Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Hogere voorziening - Middelen - Ontvankelijkheid - Voorwaarden - Aanvoering van argumenten die reeds voor Gerecht zijn aangevoerd - Geen invloed
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
2. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vergelijking van normale waarde met prijs bij uitvoer - Gebruik van asymmetrische methode - Voorwaarden
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 2, lid 11)
3. Internationale overeenkomsten - Overeenkomst tot oprichting van Wereldhandelsorganisatie - GATT van 1994 - Rechtstreekse werking - Geen - Onmogelijkheid om WTO-overeenkomsten in te roepen om wettigheid van gemeenschapshandeling te bestrijden - Uitzonderingen - Gemeenschapshandeling die uitvoering ervan beoogt te verzekeren of uitdrukkelijk en specifiek daarnaar verwijst
(Art. 230 EG; Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994)
4. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Bepalingen inzake berekening van dumpingmarge vervat in antidumpingcode van GATT van 1994 - Omzetting in gemeenschapsrecht bij antidumpingbasisverordening - Invloed - Verplichting om keuze voor asymmetrische methode te motiveren
[EG-Verdrag, art. 190 (thans art. 253 EG); verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 2, lid 11; Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, antidumpingcode van 1994", art. 2.4.2]
5. Gemeenschapsrecht - Uitlegging - Methoden - Uitlegging met inachtneming van door Gemeenschap gesloten internationale overeenkomsten
6. Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Omvang
[EG-Verdrag, art. 190 (thans art. 253 EG)]
7. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Uitzonderlijke inaanmerkingneming van prijzen die worden toegepast tussen partijen die met elkaar compensatieregeling hebben getroffen - Noodzaak om beroep op uitzondering te rechtvaardigen
[EG-Verdrag, art. 190 (thans art. 253 EG); verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 2, lid 1, eerste en derde alinea]
Samenvatting
$$1. Zodra de rekwirant in het kader van een hogere voorziening overeenkomstig artikel 225 EG, artikel 51, eerste alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie, en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering, duidelijk heeft aangegeven tegen welke onderdelen van het bestreden arrest bezwaar wordt gemaakt, en welke argumenten rechtens zijn vordering specifiek staven, is de omstandigheid dat de ter ondersteuning van een middel aangedragen argumenten ook in eerste aanleg zijn voorgedragen geen grond om ze niet-ontvankelijk te verklaren.
( cf. punten 28, 71 )
2. Volgens de bewoordingen van artikel 2, lid 11, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 wordt het bestaan van een dumpingmarge normaal vastgesteld aan de hand van één van beide symmetrische methoden, en mag de asymmetrische methode slechts bij wijze van uitzondering op deze regel worden gebruikt wanneer is voldaan aan de dubbele voorwaarde dat de exportprijzen voor de verschillende afnemers, gebieden of tijdvakken sterk uiteenlopen, en dat de symmetrische methoden ontoereikend zijn om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen.
De Raad kan dan ook niet stellen dat uit deze bepaling volgt dat, na op discretionaire wijze een keuze tussen de twee symmetrische methoden te hebben gemaakt, hij ermee kan volstaan zich ervan te vergewissen dat de gekozen symmetrische methode ontoereikend is om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen, om de asymmetrische methode te mogen gebruiken.
( cf. punten 49-50 )
3. De WHO-Overeenkomst alsmede de in de bijlagen daarvan opgenomen akkoorden en memoranda behoren, gelet op hun aard en opzet, in beginsel niet tot de normen waaraan het Hof de handelingen van de gemeenschapsinstellingen toetst uit hoofde van artikel 230, eerste alinea, EG.
Ingeval de Gemeenschap evenwel een in het kader van de WHO aangegane bijzondere verplichting heeft willen nakomen of indien de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de in de bijlagen bij de WHO-Overeenkomst opgenomen akkoorden en memoranda verwijst, dient het Hof de wettigheid van de betrokken gemeenschapshandeling aan de WHO-regels te toetsen.
( cf. punten 53-54 )
4. Aangezien uit de considerans van antidumpingbasisverordening nr. 384/96, en meer in het bijzonder uit de vijfde overweging ervan, blijkt dat deze verordening met name tot doel heeft de nieuwe en gedetailleerde bepalingen van de antidumpingcode van 1994, waaronder de bepalingen inzake de berekening van de dumping, voor zoveel mogelijk in gemeenschapsrecht om te zetten ter verzekering van een correcte en doorzichtige toepassing van deze nieuwe regels, dient te worden aangenomen dat de Gemeenschap de basisverordening heeft vastgesteld om aan haar uit de antidumpingcode van 1994 voortvloeiende verplichtingen te voldoen, en dat zij met artikel 2, lid 11, van deze verordening dus de bijzondere verplichtingen van artikel 2.4.2 van deze code heeft willen nakomen.
Hoewel in artikel 2, lid 11, van de basisverordening niet uitdrukkelijk is gespecificeerd dat de door artikel 2.4.2 van de antidumpingcode van 1994 geëiste verklaring door de gemeenschapsinstelling moet worden gegeven indien voor de vaststelling van de dumpingmarge de asymmetrische methode wordt gebruikt, betekent deze leemte niet dat de Gemeenschap zich van deze verplichting heeft willen vrijstellen, daar deze kan worden uitgelegd door het bestaan van artikel 190 van het Verdrag (thans artikel 253 EG). Immers, zodra de Gemeenschap dat artikel 2.4.2 in het gemeenschapsrecht heeft opgenomen, kan het in deze bepaling gestelde bijzondere motiveringsvereiste worden geacht deel uit te maken van het door artikel 190 van het Verdrag gestelde algemene vereiste dat de handelingen van de instelling met redenen worden omkleed.
( cf. punten 55-56, 58 )
5. Bepalingen van gemeenschapsrecht moeten zoveel mogelijk worden uitgelegd in het licht van het volkenrecht, met name wanneer dergelijke bepalingen strekken tot tenuitvoerlegging van een door de Gemeenschap gesloten internationale overeenkomst.
( cf. punt 57 )
6. De door artikel 190 van het Verdrag (thans artikel 253 EG) geëiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van het genoemde artikel 190 voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.
( cf. punt 81 )
7. In dumpingaangelegenheden is de bepaling van de normale waarde één van de essentiële stappen om het bestaan van dumping te kunnen vaststellen.
Dienaangaande volgt uit artikel 2, lid 1, eerste en derde alinea, van antiddumpingbasisverordening nr. 384/96 dat om de normale waarde te bepalen in beginsel geen rekening mag worden gehouden met de prijzen die worden toegepast tussen partijen die met elkaar een compensatieregeling hebben getroffen, en dat dit slechts anders ligt indien wordt vastgesteld dat de relatie tussen deze partijen de prijzen niet heeft beïnvloed.
De verordening van de Raad tot instelling van definitieve antidumpingrechten op invoer, waarin alleen wordt verklaard dat [was gebleken] dat in het gewone handelsverkeer inderdaad verkoop plaatsvond waarbij voor de betaling gebruik [werd] gemaakt van compensatie", voldoet derhalve niet aan de vereisten van de motiveringsplicht.
Een dergelijke peremptoire verklaring, waarbij gewoon naar de communautaire bepalingen wordt verwezen, bevat immers geen enkel element dat aan de belanghebbenden en de gemeenschapsrechter verduidelijkt waarom de Raad heeft gemeend dat de bij die compensatieverkopen toegepaste prijzen niet door de relatie tussen deze belanghebbenden werd beïnvloed, en stelt de belanghebbenden dus niet in staat, op te maken of op goede gronden met deze prijzen uitzonderlijk rekening werd gehouden om de normale waarde te berekenen, dan wel of de wettigheid van de bestreden verordening hierdoor wordt aangetast.
( cf. punten 82, 85-88 )
Partijen
In zaak C-76/00 P,
Petrotub SA, gevestigd te Roman (Roemenië),
en
Republica SA, gevestigd te Boekarest (Roemenië),
vertegenwoordigd door A. Merckx, avocat, en P. Bentley, QC, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwiranten,
betreffende twee hogere voorzieningen tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Tweede kamer - uitgebreid) van 15 december 1999, Petrotub en Republica/Raad (T-33/98 en T-34/98, Jurispr. blz. II-3837), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partijen bij de procedure:
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Marquardt als gemachtigde, bijgestaan door G. Berrisch, Rechtsanwalt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder in eerste aanleg,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en S. Meany als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, C. W. A. Timmermans, D. A. O. Edward, A. La Pergola (rapporteur) en P. Jann, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 30 januari 2002, waarop Petrotub SA en Republica SA waren vertegenwoordigd door P. Bentley; de Raad door G. Berrisch, en de Commissie door V. Kreuschitz en S. Meany,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 april 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij gemeenschappelijk verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 2 maart 2000, hebben Petrotub SA (hierna: Petrotub") en Republica SA (hierna: Republica"), krachtens artikel 49 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie, ieder wat haar betreft, hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 15 december 1999, Petrotub en Republica/Raad (T-33/98 en T-34/98, Jurispr. blz. II-3837; hierna: bestreden arrest"), waarbij het Gerecht hun respectieve beroepen heeft verworpen welke strekten tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 2320/97 van de Raad van 17 november 1997 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal, van oorsprong uit Hongarije, Polen, Rusland, de Tsjechische Republiek, Roemenië en de Slowaakse Republiek, tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1189/93 en tot beëindiging van de procedure met betrekking tot dergelijke invoer van oorsprong uit de Republiek Kroatië (PB L 322, blz. 1; hierna: bestreden verordening").
Het rechtskader
2 Artikel 2, lid 1, derde alinea, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2331/96 van de Raad van 2 december 1996 (PB L 317, blz. 1; hierna: basisverordening"), bepaalt onder het opschrift A. Normale waarde":
De prijzen die worden toegepast tussen belanghebbenden die kennelijk geassocieerd zijn of met elkaar een compensatieregeling hebben getroffen, mogen niet worden beschouwd als in het kader van normale handelstransacties te zijn toegepast en mogen niet voor de berekening van de normale waarde worden gebruikt, tenzij wordt vastgesteld dat de relatie tussen deze belanghebbenden de prijzen niet heeft beïnvloed."
3 Artikel 2, lid 11, van de basisverordening bepaalt onder het opschrift D. Dumpingmarge":
Onder voorbehoud van de relevante bepalingen betreffende de billijke vergelijking, wordt het bestaan van dumpingmarges in het onderzoektijdvak normaal vastgesteld door vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde met een gewogen gemiddelde prijs van alle vergelijkbare exporttransacties naar de Gemeenschap [hierna: ,eerste symmetrische methode] of door vergelijking, per transactie, van de afzonderlijke normale waarden en de afzonderlijke prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap [hierna: ,tweede symmetrische methode]. Een op een gewogen gemiddelde gebaseerde normale waarde mag evenwel met de prijzen van alle afzonderlijke uitvoertransacties naar de Gemeenschap worden vergeleken [hierna: ,asymmetrische methode] indien de exportprijzen voor de verschillende afnemers, gebieden of tijdvakken sterk uiteenlopen en de in de voorgaande zin omschreven methoden ontoereikend zouden zijn om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen. [...]"
4 De Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (PB 1994, L 336, blz. 103; hierna: antidumpingcode van 1994"), is als bijlage 1A gehecht aan de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (hierna: WHO-Overeenkomst"), goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1). Artikel 2.4.2 van de antidumpingcode van 1994 luidt als volgt:
[...] het bestaan van dumpingmarges in de onderzoekfase [wordt] normaliter vastgesteld door vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde met een gewogen gemiddelde van de prijzen van alle vergelijkbare uitvoertransacties [eerste symmetrische methode] of door vergelijking van de normale waarde en de exportprijs van afzonderlijke transacties [tweede symmetrische methode]. Een op een gewogen gemiddelde gebaseerde normale waarde mag met de prijzen van individuele exporttransacties vergeleken worden [asymmetrische methode] indien de autoriteiten constateren dat de exportprijzen voor de verschillende afnemers, regio's en tijdvakken sterk uiteenlopen en op voorwaarde dat verklaard wordt waarom met dergelijke verschillen niet naar behoren rekening kan worden gehouden door het vergelijken van gewogen gemiddelden of van transacties."
De aan het geding ten grondslag liggende feiten en het bestreden arrest
5 Uit het bestreden arrest blijkt dat de Commissie op 31 augustus 1996 een bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, van oorsprong uit Rusland, Tsjechië, Roemenië en Slowakije (PB C 253, blz. 26) heeft gepubliceerd.
6 Alvorens door de Commissie te worden gehoord, hebben Petrotub en Republica in het kader van het antidumpingonderzoek geantwoord op de vragenlijst die de Commissie hun had toegezonden. Vervolgens voerde de Commissie bij beide vennootschappen een onderzoek ter plaatse uit.
7 Op 29 mei 1997 stelde de Commissie verordening (EG) nr. 981/97 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer of niet-gelegeerd staal van oorsprong uit Rusland, Tsjechië, Roemenië en Slowakije (PB L 141, blz. 36; hierna: voorlopige verordening") vast.
8 Na overeenkomstig artikel 20, lid 1, van de basisverordening in kennis te zijn gesteld van de details ter ondersteuning van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan die voorlopige rechten waren ingesteld (hierna: voorlopige mededeling"), hebben Petrotub en Republica hun schriftelijke opmerkingen dienaangaande ingediend, alvorens door de Commissie te worden gehoord. Overeenkomstig dezelfde bepaling hebben Petrotub en Republica eveneens schriftelijk geantwoord op de definitieve mededeling betreffende de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens was voor te stellen dat op hun producten een definitief antidumpingrecht zou worden ingesteld (hierna: definitieve mededeling").
9 Bij de bestreden verordening stelde de Raad een definitief antidumpingrecht van 9,8 % in op de exporten van Petrotub en Republica naar de Gemeenschap.
10 Op 23 februari 1998 stelden Petrotub en Republica bij het Gerecht respectievelijk een beroep in tot nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden verordening voorzover dit op hen betrekking had. Na voeging van beide zaken werden de beroepen bij het bestreden arrest verworpen.
11 Aangaande het eerste onderdeel van Petrotubs vierde middel, waarin de Raad werd verweten dat hij in strijd met artikel 2.4.2 van de antidumpingcode van 1994 niet had verklaard waarom de door hem gebruikte asymmetrische methode de dumping vollediger tot uitdrukking zou brengen dan de symmetrische methoden, oordeelde het Gerecht meer in het bijzonder als volgt:
105 Ook al moeten volgens vaste rechtspraak de bepalingen van de basisverordening worden uitgelegd in het licht van de antidumpingcode van 1994 (arrest Hof van 7 mei 1991, Nakajima/Raad, C-69/89, Jurispr. blz. I-2069, punten 30-32), dit neemt niet weg dat de regeling inzake bescherming tegen dumpingpraktijken uitsluitend door die verordening wordt beheerst. De in artikel 2.4.2 van de antidumpingcode van 1994 bedoelde verplichting te verklaren, waarom de symmetrische methoden ontoereikend zijn om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen, is dus als zodanig niet een regel die moet worden toegepast. Vastgesteld moet worden, dat artikel 2, lid 11, van de basisverordening geen melding maakt van een specifieke verplichting een dergelijke verklaring te geven.
106 Voorzover dit middel echter aldus kan worden verstaan, dat verzoekster hiermee stelt dat de bestreden verordening ontoereikend is gemotiveerd, zij eraan herinnerd, dat de door artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG) verlangde motivering de redenering van de communautaire instantie die de betwiste handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uiting moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen om hun rechten te kunnen verdedigen, en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen. De omvang van de motiveringsplicht moet worden beoordeeld met inachtneming van de context en de procedure in het kader waarvan de bestreden verordening is vastgesteld, en van het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie, laatstelijk, arrest Gerecht van 12 oktober 1999, Acme Industry/Raad, T-48/96, Jurispr. blz. II-3089, punt 141).
107 In casu moet bij de beoordeling van de motivering van de bestreden verordening in het bijzonder rekening worden gehouden met de aan verzoekster toegezonden mededelingen en met hetgeen zij tijdens de administratieve procedure heeft opgemerkt over de vergelijkingsmethode die moest worden toegepast om de dumpingmarge te bepalen.
108 In overweging 28 van de considerans van de voorlopige verordening preciseerde de Commissie:
,Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde van elke productgroep vergeleken met de gecorrigeerde exportprijs per transactie. Deze werkwijze moest worden toegepast om de volledige dumpingmarge tot uiting te brengen en omdat de exportprijzen sterk verschilden, al naargelang van de afnemer en de regio.
Zij handhaafde dit standpunt in de voorlopige mededeling van 2 juni 1997.
109 In haar op 1 juli 1997 ingediende voorlopige conclusies betreffende de dumping en tijdens de hoorzitting van 9 juli 1997 bestreed verzoekster dat standpunt met het betoog, dat de Commissie gebruik had moeten maken van de symmetrische methode waarbij de gewogen gemiddelde normale waarde wordt vergeleken met het gewogen gemiddelde van de prijzen van alle exporten van Petrotub naar de Gemeenschap. In haar brief van 11 juli 1997 stelde zij bovendien, dat toepassing van die symmetrische methode resulteerde in een dumpingmarge die aanzienlijk lager was dan die welke met de door de Commissie gehanteerde methode werd verkregen.
110 Vervolgens verklaarde de Commissie in de definitieve mededeling van 19 augustus 1997, dat bij Petrotub de exportprijzen sterk verschilden naar gelang van het tijdvak (van augustus 1995 tot en met april 1996, respectievelijk van mei 1996 tot en met augustus 1996). Zij wees erop, dat voor alle Roemeense bedrijven tezamen het verschil tussen de dumpingmarge die werd verkregen op basis van een vergelijking van gewogen gemiddelden, en die welke voortvloeide uit een vergelijking van een gewogen gemiddelde met individuele transacties, zodanig was, dat kon worden geconcludeerd dat de eerste van die methoden ontoereikend was om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen.
111 In haar op 8 september 1997 ingediende definitieve opmerkingen betreffende de dumping stelde verzoekster opnieuw, dat de dumpingmarge moest worden vastgesteld op basis van een vergelijking van gewogen gemiddelden.
112 In overweging 22 van de considerans van de bestreden verordening verklaarde de Raad:
,Eén bedrijf betoogde dat de berekening van de dumpingmarge niet zou mogen geschieden op basis van een vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarden met de aangepaste exportprijs van elke overeenkomstige groep per transactie maar op basis van een vergelijking tussen gewogen gemiddelden.
Dit argument werd afgewezen nadat de methode die was gebruikt voor alle Roemeense bedrijven opnieuw werd bekeken. Vastgesteld werd dat:
- er voor één bedrijf tussen beide methoden geen verschil was in de dumpingmarge omdat alle exporttransacties plaatsvonden met dumping;
- voor drie bedrijven een patroon werd vastgesteld van exportprijzen die per regio of tijdvak aanzienlijk verschilden.
Met het oog op het bovenstaande en overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de methode waarbij de gewogen gemiddelde normale waarde per tijdvak wordt vergeleken met de individueel aangepaste exportprijzen per transactie gehandhaafd voor het vaststellen van de definitieve dumping.
113 In de bestreden verordening wordt dus uiteengezet, om welke redenen de gemeenschapsinstellingen kozen voor toepassing van de methode waarbij de gewogen gemiddelde normale waarde wordt vergeleken met de prijzen van de afzonderlijke exporttransacties.
114 Bij gebreke van een specifieke betwisting door verzoekster tijdens de administratieve procedure, die in voorkomend geval een meer omstandige motivering noodzakelijk had kunnen maken (zie arrest Gerecht van 28 september 1995, Ferchimex/Commissie, T-164/94, Jurispr. blz. II-2681, punten 90 en 118), kan de bestreden verordening derhalve niet worden geacht ontoereikend te zijn gemotiveerd waar het de toepassing van artikel 2, lid 11, van de basisverordening door de gemeenschapsinstellingen betreft.
115 Met betrekking tot verzoeksters grief, dat de gemeenschapsinstellingen enkel de eerste symmetrische methode (waarbij gewogen gemiddelden met elkaar worden vergeleken) hebben onderzocht en dus niet zijn nagegaan, of de tweede symmetrische methode die in artikel 2, lid 11, van de basisverordening wordt genoemd (waarbij afzonderlijke normale waarden worden vergeleken met afzonderlijke prijzen bij uitvoer), ontoereikend was om de toegepaste dumping volledig tot uitdrukking te brengen, stelt het Gerecht vast, dat het hier een afzonderlijk rechtsmiddel betreft, dat pas in repliek voor het eerst is voorgedragen. Dit middel moet dan ook overeenkomstig artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk worden verklaard.
116 Ten slotte blijkt uit het voorgaande, dat, anders dan verzoekster stelt, de vergelijkingsmethoden die worden gebruikt om het bestaan van een dumpingmarge vast te stellen, voor elk van de vier Roemeense exporterende bedrijven individueel werden toegepast.
117 Het eerste onderdeel van het vierde middel kan bijgevolg niet worden aanvaard."
12 Aangaande het tweede onderdeel van Republica's tweede middel, schending van artikel 2, lid 1, derde alinea, van de basisverordening en ontoereikende motivering van de bestreden verordening, oordeelde het Gerecht voorts:
73 Volgens artikel 2, lid 1, derde alinea, van de basisverordening mogen ,de prijzen die worden toegepast tussen belanghebbenden die kennelijk geassocieerd zijn of met elkaar een compensatieregeling hebben getroffen, [...] niet worden beschouwd als in het kader van normale handelstransacties te zijn toegepast en [...] niet voor de berekening van de normale waarde worden gebruikt, tenzij wordt vastgesteld dat de relatie tussen deze belanghebbenden de prijzen niet heeft beïnvloed.
74 Vastgesteld moet worden, dat verzoekster op geen enkele wijze heeft bewezen of aannemelijk heeft gemaakt, dat de compensatieregelingen waarop zij zich beroept, die vermeld staan in het document met als titel ,Total Value of Compensatory Arrangements, betreffende de compensatieverkopen in het onderzoektijdvak, de in het kader van die transacties toegepaste prijzen heeft beïnvloed, zoals ingevolge artikel 2, lid 1, derde alinea, van de basisverordening vereist is.
75 Bovendien heeft de Raad, nu verzoekster niets heeft aangevoerd dat op het tegendeel wijst, zijn weigering de compensatieverkopen bij de vaststelling van de normale waarde buiten beschouwing te laten, in de bestreden verordening genoegzaam gemotiveerd, door te verklaren dat ,bleek [...] dat in het gewone handelsverkeer inderdaad verkoop plaatsvond waarbij voor de betaling gebruik wordt gemaakt van compensatie.
76 Uit een en ander volgt, dat het tweede middel in zijn geheel moet worden afgewezen."
De hogere voorzieningen
13 In hogere voorziening vragen Petrotub en Republica het Hof, het bestreden arrest te vernietigen voorzover het op ieder van hen betrekking heeft, bij wege van uitspraak over de grond van de zaak de bestreden verordening nietig te verklaren voorzover zij op hen betrekking heeft, en de Raad in de kosten van beide instanties te verwijzen. Petrotub en Republica vragen het Hof eveneens dat, indien op vordering van één van beiden de bestreden verordening nietig wordt verklaard, de rechtsgevolgen hiervan tot de andere worden uitgebreid.
14 De Raad en de Commissie verzoeken het Hof, de hogere voorzieningen af te wijzen en rekwiranten in de kosten te verwijzen.
De hogere voorziening van Petrotub
15 Tot staving van haar hogere voorziening voert Petrotub één middel aan, dat zij ontleent aan de onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht in punt 114 van het bestreden arrest blijk zou hebben gegeven met betrekking tot de omvang van de op de Raad rustende motiveringsplicht wanneer hij de asymmetrische methode gebruikt om de dumpingmarge te berekenen. Tot staving van dit middel voert Petrotub tevens de onjuiste rechtsopvattingen aan waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven in de punten 105 en 115 van dat arrest.
16 Met het eerste onderdeel van haar middel betoogt Petrotub dat het Gerecht niet kon oordelen dat de motivering van de bestreden verordening toereikend is, nu die geen enkele verwijzing naar de tweede symmetrische methode bevat, noch, a fortiori, enige verklaring waarom deze methode ten voordele van de asymmetrische methode terzijde werd geschoven. Uit de bewoordingen zelf van artikel 2, lid 11, van de basisverordening blijkt immers dat de asymmetrische methode slechts mag worden gebruikt indien beide symmetrische methoden ontoereikend zijn om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen. Aangezien het nagaan hiervan derhalve betrekking heeft op wezenlijke elementen, feitelijk of rechtens, betreffende de grondslag voor het opleggen van antidumpingrechten, had uit de motivering van de bestreden verordening minstens moeten blijken dat de Raad dit wel degelijk had nagegaan.
17 Overigens kon het Gerecht volgens Petrotub een dergelijke niet-nakoming van de motiveringsplicht niet ongestraft laten door in punt 115 van het bestreden arrest te oordelen dat het op deze niet-nakoming gebaseerde argument niet-ontvankelijk was omdat het te laat werd aangevoerd. Dit argument lag besloten in het verzoekschrift, zoals blijkt uit het gebruik van de meervoudsvorm méthodes symétriques" in de relevante passage van het verzoekschrift, en het Gerecht diende het aldus aangevoerde gebrek in de motivering in elk geval ambtshalve te onderzoeken.
18 Met het tweede en het derde onderdeel van haar middel betoogt Petrotub dat het Gerecht de omvang van de op de Raad rustende motiveringsplicht verkeerd heeft beoordeeld. Volgens Petrotub heeft het Gerecht zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan de motiveringsplicht is voldaan door het loutere feit dat uit de bestreden verordening, gelezen in samenhang met de eraan voorafgaande handelingen, waaronder de voorlopige verordening, de voorlopige mededeling en de definitieve mededeling, blijkt dat de asymmetrische methode in casu een rekenkundig grotere dumpingmarge opleverde dan de eerste symmetrische methode en dat het gebruik van de asymmetrische methode noodzakelijk was om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen.
19 Volgens Petrotub vormt deze tweede stelling slechts een zichzelf rechtvaardigende parafrase van de bewoordingen van artikel 2, lid 11, van de basisverordening. Deze bewoordingen impliceren evenwel dat de Raad de wezenlijke elementen, feitelijk of rechtens, betreffende de grondslag voor het opleggen van antidumpingrechten moet onderzoeken, zodat de redenering die tot deze conclusie leidt, in de bestreden verordening had moeten worden opgenomen opdat men zich ervan had kunnen vergewissen dat het vereiste onderzoek was gebeurd.
20 Dienaangaande meent Petrotub in het bijzonder dat de loutere vaststelling dat de asymmetrische methode een rekenkundig grotere dumpingmarge oplevert dan de symmetrische methode, geen toereikende motivering kan zijn, aangezien de asymmetrische methode uiteraard slechts een uitkomst kan geven die groter is dan of gelijk is aan de uitkomst van de eerste symmetrische methode.
21 Volgens Petrotub veronderstelt het nagaan of is voldaan aan de voorwaarde dat de symmetrische methoden ontoereikend zouden zijn om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen", in werkelijkheid dat het bestaan van een gerichte" dumping wordt aangetoond, dit wil zeggen dat de exporteur handelingen heeft verricht om de dumping te verhullen.
22 Met het vierde onderdeel van haar middel betoogt Petrotub dat, anders dan artikel 2, lid 11, van de basisverordening, artikel 2.4.2 van de antidumpingcode van 1994 bepaalt dat indien de bevoegde autoriteit de asymmetrische methode gebruikt, zij moet verklaren waarom met de sterke verschillen in de exportprijzen tussen afnemers, regio's en tijdvakken niet naar behoren rekening kan worden gehouden door middel van de symmetrische methoden.
23 Petrotub legt dienaangaande een uittreksel van een op 15 februari 1996 door de Commissie aan het secretariaat van de Commissie Antidumpingpraktijken van de Wereldhandelsorganisatie (hierna: WHO") gerichte mededeling over, waarin met name wordt geantwoord op de door verschillende lidstaten van de WHO met betrekking tot het in het vorige punt vermelde tekstverschil gestelde vragen (hierna: mededeling van 15 februari 1996"). Hierin staat het volgende te lezen:
De uitdrukking ,om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen verwijst eenvoudigweg naar de gerichte dumping, de hoofding waaronder dit probleem tijdens de Uruguay-onderhandelingen werd besproken. Daarmee wil men zeggen dat er gevallen kunnen zijn waar de eerste of de tweede symmetrische methode niet geschikt is bij gerichte dumping. Elke afwijking van de hierboven vermelde methoden zal zowel aan de betrokken partijen als in de verordeningen houdende vaststelling van antidumpingmaatregelen worden uitgelegd."
24 Volgens Petrotub betekent deze mededeling dat de Gemeenschap meent dat de in artikel 2.4.2. van de antidumpingcode van 1994 bedoelde verklaring deel moet uitmaken van de door artikel 190 van het Verdrag geëiste motivering, dit wil zeggen dat de beoordeling of het gebruik van de asymmetrische methode toereikend is gemotiveerd, dient te gebeuren in het licht van artikel 2.4.2. Derhalve heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 105 van het bestreden arrest geen rekening te houden met deze bepaling van die code om uit te maken of de bestreden verordening, gelet op artikel 190, toereikend was gemotiveerd.
25 Volgens Petrotub ontbreekt in casu een dergelijke verklaring om twee redenen. Ten eerste beperkt de bestreden verordening zich ertoe artikel 2, lid 11, van de basisverordening te parafraseren, en wordt daarmee niet aangegeven waarom met dergelijke verschillen niet naar behoren rekening kan worden gehouden door het vergelijken van gewogen gemiddelden of van transacties", zoals artikel 2.4.2 van de antidumpingcode van 1994 eist. Ten tweede is blijkens hetgeen in het tweede en het derde onderdeel van het middel is uiteengezet, in de bestreden verordening niet onderzocht of er sprake was van een gerichte dumping", terwijl volgens de mededeling van 15 februari 1996 de in artikel 2, lid 11, van de basisverordening gebruikte bewoordingen, om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen" juist naar een dergelijke hypothese verwijzen.
De ontvankelijkheid
26 Volgens de Raad en de Commissie is de hogere voorziening niet-ontvankelijk.
27 Zij betogen in de eerste plaats dat Petrotub alleen maar de voor het Gerecht aangevoerde argumenten heeft herhaald, zonder enig nauwkeurig bezwaar tegen de door het Gerecht gemaakte juridische beoordelingen te formuleren.
28 Dienaangaande volstaat het vast te stellen dat, zoals uit de punten 15 tot en met 25 van het onderhavige arrest blijkt, Petrotub overeenkomstig de artikelen 225 EG, 51, eerste alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie, en 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering, duidelijk heeft aangegeven tegen welke onderdelen van het bestreden arrest bezwaar wordt gemaakt en welke argumenten rechtens haar vordering specifiek staven, zodat de omstandigheid dat de door Petrotub ter ondersteuning van haar middel aangedragen argumenten ook in eerste aanleg zijn voorgedragen, geen grond is om ze niet-ontvankelijk te verklaren (zie met name beschikking van 7 maart 1994, De Hoe/Commissie, C-338/93 P, Jurispr. blz. I-819, punt 18, en arrest van 5 mei 1998, Dreyfus/Commissie, C-386/96 P, Jurispr. blz. I-2309, punt 38).
29 In de tweede plaats betogen de Raad en de Commissie dat het eerste onderdeel van het middel niet-ontvankelijk is aangezien daarin een argument wordt aangevoerd dat in eerste aanleg niet-ontvankelijk werd verklaard omdat het pas voor het eerst in de repliek werd voorgedragen.
30 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het middel rechtens dat in punt 115 van het bestreden arrest aldus werd afgewezen, ertoe strekte te doen vaststellen dat de gemeenschapsinstellingen alleen de eerste symmetrische methode hebben onderzocht en niet hebben nagegaan, of de tweede symmetrische methode ontoereikend was om de toegepaste dumping volledig tot uitdrukking te brengen. Anders dan de Raad en de Commissie betogen, betreft een dergelijk middel uitsluitend de grond van de zaak, zodat de omstandigheid dat het in eerste aanleg niet-ontvankelijk werd verklaard, geenszins een weerslag kan hebben op de ontvankelijkheid, in hogere voorziening, van een middel dat is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting betreffende de omvang van de motiveringsplicht.
31 Bovendien wijst Petrotub erop dat zij in haar vierde in het verzoekschrift voor het Gerecht aangevoerde middel de gemeenschapsinstellingen verwijt dat [...] zij niet hebben uitgelegd waarom vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de prijzen van alle afzonderlijke uitvoertransacties de dumping vollediger tot uitdrukking zou brengen dan de normale methoden [...]".
32 In de derde plaats menen de Raad en de Commissie dat, wat het vierde onderdeel van het middel betreft, de aan de mededeling van de Commissie van 15 februari 1996 ontleende argumenten niet-ontvankelijk zijn omdat deze door de Commissie als bewijsmiddel aangemerkte mededeling niet aan het Gerecht werd overgelegd.
33 Dienaangaande behoeft slechts te worden opgemerkt dat het door Petrotub bij het Gerecht ingestelde beroep tot nietigverklaring er met name toe strekte een schending van artikel 2.4.2 van de antidumpingcode van 1994 te doen vaststellen, en dat met het vierde onderdeel van het middel aan het Gerecht wordt verweten dat het bij de beoordeling van de omvang van de op de Raad rustende motiveringsplicht aan deze bepaling is voorbijgegaan.
34 Onder deze omstandigheden staat niets eraan in de weg dat het Hof rekening houdt met de mededeling van 15 februari 1996 als zou blijken dat deze onder de in punt 23 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte omstandigheden aan het secretariaat van de Commissie Antidumpingpraktijken van de WHO gerichte mededeling relevant is om de juridische draagwijdte van artikel 2.4.2 van de antidumpingcode van 1994 en de eventuele gegrondheid van het middel te beoordelen.
35 In de vierde plaats betoogt de Raad dat, onder het mom van een gestelde onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht inzake de omvang van de motiveringsplicht, Petrotub in feite aan de bestreden verordening een onjuiste uitlegging of toepassing van artikel 2, lid 11, van de basisverordening verwijt. Dit is volgens de Raad in het bijzonder het geval voor het eerste onderdeel van het middel, waarmee niet zozeer een ontoereikende motivering aan de kaak wordt gesteld, dan wel het feit wordt gehekeld dat de Raad bij zijn beslissing om de asymmetrische methode te gebruiken, geen rekening heeft gehouden met de tweede symmetrische methode.
36 Aangezien een dergelijk betoog nauw is verbonden met de in de hogere voorziening gerezen vragen over de grond van de zaak, die met name de omvang van de op de Raad rustende motiveringsplicht betreffen, moet het onderzoek ervan met de behandeling ten gronde worden gevoegd.
37 In de vijfde plaats betoogt de Commissie dat Petrotubs argument betreffende de verplichting voor de instelling die de asymmetrische methode gebruikt, om aan te geven waarom kan worden geconcludeerd tot het bestaan van handelingen om de dumping te verhullen", niet-ontvankelijk is omdat het niet in het verzoekschrift voor het Gerecht werd voorgedragen.
38 Dienaangaande zij opgemerkt dat, zoals uit punt 15 van het onderhavige arrest blijkt, Petrotubs hogere voorziening uitsluitend is gebaseerd op de onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven aangaande de omvang van de op de Raad rustende motiveringsplicht. Derhalve kan de hogere voorziening niet aldus worden uitgelegd dat daarin een nieuw middel wordt aangevoerd dat betrekking heeft op de in de bestreden verordening besloten liggende onjuiste rechtsopvatting over de uitlegging van de materiële voorschriften van de artikelen 2, lid 11, van de basisverordening en 2.4.2 van de antidumpingcode van 1994.
39 Petrotubs betoog over de uitlegging die haars inziens aan die materiële voorschriften moet worden gegeven, al is het uitvoeriger dan het in eerste aanleg gevoerde betoog, verstrekt slechts een toelichting omtrent de draagwijdte van de bepalingen waarmee het Hof rekening moet houden om te bepalen of de uit de motiveringsplicht voortvloeiende vereisten door het Gerecht juist werden beoordeeld.
40 Uit het voorgaande volgt dat Petrotubs hogere voorziening in haar geheel ontvankelijk moet worden verklaard.
Ten gronde
Het eerste en het vierde onderdeel van het middel
Argumenten van partijen
41 Zoals uit de punten 16 en 22 tot en met 25 van het onderhavige arrest blijkt, stelt Petrotub in het eerste en het vierde onderdeel van haar middel dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat aan de motiveringsplicht was voldaan, hoewel de bestreden verordening geen enkele verklaring bevat waarom de tweede symmetrische methode ten voordele van de asymmetrische methode terzijde werd geschoven.
42 Dienaangaande meent de Raad in de eerste plaats, zoals uit punt 35 van het onderhavige arrest blijkt, dat Petrotubs hogere voorziening voorbijgaat aan het onderscheid tussen de inhoud van de bestreden verordening en de motivering ervan. In casu komt Petrotub onder het mom van een ontoereikende motivering in werkelijkheid op tegen het feit dat bij het bepalen of de asymmetrische methode mocht worden gebruikt, geen rekening is gehouden met de tweede symmetrische methode.
43 In de tweede plaats betoogt de Raad dat de grote beoordelingsmarge waarover hij bij de toepassing van de methoden voor de berekening van de dumpingmarge beschikt, niet op losse schroeven mag worden gezet door een verstrakking van het louter formele en procedurele vereiste van de motivering. Dienaangaande blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat slechts de wezenlijke overwegingen die aan de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van de Raad ten grondslag hebben gelegen, in de motivering moeten worden opgenomen. Hieraan dient, anders dan Petrotub voorstelt, geen nieuw vereiste van een verklaring van de logische band tussen de gemaakte beoordeling en de toegepaste tekst te worden toegevoegd.
44 De Raad meent meer in het bijzonder dat, na op discretionaire wijze een keuze tussen de twee symmetrische methoden te hebben gemaakt, alleen de gekozen symmetrische methode met de asymmetrische methode moet worden vergeleken ingeval de instelling voornemens is, deze laatste methode toe te passen. Bovendien moet rekening worden gehouden met het feit dat de tweede symmetrische methode slechts zeer zelden wordt toegepast omdat zij onbruikbaar en arbitrair is.
45 In de derde plaats betoogt de Raad dat de omvang van de motiveringsplicht beperkter is wanneer over de wezenlijke aspecten van de zaak in de loop van de administratieve procedure uitvoerig van gedachten is gewisseld. Om te kunnen eisen dat de definitieve antidumpingverordening uitvoeriger wordt gemotiveerd, moeten de betrokkenen met name ten volle en te goeder trouw gebruik hebben gemaakt van de hun door de basisverordening toegekende procedurele rechten om de wezenlijke overwegingen, feitelijk en rechtens, op grond waarvan de gemeenschapsautoriteit voornemens is definitieve antidumpingmaatregelen vast te stellen, op specifieke wijze te betwisten.
46 Aangezien Petrotub dienaangaande tijdens de administratieve fase geen bezwaren heeft geformuleerd, was er volgens de Raad geen enkele reden om uit te leggen waarom, overeenkomstig een vaste praktijk van de gemeenschapsinstellingen, een uitzonderlijke methode als de tweede symmetrische methode niet werd gehanteerd.
47 De Commissie is eveneens van mening dat, gelet op de context waarin de bestreden verordening werd vastgesteld, niet was vereist dat in de motivering werd uitgelegd waarom de tweede symmetrische methode terzijde werd gesteld.
48 Verder menen de Raad en de Commissie dat het vierde onderdeel van het middel ongegrond is. Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat de in artikel 2.4.2 van de antidumpingcode van 1994 bedoelde verplichting op zichzelf geen regel is die moet worden toegepast. Hieraan wordt niet afgedaan door de mededeling van 15 februari 1996, aangezien deze geen gevolgen heeft voor de juridische draagwijdte van die code.
Beoordeling door het Hof
49 Vaststaat in de eerste plaats dat volgens de bewoordingen van artikel 2, lid 11, van de basisverordening het bestaan van een dumpingmarge normaal wordt vastgesteld aan de hand van één van beide symmetrische methoden, en dat de asymmetrische methode slechts bij wijze van uitzondering op deze regel mag worden gebruikt wanneer is voldaan aan de dubbele voorwaarde dat de exportprijzen voor de verschillende afnemers, gebieden of tijdvakken sterk uiteenlopen, en dat de symmetrische methoden ontoereikend zijn om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen.
50 De Raad stelt dan ook ten onrechte dat uit deze bepaling volgt dat, na op discretionaire wijze een keuze tussen de twee symmetrische methoden te hebben gemaakt, hij ermee kan volstaan zich ervan te vergewissen dat de gekozen symmetrische methode ontoereikend is om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen, opdat hij de asymmetrische methode zou mogen gebruiken.
51 Gepreciseerd moet evenwel worden dat de vraag of in casu aan de twee in punt 49 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden is voldaan, en meer in het algemeen de vraag of de Raad artikel 2, lid 11, van de basisverordening juist heeft toegepast, tot de grond van de zaak behoren en derhalve door het Hof in het kader van de onderhavige hogere voorziening niet kan worden behandeld.
52 In de tweede plaats dient, anders dan het Gerecht in punt 105 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, rekening te worden gehouden met artikel 2.4.2 van de antidumpingcode van 1994 voorzover dit artikel bepaalt dat moet worden verklaard waarom met de voor de verschillende afnemers, regio's en tijdvakken sterk uiteenlopende exportprijzen niet naar behoren rekening kan worden gehouden wanneer de symmetrische methoden worden gehanteerd.
53 Volgens de rechtspraak van het Hof behoren de WHO-Overeenkomst alsmede de in de bijlagen daarvan opgenomen akkoorden en memoranda, gelet op hun aard en opzet, in beginsel niet tot de normen waaraan het Hof de handelingen van de gemeenschapsinstellingen toetst uit hoofde van artikel 230, eerste alinea, EG (zie arrest van 23 november 1999, Portugal/Raad, C-149/96, Jurispr. blz. I-8395, punt 47, en beschikking van 2 mei 2001, OGT Fruchthandelsgesellschaft, C-307/99, Jurispr. blz. I-3159, punt 24).
54 Ingeval de Gemeenschap evenwel uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WHO aangegane bijzondere verplichting of indien de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de in de bijlagen bij de WHO-Overeenkomst opgenomen akkoorden en memoranda verwijst, dient het Hof de wettigheid van de betrokken gemeenschapshandeling aan de WHO-regels te toetsen (zie met name arrest Portugal/Raad, reeds aangehaald, punt 49).
55 Dienaangaande blijkt uit de considerans van de basisverordening, en meer in het bijzonder uit de vijfde overweging ervan, dat deze verordening met name tot doel heeft de nieuwe en gedetailleerde bepalingen van de antidumpingcode van 1994, waaronder de bepalingen inzake de berekening van de dumping, voor zoveel mogelijk, in gemeenschapsrecht om te zetten ter verzekering van een correcte en doorzichtige toepassing van deze nieuwe regels.
56 Vaststaat derhalve dat de Gemeenschap de basisverordening heeft vastgesteld om aan haar uit de antidumpingcode van 1994 voortvloeiende verplichtingen te voldoen, en dat zij met artikel 2, lid 11, van deze verordening de bijzondere verplichtingen van artikel 2.4.2 van deze code heeft willen nakomen. Zoals uit de in punt 54 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak blijkt, dient het Hof de wettigheid van de betrokken gemeenschapshandeling aan deze laatste bepaling te toetsen.
57 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat bepalingen van gemeenschapsrecht zoveel mogelijk moeten worden uitgelegd in het licht van het volkenrecht, met name wanneer dergelijke bepalingen strekken tot tenuitvoerlegging van een door de Gemeenschap gesloten internationale overeenkomst (zie met name arrest van 14 juli 1998, Bettati, C-341/95, Jurispr. blz. I-4355, punt 20).
58 In casu kan het feit dat in artikel 2, lid 11, van de basisverordening niet uitdrukkelijk is gespecificeerd dat de door artikel 2.4.2 van de antidumpingcode van 1994 geëiste verklaring door de gemeenschapsinstelling moet worden gegeven indien de asymmetrische methode wordt gebruikt, worden uitgelegd door het bestaan van artikel 190 van het Verdrag. Immers, zodra de Gemeenschap dat artikel 2.4.2 in het gemeenschapsrecht heeft opgenomen, kan het in deze bepaling gestelde bijzondere motiveringsvereiste worden geacht deel uit te maken van het door het Verdrag gestelde algemene vereiste dat de handelingen van de instelling met redenen worden omkleed.
59 Bovendien kan worden opgemerkt dat een dergelijke uitlegging in wezen overeenstemt met de internationale garanties die zijn gegeven in de mededeling van 15 februari 1996 aan het secretariaat van de Commissie Antidumpingpraktijken van de WHO, welke inhouden dat de in artikel 2.4.2 van de antidumpingcode van 1994 bedoelde verklaring rechtstreeks aan de partijen en in de verordeningen die antidumpingrechten opleggen, zal worden verstrekt.
60 Gelet op hetgeen in de punten 54 tot en met 59 van het onderhavige arrest is uiteengezet, moet worden aangenomen dat een verordening van de Raad waarbij definitieve antidumpingrechten worden opgelegd en waarbij ter berekening van de dumpingmarge de asymmetrische methode wordt gebruikt, als onderdeel van de in artikel 190 van het Verdrag bedoelde motivering met name de in artikel 2.4.2 van de antidumpingcode van 1994 bepaalde bijzondere verklaring moet bevatten.
61 In casu moet evenwel vastgesteld worden dat de bestreden verordening geen enkele verwijzing naar de tweede symmetrische methode bevat, noch, a fortiori, enige verklaring waarom door middel van deze methode niet naar behoren rekening kan worden gehouden met de voor de verschillende afnemers, regio's en tijdvakken sterk uiteenlopende exportprijzen.
62 Onder die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 105 van het bestreden arrest te oordelen dat, om te bepalen of de Raad, wat de bestreden verordening betreft, aan de motiveringsplicht had voldaan, geen rekening moest worden gehouden met artikel 2.4.2 van de antidumpingcode van 1994, en door bijgevolg in punt 114 van het bestreden arrest te oordelen dat de motivering van de bestreden verordening aan de eisen van artikel 190 van het Verdrag voldeed.
63 Derhalve dient het bestreden arrest op deze grond te worden vernietigd zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan op de andere onderdelen van Petrotubs middel tot staving van haar hogere voorziening.
64 Aangezien de zaak in staat van wijzen is, dient overeenkomstig artikel 54, eerste alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie Petrotubs beroep definitief te worden afgedaan door de bestreden verordening om de in de punten 60 en 61 van het onderhavige arrest vermelde redenen nietig te verklaren voorzover zij betrekking heeft op deze vennootschap.
De hogere voorziening van Republica
65 Tot staving van haar hogere voorziening voert Republica één middel aan, namelijk dat het Gerecht in punt 75 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de bestreden verordening genoegzaam is gemotiveerd met betrekking tot de weigering van de Raad om bij de vaststelling van de normale waarde bepaalde compensatieverkopen door Republica buiten beschouwing te laten.
66 Republica is meer bepaald van mening dat zodra wordt aanvaard dat er sprake is van compensatieverkopen" en derhalve van prijzen die worden toegepast tussen belanghebbenden die kennelijk geassocieerd zijn of met elkaar een compensatieregeling hebben getroffen" in de zin van artikel 2, lid 1, derde alinea, van de basisverordening, de Raad deze prijzen niet kan gebruiken om de normale waarde te bepalen, tenzij overeenkomstig deze bepaling wordt aangetoond dat de relatie tussen deze belanghebbenden de prijzen niet heeft beïnvloed. Het Gerecht heeft in punt 74 van het bestreden arrest derhalve ten onrechte vastgesteld dat [...] verzoekster op geen enkele wijze heeft bewezen of aannemelijk heeft gemaakt, dat de compensatieregelingen [...] de in het kader van die transacties toegepaste prijzen hebben beïnvloed [...]"
67 De passage van de bestreden verordening waarop het Gerecht zich baseert, te weten de in punt 19, vijfde alinea, van de considerans van deze verordening geformuleerde stelling dat [...] tijdens het onderzoek [bleek] dat in het gewone handelsverkeer inderdaad verkoop plaatsvond waarbij voor de betaling gebruik werd gemaakt van compensatie", herhaalt slechts de bewoordingen van artikel 2, lid 1, derde alinea, van de basisverordening. Bij gebreke van enige verklaring waarom de Raad heeft gemeend dat de prijzen van die compensatieverkopen door die relatie niet werden beïnvloed, vormt een dergelijke zichzelf rechtvaardigende parafrase geen toereikende motivering.
68 Volgens Republica impliceren de bewoordingen van het genoemde artikel 2, lid 1, derde alinea, immers dat de Raad de wezenlijke elementen, feitelijk of rechtens, betreffende de grondslag voor het opleggen van antidumpingrechten moet onderzoeken, zodat de redenering die tot deze conclusie leidt, in de bestreden verordening had moeten worden opgenomen. Meer in het bijzonder had de Raad nader moeten aangeven waarom de betrokken verkopen inderdaad in het kader van normale handelstransacties hadden plaatsgevonden.
De ontvankelijkheid
69 Volgens de Raad en de Commissie is Republica's hogere voorziening niet-ontvankelijk.
70 Zij betogen in de eerste plaats dat Republica alleen maar de voor het Gerecht aangevoerde argumenten heeft herhaald, zonder enig nauwkeurig bezwaar tegen de door het Gerecht gemaakte juridische beoordelingen te formuleren.
71 Dienaangaande volstaat het vast te stellen dat, zoals uit de punten 65 tot en met 68 van het onderhavige arrest blijkt, Republica overeenkomstig de artikelen 225 EG, 51, eerste alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie, en 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering, duidelijk heeft aangegeven tegen welke onderdelen van het bestreden arrest bezwaar wordt gemaakt en welke argumenten rechtens haar vordering specifiek staven. In dat geval is de omstandigheid dat de door Republica ter ondersteuning van haar middel aangedragen argumenten ook in eerste aanleg zijn voorgedragen, geen grond om ze niet-ontvankelijk te verklaren, zoals in punt 28 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht.
72 In de tweede plaats betoogt de Raad dat, onder het mom van een gestelde onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht inzake de omvang van de motiveringsplicht, Republica in feite aan de bestreden verordening een onjuiste uitlegging of toepassing van artikel 2, lid 1, derde alinea, van de basisverordening verwijt. Daarmee wordt in de hogere voorziening niet zozeer een ontoereikende motivering aan de kaak gesteld, dan wel het feit gehekeld dat de Raad niet heeft aangetoond, zoals hij verplicht was, dat de compensatieverkopen in het kader van normale handelstransacties hadden plaatsgevonden.
73 Aangezien een dergelijk betoog nauw is verbonden met de in de hogere voorziening gerezen vragen over de grond van de zaak, die met name de omvang van de op de Raad rustende motiveringsplicht betreffen, moet het onderzoek ervan met de behandeling ten gronde worden gevoegd.
74 Hieruit volgt dat Republica's hogere voorziening in haar geheel ontvankelijk moet worden verklaard.
Ten gronde
Argumenten van de Raad
75 In de eerste plaats meent de Raad, zoals uit punt 72 van het onderhavige arrest blijkt, dat Republica's hogere voorziening voorbijgaat aan het onderscheid tussen de inhoud van de bestreden verordening en de motivering ervan.
76 In de tweede plaats meent de Raad dat zijn argumenten tegen Petrotubs hogere voorziening, zoals die uit de punten 43 en 45 van het onderhavige arrest blijken, mutatis mutandis eveneens tot afwijzing van Republica's hogere voorziening moeten leiden.
77 Meer bepaald betoogt de Raad dat vermelding van de redenen waarom de door Republica in het kader van compensatieregelingen toegepaste prijzen zijns inziens door deze relatie niet zijn beïnvloed, slechts relevant had kunnen zijn indien Republica haar verzoek in de loop van de administratieve procedure te gelegener tijd had verantwoord. Het staat immers aan de partij waaromtrent het onderzoek wordt gevoerd, de bewijzen te leveren die de omvang van de op de gemeenschapsinstellingen rustende motiveringsplicht kunnen uitbreiden.
78 Volgens de Raad vereiste de motiveringsplicht derhalve niet dat hij nader verklaarde waarom de betrokken verkopen zijns inziens in het kader van normale handelstransacties hadden plaatsgevonden.
Beoordeling door het Hof
79 Om te beginnen moet worden gepreciseerd dat de vraag of de Raad artikel 2, lid 1, derde alinea, van de basisverordening juist heeft toegepast, of de prijzen van de door Republica verrichte compensatieverkopen door deze relatie zijn beïnvloed en of dit kan worden bewezen, en zo ja, bij wie de bewijslast ligt, alsmede de vraag of de Raad in de bestreden verordening terecht heeft aangevoerd dat Republica deze moeilijkheid inzake de toegepaste verkoopprijzen te laat ter sprake heeft gebracht, tot de grond van de zaak behoren en door het Hof in het kader van de onderhavige hogere voorziening niet kunnen worden behandeld.
80 Vastgesteld moet immers worden dat in deze hogere voorziening alleen wordt aangevoerd dat het Gerecht, door de omvang van de op de Raad rustende motiveringsplicht verkeerd te beoordelen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het Hof zich tot het onderzoek van dit middel dient te beperken.
81 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de door artikel 190 van het Verdrag geëiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van het genoemde artikel 190 voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie met name arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink's France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 63 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
82 In casu moet worden beklemtoond dat de bepaling van de normale waarde één van de essentiële stappen is om het bestaan van dumping te kunnen vaststellen.
83 Artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de basisverordening bepaalt dienaangaande dat de normale waarde in de regel is gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald.
84 Artikel 2, lid 1, derde alinea, van de basisverordening bepaalt dat de prijzen die worden toegepast tussen belanghebbenden die kennelijk geassocieerd zijn of met elkaar een compensatieregeling hebben getroffen, niet mogen worden beschouwd als in het kader van normale handelstransacties te zijn toegepast en niet voor de berekening van de normale waarde mogen worden gebruikt, tenzij wordt vastgesteld dat de relatie tussen deze belanghebbenden de prijzen niet heeft beïnvloed.
85 Uit artikel 2, lid 1, eerste en derde alinea, van de basisverordening volgt derhalve dat om de normale waarde te bepalen in beginsel geen rekening mag worden gehouden met de prijzen die worden toegepast tussen belanghebbenden die met elkaar een compensatieregeling hebben getroffen, en dat dit slechts anders ligt indien wordt vastgesteld dat de relatie tussen deze belanghebbenden de prijzen niet heeft beïnvloed.
86 Onder die omstandigheden moet worden aangenomen dat, door in de bestreden verordening alleen te verklaren dat [was gebleken] dat in het gewone handelsverkeer inderdaad verkoop plaatsvond waarbij voor de betaling gebruik [werd] gemaakt van compensatie", de Raad niet aan de vereisten van de motiveringsplicht heeft voldaan.
87 Een dergelijke peremptoire verklaring, waarbij eenvoudig naar de communautaire bepalingen wordt verwezen, bevat immers geen enkel element dat aan de belanghebbenden en de gemeenschapsrechter verduidelijkt waarom de Raad heeft gemeend dat de bij die compensatieverkopen toegepaste prijzen niet door de relatie tussen deze belanghebbenden werd beïnvloed (zie in analoge zin arrest van 1 juli 1986, Usinor/Commissie, 185/85, Jurispr. blz. 2079, punt 21).
88 De belanghebbenden kunnen uit deze verklaring niet opmaken of op goede gronden met deze prijzen uitzonderlijk rekening werd gehouden om de normale waarde te berekenen, dan wel of de wettigheid van de bestreden verordening hierdoor wordt aangetast.
89 Zoals de advocaat-generaal in de punten 99 en 104 van zijn conclusie opmerkt, belet dit totale gebrek aan verklarende elementen ook de gemeenschapsrechter, zijn toezicht uit te oefenen en met name na te gaan of de Raad geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.
90 Onder die omstandigheden is het, zoals de advocaat-generaal in punt 103 van zijn conclusie opmerkt, van geen belang of Republica haar verzoek om voor de bepaling van de normale waarde de bij de compensatieverkopen toegepaste prijzen buiten beschouwing te laten, op een te laat tijdstip in de loop van de voorafgaande procedure heeft geformuleerd.
91 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 75 van het bestreden arrest te oordelen dat de Raad zijn weigering, de compensatieverkopen bij de vaststelling van de normale waarde buiten beschouwing te laten, in de bestreden verordening genoegzaam heeft gemotiveerd door te verklaren dat bleek [...] dat in het gewone handelsverkeer inderdaad verkoop plaatsvond waarbij voor de betaling gebruik wordt gemaakt van compensatie".
92 Derhalve dient het bestreden arrest om die reden te worden vernietigd.
93 Aangezien de zaak in staat van wijzen is, dient overeenkomstig artikel 54, eerste alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie Republica's beroep definitief te worden afgedaan door de bestreden verordening om de in de punten 86 tot en met 90 van het onderhavige arrest vermelde redenen nietig te worden verklaard voorzover zij betrekking heeft op deze vennootschap.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
94 Volgens artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het zelf de zaak afdoet. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dit is gevorderd. Lid 4, eerste alinea, van hetzelfde artikel bepaalt dat de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten dragen.
95 Aangezien de hogere voorzieningen van Petrotub en Republica worden toegewezen en de bestreden verordening nietig wordt verklaard voorzover zij op hen betrekking heeft, moet de Raad, overeenkomstig de vorderingen van rekwiranten, in Petrotubs en Republica's kosten van beide instanties worden verwezen. Voorts moet worden beslist dat de Commissie haar eigen kosten van beide instanties zal dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Vernietigt het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 15 december 1999, Petrotub en Republica/Raad (T-33/98 en T-34/98).
2) Verklaart nietig verordening (EG) nr. 2320/97 van de Raad van 17 november 1997 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal, van oorsprong uit Hongarije, Polen, Rusland, de Tsjechische Republiek, Roemenië en de Slowaakse Republiek, tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1189/93 en tot beëindiging van de procedure met betrekking tot dergelijke invoer van oorsprong uit de Republiek Kroatië, voorzover zij betrekking heeft op Petrotub SA en Republica SA.
3) Verwijst de Raad van de Europese Unie in de kosten die Petrotub SA en Republica SA zijn opgekomen in deze hogere voorziening en in de procedures in eerste aanleg die tot het reeds aangehaalde arrest Petrotub en Republica/Raad hebben geleid.
4) Verstaat dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen haar eigen kosten in deze hogere voorziening en in de procedures in eerste aanleg die tot het reeds aangehaalde arrest Petrotub en Republica/Raad hebben geleid, zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy