen opgemerkt dat de richtlijn, zoals uit de eerste overweging van de considerans blijkt, door het instellen van een geharmoniseerd stelsel van burgerlijke aansprakelijkheid van producenten voor door gebrekkige producten veroorzaakte schade, beantwoordt aan de doelstelling de onvervalste mededinging tussen de marktdeelnemers te waarborgen, het vrij verkeer van goederen te vergemakkelijken, en verschillen in het niveau van de consumentenbescherming te vermijden.
18 Ten tweede dient te worden vastgesteld dat de richtlijn, anders dan bijvoorbeeld richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29), geen enkele bepaling bevat die de lidstaten expliciet toestaat om inzake de door de richtlijn geregelde kwesties strengere maatregelen vast te stellen ter verhoging van het beschermingsniveau van de consumenten.
19 In de derde plaats dient te worden opgemerkt, dat het feit dat de richtlijn in bepaalde afwijkingen voorziet of op bepaalde punten naar het nationale recht verwijst, niet betekent dat de harmonisatie op de punten die zij regelt, niet volledig is.
20 Zo staan de artikelen 15, lid 1, sub a en b, en 16 van de richtlijn de lidstaten weliswaar toe van de door de richtlijn vastgelegde regels af te wijken, maar deze afwijkingsmogelijkheden hebben enkel betrekking op limitatief opgesomde punten en zijn strikt omschreven. Bovendien zijn zij met name onderworpen aan voorwaarden van evaluatie met het oog op een verdere harmonisatie, waar uitdrukkelijk naar wordt verwezen in de voorlaatste overweging van de considerans van de richtlijn. Richtlijn 1999/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 1999 tot wijziging van richtlijn 85/374 (PB L 141, blz. 20), die landbouwproducten in het toepassingsgebied van de richtlijn heeft opgenomen en aldus de door artikel 15, lid 1, sub a, van laatstbedoelde richtlijn gecreëerde optie heeft geschrapt, vormt in dit opzicht een voorbeeld van dit systeem van evolutieve harmonisatie.
21 In deze omstandigheden kan artikel 13 van de richtlijn niet aldus worden uitgelegd, dat het de lidstaten de mogelijkheid laat om een algemeen aansprakelijkheidsstelsel inzake gebrekkige producten te handhaven dat verschilt van het stelsel van de richtlijn.
22 De verwijzing in artikel 13 van de richtlijn naar de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid, moet aldus worden uitgelegd, dat het door de genoemde richtlijn ingevoerde stelsel, op grond waarvan de gelaedeerde volgens artikel 4 schadevergoeding kan vragen wanneer hij de schade, het gebrek van het product en het oorzakelijk verband tussen dit gebrek en de schade bewijst, niet de toepassing uitsluit van andere stelsels van contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid die op een andere grondslag berusten, zoals de aansprakelijkheid wegens verborgen gebreken of onrechtmatige daad.
23 Ook de verwijzing in het genoemde artikel 13 naar de rechten die de gelaedeerde ontleent aan een op het ogenblik van de kennisgeving van de richtlijn bestaande bijzondere aansprakelijkheidsregeling moet, gelet op de dertiende overweging, derde zinsdeel, van de considerans van de richtlijn, aldus worden begrepen dat zij betrekking heeft op een tot een bepaalde productiesector beperkte regeling.
24 Hieruit volgt dat, anders dan de Franse Republiek betoogt, de richtlijn voor de punten die zij regelt een volledige harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten nastreeft (zie arresten van heden, Commissie/Griekenland, C-154/00, Jurispr. blz. I-3879, punten 10-20, en González Sánchez, C-183/00, Jurispr. blz. I-3901, punten 23-32).
25 In het licht van deze overwegingen dienen thans de door de Commissie aangevoerde grieven te worden onderzocht.
De eerste grief: onjuiste omzetting van artikel 9, eerste alinea, sub b, van de richtlijn
26 De Commissie betoogt, dat artikel 1386-2 van de code civil, anders dan artikel 9, eerste alinea, sub b, van de richtlijn, alle schade aan al dan niet persoonlijke goederen dekt, zonder aftrek van een franchise van 500 euro.
27 De Franse regering ontkent niet dat hier sprake is van een afwijking, maar voert vier argumenten ter rechtvaardiging daarvan aan. Ten eerste ontneemt de franchise de gelaedeerde een recht om beroep in te stellen en schendt zij aldus het fundamenteel recht van toegang tot de rechter zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Ten tweede is de franchise tevens in strijd met het beginsel van gelijkheid van behandeling doordat zij zowel tussen de producenten als tussen de consumenten een ongerechtvaardigd onevenwicht creëert. Ten derde heeft zij hetzelfde resultaat als een algehele exoneratie voor aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad, wat naar Frans recht strijdig is met de openbare orde. Ten vierde vinden deze bezwaren bevestiging in het feit dat de Commissie in haar groenboek van 28 juli 1999 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken [COM(1999) 396 def.] de opheffing van de franchise overweegt.
28 Met betrekking tot de eerste twee argumenten, die de wettigheid van de in de richtlijn neergelegde franchise ter discussie stellen, moet er om te beginnen aan worden herinnerd, dat in het door het Verdrag gecreëerde stelsel van beroepsmogelijkheden wordt onderscheiden tussen de beroepen van de artikelen 226 EG en 227 EG, strekkende tot vaststelling dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen, en die van de artikelen 230 EG en 232 EG, strekkende tot toetsing van de wettigheid van het handelen of nalaten van de gemeenschapsinstellingen. Deze beroepsmogelijkheden hebben verschillende oogmerken en zijn aan verschillende regels onderworpen. Nu geen enkele verdragsbepaling uitdrukkelijk in die mogelijkheid voorziet, kan een lidstaat zich niet op de onwettigheid van een tot hem gerichte beschikking beroepen als verweer in een procedure wegens niet-nakoming van diezelfde beschikking. Evenmin kan hij zich beroepen op onwettigheid van een richtlijn die hij volgens de Commissie heeft geschonden (arrest van 27 oktober 1992, Commissie/Duitsland, C-74/91, Jurispr. blz. I-5437, punt 10).
29 Zoals de advocaat-generaal in de punten 66 tot en met 68 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is de door de gemeenschapswetgever vastgelegde begrenzing van het toepassingsgebied van de richtlijn bovendien het resultaat van een gecompliceerd afwegingsproces tussen verschillende belangen. Zoals blijkt uit de eerste en de negende overweging van de considerans van de richtlijn, omvatten deze belangen de waarborg van een onvervalste mededinging, het vergemakkelijken van de handelsbetrekkingen binnen de gemeenschappelijke markt, de bescherming van de consument, en de zorg voor een goede rechtsbedeling.
30 De door de gemeenschapswetgever gemaakte keuze impliceert dat, om het aantal beroepen te beperken, de gelaedeerden, slachtoffers van gebrekkige producten, zich in geval van geringe materiële schade niet op de aansprakelijkheidsregels van de richtlijn kunnen beroepen, maar hun vordering op het gewone contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht moeten baseren.
31 In deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat de franchise van artikel 9, eerste alinea, sub b, van de richtlijn het recht van toegang tot de rechter van de gelaedeerden schendt (arrest Commissie/Griekenland, reeds aangehaald, punt 31).
32 Evenmin vormt het feit dat op producenten en gelaedeerden van gebrekkige producten verschillende aansprakelijkheidsregimes van toepassing zijn, een schending van het beginsel van gelijke behandeling, wanneer het verschil objectief gerechtvaardigd is naar gelang van de aard en de omvang van de geleden schade (zie met name arrest van 21 juni 1958, Groupement des hauts fourneaux et aciéries belges/Hoge Autoriteit, 8/57, Jurispr. blz. 239, op blz. 265, en arrest Commissie/Griekenland, reeds aangehaald, punt 32).
33 Betreffende het derde argument van de Franse regering, inzake de vermeende onverenigbaarheid van de franchise van artikel 9, eerste alinea, sub b, van de richtlijn met de Franse openbare orde, volstaat het eraan te herinneren, dat volgens vaste rechtspraak een beroep op bepalingen van nationaal recht teneinde de strekking van bepalingen van gemeenschapsrecht te beperken, de eenheid en doeltreffendheid van dit recht zou aantasten en derhalve niet kan worden aanvaard (zie met name arrest van 2 juli 1996, Commissie/Luxemburg, C-473/93, Jurispr. blz. I-3207, punt 38, en arrest Commissie/Griekenland, reeds aangehaald, punt 24).
34 Voorzover de Franse regering verwijst naar het groenboek van de Commissie, volstaat het eveneens eraan te herinneren dat de omstandigheid dat de Commissie, in het vooruitzicht van een eventuele herziening van de richtlijn, beslist heeft de betrokken kringen te consulteren over de opportuniteit van een opheffing van de franchise van artikel 9, eerste alinea, sub b, van de richtlijn, de lidstaten niet ontslaat van de verplichting de geldende gemeenschapsrechtelijke bepaling in acht te nemen (zie met name arrest van 12 juli 1990, Commissie/Frankrijk, C-236/88, Jurispr. blz. I-3163, punt 19, arrest en Commissie/Griekenland, reeds aangehaald, punt 26).
35 Hieruit volgt dat de eerste grief van de Commissie gegrond is.
De tweede grief: onjuiste omzetting van artikel 3, lid 3, van de richtlijn
36 De Commissie betoogt dat artikel 1386-7 van de code civil de leverancier gelijkstelt met de producent, anders dan artikel 3, lid 3, van de richtlijn, dat slechts voorziet in een subsidiaire aansprakelijkheid van de leverancier wanneer de producent onbekend is.
37 De Franse regering betwist niet dat hier sprake is van een afwijking. Zij betoogt dat deze het gevolg is van een nationale procedureregel die als zodanig niet binnen de communautaire bevoegdheidssfeer viel op de datum van vaststelling van de richtlijn, en die dus niet door de communautaire regelgeving kon worden gewijzigd. Bovendien leidt artikel 1386-7 tot het door de richtlijn beoogde resultaat, aangezien de door de gelaedeerde aangeduide leverancier de producent in vrijwaring kan oproepen, en deze de schadeloosstelling zal moeten dragen volgens de opzet zelf van de richtlijn.
38 Voorzover de Franse regering de bevoegdheid van de Raad tot vaststelling van artikel 3, lid 3, van de richtlijn ter discussie stelt, zij opgemerkt dat een lidstaat zich, zoals in herinnering gebracht in punt 27 van het onderhavige arrest, als verweer in een procedure wegens niet-nakoming niet kan beroepen op de onwettigheid van een richtlijn waarvan de Commissie hem de miskenning verwijt.
39 Bovendien kan deze argumentatie niet worden aanvaard. Aangezien de gemeenschapswetgever bevoegd was voor de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake aansprakelijkheid voor producten met gebreken, was hij eveneens bevoegd om te bepalen bij wie deze aansprakelijkheid moet worden gelegd, en onder welke voorwaarden.
40 Wat betreft het beweerde gelijke resultaat van de aansprakelijkheidsregeling van de richtlijn en van die van wet nr. 98-389, zij opgemerkt, dat de mogelijkheid die in deze wet aan de leverancier wordt gelaten om de producent in vrijwaring op te roepen, een aanzienlijke toename van dit soort vorderingen tot gevolg heeft, wat de rechtstreekse vordering waarover de gelaedeerde onder de voorwaarden van artikel 3 van de richtlijn beschikt juist beoogt te vermijden.
41 Hieruit volgt dat de tweede grief van de Commissie gegrond is.
De derde grief: onjuiste omzetting van artikel 7 van de richtlijn
42 De Commissie betoogt dat de artikelen 1386-11, eerste alinea, en 1386-12, tweede alinea, van de code civil, anders dan artikel 7, sub d en e, van de richtlijn, dat voorziet in gevallen van exoneratie van de producent waaraan geen enkele voorwaarde is verbonden, aan de toepassing van deze exoneratiegevallen een controleverplichting van de producent ten aanzien van het product verbindt.
43 De Franse regering betwist om te beginnen de ontvankelijkheid van twee argumenten die de Commissie tot staving van deze derde grief aanvoert, op grond dat zij niet in het met redenen omkleed advies zijn vermeld.
44 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de rechtspraak van het Hof weliswaar vereist dat de in het verzoekschrift uiteengezette grieven identiek zijn aan deze van de aanmaning en van het met redenen omkleed advies, maar dat dit niet betekent dat de formulering steeds volkomen gelijkluidend moet zijn wanneer het voorwerp van het geschil niet is verruimd of gewijzigd (arrest van 9 november 1999, Commissie/Italië, C-365/97, Jurispr. blz. I-7773, punt 25). In casu is deze voorwaarde vervuld. Bijgevolg kan de door de Franse regering aangevoerde niet-ontvankelijkheid niet worden aanvaard.
45 Ten gronde, betoogt de Franse regering dat de derde grief betrekking heeft op een punt dat de Commissie blijkens haar groenboek zelf wil veranderen. Zij betoogt dat artikel 15 van de richtlijn de lidstaten een keuzemogelijkheid laat betreffende de exoneratie die gekoppeld is aan de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht, aangezien deze exoneratie kan worden uitgesloten. Het zou dan ook logisch zijn dat een dergelijke uitsluiting kan worden onderworpen aan een voorwaarde zoals de verplichting de producten aan controles te onderwerpen, die haar rechtvaardiging vindt in de verplichtingen die aan de lidstaten zijn opgelegd bij richtlijn 92/59/EEG van de Raad van 29 juni 1992 inzake algemene productveiligheid (PB L 228, blz. 24).
46 Met betrekking tot de verwijzing naar het groenboek van de Commissie, volstaat het te verwijzen naar punt 34 van het onderhavige arrest.
47 Met betrekking tot het aan artikel 15 van de richtlijn ontleende argument zij opgemerkt, dat deze bepaling de lidstaten weliswaar toestaat de exoneratie van aansprakelijkheid van artikel 7, sub e, van de genoemde richtlijn op te heffen, maar niet om de voorwaarden voor de toepassing van deze exoneratie te wijzigen. Artikel 15 laat evenmin de opheffing of wijziging van de exoneratieregels van artikel 7, sub d, toe. Aan deze uitlegging kan niet worden afgedaan door richtlijn 92/59, die geen betrekking heeft op de aansprakelijkheid van de producent voor de producten die hij in het verkeer brengt.
48 Hieruit volgt, dat ook de derde grief van de Commissie gegrond is.
49 Vastgesteld moet dus worden, dat de Franse Republiek,
- door artikel 1386-2 van de code civil ook te laten gelden voor schade van minder dan 500 euro;
- door in artikel 1386-7, eerste alinea, van de code civil te bepalen, dat de distributeur van een gebrekkig product steeds en onder dezelfde voorwaarden als de producent aansprakelijk is, en
- door in artikel 1386-12, tweede alinea, van de code civil te bepalen, dat de producent zich slechts op de exoneratiegronden van artikel 7, sub d en e, van de richtlijn kan beroepen wanneer hij aantoont dat hij de nodige maatregelen heeft genomen om de schadelijke gevolgen van het gebrekkige product te voorkomen,
de krachtens de artikelen 9, eerste alinea, sub b, 3, lid 3, en 7 van genoemde richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
50 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) - Door artikel 1386-2 van de Franse code civil ook te laten gelden voor schade van minder dan 500 euro;
- door in artikel 1386-7, eerste alinea, van de code civil te bepalen, dat de distributeur van een gebrekkig product steeds en onder dezelfde voorwaarden als de producent aansprakelijk is, en
- door in artikel 1386-12, tweede alinea, van de code civil te bepalen, dat de producent zich slechts op de exoneratiegronden van artikel 7, sub d en e, van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken kan beroepen, wanneer hij aantoont dat hij de nodige maatregelen heeft genomen om de schadelijke gevolgen van het gebrekkige product te voorkomen,
is de Franse Republiek de krachtens artikelen 9, eerste alinea, sub b, 3, lid 3, en 7 van genoemde richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy