Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale politiek - Bescherming van veiligheid en gezondheid van werknemers - Richtlijn 93/104 betreffende aantal aspecten van organisatie van arbeidstijd - Werkingssfeer - Werknemers in sector wegvervoer - Daarvan uitgesloten - Strekking
(Richtlijn 93/104 van de Raad, art. 1, lid 3)
Samenvatting
$$Artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, moet aldus worden uitgelegd dat alle werknemers in de wegvervoerssector, met inbegrip van het kantoorpersoneel, buiten de werkingssfeer van genoemde richtlijn vallen.
( cf. punt 44 en dictum )
Partijen
In zaak C-133/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Employment Appeal Tribunal, London (Verenigd Koninkrijk), in het aldaar aanhangige geding tussen
J. R. Bowden,
J. L. Chapman,
J. J. Doyle
en
Tuffnells Parcels Express Ltd,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 307, blz. 18),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet (rapporteur), kamerpresident, P. Jann en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: L. Hewlett, administrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Bowden, Chapman en Doyle, vertegenwoordigd door T. Linden, barrister, gemachtigd door Pattinson & Brewer, solicitors,
- Tuffnells Parcels Express Ltd, vertegenwoordigd door D. Brown, barrister, gemachtigd door Chapman & Chubb, solicitors,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door G. Amodeo van het Treasury Solicitor's Department, bijgestaan door C. Lewis, barrister,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Sack en N. Yerrell als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Bowden, Chapman en Doyle; Tuffnells Parcels Express Ltd; de regering van het Verenigd Koninkrijk, en de Commissie ter terechtzitting van 15 februari 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 mei 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 6 april 2000, ingekomen bij het Hof op 10 april daaraanvolgend, heeft het Employment Appeal Tribunal, London, krachtens artikel 234 EG vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 307, blz. 18; hierna: richtlijn").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen J. R. Bowden, J. L. Chapman en J. J. Doyle en Tuffnells Parcels Express Ltd (hierna: Tuffnells"), waarbij zij in deeltijd werken, in verband met de weigering van laatstgenoemde om hun jaarlijks vakantie met behoud van loon toe te kennen.
Juridische context
Het gemeenschapsrecht
3 De richtlijn heeft, zoals blijkt uit artikel 1, tot doel minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd te bepalen.
4 In artikel 7 van de richtlijn is over de jaarlijkse vakantie het volgende bepaald:
1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.
2. De minimumperiode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan niet door een financiële vergoeding worden vervangen, behalve in geval van beëindiging van het dienstverband."
5 Artikel 1, lid 3, van de richtlijn luidt:
Onverminderd artikel 17 is deze richtlijn van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren in de zin van artikel 2 van richtlijn 89/391/EEG [van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB L 183, blz. 1)], met uitzondering van het weg-, lucht-, zee- en spoorwegvervoer, de binnenvaart, de zeevisserij, andere activiteiten op zee, alsmede de activiteiten van artsen in opleiding."
6 Op grond van artikel 2 van richtlijn 89/391 is deze richtlijn in het algemeen van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren (industriële, landbouw-, handels-, administratieve, dienstverlenende, educatieve, culturele, vrijetijdsactiviteiten, enz.)".
7 Op grond van artikel 17, lid 1, van de richtlijn kunnen de lidstaten afwijken van een aantal artikelen wanneer de duur van de arbeidstijd wegens de bijzondere kenmerken van de verrichte werkzaamheid niet wordt gemeten en/of vooraf bepaald, of door de werknemers zelf kan worden bepaald". Lid 2.1, sub c-ii, van deze bepaling noemt met name haven- en luchthavenpersoneel". Deze afwijkingsbevoegdheid betreft echter niet het recht op jaarlijkse vakantie als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn.
8 Bij richtlijn 2000/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 2000 tot wijziging van richtlijn 93/104 (PB L 195, blz. 41), is artikel 1, lid 3, van de richtlijn vervangen door de volgende tekst:
Onverminderd de artikelen 14 en 17 is deze richtlijn van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren in de zin van artikel 2 van richtlijn 89/391/EEG van de Raad."
9 De derde overweging van de considerans van richtlijn 2000/34 luidt:
Het weg- [...] vervoer [...] [is] uitgesloten van de werkingssfeer van richtlijn 93/104/EG."
10 De vijfde overweging van de considerans van genoemde richtlijn luidt:
De gezondheid en de veiligheid van werknemers op de werkplek dient te worden beschermd, niet omdat zij in een specifieke sector werken of een specifieke activiteit uitvoeren, maar omdat zij werknemers zijn."
11 In de elfde overweging van de considerans van deze richtlijn wordt onder meer gezegd dat voor alle werknemers [...] passende rusttijden [moeten] gelden."
12 Artikel 17 bis van de richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 2000/34, bevat bijzondere en afwijkende bepalingen voor mobiele werknemers. In artikel 2, lid 7, van de gewijzigde richtlijn worden zij gedefinieerd als werknemers die als lid van het rijdend, varend of vliegend personeel in dienst [zijn] van een bedrijf dat diensten verricht voor het vervoer van passagiers of goederen over de weg, in de lucht of in de binnenvaart".
13 Richtlijn 2000/34 is overeenkomstig artikel 5 in werking getreden op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, namelijk 1 augustus 2000. Volgens artikel 2, lid 1, doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 augustus 2003 aan deze richtlijn te voldoen. Met betrekking tot artsen in opleiding is de datum vastgesteld op 1 augustus 2004.
Het nationale recht
14 De Working Time Regulations 1998 (arbeidstijdenverordening; hierna: WTR"), die tot doel heeft de richtlijn in het nationale recht van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland om te zetten, is op 1 oktober 1998 in werking getreden.
15 Het recht op jaarlijkse betaalde vakantie en de voorwaarden voor de uitoefening ervan zijn geregeld in de Regulations 13 en 16 WTR.
16 Regulation 18 WTR bepaalt echter dat de Regulations 13 en 16 niet van toepassing zijn:
(a) op de volgende sectoren:
(i) lucht-, zee-, spoorweg- en wegvervoer en de zee- en binnenvaart".
17 Het begrip sectoren" wordt in de WTR niet gedefinieerd. In Regulation 2 is echter bepaald:
Bij gebreke van een definitie in deze Regulations hebben de woorden en uitdrukkingen die in bijzondere bepalingen worden gebruikt en die ook in de overeenkomstige bepalingen van de arbeidstijdenrichtlijn [...] voorkomen, dezelfde betekenis als in deze overeenkomstige bepalingen."
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
18 Tuffnells exploiteert een omvangrijke besteldienst voor pakketten in het Verenigd Koninkrijk. Verzoeksters in het hoofdgeding zijn als administratief medewerkster in deeltijd werkzaam in een van de vele vestigingen van Tuffnells. Bowden ontvangt en sorteert vrachtbrieven in een kantoor boven een laadplatform; Chapman en Doyle voeren gegevens van die vrachtbrieven in een computer in. De chauffeurs hebben geen toegang tot de kantoren en de drie betrokken werkneemsters hebben geen contact met hen. Op grond van hun arbeidsovereenkomst mogen zij niet voor eigenlijke vervoerswerkzaamheden worden ingezet.
19 In tegenstelling tot hun voltijds werkende collega's hebben verzoeksters in het hoofdgeding op grond van hun arbeidsovereenkomst geen recht op betaalde vakantie; zij mogen echter wel onbetaald verlof opnemen.
20 Na de inwerkingtreding van de WTR hebben verzoeksters in het hoofdgeding aanspraak gemaakt op jaarlijkse betaalde vakantie. Toen Tuffnells hun dit weigerde, hebben zij een vordering ingesteld bij het Employment Tribunal (Verenigd Koninkrijk) dat bij vonnis van 31 maart 1999 heeft beslist, dat zij zich niet op Regulation 13 van de WTR kunnen beroepen omdat zij werkzaam zijn in de wegvervoerssector, die op grond van Regulation 18 van de WTR buiten de werkingssfeer van deze bepalingen valt.
21 Vervolgens hebben verzoeksters in het hoofdgeding hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.
22 In zijn verwijzingsbeschikking zet het Employment Appeal Tribunal, London, de moeilijkheden uiteen die de uitlegging van het begrip sector" in de zin van artikel 1, lid 3, van de richtlijn, in het bijzonder in verband met het vervoer, oproepen.
23 De opmerking in de zestiende overweging van de considerans van de richtlijn, dat het vanwege de specifieke aard van de arbeid nodig kan zijn afzonderlijke maatregelen te treffen voor de aanpassing van de arbeidstijd in bepaalde sectoren of voor bepaalde activiteiten die buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen", levert zijns inziens geen bruikbaar aanknopingspunt op voor de uitlegging van artikel 1, lid 3, van de richtlijn. Bij een letterlijke uitlegging van deze bepaling is de richtlijn namelijk op geen van de werknemers in de betrokken sector toepasselijk en zou dus een aanzienlijk aantal werknemers onder andere geen recht op de daarin voorziene jaarlijkse betaalde vakantie hebben. Deze uitsluiting is in strijd met het algemene doel van deze richtlijn. In de vierde overweging van de considerans wordt namelijk verwezen naar het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden, dat op 9 december 1989 is aangenomen, en met name naar de paragrafen 8 en 19, eerste alinea, die luiden als volgt:
8. Alle werkenden in de Europese Gemeenschap hebben recht op een wekelijkse rusttijd en een jaarlijkse vakantie met behoud van loon, waarvan de duur onderling in opwaartse zin moet worden aangepast, overeenkomstig de nationale gebruiken.
[...]
19. Aan alle werkenden moeten in hun arbeidsmilieu bevredigende voorwaarden worden geboden ten aanzien van de bescherming van hun gezondheid en hun veiligheid. Er dienen adequate maatregelen te worden getroffen om de situatie op dit gebied verder in opwaartse zin te harmoniseren."
24 De verwijzende rechter voegt hieraan toe, dat voor deze uitsluiting geen economische, wetenschappelijke, politieke of sociale rechtvaardiging bestaat.
25 Hij wijst echter op een aantal documenten daterend van na de goedkeuring van de richtlijn - met name het Witboek van de Commissie van 15 juli 1997 over de van de richtlijn betreffende de arbeidstijd uitgesloten sectoren en activiteiten [COM(97) 334 def.], een advies van het Economisch en Sociaal Comité van 26 maart 1998 en een resolutie van het Europees Parlement van 2 juli 1998 - waarin de ongedifferentieerde uitsluiting van alle werknemers in de wegvervoerssector door de richtlijn unaniem wordt betreurd. De Commissie had in de zesde overweging van de considerans van haar voorstel voor richtlijn van de Raad (1999/C 43/01) tot wijziging van richtlijn 93/104 (PB 1999, C 43, blz. 1), dat heeft geresulteerd in richtlijn 2000/34, voorgesteld de richtlijn toe te passen op de niet-mobiele werknemers in de thans uitgesloten sectoren en activiteiten". De Raad heeft in zijn gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 33/1999 van 12 juli 1999 met het oog op de aanneming van richtlijn 2000/34 (PB C 249, blz. 17), evenwel iedere verwijzing naar de vervoerssector in artikel 1, lid 3, van de richtlijn geschrapt.
26 Uit deze documenten blijkt dat de niet-mobiele" werknemers in de wegvervoerssector ten tijde van de feiten van het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van de richtlijn vielen en dat een formele wijziging van deze richtlijn nodig zou zijn geweest om hen er binnen te laten vallen.
27 Op grond van deze overwegingen heeft het Employment Appeal Tribunal, London, besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en de volgende prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen:
1) In aanmerking genomen dat de weloverwogen opvatting van bevoegde instanties, dat een wettelijke bepaling eerst moet worden gewijzigd alvorens zij een bepaald effect kan hebben, waarschijnlijk enkel verenigbaar is met de opvatting dat de bepaling vóór de wijziging ervan dat effect niet heeft, en mede gelet op de eerder uiteengezette standpunten van het Economisch en Sociaal Comité, het Europees Parlement en de Commissie, en op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met betrekking tot de uitzonderingen op artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104/EG, waaruit blijkt dat tot dusver eenieder die in de wegvervoerssector werkzaam is, van de voordelen van de richtlijn is uitgesloten, doch dat deze uitsluiting volledig ongerechtvaardigd was en is, in hoeverre kan, zo dit al mag, uit dergelijke rechtskrachtloze bronnen worden afgeleid dat:
a) tot dusver de juiste uitlegging van de bewoordingen van artikel 1, lid 3, is, dat al die personen zijn uitgesloten, of
b) dat een dergelijke uitlegging geen billijke en doelmatige uitlegging van het artikel vormt?
2) Ongeacht het antwoord op de eerste vraag, wanneer wij in het kader van de uitlegging van de nationale wettelijke bepalingen uitgaande van de bewoordingen en de doelstellingen van de richtlijn stuiten op een ons inziens ruim doel (alle werkenden in de Europese Gemeenschap hebben recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon"), maar in dezelfde bepaling ook op de - niet minder expliciete - passage [is [...] van toepassing op alle [...] sectoren [...], met uitzondering van het wegvervoer"], die dit ruime doel in sterke mate teniet blijkt te doen, althans in de onderhavige feitelijke situatie, kunnen wij onze nationale regelingen dan zodanig op de feiten van de onderhavige zaak toepassen (en zo ja, op grond van welke beginselen), dat dit ruime doel wordt bereikt niettegenstaande de duidelijke formulering die dit voor deze feiten uitsluit?
3) Zijn, om het minder abstract te stellen, alle werknemers in de wegvervoerssector als bedoeld in artikel 1, lid 3, noodzakelijkerwijs van de werkingssfeer van richtlijn 93/104 uitgesloten?
4) Indien die werknemers niet noodzakelijkerwijs allen zijn uitgesloten, welke criteria moet de nationale rechter dan toepassen om te bepalen welke werknemers in de wegvervoerssector door artikel 1, lid 3, worden uitgesloten en welke niet?
28 Vooraf zij opgemerkt, dat de prejudiciële vragen uitsluitend de werkingssfeer van de richtlijn betreffen. De verwijzende rechter stelt het Hof geen vragen over de draagwijdte van het verbod op indirecte discriminatie tussen mannen en vrouwen inzake arbeidsvoorwaarden, bepaald in richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40), in verband met het in het hoofdgeding geconstateerde verschil in behandeling met betrekking tot het recht op jaarlijkse betaalde vakantie tussen deeltijdwerkers, die dit recht niet hebben, en voltijdwerkers, die het wel hebben, indien mocht blijken dat een aanzienlijk lager percentage vrouwen dan mannen voltijds werkt (zie in dit verband arrest van 6 februari 1996, Lewark, C-547/93, Jurispr. blz. I-243, punt 28).
29 Met deze vragen, die tezamen dienen te worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 1, lid 3, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat alle werknemers in de wegvervoerssector, met inbegrip van het kantoorpersoneel, buiten de werkingssfeer van de richtlijn vallen en, in geval van een ontkennend antwoord, aan de hand van welke criteria moet worden bepaald op welke categorie werknemers de richtlijn niet van toepassing is.
30 Verzoeksters in het hoofdgeding betogen dat de richtlijn moet worden uitgelegd aan de hand van de sociale doelstelling ervan, die niet toelaat dat alle werknemers in de wegvervoerssector worden uitgesloten van de door de richtlijn geboden bescherming. De wijzigingen die bij richtlijn 2000/34 na de feiten van het hoofdgeding zijn aangebracht, en de voorstukken bij laatstgenoemde richtlijn zijn niet van belang voor de uitlegging van de richtlijn, aangezien deze wijzigingen door de communautaire wetgever kunnen zijn bedoeld om de draagwijdte van de toepasselijke bepalingen te verduidelijken, niet om ze te wijzigen.
31 Volgens verzoeksters in het hoofdgeding moet voor het bepalen van de omvang van de uitsluiting van de wegvervoerssector worden gekeken naar de specifieke aard van de werkzaamheden van de betrokken werknemers, en niet naar die van de werkgever. De formulering van artikel 1, lid 3, van de richtlijn pleit voor die uitlegging, aangezien hierin de uitdrukking activiteitensector" [Nvdv: In de Engelse tekst van de richtlijn wordt de uitdrukking sectors of activity" gebruikt, in de Nederlandse tekst slechts de term sectoren".] in plaats van de term sector" wordt gebruikt, waardoor de nadruk meer wordt gelegd op de werkzaamheden die worden verricht, dan op de sector waarin de werkgever actief is.
32 Zo gezien vallen alleen werknemers wier werkzaamheden rechtstreeks met de vervoersactiviteiten verband houden, buiten de werkingssfeer van de richtlijn. De uitsluiting zou dan niet voor het kantoorpersoneel gelden.
33 Bovendien wijzen verzoeksters in het hoofdgeding ter ondersteuning van hun uitlegging op artikel 17, lid 2, van de richtlijn, op grond waarvan de lidstaten van een aantal richtlijnbepalingen kunnen afwijken wegens de bijzondere kenmerken van de verrichte werkzaamheden, mits de betrokken werknemers gelijkwaardige compenserende rusttijden worden geboden of, indien dit op objectieve gronden niet mogelijk is, een passende bescherming. In lid 2.1, sub c-ii, van dit artikel worden in dit kader onder meer werkzaamheden genoemd waarbij de continuïteit van de dienst of de productie moet worden gewaarborgd, en wordt met name het haven- en luchthavenpersoneel" vermeld. Dit duidt erop, dat de richtlijn van toepassing is op degenen die op die plaatsen werken, zelfs indien zij werkzaam zijn in de zee- of luchtvaartsector, die onder artikel 1, lid 3, van de richtlijn vallen, en dat daarom binnen de bedoelde sector een onderscheid moet worden gemaakt naar gelang van de specifieke werkzaamheden van het betrokken personeel.
34 Tuffnells, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie betogen daarentegen, dat alle werknemers in de wegvervoerssector buiten de werkingssfeer van de richtlijn vallen.
35 Zij baseren deze opvatting op de formulering van artikel 1, lid 3, van de richtlijn, in samenhang met de zestiende overweging van de considerans ervan, volgens welke het nodig kan zijn aanvullende communautaire bepalingen te treffen in bepaalde sectoren, en op totstandkomingsgeschiedenis van de richtlijn zelf. De Commissie wijst er in dit verband op, dat in haar eerste richtlijnvoorstel van 20 september 1990 [COM(90) 317 def., PB C 254, blz. 4] geen sprake was van uitsluiting van sectoren, maar alleen van uitzonderingen op basis van de specifieke aard van de betrokken werkzaamheden; tijdens de behandeling van het voorstel door de Raad was voorgesteld om een onderscheid aan te brengen tussen de mobiele werknemers in de vervoerssector, die van de werkingssfeer van de richtlijn zouden worden uitgesloten, en de niet-mobiele werknemers, voor wie de door deze richtlijn geboden bescherming wel zou gelden. De communautaire wetgever is echter bewust van deze benadering op basis van de aard van de werkzaamheden afgeweken door hele sectoren van de werkingssfeer van de richtlijn uit te sluiten. In een verklaring, opgenomen in de notulen van de vergadering van de Raad van 23 november 1993, heeft de Commissie haar voornemen uitgesproken om zo spoedig mogelijk voorstellen in te dienen over de uit te sluiten sectoren en werkzaamheden aan de hand van hun specifieke kenmerken. In haar Witboek van 15 juli 1997, en met name in punt 91 ervan, heeft zij na een evaluatie van de specifieke kenmerken en problemen van elke sector dit voornemen herhaald.
36 De letterlijke uitlegging van artikel 1, lid 3, van de richtlijn wordt volgens de Commissie bevestigd door het feit dat de in deze richtlijn voorziene bescherming door richtlijn 2000/34 is uitgebreid tot alle werknemers in voorheen uitgesloten sectoren, afgezien van de bijzondere bepalingen voor mobiele werknemers in de zin van artikel 2, lid 7, van de richtlijn zoals gewijzigd bij richtlijn 2000/34.
37 In zoverre is van belang, dat de richtlijn - zoals blijkt uit de artikelen 1, lid 1, en 15 - slechts minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd bevat, doch de lidstaten vrijlaat om verdergaande maatregelen ter bescherming van werknemers te nemen.
38 Op grond van artikel 1, lid 3, van de richtlijn is deze van toepassing op alle [...] sectoren [...] met uitzondering van het weg-, lucht-, zee- en spoorwegvervoer, de binnenvaart, de zeevisserij, andere activiteiten op zee, alsmede de activiteiten van artsen in opleiding".
39 Vastgesteld moet worden, dat de communautaire wetgever met het weg-, lucht-, zee- en spoorwegvervoer [en] de binnenvaart" deze sectoren in hun geheel heeft bedoeld, terwijl hij met andere activiteiten op zee" en activiteiten van artsen in opleiding" juist naar deze specifieke activiteiten als zodanig heeft willen verwijzen. De uitsluiting van de wegvervoerssector is dus voor alle werknemers in deze sector bedoeld.
40 Anders dan verzoeksters in het hoofdgeding beweren, verzet artikel 17, lid 2.1, sub c-ii, van de richtlijn zich niet tegen deze uitlegging. Zoals de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie stelt, betreft deze bepaling - die niet als doel heeft de werkingssfeer van de richtlijn zoals vastgelegd in artikel 1, lid 3, uit te breiden - juist de werknemers die buiten de zee- of luchtvaartsector vallen hoewel zij in een haven of op een vliegveld werken, zoals restaurant- en winkelpersoneel, kruiers en dokwerkers.
41 De communautaire wetgever is zich bewust geweest van de beperkingen van het in 1993 ingevoerde beschermingsstelsel. In de zestiende overweging van de considerans van de richtlijn wordt immers vermeld, dat het vanwege de specifieke aard van de arbeid nodig kan zijn afzonderlijke maatregelen te treffen voor de aanpassing van de arbeidstijd in bepaalde sectoren of voor bepaalde activiteiten die buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen".
42 Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de richtlijn, waarnaar in punt 35 van dit arrest wordt verwezen, blijkt dat de Raad er bewust voor heeft gekozen om - in afwijking van de alternatieve voorstellen van de Commissie - alle werknemers in de betrokken sectoren uit te sluiten van de werkingssfeer van de richtlijn.
43 Daarom zijn de bij richtlijn 2000/34 in de richtlijn aangebrachte wijzigingen, met name wat het toepassingsgebied ervan betreft - zoals ook blijkt uit de derde overweging van de considerans, en in tegenstelling tot hetgeen verzoeksters in het hoofdgeding betogen - niet louter verklarend van aard.
44 Uit een en ander volgt, dat op de gestelde vragen moet worden geantwoord, dat artikel 1, lid 3, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat alle werknemers in de wegvervoerssector, met inbegrip van het kantoorpersoneel, buiten de werkingssfeer van de richtlijn vallen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
45 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Employment Appeal Tribunal, London, bij beschikking van 6 april 2000 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd moet aldus worden uitgelegd, dat alle werknemers in de wegvervoerssector, met inbegrip van het kantoorpersoneel, buiten de werkingssfeer van genoemde richtlijn vallen.
Full & Egal Universal Law Academy