Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Harmonisatie van wetgevingen - Informatieprocedure op gebied van normen en technische voorschriften - Technische voorschriften in zin van richtlijn 83/189 - Begrip - Nationale bepaling die aldus kan worden uitgelegd dat zij verplichting tot merken of etiketteren inhoudt - Daaronder begrepen
(Art. 234 EG; richtlijn 83/189 van de Raad, art. 1, punten 1 en 5)
2. Harmonisatie van wetgevingen - Informatieprocedure op gebied van normen en technische voorschriften - Verplichting van lidstaten om Commissie ieder ontwerp van technisch voorschrift mee te delen - Vrijstelling - Nakoming van uit communautaire richtlijnen en verordeningen voortvloeiende verplichtingen - Niet-toepasselijkheid op nationale bepaling die aldus moet worden begrepen dat zij verplichting tot merken of etiketteren inhoudt
(Richtlijn 83/189 van de Raad, art. 8 en 10)
3. Harmonisatie van wetgevingen - Informatieprocedure op gebied van normen en technische voorschriften - Verplichting van lidstaten om Commissie ieder ontwerp van technisch voorschrift mee te delen - Mogelijkheid voor particulieren om beroep te doen op ontbreken van aanmelding - Verplichting voor nationale rechter om betrokken bepaling buiten toepassing te laten - Sanctie - Modaliteiten - Gevolgen - Toepassing van nationaal recht - Voorwaarden
(Richtlijn 89/189 van de Raad, art. 8)
4. Harmonisatie van wetgevingen - Afvalstoffen - Richtlijn 75/442 - Verplichting om ontwerpen van regeling mee te delen - Niet-nakoming - Mogelijkheid voor particulieren om beroep te doen op ontbreken van mededeling - Uitgesloten
(Richtlijn 75/442 van de Raad, art. 3, lid 2)
5. Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Begrip - Nationale bepaling houdende algemene verplichting tot markering van verpakkingen die door erkende onderneming worden verwijderd - Niet-toepasselijkheid van artikel 30 van Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) - Toelaatbaarheid - Voorwaarden - Beoordeling door nationale rechter
[EG-Verdrag, art. 30 (thans, na wijziging, art. 28 EG)]
Samenvatting
1. Een nationale bepaling, die gelet op de bewoordingen en de context ervan het aanbrengen van een teken op het product of op de verpakking ervan op zich niet verplicht lijkt te stellen in het kader van het beoogde identificatiesysteem voor de verpakkingen, kan alleen dan een technisch voorschrift zijn in de zin van richtlijn 83/189 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182, indien de nationale rechter beslist dat die bepaling aldus dient te worden uitgelegd dat zij een verplichting tot merken of etiketteren inhoudt.
( cf. punt 39, dictum 1 )
2. Indien een nationale bepaling aldus moet worden begrepen dat zij een verplichting tot merken of etiketteren inhoudt, dient artikel 10 van richtlijn 83/189 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182, aldus te worden uitgelegd dat deze bepaling niet ontsnapt aan de aanmeldingsplicht van artikel 8 van richtlijn 83/189.
( cf. punt 46, dictum 2 )
3. Een particulier kan zich beroepen op het ontbreken van aanmelding, overeenkomstig artikel 8 van richtlijn 83/189 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, van een nationale bepaling die aldus moet worden uitgelegd dat zij een verplichting tot merken of etiketteren inhoudt. De nationale rechter dient deze bepaling dan buiten toepassing te laten, met dien verstande dat naar nationaal recht wordt bepaald welke conclusie uit de niet-toepasselijkheid van deze nationale bepaling moet worden getrokken inzake de strekking van de door het toepasselijke nationale recht daaraan verbonden gevolgen, zoals de nietigheid of de niet-tegenwerpbaarheid van een overeenkomst. Deze conclusie is evenwel gebonden aan de voorwaarde dat de toepasselijke regels van nationaal recht niet ongunstiger zijn dan die voor vergelijkbare vorderingen op basis van nationaal recht en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk maken.
( cf. punt 53, dictum 3 )
4. Artikel 3, lid 2, van richtlijn 75/442 betreffende afvalstoffen moet aldus worden uitgelegd dat het particulieren geen enkel recht verleent dat zij voor de nationale rechterlijke instanties kunnen doen gelden ter verkrijging van de nietigverklaring of buitentoepassingverklaring van een binnen de werkingssfeer van deze bepaling vallende nationale regeling, met een beroep op de omstandigheid dat deze regeling zou zijn vastgesteld zonder vooraf ter kennis van de Commissie te zijn gebracht.
( cf. punt 63, dictum 5 )
5. Een nationale bepaling die aldus moet worden uitgelegd dat zij geen verplichting tot merken of etiketteren inhoudt, maar enkel een algemene identificatieverplichting voor verpakkingen die door een erkende onderneming worden verwijderd, kan worden aangemerkt als verkoopmodaliteit. Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan of is voldaan aan de dienaangaande door de rechtspraak van het Hof gestelde voorwaarden opdat deze verplichting buiten de toepassingssfeer van artikel 30 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) zou vallen, namelijk dat de desbetreffende bepaling geldt voor alle betrokken marktdeelnemers die hun activiteit op het nationale grondgebied uitoefenen, en dat zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde gevolgen heeft voor de verhandeling van nationale producten als voor die van producten uit andere lidstaten.
( cf. punt 75, dictum 6 )
Partijen
In zaak C-159/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Cour de cassation (Frankrijk), in het aldaar aanhangige geding tussen
Sapod Audic
en
Eco-Emballages SA,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 1 en 10 van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB L 109, blz. 8), zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988 (PB L 81, blz. 75), artikel 3, lid 2, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, blz. 39), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991 (PB L 78, blz. 32), alsmede artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, S. von Bahr en C. W. A. Timmermans (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Sapod Audic, vertegenwoordigd door L. Boré, avocat,
- Eco-Emballages SA, vertegenwoordigd door D. Brouchot, T. Schneider en M. Troncoso Ferrer, avocats,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Abraham en R. Loosli-Surrans als gemachtigden,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing en T. Jürgensen als gemachtigden,
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. zur Hausen en J. Adda als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Sapod Audic, vertegenwoordigd door L. Boré en M. Quimbert, avocat; Eco-Emballages SA, vertegenwoordigd door T. Schneider en M. Troncoso Ferrer; de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Loosli-Surrans, en de Commissie, vertegenwoordigd door G. zur Hausen en J. Adda, ter terechtzitting van 23 oktober 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 januari 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 18 april 2000, ingekomen bij het Hof op 28 april daaraanvolgend, heeft de Cour de cassation krachtens artikel 234 EG drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 1 en 10 van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB L 109, blz. 8), zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988 (PB L 81, blz. 75; hierna: richtlijn 83/189"), artikel 3, lid 2, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, blz. 39), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991 (PB L 78, blz. 32; hierna: richtlijn 75/442"), alsmede artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG).
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een geding tussen de onderneming Sapod Audic (hierna: Sapod") en de onderneming Eco-Emballages SA (hierna: Eco-Emballages") over de bijdrage die door Eco-Emballages van Sapod wordt gevorderd krachtens een contract waarbij Sapod zich ter voldoening aan bepaalde wettelijke verplichtingen heeft aangesloten bij het door Eco-Emballages opgezette systeem voor de verwijdering van afvalstoffen.
Toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht
3 Artikel 1 van richtlijn 83/189 bepaalt:
In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1) ,Technische specificatie: specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product, zoals kwaliteitsniveaus, prestatie, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van de voorschriften inzake terminologie, symbolen, proefnemingen en proefnemingsmethoden, verpakking, het merken of etiketteren [...];
[...]
5) ,Technisch voorschrift: technische specificaties, met inbegrip van de hierop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor het verhandelen of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van deze staat, met uitzondering van die welke door de plaatselijke overheid zijn vastgesteld;
6) ,Ontwerp voor een technisch voorschrift: de tekst van een technische specificatie, met inbegrip van de bestuursrechtelijke bepalingen, uitgewerkt met de bedoeling deze uiteindelijk als technisch voorschrift vast te stellen of te doen vaststellen, en zich bevindend in een zodanig stadium van voorbereiding dat er nog ingrijpende wijzigingen in kunnen worden aangebracht;
7) ,Product: alle producten die industrieel worden vervaardigd, en alle landbouwproducten."
4 Ingevolge de artikelen 8 en 9 van richtlijn 83/189 moeten de lidstaten de Commissie mededeling doen van de onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallende ontwerpen voor technische voorschriften, tenzij het slechts een integrale omzetting van een internationale of Europese norm betreft, in welk geval met de vermelding van de betrokken internationale of Europese norm kan worden volstaan, alsmede de goedkeuring van deze ontwerpen een aantal maanden uitstellen teneinde de Commissie de mogelijkheid te bieden, na te gaan of deze ontwerpen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, of een richtlijn over dit onderwerp voor te stellen.
5 Artikel 10 van richtlijn 83/189 bepaalt: De artikelen 8 en 9 zijn niet van toepassing wanneer de lidstaten voldoen aan hun verplichtingen die voortvloeien uit communautaire richtlijnen en verordeningen."
6 Artikel 3 van richtlijn 75/442 bepaalt:
1. De lidstaten nemen passende maatregelen ter bevordering van:
a) in de eerste plaats de preventie of de vermindering van de productie en de schadelijkheid van afvalstoffen, met name door:
[...]
b) in de tweede plaats
- de nuttige toepassing van de afvalstoffen door recycling, hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen,
of
- het gebruik van afvalstoffen als energiebron.
2. Behoudens indien de bepalingen van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften van toepassing zijn, stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de maatregelen die ter verwezenlijking van de doelstellingen van lid 1 worden overwogen. De Commissie stelt de andere lidstaten en het comité van artikel 18 in kennis van deze maatregelen."
7 Artikel 8 van richtlijn 75/442 luidt als volgt:
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat iedere houder van afvalstoffen:
- deze afgeeft aan een particuliere of openbare ophaler of een onderneming die de in bijlage II A of II B bedoelde handelingen verricht,
of
- zelf zorg draagt voor de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen in overeenstemming met de bepalingen van deze richtlijn."
Toepasselijke bepalingen van Frans recht
8 De artikelen 4 tot en met 6 van decreet nr. 92-377 van 1 april 1992 houdende toepassing, wat verpakkingsafval betreft, van de gewijzigde wet nr. 75-633 van 15 juli 1975 inzake de verwijdering en de terugwinning van afvalstoffen (JORF van 3 april 1992, blz. 5003) bepalen:
Artikel 4
Elke producent, elke importeur [...] moet zijn medewerking verlenen aan of zorgen voor de verwijdering van al zijn verpakkingsafval [...].
Daartoe zorgt hij ervoor dat de verpakkingen die bestemd zijn om door een overeenkomstig artikel 6 erkende instantie of onderneming volgens daartoe in artikel 5 vastgestelde voorschriften te worden verwerkt, als zodanig herkenbaar zijn. De overige verpakkingen wint hij terug onder de in artikel 10 gestelde voorwaarden.
Artikel 5
De in artikel 4 bedoelde personen die voor de verwijdering van hun verpakkingsafval een beroep doen op de diensten van een erkende instelling of onderneming, sluiten hiermee een contract waarin onder meer het identificatiesysteem voor deze verpakkingen, de geraamde jaarlijks te verwerken hoeveelheid alsmede de aan deze instelling of onderneming verschuldigde bijdrage worden vastgesteld; deze contracten stemmen op deze punten overeen met de voorschriften van het hierna in artikel 6 bedoelde bestek.
Artikel 6
Elke instantie of onderneming die tot doel heeft onder de in de artikelen 4 en 5 gestelde voorwaarden het verpakkingsafval van haar medecontractanten te verwerken, wordt voor een hernieuwbare maximumduur van zes jaar erkend bij gezamenlijk besluit van de ministers die bevoegd zijn voor milieuzaken, economie, industrie, landbouw en plaatselijke besturen.
Deze instantie of onderneming moet tot staving van haar verzoek om erkenning doen blijken van haar technische en financiële capaciteit voor de handelingen die vereist zijn voor de verwijdering van het verpakkingsafval, en aangeven onder welke voorwaarden zij denkt te zullen voldoen aan de voorschriften van het bestek dat aan de erkenning wordt verbonden. [...]
[...]
[Dit bestek] vermeldt de technische voorschriften waaraan het verpakkingsafval voor elk groep van materialen moeten voldoen wanneer de erkende instantie of onderneming voor de verwijdering van deze afvalstoffen overeenkomsten sluit met de fabrikanten van verpakkingen en verpakkingsmaterialen.
[...]"
9 Volgens artikel 10 van hetzelfde decreet kunnen de in artikel 4 bedoelde personen ervoor kiezen zelf te zorgen voor de verwijdering van het afval van de door hen gebruikte verpakkingen. In dat geval moeten zij ofwel zelf een statiegeldregeling voor hun verpakkingen invoeren die duidelijk op deze verpakking is vermeld" (artikel 10, sub a), ofwel voor de teruggave van deze verpakkingen specifiek daartoe bestemde plaatsen inrichten, nadat bij gezamenlijk besluit van de ministers bevoegd voor milieuzaken, economie, industrie, landbouw en plaatselijke besturen, de regels voor de controle van de verwijderingsregeling zijn vastgesteld, aan de hand waarvan kan worden gemeten welk percentage van de in de handel gebrachte verpakkingen is verwijderd" (artikel 10, sub b).
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
10 Eco-Emballages is een in 1992 opgerichte privaatrechtelijke vennootschap. Zij heeft met name tot doel systemen op te zetten voor de verwijdering van afvalstoffen en de terugwinning van verpakkingsmaterialen, en meer in het bijzonder voor de verwerking van de verpakkingen van de ondernemingen die zijn onderworpen aan de verplichtingen ingevolge wet nr. 75-633 van 15 juli 1975 inzake de verwijdering en de terugwinning van afvalstoffen (JORF van 16 juli 1975, blz. 7279), zoals gewijzigd (hierna: wet nr. 75-633"), en de uitvoeringsdecreten ervan.
11 Eco-Emballages verkreeg bij interministerieel besluit van 12 november 1992 de in artikel 6 van decreet nr. 92-377 bedoelde erkenning voor de verwerking van verpakkingsafval van door particulieren verbruikte of gebruikte producten, waarvoor producenten of importeurs met haar een contract hebben gesloten.
12 Sapod is een Franse onderneming die vlees van gevogelte in plastic verpakkingen in de handel brengt.
13 Op 16 september 1993 ondertekende Sapod met Eco-Emballages een toetredingscontract. Ingevolge dit contract sloot Sapod zich, ter voldoening aan de krachtens decreet nr. 92-377 op haar rustende verplichtingen, aan bij het door Eco-Emballages opgezette systeem voor de verwijdering van afvalstoffen.
14 Bij dit contract verleende Sapod aan Eco-Emballages het niet-exclusieve gebruiksrecht van het logo Point vert, dat op de verpakkingen van de producten van Sapod moest worden aangebracht volgens in een bijlage bij het contract vastgestelde regels.
15 Het contract voorzag in de betaling van een jaarlijkse bijdrage. Sapod betaalde de eerste bijdragen zonder problemen. Vervolgens zette zij de betaling van de vastgestelde bijdrage stop, en na de verlenging van het contract was zij op 30 september 1996 het bedrag van 60 791 FRF schuldig.
16 Eco-Emballages dagvaardde Sapod dan in kort geding voor het tribunal de commerce (rechtbank van koophandel) te Parijs (Frankrijk), dat Sapod bij beschikking van 14 februari 1997 veroordeelde tot voorlopige betaling aan Eco-Emballages van het in het vorige punt vermelde bedrag, vermeerderd met de wettelijke interesten. Deze beslissing werd bevestigd bij arrest van de cour d'appel (hof van beroep) te Parijs van 23 januari 1998.
17 In het kader van deze procedure stelde Sapod met name dat decreet nr. 92-377 een technisch voorschrift in de zin van richtlijn 83/189 was, dat niet bij de Commissie was aangemeld en dan ook niet aan derden kon worden tegengeworpen, alsmede dat de verplichting tot aansluiting bij een erkend systeem, zoals dat welk door Eco-Emballages was opgezet, een met artikel 30 van het Verdrag onverenigbare maatregel van gelijke werking vormde.
18 Sapod stelde tegen het arrest van de cour d'appel de Paris hogere voorziening in bij de Cour de cassation (hof van cassatie), die de behandeling van de zaak schorste en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
1) Moet artikel 1 van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, zowel in de versie van vóór als in die van na richtlijn 94/10/EG van [het Europees Parlement en] de Raad van 23 maart 1994 tot tweede substantiële wijziging van richtlijn 83/189/EEG, aldus worden uitgelegd, dat de bepalingen van decreet nr. 92-377 van 1 april 1992 een technisch voorschrift zijn, inzonderheid voorzover deze bepalingen de producent toestaan geen gebruik te maken van het erkende systeem van de onderneming Eco-Emballages indien hij zelf voor de verwijdering van het door het gebruik van hun verpakkingen veroorzaakt afval zorgt?
2) Moeten artikel 10 van richtlijn 83/189/EEG, zowel in de versie van vóór als in die van na richtlijn 94/10/EG van 23 maart 1994, en artikel 3, lid 2, van richtlijn 75/442/EEG van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, in de versie die voortvloeit uit de wijzigingsrichtlijn 91/156/EEG van 18 maart 1991, aldus worden uitgelegd, dat de Franse regering verplicht was de bepalingen van het decreet van 1 april 1992 ter kennis van de Commissie te brengen, en zo ja, kan een particulier met een beroep op de niet-mededeling daarvan de vaststelling vorderen dat deze bepalingen niet aan hem kunnen worden tegengeworpen?
3) Moet artikel 28 EG (ex-artikel 30 EG-Verdrag) aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen een regeling als die van het decreet van 1 april 1992, dat de importeur van uit andere lidstaten afkomstige producten die bestemd zijn voor huishoudelijk gebruik, de verplichting oplegt verpakkingen te gebruiken die voldoen aan bepaalde technische voorschriften en op deze verpakkingen een ,logo aan te brengen ten bewijze van de aansluiting bij een erkend systeem van terugwinning van verpakkingsafval, voorzover deze zonder onderscheid toepasselijke regeling onevenredig is uit het oogpunt van de dwingende eis inzake milieubescherming?"
Voorafgaande opmerkingen
19 Vooraf zij opgemerkt, dat de verwijzende rechter met zijn eerste en zijn tweede vraag in de eerste plaats verzoekt om uitlegging van richtlijn 83/189, in de versie die gold vóór en na de inwerkingtreding van richtlijn 94/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 maart 1994 tot tweede substantiële wijziging van richtlijn 83/189 (PB L 100, blz. 30).
20 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat gesteld dat de betrokken bepalingen van decreet nr. 92-377 technische voorschriften zouden vormen, deze overeenkomstig richtlijn 83/189, in de uit richtlijn 88/182 voortvloeiende versie, in de vorm van een ontwerp moesten worden meegedeeld, en dat de wijzigingen die bij richtlijn 94/10 in de in casu relevante bepalingen zijn aangebracht, substantieel zijn en de in richtlijn 83/189 omschreven begrippen meer dan alleen maar verduidelijken (zie met name, in die zin, arresten van 3 juni 1999, Colim, C-33/97, Jurispr. blz. I-3175, punten 25 en 26, en 12 oktober 2000, Snellers, C-314/98, Jurispr. blz. I-8633, punten 31-33).
21 In die omstandigheden moeten de genoemde vragen, zoals de advocaat-generaal in de punten 30 en 31 van zijn conclusie opmerkt, worden onderzocht uit het oogpunt van richtlijn 83/189, in de bij richtlijn 88/182 gewijzigde versie, waarbij richtlijn 94/10 buiten beschouwing dient te blijven.
22 In de tweede plaats zij aangaande de eerste en de tweede vraag gepreciseerd, dat zoals uit de motivering van het verwijzingsarrest blijkt, decreet nr. 92-377 bepalingen bevat waarvan de verwijzende rechter zich afvraagt of zij binnen de werkingssfeer van richtlijn 83/189 vallen, namelijk artikel 4, tweede alinea, - voorzover de producent verplicht is de verpakkingen die hij door een erkende instantie of onderneming laat verwijderen, als zodanig herkenbaar te maken - en artikel 6, vierde alinea, - voorzover deze erkende instantie of onderneming verplicht is ervoor te zorgen dat de gebruikte verpakkingen voldoen aan technische voorschriften.
De eerste vraag
23 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of nationale bepalingen als de artikelen 4, tweede alinea, en 6, vierde alinea, van decreet nr. 92-377 een technisch voorschrift zijn in de zin van richtlijn 83/189, voorzover deze bepalingen de producenten toestaan geen gebruik te maken van een erkend systeem van verwijdering van verpakkingsafval, zoals dat van Eco-Emballages, indien zij zelf voor de verwijdering van het door het gebruik van hun verpakkingen veroorzaakte afval zorgen.
24 De specifieke vraag van de verwijzende rechter, namelijk of de omstandigheid dat de producenten die zelf zorgen voor de verwijdering van hun afval niet verplicht zijn zich te voegen naar de verplichtingen die deze nationale bepalingen inhouden, afdoet aan het verbindende karakter van deze bepalingen, in de zin van artikel 1, punt 5, van richtlijn 83/189, moet ontkennend worden beantwoord.
25 Zoals de Commissie heeft opgemerkt, hebben de producenten krachtens artikel 4, eerste alinea, van decreet nr. 92-377 immers enkel de keuze, ofwel hun verpakkingsafval door erkende instanties of ondernemingen te laten verwijderen, ofwel zelf te zorgen voor de verwijdering ervan. Indien de producent evenwel kiest, zoals in de hoofdzaak, voor het systeem van verwijdering door een erkende instantie of onderneming, moeten een reeks bepalingen, waaronder de artikelen 4, tweede alinea, en 6, vierde alinea, van decreet nr. 92-377, worden toegepast. Deze bepalingen zijn dan ook verbindend in de zin van artikel 1, punt 5, van richtlijn 83/189.
26 Vervolgens dient te worden onderzocht of nationale bepalingen als die welke in de hoofdzaak in het geding zijn, als technische specificaties in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 83/189 kunnen worden aangemerkt.
27 Wat enerzijds artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377 betreft, stelt Sapod dat deze bepaling als technische specificatie moet worden aangemerkt, aangezien zij de verplichting meebrengt tekens aan te brengen op de verpakking van de producten. Volgens Eco-Emballages daarentegen is deze bepaling geen technische specificatie aangezien zij geen verplichting tot merken of etiketteren oplegt. De Commissie deelt deze zienswijze en merkt dienaangaande op, dat uit niets blijkt dat decreet nr. 92-377 een specifiek logo, merkteken of etikettering zou opleggen. De Franse regering stelt eveneens dat de betrokken bepaling niet als technische specificatie kan worden aangemerkt, omdat zij deel uitmaakt van een geheel van regels met betrekking tot een dienstverrichting en niet tot een product als dusdanig.
28 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377, gelet op de bewoordingen en de context ervan, alsmede op de aan het Hof verstrekte inlichtingen, het aanbrengen van een teken op het product of op de verpakking ervan op zich niet verplicht lijkt te stellen in het kader van het beoogde identificatiesysteem voor de verpakkingen.
29 Deze zienswijze lijkt steun te vinden in artikel 5 van decreet nr. 92-377, voorzover de concrete invulling van de identificatieverplichting inzake verpakkingen overeenkomstig deze bepaling geschiedt in de overeenkomsten tussen de erkende instanties of ondernemingen en de producenten. Uit het dossier en met name uit de antwoorden op een schriftelijke vraag van het Hof blijkt immers, dat de in artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377, neergelegde algemene identificatieverplichting enkel in deze overeenkomsten, zoals die tussen Sapod en Eco-Emballages, de concrete vorm heeft gekregen van een verplichting om op de verpakkingen een merkteken, namelijk het logo Point vert, aan te brengen, terwijl het bestek op basis waarvan Eco-Emballages is erkend, daarover niets bepaalt.
30 Aldus blijkt de in artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377 neergelegde identificatieverplichting voor verpakkingen, voorzover zij geen verplichting tot merken of etiketteren van deze verpakkingen lijkt in te houden, niet noodzakelijk betrekking te hebben op het product of op de verpakking ervan als zodanig. Aldus uitgelegd, stelt deze bepaling dan ook niet de vereiste kenmerken van een product vast in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 83/189, zodat zij niet kan worden aangemerkt als technische specificatie (zie met name arrest van 8 maart 2001, Van der Burg, C-278/99, Jurispr. blz. I-2015, punt 20).
31 Opgemerkt zij evenwel, dat het in het kader van de in artikel 234 EG neergelegde bevoegdheidsverdeling aan de verwijzende rechter staat het nationale recht, in casu artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377, uit te leggen.
32 Bijgevolg dient ook rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat de verwijzende rechter, gelet op alle gegevens, feitelijk en rechtens, waarvan hij kennis heeft, tot de conclusie komt dat artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377 aldus moet worden uitgelegd dat het de producenten een verplichting tot merken of etiketteren oplegt, hoewel hierin niet duidelijk is bepaald welk teken moet worden aangebracht.
33 In dat geval zou moeten worden vastgesteld dat het daadwerkelijk om een technische specificatie in de zin van richtlijn 83/189 gaat en, aangezien de verplichting bij decreet is opgelegd voor de verhandeling van producten in verpakkingen op het gehele nationale grondgebied, om een technisch voorschrift.
34 Hoewel de ter zake geldende regels nog moeten worden vastgesteld, is het merken of etiketteren op zich dan immers verplicht, ook voor ingevoerde producten (zie met name arrest van 20 maart 1997, Bic Benelux, C-13/96, Jurispr. blz. I-1753, punt 23). Bovendien moet en kan dan, rekening houdend met de doelstelling van richtlijn 83/189, namelijk de bescherming van het vrije verkeer van goederen door middel van een preventieve controle (zie met name arrest van 30 april 1996, CIA Security International, C-194/94, Jurispr. blz. I-2201, punten 40 en 48), een controle worden verricht overeenkomstig de bij deze richtlijn ingestelde procedure.
35 Aangaande de vraag anderzijds of artikel 6, vierde alinea, van decreet nr. 92-377 kan worden aangemerkt als technische specificatie in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 83/189, dient te worden vastgesteld, zoals de advocaat-generaal in de punten 56 en 57 van zijn conclusie heeft gedaan, dat uit de bewoordingen van deze bepaling en de overige elementen van het dossier, met name de antwoorden op een schriftelijke vraag van het Hof, volgt dat deze bepaling aan de instanties of ondernemingen die belast zijn met de ophaling van verpakkingsafval, een verplichting oplegt, en dat zij de minimale technische voorschriften bevat waaraan verpakkingsafval dient te voldoen om te worden toegelaten tot het verwerkingscircuit voor dit afval.
36 Vastgesteld dient te worden, dat het aan het Hof voorgelegde dossier geen aanwijzingen bevat, dat artikel 6, vierde alinea, van decreet nr. 92-377 aldus kan worden uitgelegd dat het voor de producenten en importeurs wier producten verpakt in de handel worden gebracht, de verplichting inhoudt erop toe te zien dat deze verpakkingen aan bepaalde technische voorschriften voldoen.
37 Hieruit volgt dat deze bepaling niet behoort tot de voorschriften die in een geding als het hoofdgeding kunnen worden toegepast op de producenten wier producten verpakt in de handel worden gebracht (zie met name arrest van 16 juni 1998, Lemmens, C-226/97, Jurispr. blz. I-3711, punt 34).
38 Bijgevolg behoeft niet te worden onderzocht of artikel 6, vierde alinea, van decreet nr. 92-377 in een geding als het hoofdgeding kan worden aangemerkt als een technische specificatie in de zin van richtlijn 83/189.
39 Gelet op een en ander, moet op de eerste vraag worden geantwoord dat een nationale bepaling als artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377 alleen dan een technisch voorschrift in de zin van richtlijn 83/189 kan zijn, indien de nationale rechter beslist dat deze bepaling aldus dient te worden uitgelegd dat zij een verplichting tot merken of etiketteren inhoudt.
De tweede vraag
40 Met zijn tweede vraag verzoekt de verwijzende rechter om uitlegging zowel van richtlijn 83/189 als van richtlijn 75/442. Deze twee richtlijnen moeten achtereenvolgens worden onderzocht.
Richtlijn 83/189
41 Om te beginnen zij vermeld dat, gelet op het antwoord op de eerste vraag, de tweede vraag, voorzover zij richtlijn 83/189 betreft, enkel geldt voor het geval dat de verwijzende rechter artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377 aldus zou uitleggen dat het een verplichting tot merken of etiketteren inhoudt, zodat, zoals in punt 33 van het onderhavige arrest is opgemerkt, deze bepaling zou moeten worden aangemerkt als technisch voorschrift in de zin van richtlijn 83/189.
De ontheffing van de verplichting om technische voorschriften bij de Commissie aan te melden
42 In de eerste plaats vraagt de verwijzende rechter in wezen, voor het geval dat een nationale bepaling als artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377 moet worden aangemerkt als technisch voorschrift in de zin van richtlijn 83/189, of deze bepaling krachtens artikel 10 van deze richtlijn niet toch is vrijgesteld van de in artikel 8 van deze richtlijn bedoelde aanmelding bij de Commissie, nu de lidstaat met de vaststelling van deze bepaling heeft voldaan aan een verplichting die voortvloeit uit communautaire richtlijnen of verordeningen, met name richtlijn 75/442.
43 Volgens Eco-Emballages, de Franse en de Nederlandse regering, is decreet nr. 92-377 vastgesteld ter omzetting of ter uitvoering van richtlijn 75/442, of om te voldoen aan de doelstellingen van deze richtlijn, zodat overeenkomstig artikel 10 van richtlijn 83/189 de aanmeldingsplicht voor deze regeling niet geldt.
44 Dit standpunt kan niet worden aanvaard. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, moet deze vraag ontkennend worden beantwoord, nu richtlijn 75/442 weliswaar is vermeld in de preambule van decreet nr. 92-377, doch enkel een algemeen kader bepaalt en de lidstaten een aanzienlijke speelruimte laat (in deze zin, zie met name arrest van 26 september 2000, Unilever, C-443/98, Jurispr. blz. I-7535, punt 29). Vastgesteld dient immers te worden, dat deze richtlijn geen bepalingen bevat met specifieke verplichtingen voor de lidstaten, die bij artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377 in nationaal recht zouden zijn omgezet.
45 Voorts dient te worden vermeld, dat bij het onderzoek van de vraag of artikel 10 van richtlijn 83/189 in casu van toepassing is, geen rekening kan worden gehouden met richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB L 365, blz. 10), die nog niet was vastgesteld toen decreet nr. 92-377 werd aangenomen.
46 Op het eerste gedeelte van de tweede vraag, voorzover zij richtlijn 83/189 betreft, dient dus te worden geantwoord, dat artikel 10 van deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een nationale bepaling als artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377, indien zij aldus moet worden begrepen dat zij een verplichting tot merken of etiketteren inhoudt, niet ontsnapt aan de aanmeldingsplicht van artikel 8 van richtlijn 83/189.
De toepasselijkheid van niet bij de Commissie aangemelde technische voorschriften
47 In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter, ingeval een nationale bepaling als artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377 moet worden aangemerkt als technisch voorschrift dat in strijd met het vereiste van richtlijn 83/189 niet is aangemeld, en rekening houdend met de omstandigheid dat deze bepaling in dat geval niet krachtens artikel 10 van deze richtlijn van aanmelding is vrijgesteld, zoals in punt 46 van het onderhavige arrest is opgemerkt, of een particulier in een geding zoals het hoofdgeding met een beroep op de omstandigheid dat dit voorschrift niet overeenkomstig deze richtlijn is aangemeld, de vaststelling kan vorderen dat deze bepaling niet aan hem kan worden tegengeworpen.
48 Volgens Sapod volgt met name uit het arrest CIA Security International, reeds aangehaald, dat de nationale rechter de toepassing van een technisch voorschrift dat niet overeenkomstig richtlijn 83/189 is aangemeld, moet weigeren. Volgens de Commissie is deze vraag zonder voorwerp, aangezien op de eerste vraag moet worden geantwoord dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet als technisch voorschrift kan worden aangemerkt.
49 Dienaangaande moet worden vastgesteld, in de eerste plaats, dat volgens vaste rechtspraak richtlijn 83/189 aldus moet worden uitgelegd, dat verzuim van de in artikel 8 van deze richtlijn neergelegde aanmeldingsplicht schending van een wezenlijk vormvoorschrift oplevert, die tot niet-toepasselijkheid van de betrokken technische voorschriften leidt, met als gevolg dat deze niet aan particulieren kunnen worden tegengeworpen (zie met name arresten CIA Security International, reeds aangehaald, punten 48 en 54, en Lemmens, reeds aangehaald, punt 33).
50 In de tweede plaats dient eraan te worden herinnerd, dat volgens de rechtspraak van het Hof de niet-toepasselijkheid van een niet overeenkomstig artikel 8 van richtlijn 83/189 aangemeld technisch voorschrift kan worden aangevoerd in een geding tussen particulieren over met name contractuele rechten en verplichtingen (zie met name arrest Unilever, reeds aangehaald, punt 49).
51 Hieruit volgt dat de verwijzende rechter, indien hij artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377 aldus uitlegt dat het een verplichting tot merken of etiketteren inhoudt en dus een technisch voorschrift is in de zin van richtlijn 83/189, deze bepaling in het hoofdgeding buiten toepassing dient te laten.
52 Hierbij zij evenwel opgemerkt, dat naar nationaal recht moet worden bepaald welke conclusie in de hoofdzaak voortvloeit uit de niet-toepasselijkheid van artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377 inzake de strekking van de ingevolge het toepasselijke nationale recht daaraan verbonden gevolgen, zoals de nietigheid of de niet-tegenwerpbaarheid van de overeenkomst tussen Sapod en Eco-Emballages, met name wat de contractrechtelijke regels en beginselen betreft die deze gevolgen naar evenredigheid van de aard van het vastgestelde gebrek beperken of aanpassen. Deze regels en beginselen mogen evenwel niet ongunstiger zijn dan die voor vergelijkbare vorderingen op basis van nationaal recht (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk maken (effectiviteitsbeginsel) (zie met name arresten van 16 december 1976, Rewe, 33/76, Jurispr. blz. 1989, punt 5, en 22 februari 2001, Camarotto en Vignone, C-52/99 en C-53/99, Jurispr. blz. I-1395, punt 21).
53 Derhalve dient op het tweede gedeelte van de tweede vraag, voorzover zij richtlijn 83/189 betreft, te worden geantwoord, dat een particulier zich kan beroepen op het ontbreken van aanmelding overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn van een nationale bepaling als artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377, ingeval laatstgenoemde bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij een verplichting tot merken of etiketteren inhoudt. De nationale rechter dient deze bepaling dan buiten toepassing te laten, met dien verstande dat naar nationaal recht wordt bepaald welke conclusie uit de niet-toepasselijkheid van deze nationale bepaling moet worden getrokken inzake de strekking van de door het toepasselijke nationale recht daaraan verbonden gevolgen, zoals de nietigheid of de niet-tegenwerpbaarheid van een overeenkomst. Deze conclusie is evenwel gebonden aan de voorwaarde dat de toepasselijke regels van nationaal recht niet ongunstiger mogen zijn dan die voor vergelijkbare vorderingen op basis van nationaal recht, en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk mogen maken.
Richtlijn 75/442
Verplichte aanmelding van voorgenomen maatregelen bij de Commissie
54 In de eerste plaats vraagt de verwijzende rechter, ingeval richtlijn 83/189 niet van toepassing is op de in de hoofdzaak in geding zijnde nationale bepalingen, of de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 3, lid 2, van richtlijn 75/442 de Commissie in kennis moet stellen van deze bepalingen.
55 Volgens Sapod en de Commissie moesten de Franse autoriteiten de Commissie in kennis stellen van de nationale ontwerp-bepalingen.
56 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat zowel uit de aard van de bij decreet nr. 92-377 vastgestelde regeling als uit de preambule blijkt, dat de Franse autoriteiten de Commissie in kennis moesten stellen van de betrokken nationale ontwerp-bepalingen, ingeval richtlijn 83/189 niet van toepassing is.
57 Gelet op een en ander, moet op het eerste gedeelte van de tweede vraag, voorzover zij richtlijn 75/442 betreft, worden geantwoord dat, ingeval richtlijn 83/189 niet van toepassing is op de bepalingen van decreet nr. 92-377, de betrokken lidstaat krachtens artikel 3, lid 2, van richtlijn 75/442 de Commissie in kennis moest stellen van het ontwerp van deze nationale bepalingen.
De tegenwerpbaarheid van maatregelen die zijn vastgesteld zonder dat zij aan de Commissie zijn meegedeeld
58 In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter, gesteld dat een lidstaat in strijd met artikel 3, lid 2, van richtlijn 75/442 de Commissie niet heeft meegedeeld dat hij maatregelen overwoog als de in de hoofdzaak in geding zijnde nationale maatregelen, of een particulier met een beroep op de niet-mededeling hiervan de vaststelling kan vorderen dat deze maatregelen niet kunnen worden tegengeworpen.
59 Volgens Sapod, Eco-Emballages, de Nederlandse regering en de Commissie moet deze vraag overeenkomstig de rechtspraak van het Hof, met name het arrest van 13 juli 1989, Enichem Base e.a. (380/87, Jurispr. blz. 2491), ontkennend worden beantwoord.
60 Dienaangaande heeft het Hof in de punten 20 tot en met 23 van het arrest Enichem Base e.a., reeds aangehaald, geoordeeld dat uit de tekst noch uit het doel van artikel 3, lid 2, van richtlijn 75/442, in de aanvankelijke versie ervan, kan worden afgeleid, dat wanneer de lidstaten de krachtens deze bepaling op hen rustende verplichting tot voorafgaande mededeling niet nakomen, dit automatisch leidt tot onwettigheid van de vastgestelde nationale regelingen, aangezien deze bepaling de lidstaten enkel ertoe verplicht de bedoelde ontwerp-regelingen mee te delen, zonder dat een communautaire procedure voor de controle van deze ontwerpen is vastgesteld en zonder dat de inwerkingtreding van de beoogde regelingen afhankelijk wordt gesteld van de omstandigheid dat de Commissie ermee instemt of er geen bezwaar tegen maakt (zie eveneens arrest CIA Security International, reeds aangehaald, punt 49).
61 Hieruit heeft het Hof in punt 24 van het arrest Enichem Base e.a., reeds aangehaald, afgeleid dat artikel 3, lid 2, van richtlijn 75/442, in de aanvankelijke versie ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het particulieren geen enkel recht verleent dat zij voor de nationale rechterlijke instanties kunnen doen gelden ter verkrijging van de nietigverklaring of buitentoepassingverklaring van een binnen de werkingssfeer van dit artikel vallende nationale wettelijke regeling, op grond dat deze regeling zou zijn vastgesteld zonder vooraf ter kennis van de Commissie te zijn gebracht.
62 Hoewel artikel 3, lid 2, van richtlijn 75/442 sinds de uitspraak van het arrest in de zaak Enichem Base e.a., reeds aangehaald, bij richtlijn 91/156 is gewijzigd en blijkens deze bepaling de Commissie thans, nadat haar de door de lidstaat voorgenomen maatregelen zijn meegedeeld, de andere lidstaten en het comité als bedoeld in artikel 18 van richtlijn 75/442 in kennis stelt van deze maatregelen, moet worden vastgesteld dat deze wijziging geen invloed heeft op de wezenlijke inhoud van de in dat arrest gevolgde redenering, zoals in punt 60 van het onderhavige arrest in herinnering gebracht, en dus evenmin op de conclusie waartoe het Hof in het arrest Enichem Base e.a., reeds aangehaald, is gekomen, zoals die is weergegeven in het vorige punt van het onderhavige arrest.
63 Gelet op een en ander, moet op het tweede gedeelte van de tweede vraag, voorzover zij richtlijn 75/442 betreft, worden geantwoord dat artikel 3, lid 2, van deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het particulieren geen enkel recht verleent dat zij voor de nationale rechterlijke instanties kunnen doen gelden ter verkrijging van de nietigverklaring of buitentoepassingverklaring van een binnen de werkingssfeer van deze bepaling vallende nationale wettelijke regeling, met een beroep op de omstandigheid dat deze regeling zou zijn vastgesteld zonder vooraf ter kennis van de Commissie te zijn gebracht.
De derde vraag
64 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 30 van het Verdrag zich verzet tegen nationale bepalingen als artikel 4, tweede alinea, en artikel 6, vierde alinea, van decreet nr. 92-377, voorzover deze zonder onderscheid toepasselijke bepalingen onevenredig zijn uit het oogpunt van de dwingende eis inzake milieubescherming.
65 Volgens Sapod moet artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377 worden aangemerkt als een bij artikel 30 van het Verdrag verboden belemmering. Dienaangaande betoogt Sapod in wezen, dat Eco-Emballages een absoluut monopolie bezit op het gebied van de verwijdering van plastic verpakkingen, dat een buitenlandse producent die zijn verpakte producten in Frankrijk wil verkopen, het soort verpakkingen moet vervaardigen of kopen dat door Eco-Emballages is goedgekeurd en het kenteken van die onderneming, namelijk het logo Point vert, draagt, wat voor hem aanzienlijke extra kosten meebrengt en de invoer van zijn producten in Frankrijk bemoeilijkt, en ten slotte dat deze regeling soepel noch efficiënt is.
66 Op grond van met name de arresten van 20 februari 1979, Rewe-Zentral, Cassis de Dijon" (120/78, Jurispr. blz. 649); 20 september 1988, Commissie/Denemarken (302/86, Jurispr. blz. 4607), en 14 juli 1998, Aher-Waggon (C-389/96, Jurispr. blz. I-4473), betogen Eco-Emballages alsmede de Duitse en de Nederlandse regering dat de in geding zijnde nationale regeling, hoewel zij onder artikel 30 van het Verdrag valt, gerechtvaardigd is door dwingende eisen in verband met milieubescherming.
67 Volgens de Franse regering en de Commissie valt de in de hoofdzaak in geding zijnde nationale regeling niet onder artikel 30 van het Verdrag.
68 Dienaangaande moet om te beginnen worden vastgesteld, enerzijds dat gelet op de antwoorden op de eerste en de tweede vraag niet behoeft te worden geantwoord op de derde vraag, voorzover deze artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377 betreft, ingeval de verwijzende rechter deze bepaling aldus uitlegt dat zij een verplichting tot merken of etiketteren inhoudt. In dat geval kan deze bepaling immers niet aan particulieren worden tegengeworpen, zoals in de punten 49 tot en met 51 van het onderhavige arrest is vastgesteld.
69 Anderzijds staat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de in artikel 234 EG voorgeschreven samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend aan de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Toch heeft het Hof eveneens geoordeeld, dat het in uitzonderlijke gevallen aan hem staat om, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder de nationale rechter hem om een prejudiciële beslissing heeft verzocht. Het Hof kan slechts weigeren een uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name arresten van 13 juli 2000, Idéal tourisme, C-36/99, Jurispr. blz. I-6049, punt 20; PreussenElektra, C-379/98, Jurispr. blz. I-2099, punt 39; 17 mei 2001, TNT Traco, C-340/99, Jurispr. blz. I-4109, punt 31, en 6 december 2001, Clean Car Autoservice, C-472/99, Jurispr. blz. I-9687, punt 14).
70 Zoals in punt 36 van het onderhavige arrest is opgemerkt, bevat het aan het Hof voorgelegde dossier geen aanwijzingen dat artikel 6, vierde alinea, van decreet nr. 92-377 voor producenten van verpakt in de handel gebrachte en voor particulier verbruik bestemde producten of voor importeurs van deze producten uit andere lidstaten de verplichting inhoudt verpakkingen te gebruiken die aan bepaalde technische voorschriften voldoen. Voorzover de derde vraag betrekking heeft op de verenigbaarheid van deze verplichting met artikel 30 van het Verdrag, moet worden vastgesteld dat het Hof niet over de gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt om een nuttig antwoord te geven op deze vraag, waar deze betrekking heeft op artikel 6, vierde alinea, van decreet nr. 92-377.
71 Bijgevolg dient op de derde vraag enkel te worden geantwoord voorzover zij betrekking heeft op de kwestie of artikel 30 van het Verdrag zich verzet tegen een nationale bepaling als artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377, en uitsluitend voor het geval dat deze bepaling aldus zou worden uitgelegd dat zij geen verplichting tot merken of etiketteren inhoudt maar enkel een algemene identificatieverplichting oplegt voor de verpakkingen die door een daartoe erkende onderneming worden verwijderd.
72 Dienaangaande zij vastgesteld dat, gesteld dat zou moeten worden uitgegaan van een dergelijke uitlegging van bedoelde nationale bepaling, de daarin neergelegde verplichting als dusdanig geen betrekking heeft op het product of op de verpakking ervan, en op zich dus geen voorschrift inhoudt betreffende de voorwaarden waaraan goederen moeten voldoen, zoals voorwaarden met betrekking tot de etikettering of de verpakking ervan (zie met name arrest van 5 april 2001, Bellamy en English Shop Wholesale, C-123/00, Jurispr. blz. I-2795, punt 18).
73 In dat geval echter kan de algemene identificatieverplichting voor verpakkingen in de zin van de genoemde nationale bepaling worden aangemerkt als een verkoopmodaliteit. Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan of is voldaan aan de dienaangaande door de rechtspraak van het Hof gestelde voorwaarden opdat deze verplichting buiten de toepassingssfeer van artikel 30 van het Verdrag zou vallen, namelijk dat de desbetreffende bepaling geldt voor alle betrokken marktdeelnemers die op het nationale grondgebied hun activiteit uitoefenen, en dat zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde gevolgen heeft voor de verhandeling van nationale producten als voor die van producten uit andere lidstaten (zie met name arresten van 24 november 1993, Keck en Mithouard, C-267/91 en C-268/91, Jurispr. blz. I-6097, punt 16, en 13 januari 2000, TK-Heimdienst, C-254/98, Jurispr. blz. I-151, punt 23).
74 Ten slotte zij vastgesteld, dat waar de strekking van de in artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377 neergelegde algemene identificatieverplichting voor verpakkingen in concreto de vorm heeft aangenomen van een verplichting tot merken ten laste van Sapod, door het aanbrengen van het logo Point Vert, deze verplichting voortvloeit uit een particuliere overeenkomst tussen de partijen in het hoofdgeding. Een dergelijke contractuele bepaling kan niet als belemmering in de zin van artikel 30 van het Verdrag worden aangemerkt, aangezien zij niet is vastgesteld door een lidstaat maar tussen particulieren is overeengekomen (zie in die zin met name arrest van 11 juli 1974, Dassonville, 8/74, Jurispr. blz. 837, punt 5, en arrest Colim, reeds aangehaald, punt 36).
75 Gelet op een en ander, dient op de derde vraag te worden geantwoord, dat een nationale bepaling als artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377, ingeval de verwijzende rechter deze bepaling aldus uitlegt dat zij geen verplichting tot merken of etiketteren inhoudt maar enkel een algemene identificatieverplichting voor verpakkingen die door een erkende onderneming worden verwijderd, kan worden aangemerkt als verkoopmodaliteit. Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan of is voldaan aan de dienaangaande door de rechtspraak van het Hof gestelde voorwaarden opdat deze verplichting buiten de toepassingssfeer van artikel 30 van het Verdrag zou vallen, namelijk dat de desbetreffende bepaling geldt voor alle betrokken marktdeelnemers die hun activiteit op het nationale grondgebied uitoefenen, en dat zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde gevolgen heeft voor de verhandeling van nationale producten als voor die van producten uit andere lidstaten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
76 De kosten door de Franse, de Duitse en de Nederlandse regering en door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Cour de cassation bij arrest van 18 april 2000 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Een nationale bepaling als artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377 van 1 april 1992 houdende toepassing, wat verpakkingsafval betreft, van de gewijzigde wet nr. 75-633 van 15 juli 1975 inzake de verwijdering en de terugwinning van afvalstoffen, kan alleen dan een technisch voorschrift zijn in de zin van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988, indien de nationale rechter beslist dat die bepaling aldus dient te worden uitgelegd dat zij een verplichting tot merken of etiketteren inhoudt.
2) Artikel 10 van richtlijn 83/189, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182, moet aldus worden uitgelegd, dat een nationale bepaling als artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377, indien zij aldus moet worden begrepen dat zij een verplichting tot merken of etiketteren inhoudt, niet ontsnapt aan de aanmeldingsplicht van artikel 8 van richtlijn 83/189.
3) Een particulier kan zich beroepen op het ontbreken van aanmelding overeenkomstig artikel 8 van richtlijn 83/189 van een nationale bepaling als artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377, ingeval deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij een verplichting tot merken of etiketteren inhoudt. De nationale rechter dient deze bepaling dan buiten toepassing te laten, met dien verstande dat naar nationaal recht wordt bepaald welke conclusie uit de niet-toepasselijkheid van deze nationale bepaling moet worden getrokken inzake de strekking van de door het toepasselijke nationale recht daaraan verbonden gevolgen, zoals de nietigheid of de niet-tegenwerpbaarheid van een overeenkomst. Deze conclusie is evenwel gebonden aan de voorwaarde dat de toepasselijke regels van nationaal recht niet ongunstiger mogen zijn dan die voor vergelijkbare vorderingen op basis van nationaal recht en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk mogen maken.
4) Ingeval richtlijn 83/189 niet van toepassing is op de bepalingen van decreet nr. 92-377, moest de betrokken lidstaat krachtens artikel 3, lid 2, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, de Commissie in kennis stellen van het ontwerp van deze nationale bepalingen.
5) Artikel 3, lid 2, van richtlijn 75/442 moet aldus worden uitgelegd, dat het particulieren geen enkel recht verleent dat zij voor de nationale rechterlijke instanties kunnen doen gelden ter verkrijging van de nietigverklaring of buitentoepassingverklaring van een binnen de werkingssfeer van deze bepaling vallende nationale wettelijke regeling, met een beroep op de omstandigheid dat deze regeling zou zijn vastgesteld zonder vooraf ter kennis van de Commissie te zijn gebracht.
6) Een nationale bepaling als artikel 4, tweede alinea, van decreet nr. 92-377 kan, ingeval de verwijzende rechter deze bepaling aldus uitlegt dat zij geen verplichting tot merken of etiketteren inhoudt maar enkel een algemene identificatieverplichting voor verpakkingen die door een erkende onderneming worden verwijderd, worden aangemerkt als verkoopmodaliteit. Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan of is voldaan aan de dienaangaande door de rechtspraak van het Hof gestelde voorwaarden opdat deze verplichting buiten de toepassingssfeer van artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) zou vallen, namelijk dat de desbetreffende bepaling geldt voor alle betrokken marktdeelnemers die hun activiteit op het nationale grondgebied uitoefenen, en dat zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde gevolgen heeft voor de verhandeling van nationale producten als voor die van producten uit andere lidstaten.
Full & Egal Universal Law Academy