Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Vrij verkeer van goederen Kwantitatieve beperkingen Maatregelen van gelijke werking Verbod om bakkerijproducten met hoger zoutgehalte dan 2 % in handel te brengen Ontoelaatbaarheid Rechtvaardiging Bescherming van volksgezondheid Geen
(Art. 28 EG en 30 EG)
2. Vrij verkeer van goederen Kwantitatieve beperkingen Maatregelen van gelijke werking Nationale regeling die reclame verbiedt waarbij aan levensmiddelen bijzondere kenmerken worden toegeschreven hoewel alle soortgelijke producten die kenmerken bezitten Toelaatbaarheid
(Art. 28 EG)
Samenvatting
1. Een wettelijke regeling van een lidstaat, waarbij de verkoop wordt verboden van brood en andere bakkerijproducten waarvan het zoutgehalte ten opzichte van de droge stof hoger is dan de bovengrens van 2 %, en die wordt toegepast op producten die in een andere lidstaat rechtmatig zijn bereid en in de handel gebracht, is te beschouwen als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 28 EG die niet kan worden geacht overeenkomstig artikel 30 EG gerechtvaardigd te zijn uit hoofde van bescherming van de volksgezondheid.
( cf. punt 12, dictum 1 )
2. Artikel 28 EG verzet zich niet tegen een nationale regeling die verbiedt te doen geloven dat een merkproduct bijzondere kenmerken bezit, hoewel alle soortgelijke levensmiddelen dezelfde kenmerken bezitten, voorzover die regeling op correcte wijze uitvoering geeft aan een communautair voorschrift waarbij de nationale regelingen inzake de bescherming van consumenten tegen misleiding door concreet omschreven handelingen worden geharmoniseerd.
( cf. punten 21-22, dictum 2 )
Partijen
In zaak C-123/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), in de aldaar dienende strafzaak tegen
Christina Bellamy
en
English Shop Wholesale SA, civielrechtelijk aansprakelijke partij,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 28 EG en 30 EG,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann (rapporteur), kamerpresident, F. Macken en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
Bellamy, vertegenwoordigd door G. Carnoy, advocaat,
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Shotter en J. Adda als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 januari 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 28 maart 2000, ingekomen bij het Hof op 31 maart daaraanvolgend, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel krachtens artikel 234 EG drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 28 EG en 30 EG.
2 Deze vragen zijn gesteld in een strafzaak tegen Bellamy, die wordt vervolgd wegens overtreding van de nationale regelingen betreffende het in de handel brengen van voedingsmiddelen en de reclame voor voedingsmiddelen.
De nationale regelgeving
3 Artikel 1 van het koninklijk besluit van 2 september 1985 betreffende brood en andere bakkerijproducten (Belgisch Staatsblad van 7 november 1985; hierna: KB van 1985") definieert het brood en de bakkerijproducten die onder de werkingssfeer ervan vallen. In artikel 3 van dat KB wordt gepreciseerd:
De in dit besluit bedoelde waren moeten aan de volgende samenstellingseisen voldoen:
[...]
2° wat de in artikel 1, 1° tot 3° bedoelde waren betreft: het gehalte aan keukenzout, uitgedrukt in natriumchloride, berekend op de droge stof, mag niet hoger zijn dan 2,0 %;
[...]"
4 Artikel 8 van het KB van 1985 bepaalt:
Overtredingen van dit besluit worden opgespoord, vervolgd en gestraft overeenkomstig de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten, voor wat betreft de artikelen 2, 3 en 5 [...]"
5 Artikel 4 van het koninklijk besluit van 17 april 1980 betreffende de reclame voor voedingsmiddelen (Belgisch Staatsblad van 6 mei 1998, hierna: KB van 1980") bepaalt:
In de reclame voor voedingsmiddelen is het verboden:
[...]
2° te doen geloven dat het merkproduct bijzondere eigenschappen bezit, alhoewel alle soortgelijke voedingsmiddelen dezelfde eigenschappen bezitten;
[...]"
6 Artikel 5 van het KB van 1980 luidt als volgt:
In iedere reclameboodschap voor voedingsmiddelen moet op een duidelijke wijze een eventueel in wettelijke of reglementaire bepalingen vastgestelde benaming van de waar gebruikt worden, indien het weglaten van die benaming de verbruiker zou kunnen misleiden in verband met de aard van het voedingsmiddel."
Het hoofdgeding
7 De vennootschap NV English Shop Wholesale (hierna: ESW"), gevestigd te Anderlecht (België), voert voedingsmiddelen in uit het Verenigd Koninkrijk, die in België worden verkocht aan een klantenkring bestaande uit Europese ambtenaren.
8 Bellamy, exploitante van ESW, is door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel bij verstekvonnis van 9 december 1998 onder meer veroordeeld ter zake dat zij in strijd met de koninklijke besluiten van 1980 en 1985
brood heeft verkocht met een zoutgehalte van 2,88 %,
door de vermelding dat een product in casu melk geen additieven of conserveringsmiddelen bevat, heeft doen geloven dat een merkproduct bijzondere eigenschappen bezit, hoewel alle soortgelijke voedingsmiddelen dezelfde eigenschappen bezitten, en
in de reclameboodschap voor een voedingsmiddel, door het als gepasteuriseerde verse volle melk aan te duiden", de benaming van het voedingsmiddel niet duidelijk heeft aangegeven, zodat de consument wordt misleid ten aanzien van de aard van het voedingsmiddel".
9 Bellamy heeft tegen dit verstekvonnis verzet gedaan, stellende dat de nationale bepalingen op grond waarvan zij wordt vervolgd, in strijd zijn met artikel 28 EG. Daarop heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
1) Zijn de artikelen 1, punt 3, en 8 van het [koninklijk besluit] van 2 september 1985 betreffende brood en andere bakkerijproducten, en artikel 14 van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten, in zoverre zij verbieden brood in de handel te brengen waarvan het gehalte aan keukenzout, uitgedrukt in natriumchloride en berekend op de droge stof, meer dan 2 % bedraagt, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 28 [EG] en kunnen zij gerechtvaardigd zijn in de zin van artikel 30 [EG]?
2) Zijn de artikelen 1, punt 3, en 8 van het koninklijk besluit van 2 september 1985 betreffende brood en andere bakkerijproducten, en artikel 14 van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 28 [EG] en kunnen zij gerechtvaardigd zijn in de zin van artikel 30 [EG]?
3) Zijn de artikelen 4, punt 2, en 5 van het [koninklijk besluit] van 17 april 1980 betreffende de reclame voor voedingsmiddelen, en artikel 14 van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 28 [EG] en kunnen zij gerechtvaardigd zijn in de zin van artikel 30 [EG]?"
De prejudiciële vragen
De eerste vraag
10 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 28 EG zich verzet tegen een nationale regeling als artikel 3, punt 2, van het KB van 1985 en, zo ja, of een dergelijke regeling op grond van artikel 30 EG gerechtvaardigd kan zijn.
11 Reeds eerder is door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België) in een geding betreffende de toepassing van dezelfde nationale regeling op in een andere lidstaat rechtmatig vervaardigd brood een prejudiciële vraag aan het Hof gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 30 EG). In zijn arrest van 14 juli 1994, Van der Veldt (C-17/93, Jurispr. blz. I-3537) heeft het Hof derhalve reeds onderzocht, of deze artikelen zich verzetten tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding aan de orde is.
12 Aangezien in de onderhavige zaak niets is aangevoerd op grond waarvan het antwoord van het Hof in de voormelde zaak Van der Veldt zou moeten worden herzien, dient in dezelfde zin te worden beslist en dient op de eerste vraag te worden geantwoord als volgt:
een wettelijke regeling van een lidstaat, waarbij de verkoop wordt verboden van brood en andere bakkerijproducten waarvan het zoutgehalte ten opzichte van de droge stof hoger is dan de bovengrens van 2 %, en die wordt toegepast op producten die in een andere lidstaat rechtmatig zijn bereid en in de handel gebracht, is te beschouwen als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 28 EG;
een dergelijke regeling kan de handel tussen lidstaten belemmeren en kan niet worden geacht overeenkomstig artikel 30 EG te zijn gerechtvaardigd uit hoofde van bescherming van de volksgezondheid.
De tweede vraag
13 Gelet op het antwoord op de eerste vraag en aangezien de verwijzende rechter het Hof niet heeft uitgelegd in hoeverre deze vraag verschilt van de eerste, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
De derde vraag
14 Met het eerste deel van zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 28 EG zich verzet tegen een nationale regeling als die van artikel 4, punt 2, van het KB van 1980, die verbiedt te doen geloven dat een merkproduct bijzondere eigenschappen bezit, hoewel alle soortgelijke levensmiddelen dezelfde eigenschappen bezitten, en, zo ja, of een dergelijke regeling op grond van artikel 30 EG gerechtvaardigd kan zijn.
15 Artikel 4, punt 2, van het KB van 1980 is in het hoofdgeding toegepast op een situatie waarin een merkproduct, te weten melk, is voorgesteld als een product zonder additieven of conserveringsmiddelen.
16 Bellamy betoogt, dat melk een gangbaar verbruiksgoed is waarvan de verbruikers de eigenschappen en kwaliteiten perfect kennen, zodat het gevaar dat een normaal oplettend verbruiker wordt misleid, zo goed als onbestaand is.
17 Volgens de Commissie gaat het bij de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, om een uitvoeringsregeling van artikel 2, lid 1, sub a-iii, van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1), zodat artikel 28 EG niet in de weg staat aan die nationale regeling.
18 Dienaangaande zij opgemerkt, dat belemmeringen van het vrije goederenverkeer die, bij gebreke van harmonisatie van de wettelijke regelingen, voortvloeien uit de toepassing op goederen uit andere lidstaten, waar zij rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht, van voorschriften betreffende de voorwaarden waaraan die goederen moeten voldoen (zoals voorschriften met betrekking tot hun benaming, vorm, afmetingen, gewicht, samenstelling, aanbiedingsvorm, etikettering of verpakking), zijn aan te merken als door artikel 28 EG verboden maatregelen van gelijke werking, ook indien die voorschriften zonder onderscheid op alle producten van toepassing zijn, wanneer die toepassing niet kan worden gerechtvaardigd door een doel van algemeen belang, dat zou moeten voorgaan boven de eisen van het vrije goederenverkeer (zie, onder meer, arresten van 20 februari 1979, Rewe-Zentral, genoemd Cassis de Dijon", 120/78, Jurispr. blz. 649, punt 14, en 9 februari 1999, Van der Laan, C-383/97, Jurispr. blz. I-731, punt 19).
19 De Commissie wijst er terecht op, dat de communautaire wetgever op het gebied dat wordt bestreken door de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, een richtlijn tot harmonisatie van de nationale regelingen heeft vastgesteld. Richtlijn 79/112 strekt immers tot onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker, en dit met het oog op voorlichting en bescherming van de verbruikers.
20 In artikel 2, lid 1, sub a, van die richtlijn is bepaald:
De etikettering en de wijze waarop deze is uitgevoerd:
a) mogen de koper niet kunnen misleiden, onder meer:
[...]
iii) door hem te suggereren dat het levensmiddel bijzondere kenmerken vertoont, hoewel alle soortgelijke levensmiddelen dezelfde kenmerken bezitten".
21 Zoals de Commissie heeft opgemerkt, vormt een nationale bepaling die op correcte wijze uitvoering geeft aan een communautair voorschrift waarbij de nationale regelingen inzake de bescherming van consumenten tegen misleiding door concreet omschreven handelingen worden geharmoniseerd, geen met artikel 28 EG onverenigbare belemmering van het vrije verkeer.
22 Bijgevolg moet op het eerste deel van de derde vraag worden geantwoord, dat artikel 28 EG zich niet verzet tegen een nationale regeling die verbiedt te doen geloven dat een merkproduct bijzondere kenmerken bezit, hoewel alle soortgelijke levensmiddelen dezelfde kenmerken bezitten.
23 Met het tweede deel van zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 28 EG zich verzet tegen een nationale regeling als artikel 5 van het KB van 1980, volgens welke in iedere reclameboodschap voor voedingsmiddelen op een duidelijke wijze een eventueel in wettelijke of reglementaire bepalingen vastgestelde benaming van de waar gebruikt moet worden, indien het weglaten van die benaming de verbruiker zou kunnen misleiden, en, zo ja, of een dergelijke regeling op grond van artikel 30 EG gerechtvaardigd kan zijn.
24 Hierbij moet worden opgemerkt, dat het Hof in het kader van een prejudiciële vraag slechts tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht kan komen, indien de verwijzingsbeslissing informatie bevat over de feitelijke omstandigheden waarin de litigieuze nationale regel is of moet worden toegepast (zie, in die zin, arrest van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a., C-320/90C-322/90, Jurispr. blz. I-393, punt 6).
25 In casu heeft de verwijzende rechter enkel vermeld, dat de in het hoofdgeding betrokken nationale regeling wordt toegepast in een strafzaak waarin Bellamy wordt vervolgd ter zake dat zij in de reclameboodschap voor het product, door het als gepasteuriseerde verse volle melk aan te duiden, de benaming van het voedingsmiddel niet duidelijk heeft aangegeven, zodat zij de consument heeft misleid ten aanzien van de aard van het voedingsmiddel".
26 Deze omschrijving van de aan Bellamy ten laste gelegde overtreding geeft het Hof verre van voldoende informatie om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te kunnen geven. Er wordt immers niet gepreciseerd, of de betrokken reclameboodschap op de verpakking van het product voorkomt en welke weglating Bellamy concreet wordt verweten. In zoverre is van belang, dat de twee interveniënten voor het Hof een verschillende interpretatie geven van dat laatste aspect. Bellamy verklaart immers, dat zij wordt vervolgd omdat zij de benaming gepasteuriseerde verse volle melk" heeft gebruikt en aldus de indruk heeft gewekt dat het verse melk betrof, hoewel ze gepasteuriseerd was, terwijl volgens de Commissie haar het gebruik van de benaming Breakfast Milk" en het weglaten van de wettelijke benaming gepasteuriseerde verse volle melk" wordt verweten.
27 In die omstandigheden kan het Hof geen nuttig antwoord op het tweede deel van de derde vraag geven.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel bij vonnis van 28 maart 2000 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Een wettelijke regeling van een lidstaat, waarbij de verkoop wordt verboden van brood en andere bakkerijproducten waarvan het zoutgehalte ten opzichte van de droge stof hoger is dan de bovengrens van 2 %, en die wordt toegepast op producten die in een andere lidstaat rechtmatig zijn bereid en in de handel gebracht, is te beschouwen als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 28 EG.
Een dergelijke regeling kan de handel tussen lidstaten belemmeren en kan niet worden geacht overeenkomstig artikel 30 EG te zijn gerechtvaardigd uit hoofde van bescherming van de volksgezondheid.
2) Artikel 28 EG verzet zich niet tegen een nationale regeling die verbiedt te doen geloven dat een merkproduct bijzondere kenmerken bezit, hoewel alle soortgelijke levensmiddelen dezelfde kenmerken bezitten.
Full & Egal Universal Law Academy