Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Handelingen van de instellingen Richtlijnen Uitvoering door lidstaten Noodzaak doeltreffendheid van richtlijnen te verzekeren
(Art. 10, eerste alinea, EG en art. 249, derde alinea, EG)
Samenvatting
$$Volgens artikel 10, eerste alinea, EG treffen de lidstaten alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Tot deze handelingen behoren de richtlijnen die overeenkomstig artikel 249, derde alinea, EG ten aanzien van het te bereiken resultaat verbindend zijn voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd zijn. Dit houdt voor elke lidstaat waarvoor een richtlijn is bestemd, de verplichting in om in het kader van zijn nationale rechtsorde alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van de richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren.
( cf. punt 9 )
Partijen
In zaak C-97/00,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Nolin als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger en S. Pailler als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen mee te delen die nodig zijn om te voldoen aan alle bepalingen van richtlijn 97/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1997 tot wijziging van de richtlijnen 92/50/EEG, 93/36/EEG en 93/37/EEG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, overheidsopdrachten voor leveringen respectievelijk overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB L 328, blz. 1), of niet de maatregelen te nemen die nodig zijn om daaraan te voldoen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: A. La Pergola, kamerpresident, D. A. O. Edward en S. von Bahr (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 december 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 maart 2000, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG het Hof verzocht, vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen mee te delen die nodig zijn om te voldoen aan alle bepalingen van richtlijn 97/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1997 tot wijziging van de richtlijnen 92/50/EEG, 93/36/EEG en 93/37/EEG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, overheidsopdrachten voor leveringen respectievelijk overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB L 328, blz. 1; hierna: richtlijn"), of niet de maatregelen te nemen die nodig zijn om daaraan te voldoen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 4, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn bepaalt, dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 13 oktober 1998 aan deze richtlijn te voldoen en dat zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Daar zij van de Franse regering geen kennisgeving van maatregelen tot omzetting van de richtlijn in nationaal recht ontving en niet beschikte over informatie op grond waarvan zij kon concluderen dat de Franse Republiek de daartoe noodzakelijke maatregelen had genomen, maande de Commissie deze lidstaat bij brief van 18 december 1998 aan, binnen twee maanden haar opmerkingen ter zake te maken.
4 Deze aanmaning werd door de Franse autoriteiten niet beantwoord. De Commissie zond daarom bij brief van 3 september 1999 een met redenen omkleed advies aan de Franse Republiek met het verzoek, daaraan binnen twee maanden na kennisgeving van het advies te voldoen.
5 Bij brief van 6 januari 2000 deelden de Franse autoriteiten de Commissie mee, dat een decreet tot omzetting van de richtlijn in voorbereiding was en dat de tekst ervan weldra zou worden voorgelegd aan de Conseil d'État (Frankrijk). Ook wezen zij erop, dat de richtlijn reeds gedeeltelijk in Frans recht was omgezet door een besluit van de minister van Economische Zaken, Financiën en Industrie van 22 april 1998 tot vaststelling van de drempels waarboven een aankondiging van een opdracht moet worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
6 Daar de Commissie geen informatie ontving waaruit bleek dat het ontwerp-decreet was aangenomen, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
7 In haar verweerschrift betwist de Franse regering de gestelde niet-nakoming niet. Zij verzoekt het Hof evenwel, vast te stellen dat de omzetting van de richtlijn vrijwel een feit is.
8 De Franse regering wijst er daartoe in de eerste plaats op, dat de richtlijn reeds gedeeltelijk was omgezet door het in punt 5 van dit arrest genoemde besluit van 22 april 1998. In de tweede plaats stelt zij, dat een ontwerp-decreet door de bevoegde ministers wordt bestudeerd en zeer binnenkort zal worden voorgelegd aan de Conseil d'État.
9 Volgens artikel 10, eerste alinea, EG treffen de lidstaten alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Tot deze handelingen behoren de richtlijnen die overeenkomstig artikel 249, derde alinea, EG ten aanzien van het te bereiken resultaat verbindend zijn voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd zijn. Dit houdt voor elke staat waarvoor een richtlijn bestemd is, de verplichting in om in het kader van zijn nationale rechtsorde alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van de richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren (zie arrest van 17 juni 1999, Commissie/Italië, C-336/97, Jurispr. blz. I-3771, punt 19).
10 Daar de omzetting van de richtlijn in casu niet binnen de daarin gestelde termijn heeft plaatsgevonden, moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.
11 Derhalve moet worden vastgesteld, dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
12 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 97/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1997 tot wijziging van de richtlijnen 92/50/EEG, 93/36/EEG en 93/37/EEG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, overheidsopdrachten voor leveringen respectievelijk overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, is de Franse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy