Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Partijen
In zaak C-171/00 P,
Alain Libéros, tijdelijk functionaris van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door M.-A. Lucas, avocat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (enkelvoudige kamer) van 9 maart 2000, Libéros/Commissie (T-29/97, JurAmbt. 2000, blz. I-A-43 en II-185), strekkende tot vernietiging van dat arrest en tot toewijzing van rekwirants vorderingen in eerste aanleg,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall als gemachtigde, bijgestaan door B. Wägenbaur, avocat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, A. La Pergola, L. Sevón, M. Wathelet en C. W. A. Timmermans (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 4 juli 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 november 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 mei 2000, heeft Libéros krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 9 maart 2000, Libéros/Commissie (T-29/97, JurAmbt. blz. I-A-43 en II-185; hierna: "bestreden arrest"), houdende verwerping van zijn beroep tot nietigverklaring van de besluiten van de Commissie van respectievelijk 15 maart 1996, waarbij rekwirant definitief is ingedeeld in rang A 7, en 5 november 1996, waarbij zijn tegen dat indelingsbesluit ingediende klacht is afgewezen.
Het rechtskader en de feiten
Het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht
2 Artikel 14, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, zoals gewijzigd bij besluit van het Gerecht van 17 mei 1999 met het oog op de invoering van de enkelvoudige kamer (PB L 135, blz. 92), luidt als volgt:
"1. De volgende zaken kunnen, wanneer zij aanhangig zijn bij een kamer bestaande uit drie rechters, door de rechter-rapporteur als alleensprekende rechter worden berecht, indien zij, gelet op de geringe moeilijkheid van de gerezen rechtsvragen of feitelijke vragen, het geringe belang van de zaak en het ontbreken van andere bijzondere omstandigheden, zich daartoe lenen en zijn toegewezen op de wijze als voorzien in artikel 51:
a) de zaken die aanhangig zijn gemaakt krachtens artikel 236 EG-Verdrag en artikel 152 EGA-Verdrag;
(...)
2. Aan een alleensprekende rechter kunnen niet worden toegewezen:
a) zaken waarin vragen betreffende de wettigheid van een handeling van algemene strekking rijzen;
(...)"
3 Artikel 14, lid 2, punt 3, van het Reglement voor de procesvoering luidt als volgt:
"De alleensprekende rechter verwijst de zaak naar de kamer, indien hij vaststelt dat niet meer aan de voorwaarden voor deze toewijzing wordt voldaan."
4 Artikel 51, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering luidt als volgt:
"De beslissing om in de gevallen bepaald bij artikel 14, lid 2, een zaak aan een alleensprekende rechter toe te wijzen, wordt, nadat partijen zijn gehoord, met eenstemmigheid genomen door de kamer bestaande uit drie rechters, waarvoor de zaak aanhangig is."
Bepalingen van toepassing op de indeling van ambtenaren
5 Artikel 31 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") luidt als volgt:
"1. De aldus gekozen kandidaten worden aangesteld:
- in de aanvangsrang van hun categorie of groep, indien het ambtenaren betreft van categorie A of van de groep voor de talendienst;
(...)
2. Het tot aanstelling bevoegde gezag kan echter van bovenstaande bepalingen binnen de volgende grenzen afwijken:
(...)
b) voor de overige rangen [andere dan de rangen A 1, A 2, A 3 en LA 3]:
- voor een derde van het aantal opengevallen plaatsen,
- voor de helft van het aantal nieuwe plaatsen.
Behoudens voor rang LA 3 geldt deze bepaling per reeks van zes te bezetten ambten in iedere rang."
6 Bij besluit van 1 september 1983 heeft de Commissie de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving nader bepaald (hierna: "besluit van 1 september 1983"). Behoudens uitdrukkelijk bepaalde uitzonderingen in de artikelen 1 en 5, bepaalt artikel 5 van dit besluit, dat de bepalingen ervan mutatis mutandis van toepassing zijn op de aanwerving van tijdelijke functionarissen.
7 Artikel 2 van het besluit van 1 september 1983, met als opschrift "Vaststelling van graad en salaristrap bij aanwerving", bepaalt in de derde en de zesde alinea, in de versie zoals die gold op 1 juli 1995, het volgende:
"Het tot aanstelling bevoegde gezag stelt een ambtenaar op proef aan in de aanvangsrang van de loopbaan waarvoor hij is aangeworven.
De beroepservaring voor indeling in de eerste salaristrap van de aanvangsrang van elke loopbaan bedraagt ten minste:
- 12 jaar voor de rangen A 5 en LA 5
- 3 jaar voor de rangen A 7 en LA 7
(...)
Bij de beoordeling van de beroepservaring wordt rekening gehouden met de voor de datum van aanbieding van het ambt verrichte bezigheden.
(...)
De beroepservaring wordt slechts aangerekend vanaf het tijdstip van het verkrijgen van het eerste diploma dat overeenkomstig artikel 5 van het Statuut toegang verleent tot de categorie waartoe het te vervullen ambt behoort, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 2 van bijlage I bij onderhavig besluit, en deze ervaring moet qua niveau met deze categorie overeenstemmen."
8 De aan het geding ten grondslag liggende feiten worden in het bestreden arrest als volgt beschreven:
"7 Op 25 oktober 1993 heeft verzoeker bij de Commissie gesolliciteerd in verband met een selectieprocedure voor tijdelijke functionarissen. De aankondiging van de selectieprocedure voor de administratieve eenheid 3 $Kwaliteit, certificatie en conformiteitsmerken' van directoraat B $Regelgeving en normalisatie; telematicanetwerken' van directoraat-generaal $Industrie' (DG III) specificeerde dat het om een A 7/A 4-post ging.
8 Op 17 oktober 1994 bood de Commissie verzoeker een ambt aan van tijdelijk functionaris, met de vermelding dat hij de functie van administrateur zou uitoefenen, voor de duur van drie jaar, en dat hij zou worden ingedeeld $in categorie A, rang 7, eerste salaristrap (onder voorbehoud van de bevestiging door het indelingscomité, dat later zou beslissen over [zijn] definitieve indeling).'
9 Op 14 november 1994 aanvaardde verzoeker het aanbod van de Commissie met de verklaring, dat hij bereid was op 1 juli 1995 in dienst van de Commissie te treden.
10 Op 23 juni 1995 tekende verzoeker de aanwervingsovereenkomst, gedateerd 7 oktober 1994, volgens welke hij werd aangeworven als administrateur (artikel 2, eerste alinea) en ingedeeld in categorie A, rang 7, eerste salaristrap, met een anciënniteit in die salaristrap vanaf 1 juli 1995 (artikel 3).
11 Op 30 augustus 1995 schreef verzoeker een nota aan de voorzitter van het indelingscomité met het verzoek om te worden heringedeeld in rang A 5, rekening houdend met zijn beroepservaring van vijftien jaar, zes maanden en zes dagen op de datum van zijn aanwervingsovereenkomst, 7 oktober 1994.
12 De Commissie bezorgde verzoeker een aanhangsel bij de aanwervingsovereenkomst, gedateerd 15 maart 1996, waarin zijn definitieve indeling werd bepaald in rang A 7, derde salaristrap, met een anciënniteit in die salaristrap vanaf 1 juli 1995 (hierna: $besluit van 15 maart 1996').
13 Op 28 maart 1996 diende verzoeker bij de Commissie op basis van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in tegen het besluit van 15 maart 1996, omdat daarin geen gevolg was gegeven aan zijn verzoek tot herindeling in rang A 5 met toekenning van de overeenstemmende anciënniteit. De klacht werd op 23 april 1996 ingeschreven op het secretariaat-generaal van de Commissie.
14 Bij besluit van 5 november 1996 is de klacht uitdrukkelijk afgewezen (hierna: $besluit van 5 november 1996'). Verzoeker bevestigde de ontvangst van dit besluit op 11 november 1996. Het besluit preciseert dat krachtens artikel 2, tweede en zesde alinea, van het besluit [van 1 september] 1983, het door verzoeker in juni 1983 behaalde diploma economisch en sociaal beleid, het diploma is dat in aanmerking is genomen bij de berekening van de ervaring van verzoeker. Bijgevolg is zijn ervaring aangerekend van juni 1983 tot oktober 1994, de datum van de brief waarin het ambt werd aangeboden, hetgeen overeenstemt met elf jaar en vier maanden. Het besluit van 5 november 1996 vermeldt tevens dat het tot aanstelling bevoegde gezag verzoekers dossier opnieuw heeft onderzocht in het licht van het beginsel vervat in het arrest van het Gerecht van 5 oktober 1995, Alexopoulou/Commissie (T-17/95, JurAmbt. blz. I-A-227 en II-683), volgens hetwelk bij wijze van uitzondering mag worden aangeworven in de hoogste rang van de loopbaan, inzonderheid wanneer de specifieke behoeften van de dienst de aanwerving van een bijzonder kundig persoon vereisen of wanneer de aangeworven persoon uitzonderlijke kundigheden bezit. Het tot aanstelling bevoegde gezag handhaafde zijn standpunt en oordeelde dat er in het onderhavige geval geen reden was om een dergelijke afwijking toe te staan."
Het procesverloop voor het Gerecht en het bestreden arrest
9 Overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 14, lid 2, punt 1, en 51, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft de Eerste kamer de zaak op 9 november 1999 toegewezen aan de voorzitter van het Gerecht, zetelend als alleensprekende rechter.
10 Libéros voerde drie middelen aan tot staving van zijn beroep. Het eerste middel berustte op schending van artikel 2, tweede alinea, van het besluit van 1 september 1983. Het tweede, subsidiaire, middel berustte op onwettigheid van dat besluit op grond dat het artikel 2, eerste alinea, toepasselijk verklaart op tijdelijke functionarissen die zijn aangeworven op basis van artikel 2, sub a, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: "RAP"). In punt 19 van de repliek voor het Gerecht, preciseerde Libéros dat de aangevoerde onwettigheid tevens sloeg op artikel 2, derde alinea, van het besluit van 1 september 1983, betreffende de dies ad quem voor de beoordeling van de beroepservaring. Het derde, nog meer subsidiaire middel, richtte zich in het eerste onderdeel op het ontbreken van motivering van de besluiten van 15 maart en 5 november 1996 en in het tweede onderdeel op schending van artikel 31, lid 2, van het Statuut.
11 Het Gerecht heeft eerst uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het beroep. In de punten 29 tot 34 van het bestreden arrest stelt het vast dat het verzoekschrift te laat werd ingediend, maar oordeelt het dat Libéros een verschoonbare dwaling had begaan door als aanvang van de termijn voor het indienen van beroep, de datum te nemen waarop zijn klacht was ingeschreven op het secretariaat-generaal van de Commissie. Rekwirant had zich gebaseerd op de door de Commissie gepubliceerde, verwarrende Mededelingen van de Administratie nr. 635, van 16 juli 1990, inzake de wijze waarop de op grond van artikel 90 van het Statuut ingediende verzoeken en klachten worden behandeld en inzake de berekeningswijze van termijnen, evenals op onjuiste informatie die door een ambtenaar van DG IX was verstrekt. Bijgevolg is het beroep ontvankelijk verklaard.
12 Wat de zaak ten gronde betreft heeft het Gerecht "in het licht van de omstandigheden van de zaak" onderzocht of artikel 2 van het besluit van 1 september 1983, zoals in casu individueel toegepast door de Commissie, waarbij enkel rekening wordt gehouden met van vóór de aanbieding van het ambt daterende beroepservaring, strijdig is met artikel 31 van het Statuut.
13 Het Gerecht heeft het bestreden arrest als volgt gemotiveerd:
"48 Verzoeker voert aan dat zijn beroepservaring niet op de datum van de aanbieding van het ambt had moeten worden beoordeeld, maar op de datum waarop zijn aanwervingsovereenkomst inging, namelijk op 1 juli 1995. Bijgevolg moet worden onderzocht of, in het licht van de omstandigheden van de onderhavige zaak, artikel 2 van het besluit van 1 september 1983, zoals in casu individueel toegepast door de Commissie, waarbij enkel rekening wordt gehouden met van vóór de aanbieding van het ambt daterende beroepservaring, strijdig is met artikel 31 van het Statuut.
49 Blijkens het arrest van het Gerecht van 9 juli 1997, Monaco/Parlement (T-92/96, JurAmbt. blz. I-A-195 en II-573, punt 46), kan $[d]e uitoefening van de door artikel 31, lid 2, van het Statuut aan het tot aanstelling bevoegd gezag verleende discretionaire bevoegdheid (...), overeenkomstig de rechtspraak bij wege van intern besluit worden geregeld, zoals nieuwe interne richtsnoeren van het Parlement. In beginsel staat immers niets eraan in de weg, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de uitoefening van de hem door het Statuut verleende discretionaire bevoegdheid regelt bij wege van een intern besluit met algemene strekking. (...) Een dergelijk intern richtsnoer moet worden beschouwd als een indicatieve gedragsregel die de administratie zichzelf oplegt en waarvan zij, op straffe van schending van het beginsel van gelijke behandeling, niet zonder vermelding van redenen kan afwijken. (...)'
50 Het besluit van 15 maart 1996 voert een intern besluit met algemene strekking uit, namelijk het besluit van 1 september 1983, dat in artikel 2, derde alinea, uitdrukkelijk bepaalt dat de datum van aanbieding van het ambt als peildatum wordt genomen voor de berekening van de beroepservaring die voor de indeling in aanmerking wordt genomen.
51 Dat richtsnoer is zowel om administratieve redenen als om redenen ten gronde in overeenstemming met het Statuut.
52 In de eerste plaats kan op het moment waarop het aanbod van het ambt wordt opgesteld, onmogelijk rekening worden gehouden met eventuele beroepservaring in de periode tussen dit aanbod en de daadwerkelijke indiensttreding van de sollicitant.
53 In de tweede plaats verstrijkt er normaal gezien slechts zeer weinig tijd tussen de opstelling van het aanbod en het tijdstip waarop dit aan de kandidaat wordt toegestuurd, net zomin als tussen dat toesturen en de aanvaarding of de afwijzing van het aanbod.
54 In de derde plaats verstrijkt er in de regel ook nauwelijks tijd tussen de ondertekening van de overeenkomst en de daadwerkelijke indiensttreding van de functionaris.
55 Ten slotte zou, indien de instelling gehouden was de voorwaarden van het aanbod te herzien nadat de aangeworven functionaris die heeft aanvaard, teneinde rekening te houden met beroepservaring die deze laatste heeft verworven tussen het tijdstip van het aanbod en de daadwerkelijke indiensttreding, de functionaris zonder objectieve redenen of zonder dat de instelling dit echt kan controleren, de indiensttreding kunnen uitstellen om een betere indeling te verkrijgen.
56 Aangaande het argument dat verzoeker baseert op het arrest [van het Gerecht van 7 februari 1991, Tagaras/Hof van Justitie, T-18/89 en T-24/89, Jurispr. blz. II-53], zij opgemerkt dat de omstandigheden van de onderhavige zaak verschillen van die in het aangevoerde arrest. In die zaak ontbrak onder meer een algemeen besluit inzake de aanstelling in rang en de indeling in salaristrap bij aanwerving. Bovendien had verweerder zich in die zaak gebaseerd op de datum van indiening van de sollicitatie - een andere en veel eerdere datum dan die welke de Commissie in het onderhavige geval heeft gehanteerd - om de beroepservaring van de betrokkene te beoordelen. Bijgevolg doet dat arrest hier niet ter zake.
57 Hieruit volgt dat de Commissie gerechtigd was om in haar besluit van 15 maart 1996 de datum waarop het ambt werd aangeboden te hanteren als uiterste datum om rekening te houden met de beroepservaring overeenkomstig haar besluit van 1 september 1983."
14 Mitsdien heeft het Gerecht het beroep van Libéros verworpen en elk der partijen in de eigen kosten verwezen.
De hogere voorziening
15 Libéros vordert vernietiging van het bestreden arrest, toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde en verwijzing van de Commissie in de kosten.
16 De Commissie vordert verwerping van de hogere voorziening en verwijzing van Libéros in de kosten.
17 Libéros voert drie middelen aan tot staving van zijn hogere voorziening. Het eerste middel berust op schending van artikel 14, lid 2, punt 2, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. In zijn tweede middel voert hij schending aan van artikel 2, tweede alinea, van het besluit van 1 september 1983, evenals van de artikelen 31 en 32 van het Statuut, die in artikel 5 van voormeld besluit toepasselijk zijn verklaard op tijdelijke functionarissen. Het derde middel berust op schending van de verplichting tot motivering van arresten.
Het eerste middel
18 Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen.
19 In het eerste onderdeel van zijn eerste middel voert Libéros aan dat de zaak niet mocht worden berecht door de rechter-rapporteur als alleensprekende rechter, aangezien de ontvankelijkheid van het beroep de vraag deed rijzen van de wettigheid van de door de Commissie gepubliceerde Mededelingen van de administratie met betrekking tot de wijze waarop verzoeken en klachten uit hoofde van artikel 90 van het Statuut moeten worden ingediend en onderzocht.
20 In het tweede onderdeel van hetzelfde middel voert Libéros aan dat de zaak niet mocht worden berecht door de rechter-rapporteur als alleensprekende rechter, aangezien het beroep de vraag deed rijzen van de wettigheid van artikel 2, derde alinea, van het besluit van 1 september 1983, dat onder meer bepaalt dat "[b]ij de beoordeling van de beroepservaring (...) rekening (wordt) gehouden met de voor de datum van aanbieding van het ambt verrichte bezigheden".
21 Dit tweede onderdeel moet in de eerste plaats worden onderzocht.
22 Volgens Libéros heeft het Gerecht in punt 50 van het bestreden arrest erkend, dat het besluit van 1 september 1983 een intern besluit met algemene strekking is, en heeft het in de punten 48 tot 51 geoordeeld, dat de door Libéros aangevoerde exceptie van onwettigheid ongegrond was, en het beroep bijgevolg verworpen.
23 Rekwirant voert in dit verband aan dat artikel 14, lid 2, punt 2, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht ruim moet worden uitgelegd. Zijns inziens moet geen onderscheid worden gemaakt naargelang het al dan niet gaat om een wetgevende handeling, aangezien deze bepaling dat onderscheid niet maakt. Bovendien vormt bedoelde bepaling geen uitzondering op een beginsel, in welk geval zij strikt zou moeten worden uitgelegd, maar een "uitzondering op een uitzondering op een beginsel". Derhalve moet zij worden uitgelegd op dezelfde wijze als het beginsel, namelijk ruim. Rekwirant voert ten slotte aan dat artikel 14 van het Reglement voor de procesvoering tot doel heeft een rechter de mogelijkheid te geven als alleensprekende rechter uitspraak te doen in zaken die zich daartoe lenen wegens, inzonderheid, hun geringe belang. Derhalve moet het uitgesloten worden geacht, dat zaken die handelen over de wettigheid van besluiten die op een groot aantal personen van toepassing zijn, ook al gaat het om interne administratieve besluiten, aan een alleensprekende rechter kunnen worden toevertrouwd.
24 Inzake dit onderdeel van het middel wijst de Commissie erop, dat het Gerecht in punt 48 van het bestreden arrest duidelijk en ondubbelzinnig te kennen geeft dat Libéros een besluit met individuele strekking aanvecht, en niet de wettigheid van een handeling met algemene strekking. Zij voert bovendien aan dat het besluit van 1 september 1983 geen "handeling met algemene strekking" vormt in de zin van artikel 14, lid 2, tweede alinea, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, aangezien het gaat om een door een administratieve instantie vastgesteld besluit.
25 Overeenkomstig artikel 11, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht worden de bij het Gerecht aanhangig gemaakte zaken in beginsel berecht door de kamers.
26 Als uitzondering hierop bepaalt artikel 14, lid 2, eerste alinea, van dit Reglement, dat bepaalde categorieën zaken, waaronder die betreffende ambtenaren van de Gemeenschap, kunnen worden berecht door de rechter-rapporteur als alleensprekende rechter "indien zij, gelet op de geringe moeilijkheid van de gerezen rechtsvragen of feitelijke vragen, het geringe belang van de zaak en het ontbreken van andere bijzondere omstandigheden, zich daartoe lenen".
27 Artikel 14, lid 2, tweede alinea, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht sluit echter uit dat zaken waarin vragen betreffende de wettigheid van een handeling van algemene strekking rijzen, aan een alleensprekende rechter worden toegewezen. Deze bepaling, die een uitzondering op een eerste uitzondering vormt, verklaart het algemene beginsel weer toepasselijk. Zij kan dus niet eng worden uitgelegd.
28 Het begrip "handeling van algemene strekking" is door het Hof en het Gerecht uitgelegd in het kader van de toepassing van de artikelen 230 EG en 249 EG. Volgens vaste rechtspraak heeft een handeling een algemene strekking, indien zij van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor op algemene en abstracte wijze aangewezen categorieën van personen (zie inzonderheid arrest van 17 juni 1980, Calpak en Società Emiliana Lavorazione Frutta/Commissie, 789/79 en 790/79, Jurispr. blz. 1949, punt 9, en arrest van 31 mei 2001, Sadam Zuccherifici e.a./Raad, C-41/99 P, Jurispr. blz. I-4239, punt 24).
29 Uit die rechtspraak volgt tevens dat de algemene strekking van een handeling niet wordt aangetast door de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie deze op een bepaald moment van toepassing is, kan worden bepaald, zolang maar vaststaat dat deze toepassing geschiedt op grond van een rechtens of feitelijk objectieve situatie die door de handeling is omschreven in samenhang met de doelstelling van die handeling (arrest Sadam Zuccherifici e.a./Raad, hoger aangehaald, punt 29).
30 Ter wille van de coherentie dient artikel 14, lid 2, tweede alinea, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te worden uitgelegd rekening houdend met deze vaste rechtspraak.
31 Bijgevolg heeft een handeling een algemene strekking in de zin van bedoelde bepaling, indien zij van toepassing is op een objectief bepaalde situatie en rechtsgevolgen heeft voor op algemene en abstracte wijze aangewezen categorieën van personen.
32 Om te bepalen in welke mate een zaak een vraag "doet rijzen" met betrekking tot de wettigheid van een handeling van algemene strekking, zij vastgesteld dat zulks hoe dan ook het geval is wanneer een beroep tot nietigverklaring tegen een dergelijke handeling wordt ingesteld of wanneer er, omstandig en gemotiveerd, een exceptie van onwettigheid tegen wordt opgeworpen. In dat geval mag de zaak niet aan een alleensprekende rechter worden toegewezen.
33 Hetzelfde kan zich voordoen wanneer in de loop van de procedure de wettigheid van een handeling van algemene draagwijdte incidenteel ter sprake komt. In dat geval moet de alleensprekende rechter overeenkomstig artikel 14, lid 2, punt 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht vaststellen, dat de voorwaarden voor de toewijzing niet meer vervuld zijn, en de zaak terugwijzen naar de kamer.
34 Het besluit van 1 september 1983 bedoeld in het tweede onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening, is luidens artikel 1 ervan een besluit dat "de indeling (betreft) in andere rangen dan A 1, A 2, A 3 en LA 3 van de andere ambtenaren dan die welke bij het GCO of het JET-project tewerk zijn gesteld" en dat, volgens artikel 5 ervan, mutatis mutandis van toepassing is op de aanwerving van tijdelijke functionarissen.
35 In beslissingen over interne maatregelen van de administratie heeft het Hof reeds geoordeeld, dat deze weliswaar niet kunnen worden aangemerkt als een rechtsregel die de administratie hoe dan ook dient na te leven, maar wel een gedragsregel voor de te volgen praktijk vormen, waarvan de administratie in een concreet geval niet mag afwijken zonder opgaaf van redenen die verenigbaar zijn met het beginsel van gelijke behandeling. Dergelijke maatregelen vormen derhalve een handeling van algemene strekking, waarvan de betrokken ambtenaren en functionarissen de onwettigheid kunnen inroepen tot staving van een beroep tegen individuele besluiten die op basis van die maatregelen zijn vastgesteld (arrest van 10 december 1987, Del Plato e.a./Commissie, 181/86-184/86, Jurispr. blz. 4991, punt 10).
36 Hieruit volgt dat het besluit van 1 september 1983, dat van toepassing is op een objectief bepaalde situatie en rechtsgevolgen heeft voor op algemene en abstracte wijze aangewezen categorieën van personen, moet worden aangemerkt als een "handeling met algemene strekking" in de zin van artikel 14, lid 2, punt 2, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
37 Overigens blijkt uit de door Libéros bij het Gerecht ingediende schriftelijke stukken, dat het tweede door hem aangevoerde middel berustte op onwettigheid van het besluit van 1 september 1983. Libéros heeft hieraan herinnerd in een brief van 27 oktober 1999 aan het Gerecht, dat hem overeenkomstig artikel 51, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering had verzocht om opmerkingen over de mogelijke toewijzing van de zaak aan de rechter-rapporteur als alleensprekende rechter.
38 Uit bovenstaande overwegingen volgt dat, voorzover de rechter-rapporteur een krachtens artikel 236 EG ingeleide zaak heeft berecht als alleensprekende rechter, ofschoon die zaak een vraag deed rijzen inzake de wettigheid van een handeling van algemene strekking, het Gerecht artikel 14, lid 2, tweede alinea, sub a, van zijn Reglement voor de procesvoering heeft geschonden.
39 Daar het eerste middel gegrond is, moet het bestreden arrest nietig worden verklaard zonder dat de overige middelen van de hogere voorziening behoeven te worden onderzocht.
Ten gronde
40 Krachtens artikel 54 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van de 's Hofs Statuten-EGKS en EGA is de zaak in staat van wijzen, zodat uitspraak ten gronde moet worden gedaan over de vordering van Libéros tot nietigverklaring van de besluiten van 15 maart en 5 november 1996.
41 Het geschil ten gronde betreft de bepaling van de duur van de beroepservaring waarmee bij de aanwerving van een tijdelijk functionaris rekening moet worden gehouden. Meer in het bijzonder is de vraag beslissend, welke de dies ad quem is die voor de berekening van die duur in aanmerking moet worden genomen. De bepaling van de dies a quo wordt niet betwist.
42 Libéros voert allereerst aan dat, ongeacht of het gaat om de toepassing van artikel 31 dan wel artikel 32 van het Statuut, de beroepservaring op dezelfde wijze moet worden berekend. Hij stelt bovendien dat volgens de communautaire rechtspraak, inzonderheid het arrest van het Gerecht Tagaras/Hof van Justitie, reeds aangehaald, de datum van indiensttreding in aanmerking moet worden genomen. Artikel 2, derde alinea, van het besluit van 1 september 1983, volgens hetwelk de beroepservaring voorafgaand aan de datum van het aanbod van het ambt in aanmerking moet worden genomen, zou op dat punt strijdig zijn met het Statuut. Verzoeker is bijgevolg van mening dat in zijn geval de datum van zijn indiensttreding, dus 1 juli 1995, had moeten worden beschouwd als dies ad quem om de duur van zijn beroepservaring te bepalen.
43 In haar verweer voor het Gerecht erkent de Commissie dat de rang die aan een tijdelijk functionaris wordt toegekend bij de aanwerving, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 2 van het besluit van 1 september 1983. Zij voert echter aan dat de keuze van de datum van aanbod van het ambt volledig gerechtvaardigd is om de duur van de beroepservaring te beoordelen, aangezien op dat tijdstip de voorwaarden voor aanwerving van de functionaris worden vastgesteld. De keuze van dit criterium berust tevens op budgettaire gronden en strekt ertoe te vermijden dat de nieuw aangeworven tijdelijk functionaris uit eigen beweging de datum van indiensttreding kan uitstellen teneinde te worden aangeworven in een hogere loopbaan. Bovendien verstrijkt doorgaans niet veel tijd tussen het aanbod van het ambt en de daadwerkelijke aanwerving van de functionaris. De Commissie voert ten slotte aan dat artikel 32 van het Statuut en de rechtspraak daaromtrent in het onderhavige geding niet ter zake doen, aangezien die bepaling betrekking heeft op de indeling in salaristrap, terwijl het onderhavige geding handelt over de indeling in rang. De Commissie is bijgevolg van mening dat in het geval van Libéros de datum waarop het ambt is aangeboden, dus 7 oktober 1994, in aanmerking moet worden genomen.
44 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat dit probleem blijkens het bij het Gerecht ingediende dossier rijst in het kader van de aanwerving van Libéros in het ambt 12T/III/93, in de rang A 7/A 4. Mocht de stelling van Libéros worden aanvaard, dan zou hij meer dan twaalf jaar beroepservaring kunnen doen gelden en, overeenkomstig artikel 2, tweede alinea, van het besluit van 1 september 1983, een heronderzoek van zijn dossier met het oog op een eventuele indeling in de rang A 5 kunnen verlangen.
45 Artikel 31 van het Statuut vermeldt weliswaar niet uitdrukkelijk het begrip beroepservaring, maar uit vaste rechtspraak blijkt dat de beroepservaring van een persoon die wordt aangeworven als ambtenaar, één van de elementen is waarmee het tot aanstelling bevoegde gezag rekening mag houden om diens indeling in rang te bepalen, inzonderheid bij de toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut (zie in die zin arrest van 29 juni 1994, Klinke/Hof van Justitie, C-298/93 P, Jurispr. blz. I-3009, punt 15, en arrest van 1 juli 1999, Alexopolou/Commissie, C-155/98 P, Jurispr. blz. I-4069, punt 13).
46 Overeenkomstig artikel 3 van het Statuut mag de datum van aanstelling van een ambtenaar niet voorafgaan aan de datum waarop de betrokkene in dienst treedt. Aangezien een ambtenaar een opleiding kan volgen of een beroepsactiviteit kan uitoefenen tot de dag voor zijn daadwerkelijke indiensttreding, moet deze laatste dag worden gehanteerd als dies ad quem om de duur van de voor de indeling in rang in aanmerking te nemen beroepservaring te bepalen.
47 Bijgevolg moet artikel 31 van het Statuut aldus worden uitgelegd dat, voorzover de beroepservaring in aanmerking wordt genomen bij de indeling in rang, als dies ad quem voor de berekening van de duur van de beroepservaring de dag voorafgaand aan de dag van de indiensttreding moet worden gehanteerd. Hieruit volgt dat artikel 2, derde alinea, van het besluit van 1 september 1983, volgens hetwelk als dies ad quem de dag van aanbod van het ambt geldt, geen toepassing kan vinden bij de aanwerving van ambtenaren.
48 Evenwel moet worden nagegaan, of deze conclusie zich ook opdringt voor de aanwerving van een tijdelijk functionaris.
49 Ofschoon de RAP geen regels bevat met betrekking tot de indeling in rang van tijdelijke functionarissen, heeft de Commissie het besluit van 1 september 1983 in artikel 5 daarvan mutatis mutandis op hen van toepassing verklaard.
50 Derhalve moet worden nagegaan of de niet-toepasselijkheid van artikel 2, derde alinea, van het besluit van 1 september 1983 die het Hof in punt 47 van dit arrest heeft vastgesteld wat ambtenaren betreft, ook geldt voor tijdelijke functionarissen, of dat de situatie van tijdelijke functionarissen bijzonderheden vertoont die rechtvaardigen dat deze bepaling wel wordt toegepast, met andere woorden dat de dag waarop het ambt wordt aangeboden als dies ad quem voor de berekening van de beroepservaring wordt gehanteerd.
51 Volgens de Commissie kan, inzonderheid om budgettaire redenen, bij de opstelling van het aanbod van een ambt onmogelijk rekening worden gehouden met eventuele beroepservaring tussen het aanbod en de daadwerkelijke indiensttreding van de sollicitant. Evenwel zij vastgesteld dat de Commissie zelf zich in de eerste plaats ertoe heeft verbonden tijdelijke functionarissen op dezelfde wijze te behandelen als ambtenaren, in de tweede plaats in haar besluit van 1 september 1983 aangeeft dat de beroepservaring voor indeling in de eerste salaristrap van rang A 5 minimaal twaalf jaar moet bedragen en, in de derde plaats, de praktijk hanteert posten van tijdelijke functionarissen aan te bieden die meerdere loopbanen omvatten. Derhalve diende zij op budgettair vlak een en ander in haar berekeningen te betrekken voor de gevallen waarin de door een sollicitant tussen het aanbod van een ambt en de datum van indiensttreding verworven beroepservaring in aanmerking zou moeten worden genomen en de indeling in rang derhalve zou verschillen van de in het aanbod vermelde indeling.
52 Evenmin kan worden betoogd, dat inaanmerkingneming van het moment waarop het aanbod van een ambt wordt opgesteld gerechtvaardigd is omdat doorgaans niet veel tijd verstrijkt tussen het opstellen van dat aanbod en de daadwerkelijke indiensttreding van de functionaris. Dat bepaalde situaties zich slechts zelden zouden voordoen, rechtvaardigt niet een verschil in behandeling ten opzichte van de aan te werven ambtenaar, ten aanzien van wie volgens het Statuut rekening wordt gehouden met beroepservaring tot de datum van indiensttreding.
53 Ten slotte stelt de Commissie ten onrechte, dat indien zij verplicht is de voorwaarden van haar aanbod te herzien na de aanvaarding door de aangeworven functionaris teneinde rekening te houden met beroepservaring die is verworven in de periode tussen het aanbod en de daadwerkelijke indiensttreding, de functionaris zonder objectieve reden en zonder dat de instelling dit echt kan controleren, zijn indiensttreding kan uitstellen om een betere indeling te krijgen. De datum van indiensttreding van de functionaris kan immers worden vastgelegd in het aanbod en daarvan dus een wezenlijk onderdeel vormen. Daardoor kan de instelling vooraf de beroepservaring beoordelen die eventueel in aanmerking moet worden genomen bij de indeling van de functionaris. De instelling kan dus niet alleen de datum van indiensttreding bepalen, maar deze ook doen naleven door de betrokken functionaris.
54 Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat artikel 2, derde alinea, van het besluit van 1 september 1983, gelezen in samenhang met artikel 5 van dit besluit, volgens hetwelk de datum van het aanbod van het ambt de dies ad quem vormt en niet de datum van de indiensttreding, voor tijdelijke functionarissen zonder objectieve rechtvaardiging een andere regel voor de berekening van de in aanmerking te nemen beroepservaring bevat dan overeenkomstig artikel 31 van het Statuut voor ambtenaren geldt. Daarmee schendt het het beginsel van gelijke behandeling zoals neergelegd in de regel die de Commissie zich in artikel 5 van genoemd besluit heeft opgelegd.
55 Hieruit volgt dat het middel ten gronde van rekwirant moet worden aanvaard en dat de besluiten van 15 maart en 5 november 1996 nietig moeten worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
56 Volgens artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het zelf de zaak afdoet. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van Libéros behalve in haar eigen kosten te worden verwezen in alle kosten van Libéros, zowel in eerste aanleg als in de hogere voorziening.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Vernietigt het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 9 maart 2000, Libéros/Commissie (T-29/97).
2) Verklaart nietig de besluiten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van respectievelijk 15 maart 1996, waarbij Libéros definitief is ingedeeld in rang A 7, en 5 november 1996, waarbij zijn tegen dat indelingsbesluit ingediende klacht is afgewezen.
3) Verwijst de Commissie van de Europese Gemeenschappen in alle kosten, zowel van de procedure in eerste aanleg als van de hogere voorziening.
Full & Egal Universal Law Academy