Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Harmonisatie van wetgevingen - Maatregelen ter verwezenlijking van interne markt en inzake werking ervan - Rechtsgrondslag - Artikel 100 van Verdrag (thans artikel 94 EG) - Bevoegdheid van lidstaten om van communautaire harmonisatiemaatregelen afwijkende nationale bepalingen te handhaven of in te voeren - Geen
[EEG-Verdrag, art. 100 (na wijziging, art. 100 EG-Verdrag, inmiddels art. 94 EG); EG-Verdrag, art. 100 A (thans, na wijziging, art. 95 EG)]
2. Harmonisatie van wetgevingen - Maatregelen ter verwezenlijking van interne markt en inzake werking ervan - Richtlijnen die bij inwerkingtreding van artikel 153 EG reeds waren vastgesteld - Bevoegdheid van lidstaten om op basis van artikel 153 EG striktere maatregelen ter bescherming van consument te handhaven of in te voeren - Geen invloed
(Art. 94 EG, 95 EG en 153 EG)
3. Harmonisatie van wetgevingen - Aansprakelijkheid voor producten met gebreken - Richtlijn 85/374 - Beoordelingsmarge van lidstaten - Mate van harmonisatie door richtlijn
(Richtlijn 85/374 van de Raad)
4. Harmonisatie van wetgevingen - Aansprakelijkheid voor producten met gebreken - Richtlijn 85/374 - Mogelijkheid om algemeen stelsel van aansprakelijkheid voor producten met gebreken te handhaven dat verschilt van stelsel van richtlijn - Geen
(Richtlijn 85/374 van de Raad, art. 13)
5. Beroep wegens niet-nakoming - Niet-nakoming van uit richtlijn voortvloeiende verplichtingen - Verweermiddelen - Betwisting van wettigheid van beschikkingen - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 226 EG, 227 EG, 230 EG en 232 EG)
6. Harmonisatie van wetgevingen - Aansprakelijkheid voor producten met gebreken - Richtlijn 85/374 - Werkingssfeer - Verschillende aansprakelijkheidsstelsels voor producenten en gelaedeerden - Rechtvaardiging
(Richtlijn 85/374 van de Raad, art. 9, eerste alinea, sub b)
Samenvatting
1. Anders dan artikel 100 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 95 EG) voorziet artikel 100 EEG-Verdrag (na wijziging, artikel 100 EG-Verdrag, inmiddels artikel 94 EG) niet in de mogelijkheid voor de lidstaten om van communautaire harmonisatiemaatregelen afwijkende bepalingen te handhaven of in te voeren.
( cf. punt 10 )
2. Artikel 153 EG is geformuleerd als een voor de Gemeenschap geldend richtsnoer voor zijn toekomstig beleid en laat, vanwege het directe gevaar voor het acquis communautaire, de lidstaten niet de vrijheid om autonoom maatregelen te nemen die in strijd zijn met het gemeenschapsrecht zoals dit voortvloeit uit de ten tijde van de inwerkingtreding ervan reeds vastgestelde richtlijnen. De door artikel 153, lid 5, EG aan de lidstaten verleende bevoegdheid om ter bescherming van de consument striktere maatregelen dan de communautaire maatregelen in te voeren of te handhaven, betreft immers enkel de in lid 3, sub b, van deze bepaling bedoelde maatregelen. Deze bevoegdheid geldt niet voor de in lid 3, sub a, van dit artikel bedoelde maatregelen, te weten die welke op grond van artikel 95 EG zijn vastgesteld, waarmee in dit verband de krachtens artikel 94 EG vastgestelde maatregelen dienen te worden gelijkgesteld.
( cf. punt 11 )
3. De beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken om de aansprakelijkheid voor producten met gebreken te regelen, wordt volledig bepaald door richtlijn 85/374, betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, en moet worden afgeleid uit de bewoordingen, het doel en de opzet van de richtlijn. Dat deze richtlijn in bepaalde afwijkingen voorziet of op bepaalde punten naar het nationale recht verwijst, betekent niet dat de harmonisatie op de punten die zij regelt, niet volledig is. Hieruit volgt dat richtlijn 85/374 voor de betrokken punten een volledige harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten nastreeft.
( cf. punten 12, 15, 20 )
4. Artikel 13 van richtlijn 85/374 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, kan niet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten de mogelijkheid laat om een algemeen aansprakelijkheidsstelsel inzake producten met gebreken te handhaven dat verschilt van het stelsel van de richtlijn.
De verwijzing in deze bepaling naar de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid, moet namelijk aldus worden uitgelegd dat het door de richtlijn ingevoerde stelsel niet de toepassing uitsluit van andere stelsels van contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid die op een andere grondslag berusten, zoals de aansprakelijkheid wegens verborgen gebreken of onrechtmatige daad. Ook de verwijzing in artikel 13 naar de rechten die de gelaedeerde ontleent aan een op het ogenblik van de kennisgeving van de richtlijn bestaande bijzondere aansprakelijkheidsregeling moet aldus worden begrepen dat zij betrekking heeft op een tot een bepaalde productiesector beperkte bijzondere regeling.
( cf. punten 17-19 )
5. In het door het Verdrag gecreëerde stelsel van beroepsmogelijkheden wordt onderscheiden tussen de beroepen van de artikelen 226 EG en 227 EG, strekkende tot vaststelling dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen, en die van de artikelen 230 EG en 232 EG, strekkende tot toetsing van de wettigheid van het handelen of nalaten van de gemeenschapsinstellingen. Deze beroepsmogelijkheden hebben verschillende oogmerken en zijn aan verschillende regels onderworpen. Nu geen enkele verdragsbepaling uitdrukkelijk in die mogelijkheid voorziet, kan een lidstaat zich niet met succes op de onwettigheid van een tot hem gerichte beschikking beroepen als verweer in een procedure wegens niet-nakoming van diezelfde beschikking.
( cf. punt 28 )
6. De door de gemeenschapswetgever vastgelegde begrenzing van de werkingssfeer van richtlijn 85/374 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken is het resultaat van een gecompliceerd afwegingsproces tussen verschillende belangen. Zoals blijkt uit de eerste en de negende overweging van de considerans van de richtlijn, omvatten deze belangen de waarborg van een onvervalste mededinging, het vergemakkelijken van de handelsbetrekkingen binnen de gemeenschappelijke markt, de bescherming van de consument, en de zorg voor een goede rechtsbedeling.
De door de gemeenschapswetgever gemaakte keuze impliceert dat, om het aantal beroepen te beperken, degenen die schade hebben geleden door producten met gebreken, zich in geval van geringe materiële schade niet op de aansprakelijkheidsregels van de richtlijn kunnen beroepen, maar hun vordering op gemene recht inzake contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid moeten baseren.
In deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat de franchise van artikel 9, eerste alinea, sub b, van de richtlijn het recht van toegang tot de rechter van de gelaedeerden schendt.
Evenmin vormt het feit dat op producenten en op degenen die schade hebben geleden door producten met gebreken verschillende aansprakelijkheidsstelsels van toepassing zijn, een schending van het beginsel van gelijke behandeling, wanneer de differentiatie naar gelang van de aard en de omvang van de geleden schade objectief gerechtvaardigd is.
( cf. punten 29-32 )
Partijen
In zaak C-154/00,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door A. Samoni-Rantou, G. Alexaki en S. Vodina als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Helleense Republiek, door in de nationale wet tot omzetting van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 210, blz. 29), niet de in artikel 9, eerste alinea, sub b, van de betrokken richtlijn bedoelde franchise van 500 euro op te nemen, artikel 9, eerste alinea, sub b, van die richtlijn slechts gedeeltelijk heeft omgezet,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, S. von Bahr, D. A. O. Edward, A. La Pergola en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: L. Hewlett, administrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 20 september 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 oktober 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 april 2000, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG het Hof verzocht vast te stellen dat de Helleense Republiek, door in de nationale wet tot omzetting van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 210, blz. 29; hierna: richtlijn"), niet de in artikel 9, eerste alinea, sub b, van de betrokken richtlijn bedoelde franchise van 500 euro op te nemen, artikel 9, eerste alinea, sub b, van die richtlijn slechts gedeeltelijk heeft omgezet.
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
2 De richtlijn beoogt de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de aansprakelijkheid van de producent voor schade die door een gebrek van diens producten is veroorzaakt. Volgens de eerste overweging van de considerans is deze onderlinge aanpassing noodzakelijk omdat onderlinge verschillen in deze wetgevingen de mededinging kunnen vervalsen, het vrij verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt kunnen aantasten en tot verschillen kunnen leiden in het niveau van de bescherming van de consument tegen schade die door een product met gebreken wordt toegebracht aan diens gezondheid en goederen".
3 Artikel 9, eerste alinea, van de richtlijn definieert het begrip schade" in de zin van artikel 1 van de richtlijn als:
[...]
b) beschadiging of vernietiging van een andere zaak dan het gebrekkige product, met toepassing van een franchise ten belope van 500 [euro], indien deze zaak
i) gewoonlijk bestemd is voor ge- of verbruik in de privésfeer en
ii) door de gelaedeerde hoofdzakelijk is gebruikt voor ge- of verbruik in de privésfeer".
4 Artikel 13 van de richtlijn bepaalt:
Deze richtlijn laat de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid of aan een op het ogenblik van de kennisgeving van deze richtlijn bestaande speciale aansprakelijkheidsregeling onverlet."
5 Krachtens artikel 19, lid 1, van de richtlijn doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 30 juli 1988 aan deze richtlijn te voldoen.
Bepalingen van nationaal recht
6 Artikel 6, lid 6, van wet nr. 2251/94 betreffende de consumentenbescherming (Staatsblad van de Helleense Republiek 191/A/16.11.1994) bepaalt:
Het in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde begrip ,schade omvat de schade die is veroorzaakt door dood of lichamelijk letsel alsmede de door het gebrekkige product veroorzaakte beschadiging of vernietiging van een andere zaak dan het gebrekkige product zelf, op voorwaarde dat deze zaak naar haar aard gewoonlijk bestemd is voor ge- of verbruik in de privé-sfeer en door de gelaedeerde als zodanig gebruikt is geweest."
Precontentieuze procedure
7 Van mening dat artikel 9, eerste alinea, sub b, van de richtlijn door wet nr. 2251/94 niet binnen de gestelde termijn naar behoren was omgezet, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure ingeleid. Na de Helleense Republiek in de gelegenheid te hebben gesteld om haar opmerkingen te maken, heeft de Commissie op 11 augustus 1999 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij deze lidstaat verzocht binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen. Aangezien zij geen genoegen kon nemen met het antwoord van de Helleense Republiek op dit advies, heeft de Commissie besloten het onderhavige beroep in te stellen.
Ten gronde
8 De Helleense Republiek betwist niet dat artikel 6, lid 6, van wet nr. 2251/94 niet in de in artikel 9, eerste alinea, sub b, van de richtlijn bedoelde franchise van 500 euro voorziet. Zij meent evenwel dat de genoemde wet de richtlijn naar behoren omzet. Zij betoogt algemeen, dat de richtlijn slechts een minimumharmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten doorvoert, op grond waarvan de lidstaten bepalingen kunnen invoeren of handhaven die de consumenten een grotere bescherming bieden. Meer specifiek voert zij nog enkele argumenten aan die zich volgens haar tegen omzetting van de betrokken franchise in het Griekse recht verzetten.
De door de richtlijn verwezenlijkte mate van harmonisatie
9 Volgens de Griekse regering moet de richtlijn worden uitgelegd in het licht van het groeiend belang van de consumentenbescherming binnen de Gemeenschap, zoals deze thans blijkt uit artikel 153 EG. De bewoordingen van artikel 13 van de richtlijn, waarin het begrip rechten" is gebruikt, tonen aan dat de richtlijn de realisatie van een hoger nationaal beschermingsniveau niet wil verhinderen. Deze zienswijze zou eveneens steun vinden in het feit dat de richtlijn zelf de lidstaten de mogelijkheid geeft om op bepaalde punten af te wijken van de door haar vastgelegde regels.
10 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de richtlijn door de Raad met eenparigheid van stemmen is vastgesteld op grond van artikel 100 EEG-Verdrag (na wijziging artikel 100 EG-Verdrag, thans artikel 94 EG) inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten welke rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de gemeenschappelijke markt. Anders dan artikel 100 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 95 EG), dat na de vaststelling van de richtlijn in het Verdrag is opgenomen en in de mogelijkheid van bepaalde afwijkingen voorziet, bevat deze rechtsgrondslag geen enkele mogelijkheid voor de lidstaten om van communautaire harmonisatiemaatregelen afwijkende nationale bepalingen te handhaven of in te voeren.
11 Ook op artikel 153 EG, dat eveneens na de vaststelling van de richtlijn in het Verdrag is opgenomen, kan geen beroep worden gedaan ten betoge dat de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij een minimale harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten nastreeft, die niet zou kunnen verhinderen dat een lidstaat beschermingsmaatregelen handhaaft of invoert die strikter zijn dan de communautaire maatregelen. De daartoe door artikel 153, lid 5, EG aan de lidstaten verleende bevoegdheid betreft immers enkel de in lid 3, sub b, van deze bepaling bedoelde maatregelen, te weten maatregelen om het beleid van de lidstaten te ondersteunen, aan te vullen en te controleren. Dergelijke bevoegdheid geldt niet voor de in lid 3, sub a, bedoelde maatregelen, te weten de op grond van artikel 95 EG in het kader van de totstandbrenging van de interne markt genomen maatregelen, waarmee in dit verband de krachtens artikel 94 EG vastgestelde maatregelen dienen te worden gelijkgesteld. Zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie in de zaken Commissie/Frankrijk en González Sánchez (arresten van heden, respectievelijk C-52/00, Jurispr. blz. I-3827, en C-183/00, Jurispr. blz. I-3901) stelt, is artikel 153 EG bovendien geformuleerd als een voor de Gemeenschap geldend richtsnoer met het oog op zijn toekomstig beleid en laat het, vanwege het directe gevaar voor het acquis communautaire, de lidstaten niet de vrijheid om autonome maatregelen te nemen die in strijd zijn met het gemeenschapsrecht zoals dit voortvloeit uit de ten tijde van de inwerkingtreding ervan reeds vastgestelde richtlijnen.
12 Hieruit volgt, dat de beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken om de aansprakelijkheid voor producten met gebreken te regelen, volledig door de richtlijn zelf wordt bepaald en moet worden afgeleid uit haar bewoordingen, doelstelling en opzet.
13 Dienaangaande zij om te beginnen opgemerkt dat de richtlijn, zoals uit de eerste overweging van de considerans blijkt, door het instellen van een geharmoniseerd stelsel van burgerlijke aansprakelijkheid van producenten voor door gebrekkige producten veroorzaakte schade beantwoordt aan de doelstelling de onvervalste mededinging tussen de marktdeelnemers te waarborgen, het vrij verkeer van goederen te vergemakkelijken, en verschillen in het niveau van de consumentenbescherming te vermijden.
14 Ten tweede dient te worden vastgesteld dat de richtlijn, anders dan bijvoorbeeld richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29), geen enkele bepaling bevat die de lidstaten expliciet toestaat om inzake de door de richtlijn geregelde kwesties strengere maatregelen vast te stellen ter verhoging van het beschermingsniveau van de consumenten.
15 In de derde plaats dient te worden opgemerkt dat het feit dat de richtlijn in bepaalde afwijkingen voorziet of op bepaalde punten naar het nationale recht verwijst, niet betekent dat de harmonisatie op de punten die zij regelt niet volledig is.
16 Zo staan de artikelen 15, lid 1, sub a en b, en 16 van de richtlijn de lidstaten weliswaar toe van de door de richtlijn vastgelegde regels af te wijken, maar deze afwijkingsmogelijkheden hebben enkel betrekking op limitatief opgesomde punten en zijn strikt omschreven. Bovendien zijn zij met name onderworpen aan voorwaarden van evaluatie met het oog op een verdere harmonisatie, waar uitdrukkelijk naar wordt verwezen in de voorlaatste overweging van de considerans van de richtlijn. Richtlijn 1999/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 1999 tot wijziging van richtlijn 85/374 (PB L 141, blz. 20), die landbouwproducten in het toepassingsgebied van de richtlijn heeft opgenomen en aldus de door artikel 15, lid 1, sub a, van laatstbedoelde richtlijn gecreëerde optie heeft geschrapt, vormt in dit opzicht een voorbeeld van dit systeem van evolutieve harmonisatie.
17 In deze omstandigheden kan artikel 13 van de richtlijn niet aldus worden uitgelegd, dat het de lidstaten de mogelijkheid laat om een algemeen aansprakelijkheidsstelsel inzake gebrekkige producten te handhaven dat verschilt van het stelsel van de richtlijn.
18 De verwijzing in artikel 13 van de richtlijn naar de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid, moet aldus worden uitgelegd, dat het door de genoemde richtlijn ingevoerde stelsel, op grond waarvan de gelaedeerde volgens artikel 4 schadevergoeding kan vragen wanneer hij de schade, het gebrek van het product en het oorzakelijk verband tussen dit gebrek en de schade bewijst, niet de toepassing uitsluit van andere stelsels van contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid die op een andere grondslag berusten, zoals de aansprakelijkheid wegens verborgen gebreken of onrechtmatige daad.
19 Ook de verwijzing in het genoemde artikel 13 naar de rechten die de gelaedeerde ontleent aan een op het ogenblik van de kennisgeving van de richtlijn bestaande bijzondere aansprakelijkheidsregeling moet, gelet op de dertiende overweging, derde zinsdeel, van de considerans van de richtlijn, aldus worden begrepen dat zij betrekking heeft op een tot een bepaalde productiesector beperkte regeling.
20 Hieruit volgt dat, anders dan de Helleense Republiek betoogt, de richtlijn voor de punten die zij regelt een volledige harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten nastreeft (zie reeds aangehaalde arresten Commissie/Frankrijk, punten 14-24, en González Sánchez, punten 23-32).
21 In het licht van deze overwegingen dienen thans de door de Helleense Republiek te harer verdediging aangevoerde argumenten te worden onderzocht.
De gestelde onverenigbaarheid van de franchise met de beginselen van Grieks recht
22 De Helleense Republiek betoogt, dat uit artikel 9 van de richtlijn blijkt, dat het begrip schade" niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt en in het licht van het nationale recht moet worden uitgelegd. De verplichting tot schadevergoeding naar Grieks recht is een verplichting tot integrale schadevergoeding.
23 De bepaling van de precieze inhoud van de in artikel 9 van de richtlijn bedoelde soorten schade wordt weliswaar gedeeltelijk aan de nationale wetgever overgelaten, maar deze bepaling preciseert niettemin uitdrukkelijk dat het begrip schade de schade omvat die is veroorzaakt door beschadiging of vernietiging van een zaak, in welk geval de schade minimum 500 euro moet bedragen, en voorts dat de beschadigde zaak gewoonlijk bestemd moet zijn voor ge- of verbruik in de privésfeer en door de gelaedeerde als zodanig moet zijn gebruikt (arrest van 10 mei 2001, Veedfald, C-203/99, Jurispr. blz. I-3569, punten 26 en 27).
24 Voorzover deze franchise in strijd zou zijn met de beginselen van Grieks recht, behoeft er slechts aan te worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een beroep op bepalingen van nationaal recht teneinde de strekking van bepalingen van gemeenschapsrecht te beperken, de eenheid en doeltreffendheid van dit recht zou aantasten en derhalve niet kan worden aanvaard (zie met name arrest van 2 juli 1996, Commissie/Luxemburg, C-473/93, Jurispr. blz. I-3207, punt 38, en arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 33).
De eventuele herziening van de richtlijn
25 De Helleense Republiek betoogt, dat haar uitlegging van de richtlijn steun vindt in het feit, dat de Commissie in haar groenboek van 28 juli 1999 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken [COM(1999) 396 def.] de opheffing overweegt van de franchise van 500 euro.
26 Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren, dat de omstandigheid dat de Commissie, in het vooruitzicht van een eventuele herziening van de richtlijn, beslist heeft de betrokken kringen te consulteren over de opportuniteit van een opheffing van de franchise van artikel 9, eerste alinea, sub b, van de richtlijn, de lidstaten niet ontslaat van de verplichting de geldende gemeenschapsrechtelijke bepaling in acht te nemen (zie met name arrest van 12 juli 1990, Commissie/Frankrijk, C-236/88, Jurispr. blz. I-3163, punt 19, en arrest van heden, Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 34).
De gestelde onverenigbaarheid van de franchise met de algemene beginselen van gemeenschapsrecht
27 Volgens de Helleense Republiek creëert de franchise een ongerechtvaardigd onevenwicht tussen de consumenten en schendt zij het fundamenteel recht van toegang tot de rechter zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat de gelaedeerde een recht om beroep in te stellen wordt ontnomen.
28 Met betrekking tot dit argument, waarmee de wettigheid van de in de richtlijn voorgeschreven franchise ter discussie wordt gesteld, moet er om te beginnen aan worden herinnerd, dat in het door het Verdrag gecreëerde stelsel van beroepsmogelijkheden wordt onderscheiden tussen de beroepen van de artikelen 226 EG en 227 EG, strekkende tot vaststelling dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen, en die van de artikelen 230 EG en 232 EG, strekkende tot toetsing van de wettigheid van het handelen of nalaten van de gemeenschapsinstellingen. Deze beroepsmogelijkheden hebben verschillende oogmerken en zijn aan verschillende regels onderworpen. Nu geen enkele verdragsbepaling uitdrukkelijk in die mogelijkheid voorziet, kan een lidstaat zich niet op de onwettigheid van een tot hem gerichte beschikking beroepen als verweer in een procedure wegens niet-nakoming van diezelfde beschikking. Evenmin kan hij zich beroepen op onwettigheid van een richtlijn die hij volgens de Commissie heeft geschonden (arrest van 27 oktober 1992, Commissie/Duitsland, C-74/91, Jurispr. blz. I-5437, punt 10).
29 Zoals de advocaat-generaal heeft gesteld in de punten 66 tot en met 68 van zijn conclusie in de zaken Commissie/Frankrijk en González Sánchez, reeds aangehaald, waar hij in punt 10 van zijn conclusie in de onderhavige zaak naar verwijst, is de door de gemeenschapswetgever vastgelegde begrenzing van het toepassingsgebied van de richtlijn bovendien het resultaat van een gecompliceerd afwegingsproces tussen verschillende belangen. Zoals blijkt uit de eerste en de negende overweging van de considerans van de richtlijn, omvatten deze belangen de waarborg van een onvervalste mededinging, het vergemakkelijken van de handelsbetrekkingen binnen de gemeenschappelijke markt, de bescherming van de consument, en de zorg voor een goede rechtsbedeling.
30 De door de gemeenschapswetgever gemaakte keuze impliceert dat, om het aantal beroepen te beperken, de gelaedeerden, slachtoffers van gebrekkige producten, zich in geval van geringe materiële schade niet op de aansprakelijkheidsregels van de richtlijn kunnen beroepen, maar hun vordering op het gewone contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheidsrecht moeten baseren.
31 In deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat de franchise van artikel 9, eerste alinea, sub b, van de richtlijn het recht van toegang tot de rechter van de gelaedeerden schendt (arrest van heden, Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 31).
32 Evenmin vormt het feit dat op producenten en gelaedeerden van gebrekkige producten verschillende aansprakelijkheidsregimes van toepassing zijn, een schending van het beginsel van gelijke behandeling, wanneer het verschil objectief gerechtvaardigd is naar gelang van de aard en de omvang van de geleden schade (zie met name arresten van 21 juni 1958, Groupement des hauts fourneaux et aciéries belges/Hoge Autoriteit, 8/57, Jurispr. blz. 239, op blz. 265, en arrest van heden, Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 32).
33 Gelet op het voorgaande moet het door de Commissie ingestelde beroep gegrond worden verklaard.
34 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek, door in de nationale wet tot omzetting van de richtlijn niet de in artikel 9, eerste alinea, sub b, van de betrokken richtlijn bedoelde franchise van 500 euro op te nemen, de krachtens deze bepaling op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
35 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door in de nationale wet tot omzetting van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, niet de in artikel 9, eerste alinea, sub b, van de richtlijn bedoelde franchise van 500 euro op te nemen, is de Helleense Republiek de krachtens deze bepaling op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy