Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Sociale politiek - Harmonisatie van wetgevingen - Overgang van ondernemingen - Behoud van rechten van werknemers - Richtlijn 77/187 - Uitzonderingen - Aanvullende stelsels van sociale voorzieningen voor één of meer bedrijfstakken - Ouderdomsuitkeringen - Begrip - Pensioenen en uitkeringen bedoeld om voorwaarden van dergelijke pensionering te verbeteren - Daarvan uitgesloten
(Richtlijn 77/187 van de Raad, art. 3, leden 1, 2 en 3)
2. Sociale politiek - Harmonisatie van wetgevingen - Overgang van ondernemingen - Behoud van rechten van werknemers - Richtlijn 77/187 - Overgang van verplichtingen in geval van ontslag van werknemer - Voorwaarden en grenzen - Verplichtingen die oorsprong vinden in overheidshandelingen of door dergelijke handelingen worden geïmplementeerd - Geen invloed
(Richtlijn 77/187 van de Raad, art. 3)
Samenvatting
1. Vervroegde pensioenen, alsmede uitkeringen die bedoeld zijn om de voorwaarden van een vervroegde pensionering te verbeteren, die in geval van ontslag worden uitbetaald aan werknemers vanaf een bepaalde leeftijd, zijn geen ouderdomsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen uit hoofde van voor één of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, van richtlijn 77/187 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan.
Gelet op de algemene doelstelling van bescherming van de rechten van de werknemers bij de overgang van een onderneming, waartoe richtlijn 77/187 in artikel 3, leden 1 en 2, bepaalt dat de rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder uit de arbeidsovereenkomst, de arbeidsverhouding of collectieve overeenkomsten voortvloeien, overgaan op de verkrijger, moet de in lid 3 van dit artikel neergelegde uitzondering op die regel immers strikt worden uitgelegd. Deze uitzondering is derhalve alleen van toepassing op de limitatief opgesomde uitkeringen, die in enge zin moeten worden begrepen.
( cf. punten 29-30, 32, dictum 1 )
2. Artikel 3 van richtlijn 77/187 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, moet aldus worden uitgelegd dat de in geval van ontslag van een werknemer bestaande verplichtingen die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst, een arbeidsverhouding of een collectieve overeenkomst waardoor de vervreemder jegens de werknemer is gebonden, op de verkrijger overgaan onder de voorwaarden en binnen de grenzen van dat artikel, ongeacht of die verplichtingen hun oorsprong vinden in handelingen van de overheid of door dergelijke handelingen worden geïmplementeerd en ongeacht de daartoe vastgestelde praktische uitvoeringsregels.
( cf. punt 40, dictum 2 )
Partijen
In zaak C-164/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Verenigd Koninkrijk), in het aldaar aanhangige geding tussen
Katia Beckmann
en
Dynamco Whicheloe Macfarlane Ltd,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB L 61, blz. 26),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, N. Colneric en S. von Bahr, kamerpresidenten, C. Gulmann, D. A. O. Edward, A. La Pergola, J.-P. Puissochet (rapporteur), M. Wathelet, R. Schintgen, J. N. Cunha Rodrigues en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: L. Hewlett, administrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- K. Beckmann, vertegenwoordigd door G. Millar, QC, en M. Ford, barrister, geïnstrueerd door Thompsons, solicitors,
- Dynamco Whicheloe Macfarlane Ltd, vertegenwoordigd door A. Clarke, QC, en P. Trepte, barrister, geïnstrueerd door N. Speed en M. Hunt, solicitors,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins als gemachtigde, bijgestaan door S. Moore, barrister,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Sack en C. O'Reilly als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van K. Beckmann, Dynamco Whicheloe Macfarlane Ltd, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie ter terechtzitting van 13 november 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 december 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 1 maart 2000, ingekomen bij het Hof op 5 mei daaraanvolgend, heeft de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division, krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB L 61, blz. 26; hierna: richtlijn").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen K. Beckmann en haar voormalig werkgever, Dynamco Whicheloe Macfarlane Ltd (hierna: DWM"), ter zake van een vervroegd pensioen en andere uitkeringen waarvan Beckmann meent dat die haar toekomen ten gevolge van haar ontslag wegens personeelsinkrimping door DWM en die deze laatste weigert te betalen. Beckmann meent op deze uitkeringen recht te hebben als voormalig bediende van de National Health Service (nationale gezondheidsdienst; hierna: NHS"), waarvan de onderneming of vestiging is overgegaan op DWM in de zin van de richtlijn.
De richtlijn
3 Luidens artikel 1, lid 1, is de richtlijn van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst, of een fusie".
4 Volgens artikel 2 van de richtlijn wordt verstaan onder:
[...]
a) vervreemder, iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een overgang in de zin van artikel 1, lid 1, de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of het onderdeel daarvan verliest;
b) verkrijger, iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een overgang in de zin van artikel 1, lid 1, de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of het onderdeel daarvan verkrijgt;
[...]"
5 Artikel 3 van de richtlijn luidt als volgt:
1. De rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang in de zin van artikel 1, lid 1, bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding, gaan door deze overgang op de verkrijger over.
De lidstaten mogen bepalen dat de vervreemder ook na het tijdstip van de overgang in de zin van artikel 1, lid 1, en naast de verkrijger aansprakelijk is voor de verplichtingen welke voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst of een arbeidsverhouding.
2. Na de overgang in de zin van artikel 1, lid 1, handhaaft de verkrijger de in een collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden in dezelfde mate als deze voorwaarden in deze overeenkomst waren vastgesteld voor de vervreemder tot het tijdstip waarop de collectieve overeenkomst wordt beëindigd of afloopt, of waarop een andere collectieve overeenkomst in werking treedt of wordt toegepast.
De lidstaten mogen het tijdvak waarin de arbeidsvoorwaarden moeten worden gehandhaafd beperken mits dit tijdvak niet korter wordt dan een jaar.
3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de rechten van de werknemers op ouderdomsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen uit hoofde van voor één of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen welke bestaan naast de wettelijke stelsels van sociale zekerheid van de lidstaten.
De lidstaten stellen de nodige maatregelen vast om de belangen van de werknemers, alsmede van de personen die de vestiging van de vervreemder reeds hebben verlaten op het tijdstip van de overgang in de zin van artikel 1, lid 1, te beschermen met betrekking tot hun verkrege[n] rechten of hun rechten in wording op ouderdomsuitkeringen met inbegrip van uitkeringen aan nagelaten betrekkingen uit hoofde van de in de eerste alinea bedoelde aanvullende stelsels."
Het nationale recht
De Transfer of Undertakings (Protection of Employment) Regulations 1981
6 De richtlijn is in nationaal recht omgezet bij de Transfer of Undertakings (Protection of Employment) Regulations 1981 (regeling bescherming van werknemers bij overgang van ondernemingen; hierna: TUPE"). De voor het hoofdgeding relevante bepalingen van de TUPE, die artikel 3 van de richtlijn omzetten, luiden als volgt:
5. Gevolgen van de betrokken overgang voor arbeidsovereenkomsten [...]
(1) [...] door overgang komt geen einde aan de arbeidsovereenkomst van werknemers die in de overgegane onderneming of een onderdeel daarvan in dienst waren van de vervreemder, doch overeenkomsten waaraan anders door de overgang een einde zou zijn gekomen, blijven gelden na de overgang alsof zij oorspronkelijk waren gesloten door deze werknemers en de verkrijger.
(2) Onverminderd lid 1 supra [...] wanneer de overgang voltooid is,
- gaan alle rechten, bevoegdheden en verplichtingen van de vervreemder krachtens of in verband met een dergelijke overeenkomst ingevolge deze Regulation over op de verkrijger; en
- worden alle handelingen die door of met betrekking tot de vervreemder vóór de overgang zijn verricht ten aanzien van deze overeenkomst of een werknemer in dienst van die onderneming of een onderdeel ervan, geacht te zijn verricht door of met betrekking tot de verkrijger [...]
6. Gevolgen van de overgang voor collectieve overeenkomsten
Wanneer ten tijde van de overgang een door of namens de vervreemder met een door de vervreemder erkende vakbond gesloten collectieve arbeidsovereenkomst bestaat ten aanzien van werknemers wier arbeidsovereenkomst ingevolge Regulation 5 (1) supra bescherming geniet,
(a) [...] zal die collectieve overeenkomst, wat de toepassing ervan op de werknemer betreft, na de overgang gelden als ware zij door of namens de verkrijger met die vakbond gesloten en zullen dienovereenkomstig alle verrichtingen krachtens die overeenkomst of in verband daarmee, voor bovenbedoelde toepassing, vóór de overgang door of met betrekking tot de vervreemder gedaan, na de overgang worden geacht te zijn gedaan door of met betrekking tot de verkrijger [...]
7. Uitsluiting van bedrijfspensioenregelingen
(1) Regulations 5 en 6 supra zijn niet van toepassing op:
(a) arbeidsovereenkomsten of collectieve overeenkomsten voorzover zij betrekking hebben op een bedrijfspensioenregeling in de zin van de Social Security Pensions Act 1975 of de Social Security Pensions (Northern Ireland) Order 1975; of
(b) rechten, bevoegdheden of verplichtingen krachtens of in verband met een dergelijke overeenkomst of die van kracht blijven krachtens een dergelijke overeenkomst en betrekking hebbend op een dergelijke regeling of anderszins voortvloeiend uit de arbeidsverhouding van die werknemer en betrekking hebbend op een dergelijke regeling.
(2) Wat lid 1 supra betreft, worden alle voorzieningen van een bedrijfspensioenregeling die geen betrekking hebben op ouderdomsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen geacht geen onderdeel van de regeling te vormen."
7 De verwijzende rechter preciseert dat het pensioenstelsel van de NHS een bedrijfspensioenregeling is in de zin van artikel 7, lid 1, TUPE.
De arbeidsvoorwaarden van de General Whitley Council
8 Het stelsel van de Whitley Council is een stelsel waaronder de arbeidsvoorwaarden in de openbare sector worden vastgesteld door paritaire onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers.
9 Artikel 45 van de General Whitley Council Conditions of Service (hierna: GWC- arbeidsvoorwaarden") neemt de bepalingen over van akkoorden die voor werknemers van de verschillende NHS-geledingen voorzien in de betaling van een bedrag ineens in geval van ontslag wegens personeelsinkrimping. De ontslagvergoedingen worden in dat geval door de werkgever betaald.
10 Artikel 46 van de GWC-arbeidsvoorwaarden neemt op zijn beurt de bepalingen over van het tussen de verschillende NHS-werkgevers en de erkende vakbonden gesloten collective agreement on Premature Payment of Superannuation and Compensation Benefits (collectieve overeenkomst betreffende de vervroegde uitbetaling van pensioenen en vergoedingen). Dit artikel voorziet voor werknemers tussen 50 jaar en de pensioenleeftijd, die ten minste gedurende vijf jaar onder het NHS Superannuation Scheme" (pensioenregeling van de NHS) vielen, in drie gevallen in vervroegde pensionering met onmiddellijke uitbetaling van het pensioen en de vergoedingen, namelijk bij ontslag wegens personeelsinkrimping, pensionering in het belang van de goede werking van de dienst en vervroegd pensioen bij reorganisatie. Bovendien komen deze werknemers in aanmerking voor een verhoging van het aantal pensioenjaren.
11 De voor het hoofdgeding relevante uitvoeringsbepalingen van artikel 46 van de GWC-arbeidsvoorwaarden zijn neergelegd in de NHS Pension Scheme Regulations 1995 (regeling van 1995 betreffende het pensioenstelsel van de NHS) en de NHS (Compensation for Premature Retirement) Regulations 1981 (NHS-regeling van 1981 betreffende de vergoedingen ingeval van onvrijwillige vervroegde pensionering). Die uitvoeringsbepalingen voorzien in:
- uitbetaling van een vervroegd pensioen (early retirement pension"), op basis van het aantal vervulde dienstjaren en betaald vanaf de datum van ontslag wegens economische redenen tot aan de normale pensioenleeftijd;
- vervroegde betaling van een bedrag ineens bij pensionering (lump sum on retirement"), dat normaal wordt betaald op het moment van pensionering en dat overeenstemt met drie keer het jaarlijks bedrag van het vervroegd pensioen;
- een vergoeding bestaande in een jaarlijkse toelage (annual allowance") om het vervroegd pensioen te verhogen, en
- een vergoeding in de vorm van een bedrag ineens (lump sum compensation"), zijnde drie keer de jaarlijkse toelage.
12 Deze uitkeringen worden uitbetaald door de bevoegde minister, wat betreft de eerste twee uit het NHS-pensioenstelsel. De kosten ervan moeten echter door de NHS aan de minister worden terugbetaald.
13 Wanneer die uitkeringen een bepaald niveau bereiken, wordt de in artikel 45 van de GWC-arbeidsvoorwaarden bedoelde betaling van een bedrag ineens in geval van ontslag wegens personeelsinkrimping verminderd of achterwege gelaten.
De feiten van het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
14 Beckmann heeft in dienst van de NHS voor de North West Regional Health Authority (hierna: NWRHA") gewerkt overeenkomstig de GWC-arbeidsvoorwaarden. Zij heeft bijdragen aan het NHS-pensioenstelsel betaald. Op 1 juni 1995 ging de eenheid waarvoor zij werkte over op DWM in de zin van artikel 1, lid 1, van de richtlijn en van de TUPE. Beckmann bleef voor DWM werken tot aan haar ontslag wegens personeelsinkrimping op 6 mei 1997.
15 Naar aanleiding van dit ontslag betaalde DWM Beckmann het overeenkomstig artikel 45 van de GWC-arbeidsvoorwaarden berekende bedrag ineens wegens ontslag, zonder uitkeringen op basis van artikel 46 van deze arbeidsvoorwaarden in mindering te brengen. Aangezien Beckmann 50 jaar was en meer dan vijf jaar bij het NHS-pensioenstelsel was aangesloten, voldeed zij aan de voorwaarden van artikel 46. Nochtans heeft zij op basis daarvan geen uitkering ontvangen.
16 Beckmann heeft een rechtsvordering ingediend teneinde erkenning te bekomen van haar recht op die uitkeringen en ter verkrijging van een beschikking waarbij DWM wordt gelast die te betalen.
17 Onder die omstandigheden heeft de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division, het Hof de volgende twee prejudiciële vragen gesteld:
1) Is het recht van de werknemer op vervroegde betaling van pensioen en op het bedrag ineens bij pensionering en/of op de jaarlijkse toelage en op de vergoeding in de vorm van het bedrag ineens, een recht op een ouderdomsuitkering, een invaliditeitsuitkering of een uitkering aan nagelaten betrekkingen in de zin van artikel 3, lid 3, van richtlijn 77/187/EEG van de Raad?
2) Indien en voorzover de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: is er een verplichting van de vervreemder uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, de arbeidsverhouding of de collectieve arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 3, lid 1, en/of artikel 3, lid 2, die door de overgang van de onderneming overgaat, waardoor de verkrijger bij ontslag de uitkeringen aan de werknemer moet betalen?"
De eerste vraag
18 Beckmann en de regering van het Verenigd Koninkrijk zijn van mening dat de in artikel 46 van de GWC-arbeidsvoorwaarden bedoelde uitkeringen niet vallen onder de werkingssfeer van de uitzondering van artikel 3, lid 3, van de richtlijn en dat zij bijgevolg deel uitmaken van de ten gunste van de werknemer overgegane rechten. Deze uitkeringen zijn niet verbonden met het ouderdomsrisico, hoewel zij pas vanaf een bepaalde leeftijd worden uitbetaald. Zij vloeien voort uit een specifieke regeling die van toepassing is op ontslag onder specifieke omstandigheden.
19 Om te beoordelen of uitkeringen vallen onder de gelet op de algemene doelstelling van de tekst restrictief toe te passen uitzondering van artikel 3, lid 3, van de richtlijn, dient men volgens Beckmann en de regering van het Verenigd Koninkrijk uitsluitend belang te hechten aan de doelstelling van die uitkeringen. De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt dat het Hof deze benadering heeft gevolgd in het arrest van 26 februari 1986, Roberts (151/84, Jurispr. blz. 703), waar is geoordeeld dat de toekenningsvoorwaarden voor vervroegde pensioenen in het kader van procedures van collectief ontslag wegens economische redenen niet kunnen worden gelijkgesteld met de toekenningsvoorwaarden voor normale ouderdomspensioenen. Beckmann van haar kant merkt op, dat het Hof in het arrest van 17 mei 1990, Barber (C-262/88, Jurispr. blz. I-1889), geen onderscheid heeft gemaakt tussen bij ontslag uitbetaalde vervroegde pensioenen en andere in dezelfde omstandigheden uitbetaalde vergoedingen en beide heeft aangemerkt als beloning van werknemers in de zin van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117 tot en met 120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG tot en met 143 EG).
20 Beckmann voegt hieraan toe dat het gelijkstellen van een vervroegd pensioen bij ontslag met een ouderdomsuitkering neerkomt op het invoeren van een ongelijke behandeling tussen werknemers die na een overgang van onderneming worden ontslagen. Sommige van die werknemers zouden immers nog steeds aanspraak kunnen maken op uitkeringen ten gevolge van het ontslag, die voortvloeien uit de verplichtingen van hun vorige werkgever, terwijl anderen geen aanspraak meer zouden kunnen maken op het vervroegd pensioen dat hun vorige werkgever hen onder dezelfde omstandigheden nochtans had moeten toekennen. Beckmann betoogt verder dat men zich niet moet laten misleiden door de vorm van een bij ontslag toegepaste regeling - die als vervroegd pensioen, maar ook als iets anders kan worden aangemerkt, aangezien de individuele werknemers geen werkelijke keuzevrijheid tussen de verschillende formules hebben - noch door het organisme dat materieel instaat voor de betaling van de uitkeringen aan de belanghebbenden. In casu is volgens haar van belang dat de kosten van de uitkeringen uiteindelijk zouden zijn gedragen door de werkgever, de NHS, en niet door het eigenlijke pensioenstelsel, indien Beckmann tot haar ontslag in dienst van eerstgenoemde was gebleven.
21 DWM daarentegen betoogt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde uitkeringen ouderdomsuitkeringen zijn die gedekt zijn door de uitzondering van artikel 3, lid 3, van de richtlijn. De vervroegde uitbetaling ervan neemt niet weg dat die uitkeringen van nature ouderdomsuitkeringen zijn. Vaststaat dat het pensioenstelsel van de NHS een in die bepaling bedoeld aanvullend stelsel van sociale voorzieningen voor een bepaalde bedrijfstak is. De betrokken uitkeringen worden op precies dezelfde wijze berekend als de normale ouderdomsuitkeringen van de NHS, waarbij een beroep wordt gedaan op een systeem om het geringere aantal op uitkeringen recht gevende jaren van de rechthebbende te compenseren. DWM voegt hieraan toe, dat de in artikel 46 van de GWC-arbeidsvoorwaarden bedoelde uitkeringen niet worden uitbetaald als vergoeding voor het verlies van een baan of een bediening. Dit is immers de bedoeling van de in artikel 45 van die arbeidsvoorwaarden vastgestelde uitbetaling van een bedrag ineens, die trouwens aan Beckmann is toegekend.
22 De Commissie meent dat moet worden nagegaan of de constitutieve bestanddelen en de andere bijzonderheden van de betrokken uitkeringen het mogelijk maken ze aan te merken als uitkeringen waarvan de handhaving ten gunste van de werknemer gelet op artikel 3, lid 3, van de richtlijn bij een overgang van onderneming niet verplicht is. Het beslissende criterium dienaangaande is de aard van het stelsel van sociale voorzieningen waaraan de uitkeringen zijn gekoppeld.
23 Blijkens de ontstaansgeschiedenis van de richtlijn is de uitzondering van artikel 3, lid 3, van de richtlijn verbonden met de kenmerken van de voor één of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen waarop zij betrekking heeft. De opzet en tegelijkertijd de diversiteit van deze stelsels maken het onmogelijk om aan de verkrijgers op algemene wijze op te leggen de verplichtingen na te leven die voortkomen uit stelsels met hun eigen evenwicht, waaraan deze verkrijgers vaak niet deelnemen.
24 De Commissie stelt de volgende criteria voor om te bepalen of de betrokken uitkeringen vallen onder de uitzondering van artikel 3, lid 3, van de richtlijn: de financieringswijze, de aard en het voorwerp, de toekenningsvoorwaarden en de berekeningswijze.
25 Met betrekking tot het vervroegd pensioen en het bedrag ineens bij pensionering zoals die thans in geding zijn, leidt de Commissie uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie af, dat het hier gaat om uitkeringen uit hoofde van een bedrijfspensioenregeling zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, van de richtlijn. Zij merkt in het bijzonder op dat DWM ongetwijfeld niet kan deelnemen aan het NHS-pensioenstelsel, terwijl de toekenningsvoorwaarden en de doelstellingen van die twee uitkeringen sterk blijken te lijken op die van de normale pensioenuitkeringen van dit stelsel. De Commissie merkt echter op dat de NHS-werkgever aan de minister een bijdrage moet betalen om de kosten van de twee uitkeringen te dekken; zij vraagt zich echter af uit welke bron deze bijdrage wordt gefinancierd. De Commissie stelt zich eveneens de vraag of in geval van overlijden van de betrokkene diens rechtverkrijgenden die twee uitkeringen kunnen blijven ontvangen, zoals dit het geval is voor een rustpensioen. Niettegenstaande deze vragen concludeert de Commissie dat die uitkeringen lijken te vallen onder de uitzondering van artikel 3, lid 3, van de richtlijn.
26 Met betrekking tot de betrokken jaarlijkse toelage en de vergoeding in de vorm van een bedrag ineens stelt de Commissie dat aan de hand van de verwijzingsbeschikking niet met zekerheid kan worden bepaald of deze uitkeringen worden toegekend uit hoofde van het NHS-pensioenstelsel, noch of zij tot doel hebben gedurende de periode van vervroegde pensionering een voldoende inkomen te verzekeren dan wel een ontslagvergoeding te betalen. De Commissie merkt op dat het bedrag van deze uitkeringen niet evenredig lijkt te zijn met het aantal jaren dat de betrokkene bijdragen aan het pensioenstelsel heeft betaald en dat de werkgever eveneens een bijdrage aan de minister moet storten om de kosten van deze uitkeringen te dekken. De Commissie vraagt zich verder af wat er gebeurt ingeval van overlijden van de betrokkene. Uiteindelijk spreekt zij zich over deze twee uitkeringen niet uit.
27 Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat de partijen in het hoofdgeding en de regering van het Verenigd Koninkrijk het erover eens zijn, dat ondanks het feit dat de NHS behoort tot de overheidssector, de NHS-bedienden vallen onder de nationale arbeidswetgeving en zich derhalve kunnen beroepen op de bepalingen van de richtlijn (zie in die zin arrest van 14 september 2000, Collino en Chiappero, C-343/98, Jurispr. blz. I-6659, punt 41).
28 Een regeling als neergelegd in artikel 46 van de GWC-arbeidsvoorwaarden voorziet, met name indien een bepaalde vorm van ontslag zich voordoet, in een vervroegd pensioen en in betalingen die tot doel hebben dit pensioen te verhogen.
29 Gelet op de algemene doelstelling om de rechten van de werknemers te beschermen bij de overgang van een onderneming, waartoe de richtlijn in artikel 3, leden 1 en 2, bepaalt dat de rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder uit de arbeidsovereenkomst, de arbeidsverhouding of collectieve overeenkomsten voortvloeien overgaan op de verkrijger, moet de in lid 3 van dit artikel neergelegde uitzondering op die regel strikt worden uitgelegd.
30 Deze uitzondering is derhalve alleen van toepassing op de limitatief opgesomde uitkeringen, die in enge zin moeten worden begrepen.
31 In dit verband dienen slechts als ouderdomsuitkeringen te worden aangemerkt de uitkeringen die worden uitbetaald vanaf het moment waarop de werknemer het in de algemene opzet van het betrokken pensioenstelsel voorziene normale einde van zijn loopbaan bereikt, en niet de uitkeringen die worden betaald in omstandigheden als die in het hoofdgeding, namelijk in geval van ontslag wegens personeelsinkrimping, zelfs indien deze uitkeringen worden berekend aan de hand van de berekeningswijze van de gewone pensioenen.
32 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord dat vervroegde pensioenen, alsmede uitkeringen die bedoeld zijn om de voorwaarden van een vervroegde pensionering te verbeteren, die in geval van ontslag worden uitbetaald aan werknemers vanaf een bepaalde leeftijd, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde uitkeringen, geen ouderdomsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen uit hoofde van voor één of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen zijn zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, van de richtlijn.
De tweede vraag
33 Voorzover uitkeringen zoals die in het hoofdgeding aan de orde zijn, niet vallen onder de uitzondering van artikel 3, lid 3, van de richtlijn, wenst de rechter met de tweede vraag in wezen te vernemen, of verplichtingen in geval van ontslag van een werknemer die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst, arbeidsverhouding of collectieve overeenkomst waardoor de vervreemder ten aanzien van de werknemer is gebonden, op de verkrijger overgaan onder de voorwaarden en binnen de grenzen van artikel 3 van de richtlijn, zelfs indien die verplichtingen hun oorsprong vinden in handelingen van de overheid of door dergelijke handelingen zijn geïmplementeerd volgens praktische uitvoeringsregels zoals die welke zijn vastgesteld voor de betrokken uitkeringen.
34 Beckmann, daarin bijgetreden door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie, betoogt dat het recht op de betrokken uitkeringen voortvloeide uit haar arbeidsovereenkomst of haar arbeidsverhouding met de NHS en dat in haar overeenkomst uitdrukkelijk werd bepaald, dat zij een beroep kon doen op de bepalingen van artikel 46 van de GWC-arbeidsvoorwaarden. Aangezien dit artikel voortvloeit uit een collectieve overeenkomst, zijn zij bovendien van mening dat de met dit recht gepaard gaande verplichting niet alleen krachtens artikel 3, lid 1, van de richtlijn, maar tevens krachtens artikel 3, lid 2, ervan, op de verkrijger is overgegaan. Aangezien de NWRHA tot de overheidssector behoort, is het feit dat dit recht door diverse handelingen van de overheid tot stand is gekomen zonder invloed. Hetzelfde geldt voor het feit dat de uitkeringen door de bevoegde minister worden uitbetaald alvorens door de NWRHA te worden terugbetaald. Dit betreft immers slechts een uitvoeringsmodaliteit.
35 DWM betoogt daarentegen dat de omstandigheid dat de aanspraken op de betrokken uitkeringen hun oorsprong vinden in handelingen van de overheid en dat de uitbetaling ervan geschiedt door de minister, de toepassing uitsluit van artikel 3, leden 1 en 2, van de richtlijn, dat volgens haar enkel slaat op de rechten die de werknemers tegenover de werkgever hebben uit hoofde van de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding en de collectieve overeenkomsten. In casu zou de overdragende werkgever, namelijk de NWRHA, echter verplichtingen hebben gehad tegenover de minister en niet tegenover de werknemers. Bovendien stelt DWM dat zijzelf geen enkele verplichting heeft ten aanzien van de minister.
36 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat in artikel 3, leden 1 en 2, van de richtlijn wordt bepaald dat de verkrijger gebonden is door de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang van onderneming tussen de werkgever en de vervreemder bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding, alsmede door de in een collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden, in dezelfde mate als deze voorwaarden in deze overeenkomst waren vastgesteld voor de vervreemder tot het tijdstip waarop de collectieve overeenkomst wordt beëindigd of afloopt of waarop een andere collectieve overeenkomst in werking treedt of wordt toegepast, voorzover de betrokken lidstaat het tijdvak waarin de arbeidsvoorwaarden moeten worden gehandhaafd niet heeft beperkt overeenkomstig artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn.
37 Afgezien van uit artikel 3, lid 3, van de richtlijn voortvloeiende uitzonderingen betreffende ouderdomsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen en uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, voorziet de richtlijn niet in uitzonderingen op die regels, en het bestaan van een dergelijke specifieke bepaling voert tot de slotsom, dat artikel 3, leden 1 en 2, betrekking heeft op alle aldaar genoemde rechten van werknemers die niet onder deze uitzonderingen vallen (zie in die zin arrest van 7 februari 1985, Abels, 135/83, Jurispr. blz. 469, punt 37).
38 Bijgevolg kunnen noch het feit dat de rechten of verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst, de arbeidsverhouding of een collectieve overeenkomst waardoor de vervreemder onder de in punt 36 van dit arrest in herinnering gebrachte voorwaarden is gebonden, hun oorsprong vinden in handelingen van de overheid of door dergelijke handelingen zijn geïmplementeerd, noch de daartoe vastgestelde praktische uitvoeringsregels tot gevolg hebben dat deze rechten of verplichtingen niet overgaan op de verkrijger.
39 In casu staat het in voorkomend geval aan de verwijzende rechter om na te gaan of de uitkeringen waarop Beckmann aanspraak maakt, voortvloeiden uit haar arbeidsovereenkomst of haar arbeidsverhouding met de overdragende werkgever op het tijdstip van de overgang, of uit een collectieve overeenkomst waardoor de vervreemder was verbonden en die onder de voorwaarden van artikel 3, lid 2, van de richtlijn ook de verkrijger verbindt, om te bepalen of Beckmann van DWM in haar hoedanigheid van verkrijger uitbetaling van die uitkeringen kan verlangen.
40 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat artikel 3 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de in geval van ontslag van een werknemer bestaande verplichtingen die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst, een arbeidsverhouding of een collectieve overeenkomst waardoor de vervreemder ten aanzien van de werknemer is gebonden, op de verkrijger overgaan onder de voorwaarden en binnen de grenzen van dat artikel, ongeacht of die verplichtingen hun oorsprong vinden in handelingen van de overheid of door dergelijke handelingen worden geïmplementeerd en ongeacht de daartoe vastgestelde praktische uitvoeringsregels.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
41 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division, bij beschikking van 1 maart 2000 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Vervroegde pensioenen, alsmede uitkeringen die bedoeld zijn om de voorwaarden van een vervroegde pensionering te verbeteren, die in geval van ontslag worden uitbetaald aan werknemers vanaf een bepaalde leeftijd, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde uitkeringen, zijn geen ouderdomsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen uit hoofde van voor één of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan.
2) Artikel 3 van richtlijn 77/187 moet aldus worden uitgelegd dat de in geval van ontslag van een werknemer bestaande verplichtingen die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst, een arbeidsverhouding of een collectieve overeenkomst waardoor de vervreemder ten aanzien van de werknemer is gebonden, op de verkrijger overgaan onder de voorwaarden en binnen de grenzen van dat artikel, ongeacht of die verplichtingen hun oorsprong vinden in handelingen van de overheid of door dergelijke handelingen worden geïmplementeerd en ongeacht de daartoe vastgestelde praktische uitvoeringsregels.
Full & Egal Universal Law Academy