Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Partijen
In zaak C-170/00,
Republiek Finland, vertegenwoordigd door T. Pynnä en E. Bygglin als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Niejahr en I. Koskinen als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2000/216/EG van de Commissie houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht (PB L 67, blz. 37), voorzover daarbij uitgaven tot een bedrag van 7 270 885,76 FIM die door de verzoekende lidstaat zijn gedaan bij wijze van vooruitbetaling van de speciale premies voor stieren voor de begrotingsjaren 1996 en 1997, van financiering door de Gemeenschap zijn uitgesloten,
wijstHET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, S. von Bahr, D. A. O. Edward, A. La Pergola en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 4 juli 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 september 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 mei 2000, heeft de Republiek Finland krachtens artikel 230, eerste alinea, EG, verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2000/216/EG van de Commissie van 1 maart 2000 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht (PB L 67, blz. 37, hierna; "bestreden beschikking"), voorzover daarbij uitgaven tot een bedrag van 7 270 885,76 FIM die door de verzoekende lidstaat zijn gedaan bij wijze van vooruitbetaling van de speciale premies voor stieren voor de begrotingsjaren 1996 en 1997, van financiering door de Gemeenschap zijn uitgesloten.
2 Dit bedrag komt overeen met de uitgaven die in Finland tussen 20 mei 1995 en 21 december 1996 ter zake van bedoelde speciale premies zijn gedaan.
Het juridisch kader
3 Artikel 5 van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1287/95 van de Raad van 22 mei 1995 (PB L 125, blz 1, hierna: "verordening nr. 729/70"), bepaalt:
"1. De lidstaten verstrekken de Commissie op gezette tijden de volgende gegevens die, voor de in artikel 4 bedoelde erkende betaalorganen en coördinerende instanties, betrekking hebben op de door de afdeling Garantie van het Fonds gefinancierde maatregelen:
(...)
2. Na raadpleging van het Comité van het Fonds (...)
b) keurt de Commissie vóór 30 april van het jaar na het betrokken begrotingsjaar op basis van de in lid 1, onder b, bedoelde gegevens de rekeningen van de betaalorganen goed.
Het besluit tot goedkeuring van de rekeningen heeft betrekking op de volledigheid, de juistheid en de waarheidsgetrouwheid van de ingediende rekeningen.
Dit besluit staat het nemen van nadere besluiten overeenkomstig het bepaalde onder c) niet in de weg;
c) neemt de Commissie een besluit over de bedragen die moeten worden onttrokken aan de in de artikelen 2 en 3 bedoelde communautaire financiering, wanneer zij constateert dat de desbetreffende uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn verricht.
Voordat een besluit tot weigering van financiering wordt genomen, doet de Commissie schriftelijk mededeling van de resultaten van de verificaties, en de betrokken lidstaat van zijn antwoorden, waarna beide partijen pogen overeenstemming te bereiken over het daaraan te geven gevolg.
Indien overeenstemming uitblijft, kan de lidstaat vragen om inleiding van een procedure die de standpunten binnen vier maanden tot elkaar moet brengen; de resultaten daarvan worden neergelegd in een verslag dat aan de Commissie wordt overgemaakt en door deze instelling wordt bestudeerd voordat een besluit tot weigering van financiering wordt genomen.
De Commissie bepaalt de te aantrekken bedragen met name aan de hand van de draagwijdte van de niet met de voorschriften strokende uitvoering. De Commissie houdt daarbij rekening met de aard en de ernst van de overtreding, alsmede met de voor de Gemeenschap ontstane financiële schade.
Financiering kan niet worden geweigerd voor uitgaven die meer dan 24 maanden vóór de schriftelijke mededeling door de Commissie van de resultaten van die verificaties aan de betrokken lidstaat zijn gedaan. Deze bepaling geldt echter niet voor de financiële gevolgen die moeten worden getrokken:
- uit onregelmatigheden in de zin van artikel 8, lid 2,
- in verband met nationale steunmaatregelen of inbreuken waartegen de procedure van artikel 93 of 169 van het Verdrag is ingeleid.
3. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden volgens de procedure van artikel 13 vastgesteld. Deze bepalingen hebben met name betrekking op de in lid 1 bedoelde verklaring betreffende de rekeningen en op de procedures inzake de in lid 2 bedoelde besluiten."
4 In artikel 8, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 1663/95 van de Commissie van 7 juli 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad aangaande de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie (PB L 158, blz. 6), is bepaald:
"1. Indien de Commissie op grond van een onderzoek van mening is, dat bepaalde uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn gedaan, stelt zij de betrokken lidstaat in kennis van haar bevindingen van de correctiemaatregelen die moeten worden genomen om naleving in de toekomst te garanderen en van een raming van de uitgaven die zij op grond van artikel 5, lid 2, onder c, van verordening (EEG) nr. 729/70 kan voorstellen, te onttrekken. De kennisgeving verwijst naar de onderhavige uitvoeringsbepalingen. De lidstaat geeft binnen twee maanden een antwoord en de Commissie kan haar positie wijzigen. In gegronde gevallen kan de Commissie toestemming verlenen tot een verlenging van deze antwoordtermijn.
Na afloop van de antwoordtermijn, stelt de Commissie een bilaterale bespreking vast en beide partijen zullen proberen tot overeenstemming te komen omtrent de te nemen maatregelen. De Commissie doet vervolgens haar conclusies formeel aan de lidstaat toekomen, onder verwijzing naar beschikking 94/442/EG.
2. De besluiten als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder c, van verordening (EEG) nr. 729/70 worden genomen na onderzoek van elk overeenkomstig beschikking 94/442/EG door het bemiddelingsorgaan opgesteld rapport."
De onderhavige goedkeuringsprocedure
5 In april 1997 hebben de controlediensten van het EOGFL in Finland verificaties ter plaatse verricht naar de toepassing van het stelsel van premies voor koeien, stieren en ooien, en de uitvoering van verordening (EG) nr. 1357/96 van de Raad van 8 juli 1996 tot vaststelling van extra betalingen in 1996 boven op de premiebedragen die zijn vastgesteld in verordening (EEG) nr. 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees en tot wijziging van die verordening (PB L 175, blz. 9).
6 Op 20 mei 1997 heeft de Commissie aan de Finse Permanente vertegenwoordiging bij de Europese Unie te Brussel (hierna: "permanente vertegenwoordiging") en het Finse ministerie van Land- en Bosbouw te Helsinki een document gestuurd in de Finse taal (hierna: "document van 20 mei 1997"), waarin zij de Finse regering attendeert op tekortkomingen in het Finse controlestelsel die zij bij de verificaties ter plaatse had geconstateerd. Zij gaf te kennen zich het recht voor te behouden om later haar standpunt te bepalen omtrent de uitsluiting van communautaire financiering van de uitgaven met betrekking tot de speciale premies voor stieren in de verkoopseizoenen 1995 en 1996, en verzocht om antwoord binnen twee maanden na ontvangst van het document.
7 Ofschoon het document van 20 mei 1997 de vorm had van een telex, was het volgens de Finse regering per fax verzonden, hetgeen wordt bevestigd door de aanduidingen in de bovenmarge van het document. Naar het schijnt was eerst een in het Engels gestelde telex van gelijke inhoud, gedateerd op 7 mei 1997, verzonden, waarnaar in het document van 20 mei 1997 wordt verwezen.
8 Bij brief van 21 juli 1997 heeft de Finse regering op het document van 20 mei 1997 geantwoord dat zij rekening had gehouden met de voorstellen en opmerkingen van de Commissie.
9 In een in het Fins gestelde brief van 17 september 1998 aan de permanente vertegenwoordiging, die aldaar op 18 september werd ontvangen, en met afschrift aan het ministerie, dat deze op 24 september 1998 heeft ontvangen (hierna: "brief van 17 september 1998"), deelde de Commissie onder verwijzing naar artikel 8 van verordening nr. 1663/95 en artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70, de Finse regering mee dat zij voornemens was voor te stellen een deel van de over de begrotingsjaren 1996 en 1997 gedeclareerde kosten aan communautaire financiering te onttrekken. Als grond voor deze correctie noemde de Commissie, dat de controles niet overeenkomstig de regels waren uitgevoerd, zoals bleek uit de resultaten van haar verificaties, die waren opgenomen in een bijlage bij de brief van 17 september 1998. De Finse regering werd eraan herinnerd, dat zij over een antwoordtermijn van twee maanden na betekening van de brief beschikte.
10 De bijlage, waarin de gedetailleerde bevindingen uit de ter plaatse gehouden verificaties van de diensten van de EOGFL en de verzoeken om aanvullende inlichtingen zouden zijn opgenomen, was niet gevoegd bij de brief van 17 september 1998. Op verzoek van de Finse regering heeft de Commissie de in het Fins gestelde bijlage op 11 december 1998 aan het ministerie toegestuurd, met een begeleidende brief, eveneens in het Fins, waarin de laatste alinea van de brief van 17 september 1998 werd herhaald (hierna: "brief van 11 december 1998"). Dit schrijven bereikte het ministerie op 22 december daaraanvolgend; een afschrift aan de permanente vertegenwoordiging kwam aldaar aan op 14 december.
11 Volgens de Commissie was op 10 juli 1998 een Engelse versie van de brief van 17 september 1998 met de bijlage daarbij naar de permanente vertegenwoordiging gezonden, met afschrift aan het ministerie.
12 Na een briefwisseling liet de Finse regering de Commissie bij schrijven van 5 augustus 1999 weten, dat zij zich op de vervaltermijn in artikel 5, lid 2, sub c van verordening nr. 729/70 beriep en dat volgens haar de Commissie uitgaven die meer dan 24 maanden vóór 22 december 1998 - de datum waarop de bijlage bij de brief van 17 september 1998 haar had bereikt - waren gedaan, niet aan financiering mocht onttrekken.
13 De uitgaven die de Commissie aldus niet meer zou mogen onttrekken, belopen volgens de - door de Commissie niet betwiste - berekeningen van de Finse regering 7 270 885,76 FIM.
14 De Commissie heeft in de bestreden beschikking niettemin ook de litigieuze uitgaven die tussen 20 mei 1995 en 21 december 1996 waren gedaan, aan financiering onttrokken.
Het enige middel
15 In haar enige middel betoogt de Finse regering, dat de bestreden beschikking is vastgesteld in strijd met artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 en artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95. Uit die bepalingen blijkt volgens haar, dat de termijn van 24 maanden in het eerstgenoemde artikel doelt op de 24 maanden voorafgaande aan een schriftelijke mededeling van de Commissie aan de betrokken lidstaat, waarin de resultaten van de verificaties en de bevindingen van de Commissie zijn opgenomen en uitdrukkelijk wordt verwezen naar verordening nr. 1663/95.
16 De Finse regering betoogt dat het document van 20 mei 1997 niet aan die voorwaarden voldoet, omdat het volgens haar geen schriftelijke mededeling is in de zin van artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 en artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95. Ten eerste is het volgens haar geen brief, en een telex of een faxbericht voldoet niet aan het vereiste van de schriftelijke vorm. Ten tweede is uit de bewoordingen van het document van 20 mei 1997 niet op te maken dat een termijn begint te lopen. Ten derde bevat het geen verwijzing naar verordening nr. 1663/95, zoals vereist in artikel 8, lid 1, van deze verordening.
17 Alleen de brief van 17 september 1998 beantwoordt volgens haar in beginsel aan de gestelde vereisten. Omdat de Commissie evenwel verzuimd had bij die brief de bijlage met de resultaten van de verificaties te voegen, komt voor de berekening van de 24 maanden enkel 22 december 1998, de datum waarop die bijlage door het ministerie was ontvangen, in aanmerking en niet 20 mei 1997.
18 De Commissie betoogt dat de in artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 bedoelde termijn van 24 maanden op 20 mei 1997 is geëindigd, omdat het document van die datum aan alle gestelde eisen beantwoordt.
19 De ratio van de regel van 24 maanden is volgens haar, dat de lidstaten niet nog meerdere jaren na het betrokken begrotingsjaar met financiële correcties mogen worden geconfronteerd zonder voor dat risico te zijn gewaarschuwd. Deze ratio is op eenvoudige wijze te bereiken door een bericht, waarin de belangrijkste conclusies van de Commissie schriftelijk en duidelijk worden vermeld en waarin de mogelijkheid van financiële correcties wordt opengelaten. Vanuit het oogpunt van de eerbiediging van het gewettigd vertrouwen van de betrokken lidstaat is dus niet zozeer van belang of deze schriftelijke kennisgeving een bepaalde vorm heeft, als wel dat zij haar doel vervult, de lidstaten afdoende te waarschuwen voor het risico van toekomstige correcties.
20 In casu beantwoordt het document van 20 mei 1997 volgens haar aan dit doel. Het document heeft als faxbericht een schriftelijke vorm, het bevat alle nodige informatie en stelt een antwoordtermijn van twee maanden. Een uitdrukkelijke vermelding dat de "verjaringstermijn" van 24 maanden wordt gestuit, is volgens haar niet nodig. Ook een verwijzing naar artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95 is niet vereist. Er is immers geen verband tussen die bepaling en artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70, zoals blijkt uit het tweede visum van de preambule van verordening nr. 1663/95, volgens hetwelk artikel 5, lid 3, en niet artikel 5, lid 2, van verordening nr. 729/70 de rechtsgrondslag voor de richtlijn is.
21 Subsidiair betoogt de Commissie dat de termijn van 24 maanden is geëindigd op 18 september 1998, de datum van ontvangst van de brief van 17 september 1998, aangezien die brief, zelfs indien hij niet vergezeld ging van de bijlage met de resultaten van de verificaties door de controlediensten van het EOGFL, reeds op 10 juli 1998 in het Engels was toegezonden en de resultaten van negen controles ter plaatse in aanwezigheid van de Finse autoriteiten bevatte. In dit opzicht moet de brief van 11 december 1998 volgens de Commissie als een instemming met een verlenging van de voor beantwoording gestelde termijn worden beschouwd.
22 Voor de datum van ontvangst van de brief van 11 december 1998 en de bijlage bij deze brief is volgens de Commissie trouwens de betekening aan de permanente vertegenwoordiging op 14 december 1998 bepalend en niet de datum van aankomst op het ministerie.
23 Op de subsidiaire argumenten van de Commissie antwoordt de Finse regering, dat de brief in het Engels van 10 juli 1998 in elk geval niet aan de gestelde vormvereisten voldoet. Artikel 3 van verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, 17, blz. 385), zoals gewijzigd bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, blz. 21 en PB 1995, L 1, blz. 1), schrijft voor dat "de stukken die door de instellingen aan een lidstaat of aan een persoon ressorterende onder de jurisdictie van een lidstaat worden gezonden, worden gesteld in de taal van die staat".
24 Bovendien heeft de permanente vertegenwoordiging op 14 december 1998 slechts een afschrift van de brief van 11 december 1998 ontvangen. De originele brief is volgens haar uitdrukkelijk aan het ministerie geadresseerd, zodat de datum van ontvangst door het ministerie, 22 december 1998, bepalend is.
Beoordeling door het Hof
25 Vooraf zij herinnerd aan het bepaalde in artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70: "Financiering kan niet worden geweigerd voor uitgaven die meer dan 24 maanden vóór de schriftelijke mededeling door de Commissie van de resultaten van die verificaties [door de Commissie] aan de betrokken lidstaat zijn gedaan."
26 Verordening nr. 1663/95, de verordening tot uitvoering van verordening nr. 729/70, bepaalt in artikel 8, lid 1, eerste alinea, wat die schriftelijke mededeling moet inhouden. Volgens dat artikel moet de betrokken kennisgeving mededelen welke correctiemaatregelen moeten worden genomen om naleving in de toekomst te garanderen, moet zij een raming geven van de uitgaven die zij kan voorstellen te onttrekken, en moet zij een verwijzing bevatten naar verordening nr. 1663/95.
27 Het argument van de Commissie dat er geen verband bestaat tussen artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 en artikel 8 van verordening nr. 1663/95, kan niet worden aanvaard. Blijkens de bewoordingen van deze bepalingen handelen zij beide over de mededeling van de resultaten van de onderzoeken door de controlediensten van het EOGFL in de lidstaten. Weliswaar spreekt artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 van de "resultaten van die verificatie" en artikel 8, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1663/95 van "bevindingen op grond van een onderzoek", maar het is niettemin duidelijk dat zij doelen op dezelfde fase van de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling "Garantie", namelijk de verificaties ter plaatse in de lidstaten door de diensten van de Commissie.
28 Daarom moet worden nagegaan of het document van 20 mei 1997 voldoet aan de vereisten van artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1663/95.
29 Wat de vormvereisten betreft, maakt artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95 onderscheid tussen enerzijds de in de eerste alinea bedoelde "kennisgeving van bevindingen", waarom het in casu gaat, en anderzijds het in de tweede alinea bedoelde "formeel doen toekomen van conclusies", hetgeen in een latere fase geschiedt. Dat betekent dat de eerste kennisgeving niet aan even strikte vormvereisten behoeft te voldoen als de tweede. Immers, zoals de advocaat-generaal heeft uiteenzet in de punten 62 tot en met 71 van zijn conclusie, heeft het schriftelijkheidsvereiste in dit stadium van de procedure louter een bewijsfunctie in de relatie tussen de Commissie en de betrokken lidstaat. Die bewijsfunctie wordt verzekerd door iedere vorm van schriftelijke vastlegging. Daarom kan de kennisgeving van bevindingen geschieden door verzending van een geschrift per telex of faxbericht.
30 In dit geval voldoet het document van 20 mei 1997 dus aan de vormvereisten van artikel 8, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1663/95.
31 In de tweede plaats moet worden onderzocht, of het document van 20 mei 1997 aan de andere gestelde vereisten voldoet. Het document is, aldus de aanhef, aan de nationale autoriteiten gezonden "om formeel en zo vroeg mogelijk de belangrijkste redenen tot zorg mee te delen die bij de controle zijn geconstateerd". Eerst wordt het controlesysteem voor de premies voor vlees in de betrokken lidstaat beschreven en vervolgens wordt ingegaan op de volgende punten: tekortkomingen bij de behandeling van aanvragen voor de premies, boekhoudkundige aspecten, door de diensten van het EOGFL ondervonden problemen bij de controle van de rekeningen, analyse van de risico's, beschrijving van het aantal ter plaatse uitgevoerde controles, gedetailleerde onderzoeksresultaten en tekortkomingen die bij de verificaties ter plaatse zijn geconstateerd. Ten slotte zegt de Commissie, zich het recht voor te behouden om later een beroep in te stellen met betrekking tot de speciale premies voor stieren voor de verkoopseizoenen 1995 en 1996 teneinde de uitgaven in verband met afgewezen aanvragen terug te vorderen. Het document besluit met een verzoek aan de nationale autoriteiten om hun antwoord op deze punten binnen twee maanden na ontvangst van het document te doen toekomen.
32 In die omstandigheden beantwoordt het document van 20 mei 1997 aan de vereisten van een kennisgeving van de resultaten van de verificaties ter plaatse en van de te nemen correctiemaatregelen, die als uitgangspunt voor de in artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 bedoelde termijn van 24 maanden dient. Een expliciete vermelding van die termijn is volgens de geldende regeling niet vereist. Overigens vermeldt het document van 20 mei 1997 ook de antwoordtermijn van twee maanden, zoals voorgeschreven in artikel 8 van verordening nr. 1663/95.
33 Daarentegen bevat het document van 20 mei 1997 geen uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 8 van verordening nr. 1663/95. Daarom moet worden onderzocht of dit verzuim op zichzelf voldoende reden is om het document niet als een schriftelijke mededeling te beschouwen.
34 Vastgesteld moet worden dat de Commissie gehouden is om in haar relaties met de lidstaten de voorwaarden na te leven die zij zichzelf in uitvoeringsverordeningen heeft opgelegd. Evenwel mogen de lidstaten in hun relaties met de Commissie niet vasthouden aan een puur formalistische opstelling, wanneer uit de omstandigheden blijkt dat hun rechten volledig zijn beschermd. In casu heeft het document van 20 mei 1997, zoals vermeld in punt 31 van dit arrest, de Finse regering volledig ingelicht omtrent de bezwaren van de Commissie en de correcties die waarschijnlijk in de betrokken premies zouden worden aangebracht, zodat het de waarschuwende functie heeft vervuld die in de artikelen 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 en 8, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1663/95 aan een schriftelijke mededeling is toegedacht. In die omstandigheden levert de enkele omissie van een verwijzing in dat document naar verordening nr. 1663/95 geen schending van een wezenlijk vormvereiste op.
35 Hieruit volgt dat de beweringen van de Finse regering niet kunnen worden aanvaard en dat de Commissie ervan mocht uitgaan dat de uitgaven waarvan zij de financiering niet meer mocht weigeren, de uitgaven waren die vóór 20 mei 1995, dat wil zeggen 24 maanden voor de betekening van het document, waren gedaan. Derhalve behoeven de subsidiaire argumenten van de Commissie met betrekking tot de na die datum uitgewisselde documenten geen behandeling meer.
36 Gelet op de voorgaande overwegingen, moet het beroep van de Finse republiek worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
37 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Republiek Finland in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst de Republiek Finland in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy