Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Prejudiciële vragen - Bevoegdheid van Hof - Grenzen - Vragen over uitlegging van gemeenschapsrecht - Verplichting uitspraak te doen
(Art. 234 EG)
2. Vervoer - Luchtvervoer - Toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire routes - Artikel 4 van verordening nr. 2408/92 - Opleggen van openbare-dienstverplichtingen voor geregelde luchtdiensten die perifeer gebied verzorgen - Verenigbaarheid met bevoegdheid van lidstaten om tot 1 april 1997 cabotage te beperken
(Verordening nr. 2408/92 van de Raad, art. 3, lid 2, en 4)
3. Vervoer - Luchtvervoer - Toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire routes - Openbare aanbesteding uitgeschreven krachtens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2408/92 - Verplichting voor luchtvaartmaatschappijen die over in andere lidstaat afgegeven vergunning beschikken, om bij inschrijving voorwaarden van artikel 3, lid 2, in acht te nemen - Verenigbaarheid met gemeenschapsrecht - Voorbehoud
(Verordening nr. 2408/92 van de Raad, art. 3, lid 2, en 4, lid 1)
4. Vervoer - Luchtvervoer - Steunmaatregelen van staten - Beschikking van Commissie waarbij aan goedkeuring van aan luchtvaartmaatschappij verleende steun voorwaarde wordt verbonden dat Portugese Republiek haar verbintenis nakomt om uiterlijk vanaf 1 januari 1996 artikel 4 van verordening nr. 2408/92 op autonome regio's Madeira en Azoren toe te passen - Bevoegdheid van deze lidstaat om toegang tot betrokken routes te beperken tot luchtvaartmaatschappijen met vergunning die aan voorwaarden van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2408/92 voldoen
(Verordening nr. 2408/92 van de Raad, art. 3, lid 2, en 4, lid 1, sub d; beschikking 94/698 van de Commissie, art. 1, sub e)
Samenvatting
1. Ofschoon het Hof in het kader van artikel 234 EG niet bevoegd is om communautaire voorschriften op een concreet geval toe te passen of bepalingen van nationaal recht aan die voorschriften te toetsen, kan het niettemin de nationale rechter alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het gemeenschapsrecht verschaffen welke voor die rechter van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de werking van de bepalingen daarvan.
In het kader van de in artikel 234 EG neergelegde samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden.
( cf. punten 20-21 )
2. Wanneer een lidstaat de rechten en mogelijkheden benut die zijn neergelegd in artikel 4 van verordening nr. 2408/92 betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes, met name de mogelijkheid om een openbare-dienstverplichting op te leggen met betrekking tot geregelde luchtdiensten naar een luchthaven die de luchtverbindingen voor een perifeer gebied of ontwikkelingsgebied op zijn grondgebied verzorgt of op een weinig geëxploiteerde route naar een regionale luchthaven op zijn grondgebied, ziet die lidstaat daarmee niet af van de in artikel 3, lid 2, van die verordening geboden mogelijkheid om tot 1 april 1997 de mededinging in cabotagediensten op zijn grondgebied te beperken.
Door in punt d te bepalen dat [h]et recht om dergelijke diensten te exploiteren wordt [...] aangeboden aan elke communautaire luchtvaartmaatschappij die het recht heeft dergelijke luchtdiensten te onderhouden", had artikel 4 juist tot gevolg dat deze dienstverlening tot 1 april 1997 was voorbehouden aan maatschappijen die voldeden aan de in de verordening, inzonderheid artikel 3, lid 2, gestelde voorwaarden
( cf. punten 26, 33, dictum 1 )
3. Voorzover een aanbesteding die op grond van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2408/92 is uitgeschreven, niet inhoudt dat wordt afgezien van de mogelijkheid de toekenning van cabotagerechten overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de verordening te beperken, is het niet in strijd met het gemeenschapsrecht wanneer een lidstaat in het kader van deze aanbesteding verlangt dat luchtvaartmaatschappijen die over een in een andere lidstaat afgegeven vergunning beschikken, inschrijven onder de in deze laatste bepaling gestelde voorwaarden, mits die aanbesteding geen gevolgen had na 1 april 1997.
( cf. punten 35-37, dictum 2 )
4. Artikel 1, sub e, van beschikking 94/698/EG betreffende kapitaalverhoging, kredietgaranties en bestaande belastingvrijstelling voor een luchtvaartmaatschappij, dat aan goedkeuring van de daarin bedoelde steunmaatregel de voorwaarde verbindt dat de Portugese Republiek haar verplichting nakomt om uiterlijk vanaf 1 januari 1996 artikel 4 van verordening nr. 2408/92 op de autonome regio's Madeira en de Azoren toe te passen en de openbare-dienstverplichtingen voor de betrokken routes te publiceren, belet deze lidstaat niet gebruik te maken van de in artikel 3, lid 2, van deze verordening voorziene mogelijkheid de toegang tot de betrokken routes te beperken tot de luchtvaartmaatschappijen met een vergunning die aan de voorwaarden van deze laatste bepaling voldeden.
Uit hoofdstuk VIII, punt 3, zesde alinea, van deze beschikking volgt juist dat de Portugese Republiek de verplichting is aangegaan om in 1995 over te gaan tot een openbare aanbesteding voor de verbindingen tussen het Portugese vasteland en de eilanden Madeira en de Azoren en dat het recht om die diensten te exploiteren in het kader van een openbare aanbesteding moet worden aangeboden aan elke communautaire luchtvaartmaatschappij [...] die dergelijke luchtdiensten mag onderhouden".
De zinsnede die dergelijke luchtdiensten mag onderhouden" komt ook voor in artikel 4, lid 1, sub d, van verordening 2408/92 en kan in de context van beschikking 94/698 geen andere betekenis hebben. De Portugese Republiek kon derhalve de toegang tot deze routes beperken tot luchtvaartmaatschappijen die aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2, van deze verordening voldeden.
( cf. punten 41-43, 45, dictum 3 )
Partijen
In zaak C-181/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Supremo Tribunal Administrativo (Portugal), in het aldaar aanhangige geding tussen
Flightline Ltd
en
Secretário de Estado dos Transportes e Comunicações,
Transportes Aéreos Portugueses SA (TAP),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 3, lid 2, en 4, lid 1, sub a en d, van verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes (PB L 240, blz. 8), en van artikel 1, sub e, van beschikking 94/698/EG van de Commissie van 6 juli 1994 betreffende kapitaalverhoging, kredietgaranties en bestaande belastingvrijstelling voor de luchtvaartmaatschappij TAP (PB L 279, blz. 29),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. Macken (rapporteur), kamerpresident, C. Gulmann, R. Schintgen, V. Skouris en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Flightline Ltd, vertegenwoordigd door J. L. Mota de Campos, advogado,
- Transportes Aéreos Portugueses SA (TAP), vertegenwoordigd door J. N. Barata, advogado,
- de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Fernandes en A. Pato als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Afonso, M. Huttunen en D. Triantafyllou als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Flightline Ltd, Transportes Aéreos Portugueses SA (TAP), de Portugese regering en de Commissie, ter terechtzitting van 5 juli 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 september 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 13 april 2000, ingekomen bij het Hof op 15 mei daaraanvolgend, heeft het Supremo Tribunal Administrativo krachtens artikel 234 EG drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 3, lid 2, en 4, lid 1, sub a en d, van verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes (PB L 240, blz. 8; hierna: verordening"), en van artikel 1, sub e, van beschikking 94/698/EG van de Commissie van 6 juli 1994 betreffende kapitaalverhoging, kredietgaranties en bestaande belastingvrijstelling voor de luchtvaartmaatschappij TAP (PB L 279, blz. 29).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen enerzijds de vennootschap Flightline Ltd (hierna: Flightline"), gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, en anderzijds de Secretário de Estado dos Transportes e Comunicações (staatssecretaris van Verkeer en Communicatie; hierna: staatssecretaris van Verkeer") en Transportes Aéreos Portugueses SA (hierna: TAP"), over de afwijzing door de staatssecretaris van Verkeer van het verzoek van Flightline tot exploitatie van bepaalde luchtlijnen in Portugal.
Rechtskader en beschikking 94/698
3 Zoals uit de eerste overweging van de considerans van de verordening volgt is het met het oog op de totstandbrenging van de interne markt in de loop van een periode die op 31 december 1992 eindigt [...] dienstig [...] een luchtvervoerbeleid te verwezenlijken".
4 Artikel 1, lid 4, van de verordening bepaalt:
Tot 30 juni 1993 zijn de luchthavens op de Griekse eilanden en op de Atlantische eilanden die de autonome regio der Azoren vormen, van de toepassing van deze verordening vrijgesteld. Tenzij de Raad op voorstel van de Commissie anders besluit, geldt deze vrijstelling daarna voor een tweede periode van vijf jaar, waarna zij nogmaals met vijf jaar kan worden verlengd."
5 Artikel 3, leden 1 en 2, van de verordening bepaalt:
1. Met inachtneming van deze verordening wordt door de betrokken lidstaat (lidstaten) aan communautaire luchtvaartmaatschappijen toegestaan om vervoersrechten op routes in de Gemeenschap uit te oefenen.
2. In afwijking van lid 1 hoeft een lidstaat vóór 1 april 1997 geen cabotagerechten binnen zijn grondgebied toe te staan aan communautaire luchtvaartmaatschappijen waaraan een andere lidstaat een vergunning heeft verleend, tenzij:
i) de verkeersrechten worden uitgeoefend op een luchtdienst die geregeld is als een uitbreiding van een dienst uit, of als een dienst die voorafgaat aan een dienst naar, de staat van registratie;
ii) de luchtvaartmaatschappij voor deze cabotagedienst niet meer dan 50 % gebruikt van haar seizoencapaciteit op dezelfde dienst waarvan de cabotagedienst een uitbreiding of een voorafgaande dienst is."
6 Artikel 4, lid 1, sub a en d, van de verordening bepaalt:
a) Een lidstaat kan, na overleg met de andere betrokken lidstaten en na de Commissie en de luchtvaartmaatschappijen die de betrokken route exploiteren, op de hoogte te hebben gesteld, een openbare-dienstverplichting opleggen met betrekking tot geregelde luchtdiensten naar een luchthaven die de luchtverbindingen voor een perifeer of ontwikkelingsgebied op zijn grondgebied verzorgt of op een weinig geëxploiteerde route naar een regionale luchthaven op zijn grondgebied, wanneer een dergelijke route van vitaal belang wordt geacht voor de economische ontwikkeling van de regio waarin de luchthaven is gelegen en voorzover zulks noodzakelijk is om op die route een toereikend aanbod te waarborgen van geregelde luchtdiensten die voldoen aan vastgestelde normen inzake continuïteit, regelmaat, capaciteit en prijzen, aan welke normen luchtvaartmaatschappijen niet zouden voldoen indien zij alleen op hun eigen commerciële belangen zouden letten. De Commissie maakt het bestaan van deze openbare-dienstverplichting bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
[...]
d) Indien geen enkele luchtvaartmaatschappij een aanvang heeft gemaakt of op het punt staat een aanvang te maken met het onderhouden van geregelde luchtdiensten op een route in overeenstemming met de openbare-dienstverplichtingen die voor die route zijn opgelegd, kan de lidstaat de toegang tot die route beperken tot slechts één luchtvaartmaatschappij voor een periode van ten hoogste drie jaar, waarna de situatie opnieuw moet worden bezien. Het recht om dergelijke diensten te exploiteren wordt voor één of voor een groep van dergelijke routes bij openbare aanbesteding aangeboden aan elke communautaire luchtvaartmaatschappij die het recht heeft dergelijke luchtdiensten te onderhouden. De oproep tot mededinging wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en de termijn voor indiening van de inschrijvingen kan niet minder bedragen dan één maand na de datum van die bekendmaking. De door de luchtvaartmaatschappijen ingediende offertes worden de andere betrokken lidstaten en de Commissie onverwijld ter kennis gebracht."
7 Bij brief van 26 januari 1994 heeft de Portugese Republiek de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG) op de hoogte gebracht van het voornemen TAP steun toe te kennen in het kader van een programma tot herstructurering van laatstgenoemde.
8 Bij beschikking 94/698 is deze steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt verenigbaar verklaard mits een aantal voorwaarden zou worden vervuld. Volgens artikel 1, sub e, van deze beschikking, dat een van die voorwaarden noemt, diende Portugal uiterlijk vanaf 1 januari 1996 artikel 4 van verordening (EEG) nr. 2408/92 toe [te passen] op de autonome regio's Madeira en de Azoren en de openbare-dienstverplichtingen voor de betrokken afzonderlijke routes [te publiceren] (zie hoofdstuk VIII, punt 3)".
9 Meer in het bijzonder heeft Portugal blijkens hoofdstuk VIII, punt 3, zesde alinea, van de motivering van beschikking 94/698:
- bevestigd dat de liberalisatie van niet regelmatig vervoer tussen alle luchthavens in de Gemeenschap en de Azoren betrekking heeft op alle diensten als bedoeld in verordening (EEG) nr. 2408/92, met inbegrip van de ,seat only- en de ,one way-charter. Dit betekent dat dit soort luchtvervoer wordt toegestaan niettegenstaande het feit dat de Azoren tijdelijk van de toepassing van verordening (EEG) nr. 2408/92 zijn uitgesloten;
- nogmaals bevestigd dat zij vastbesloten is in 1995 een openbare-aanbestedingsprocedure te volgen voor de verbindingen tussen het Portugese vasteland en de autonome regio's Madeira en de Azoren overeenkomstig artikel 4 van verordening (EEG) nr. 2408/92. Bovendien ligt het in het voornemen van Portugal om de Commissie gedurende het eerste halfjaar van 1995 over de inhoud van de openbare-dienstverplichtingen in te lichten, zodat deze in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen kunnen worden gepubliceerd. In dit verband benadrukt de Commissie dat artikel 4 van verordening (EEG) nr. 2408/92 inhoudt, dat de omschrijving van de openbare-dienstverplichtingen afzonderlijk in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen moet verschijnen. Indien na publicatie geen Europese luchtvaartmaatschappij bereid is deze openbare dienst op zich te nemen, wordt het recht om een dergelijke dienst te exploiteren in het kader van een openbare aanbesteding hetzij voor afzonderlijke routes hetzij voor groepen routes aan elke communautaire luchtvaartmaatschappij aangeboden die dergelijke luchtdiensten mag onderhouden".
10 Op de dag van de vaststelling van beschikking 94/698, te weten 6 juli 1994, heeft de Commissie eveneens beschikking 94/666/EG betreffende compensatie voor het door TAP op de routes naar de autonome regio's de Azoren en Madeira geleden verlies (PB L 260, blz. 27) vastgesteld. Artikel 1 daarvan bepaalt onder meer dat de steunregeling voor het compenseren van de verliezen die TAP heeft geleden als gevolg van haar opgelegde openbare-dienstverplichtingen op de routes naar de autonome regio's de Azoren en Madeira, tot 1 januari 1996 verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, op voorwaarde dat de verleende steun niet hoger is dan het op deze routes geleden verlies.
11 Overeenkomstig beschikking 94/698 heeft de Portugese regering besloten om met ingang van 1 januari 1996 openbare-dienstverplichtingen op te leggen op negen routes tussen het Portugese vasteland en de autonome regio's de Azoren en Madeira en tussen deze regio's onderling, waarvan de voorwaarden zijn bekendgemaakt (PB 1995, C 200, blz. 3).
12 Overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, lid 1, sub d, van de verordening is een aanbesteding voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten voor deze negen aan openbare-dienstverplichtingen onderworpen routes gepubliceerd (PB 1995, C 223, blz. 16; hierna: aanbesteding").
13 Punt 8 van de aanbesteding bepaalt:
Het contract gaat in op 1 januari 1996 en loopt af op 31 december 1998."
14 Volgens punt 3 van de aanbesteding staat de deelneming open voor alle luchtvaartmaatschappijen die in het bezit zijn van een geldige exploitatievergunning die door een lidstaat is afgegeven krachtens verordening (EEG) [nr. 2408/92], alsmede van een passend bewijs van luchtvaartmaatschappij". In dit punt wordt bovendien vermeld dat aangezien Portugal gebruik maakt van het bepaalde in artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2408/92, luchtvaartmaatschappijen waaraan een andere lidstaat dan Portugal een vergunning heeft verleend, tot 1 april 1997 voor de cabotagedienst binnen Portugal echter niet meer dan 50 % mogen gebruiken van hun seizoenscapaciteit op dezelfde dienst waarvan de cabotagedienst een uitbreiding of een voorafgaande dienst is".
15 Punt 11 van de aanbesteding gaf in de eerste plaats aan dat de geldigheid van deze aanbesteding, overeenkomstig artikel 4, lid 1, sub d, van de verordening, afhankelijk was van de voorwaarde dat geen luchtvaartmaatschappij uit de Gemeenschap waaraan toestemming voor de exploitatie van de betrokken verbindingen kon worden verleend, vóór 1 november 1995 een vergunning zou aanvragen om per 1 januari 1996 een of meer van deze verbindingen in overeenstemming met de opgelegde openbare-dienstverplichtingen te exploiteren zonder financiële compensatie, en in de tweede plaats dat deze aanbesteding alleen geldig zou blijven voor de verbindingen waarvoor geen luchtvaartmaatschappij vóór 1 november 1995 een offerte zou hebben ingediend die aan deze voorwaarden voldeed.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
16 Op 30 oktober 1995 heeft Flightline overeenkomstig de in punt 11 van de aanbesteding gestelde voorwaarden een vergunning aangevraagd voor de exploitatie van acht van de negen in de aanbesteding genoemde verbindingen alsmede van een extra verbinding, zonder enige financiële compensatie. Deze offerte betrof een volledig in Portugal te verrichten activiteit.
17 Deze aanvraag is op 22 december 1995 door de staatssecretaris van Verkeer afgewezen. Deze was van oordeel dat Flightline niet in het bezit was van een door de Portugese Republiek verleende vergunning, zodat zij op grond van artikel 3, lid 2, van de verordening tot 1 april 1997 uitsluitend binnenlandse vluchten zou kunnen uitvoeren die te beschouwen waren als een uitbreiding van de hoofdverbindingen tussen de lidstaat waarin de vergunning was afgegeven en Portugal of als een daaraan voorafgaande dienst. Flightline heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de tweede sectie van de eerste kamer van het Supremo Tribunal Administrativo, die dit beroep heeft verworpen.
18 In deze omstandigheden heeft Flightline hogere voorziening ingesteld bij de eerste, voltallige, kamer van het Supremo Tribunal Administrativo, die besloten heeft de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende drie prejudiciële vragen voor te leggen:
1) Wanneer een lidstaat de in artikel 4 van verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad van 23 juli 1992 neergelegde rechten en mogelijkheden benut, kan die lidstaat dan geen gebruik maken van de in artikel 3, lid 2, van die verordening voorziene mogelijkheid om tot 1 april 1997 de mededinging in cabotagediensten op zijn grondgebied te beperken?
2) Kan in het kader van een in 1995 door een lidstaat uitgeschreven openbare aanbesteding voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten op een route in overeenstemming met de krachtens artikel 4 van de verordening voor die route opgelegde openbare-dienstverplichtingen, van inschrijvende luchtvaartmaatschappijen die over een in een andere lidstaat afgegeven vergunning beschikken, worden verlangd dat zij voldoen aan de in artikel 3, lid 2, van die verordening gestelde voorwaarden?
3) Houdt artikel 1, sub [e], van beschikking 94/698/EG van de Commissie, dat aan goedkeuring van de daarin bedoelde steunmaatregel de voorwaarde verbindt dat Portugal zijn verplichting nakomt om uiterlijk vanaf 1 januari 1996 artikel 4 van verordening (EEG) nr. 2408/92 op de autonome regio's toe te passen en de openbare-dienstverplichtingen voor de betrokken routes te publiceren (,zie hoofdstuk VIII, punt 3), in dat Portugal geen gebruik kan maken van de in artikel 3, lid 2, van de verordening aan de lidstaten verleende mogelijkheid?"
De ontvankelijkheid
19 Zonder formeel aan te voeren dat de gestelde vragen niet-ontvankelijk zijn, is TAP in de eerste plaats van mening dat artikel 234 EG het Hof niet de bevoegdheid geeft het recht op concrete situaties toe te passen, welke toepassing een zaak is van de nationale rechter. Voorts betwijfelt zij gezien de heldere bewoordingen van de relevante communautaire regelgeving, of een prejudiciële verwijzing noodzakelijk is.
20 In dit verband zij er allereerst aan herinnerd, dat ofschoon het Hof in het kader van artikel 234 EG niet bevoegd is om communautaire voorschriften op een concreet geval toe te passen of bepalingen van nationaal recht aan die voorschriften te toetsen, het niettemin de nationale rechter alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het gemeenschapsrecht kan verschaffen welke voor die rechter van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de werking van de bepalingen daarvan (zie arrest van 18 april 1989, Di Felice, 128/88, Jurispr. blz. 923, punt 7).
21 Ten tweede is het in het kader van de in artikel 234 EG neergelegde samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie onder meer arrest van 15 december 1995, Bosman, C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 59).
22 Derhalve dienen de vragen van de verwijzende rechter te worden beantwoord.
De eerste vraag
23 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, wanneer een lidstaat de in artikel 4 van de verordening neergelegde rechten en mogelijkheden benut, die lidstaat dan afziet van de in artikel 3, lid 2, van die verordening geboden mogelijkheid om tot 1 april 1997 de mededinging in cabotagediensten op zijn grondgebied te beperken.
24 Flightline merkt op dat de Commissie aan goedkeuring van de aan TAP toegekende steun een aantal voorwaarden heeft verbonden, waaronder de uitschrijving van een openbare aanbesteding overeenkomstig artikel 4 van de verordening, en de bekendmaking van de openbare-dienstverplichtingen. Hoewel de Portugese Republiek krachtens artikel 3 van de verordening communautaire luchtvaartmaatschappijen waaraan een andere lidstaat een vergunning had verleend, tot 1 april 1997 kon verbieden cabotagerechten uit te oefenen, had de Commissie als tegenprestatie voor de steunverlening verlangd dat de barrières ter bescherming van TAP tegen concurrentie, waaronder de beperking van cabotagerechten, zouden worden opgeheven.
25 TAP, de Portugese regering en de Commissie zijn daarentegen in wezen van mening dat de toepassing van artikel 4 van de verordening in geen geval met zich brengt dat afstand wordt gedaan van de in artikel 3, lid 2, geboden bevoegdheid.
26 In de eerste plaats moet worden vastgesteld, dat uit de bewoordingen van artikel 4 van de verordening niet volgt dat door toepassing ervan afstand wordt gedaan van de in artikel 3 geboden bevoegdheid. Door in punt d te bepalen dat [h]et recht om dergelijke diensten te exploiteren wordt [...] aangeboden aan elke communautaire luchtvaartmaatschappij die het recht heeft dergelijke luchtdiensten te onderhouden", had artikel 4 juist tot gevolg dat deze dienstverlening tot 1 april 1997 was voorbehouden aan maatschappijen die voldeden aan de in de verordening, inzonderheid artikel 3, lid 2, gestelde voorwaarden.
27 In de tweede plaats zij er met betrekking tot de context waarbinnen de verordening is vastgesteld aan herinnerd, dat de gemeenschapswetgever met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van de interne markt van het luchtvervoer in de jaren 1987, 1990 en 1992 drie reeksen van maatregelen heeft aangenomen, die talrijke teksten omvatten en derhalve pakketten" worden genoemd.
28 Voorts was tot de vaststelling van de verordening het recht van een luchtvaartmaatschappij om passagiers te vervoeren in een andere lidstaat dan die waar de vergunning was verleend, aan strengere voorwaarden onderworpen dan die genoemd in artikel 3, lid 2, van de verordening.
29 In de derde plaats heeft de verordening volgens de tiende overweging van haar considerans tot doel dat geleidelijk cabotagerechten worden ingevoerd om de ontwikkeling van de luchtvervoerssector in de Gemeenschap te stimuleren". Daartoe moeten gedurende een overgangsperiode die op 1 april 1997 afloopt, de voorwaarden worden versoepeld waaronder een luchtvaartmaatschappij die een vergunning in de ene lidstaat heeft, in een andere lidstaat het vervoer mag verzorgen. Na afloop van deze periode dient geen enkele voorwaarde meer te worden gesteld.
30 Overeenkomstig dit doel dient artikel 3, lid 2, van de verordening de lidstaten de mogelijkheid te bieden, zich tijdens de overgangsperiode aan deze liberalisatie aan te passen opdat uiteindelijk iedere luchtvaartmaatschappij die een vergunning in onverschillig welke lidstaat heeft, kan worden toegestaan cabotagevervoer te verzorgen in een andere lidstaat dan die waar de vergunning is afgegeven.
31 Artikel 4 van de verordening regelt daarentegen een andere situatie. Op grond van dit artikel kan iedere lidstaat, ook na afloop van de overgangsperiode van artikel 3, lid 2, van de verordening, op bepaalde weinig geëxploiteerde routes of op routes naar luchthavens die de luchtverbindingen naar perifere of ontwikkelingsgebieden verzorgen, een toereikend aanbod van luchtdiensten waarborgen met inachtneming van voorwaarden inzake onder meer regelmaat, dienstregeling, geboden capaciteit en prijzen.
32 Overigens heeft de Commissie terecht opgemerkt, dat voor de periode tussen 1 januari 1993, datum van inwerkingtreding van de verordening, en 1 april 1997 de toepassing door een lidstaat van artikel 4, lid 1, sub d, van de verordening nuttige werking had, ook indien deze lidstaat gebruik maakte van de mogelijkheid van artikel 3, lid 2, van de verordening. Door de uitschrijving van een aanbesteding overeenkomstig artikel 4, lid 1, sub d, konden de diverse luchtvaartmaatschappijen die over een door de betrokken lidstaat verleende vergunning beschikten immers onmiddellijk meedingen naar het recht routes te exploiteren waarvoor openbare-dienstverplichtingen waren opgelegd. Deze gedeeltelijke liberalisering diende te leiden tot een totale liberalisering aan het einde van de in artikel 3, lid 2, van de verordening voorziene overgangsperiode.
33 Op de eerste vraag dient dus te worden geantwoord, dat wanneer een lidstaat de in artikel 4 van de verordening neergelegde rechten en mogelijkheden benut, die lidstaat daarmee niet afziet van de in artikel 3, lid 2, van de verordening geboden mogelijkheid om tot 1 april 1997 de mededinging in cabotagediensten op zijn grondgebied te beperken.
De tweede vraag
34 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of in het kader van een in 1995 uitgeschreven openbare aanbesteding voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten op een route in overeenstemming met de krachtens artikel 4 van de verordening voor die route opgelegde openbare-dienstverplichtingen, een lidstaat van inschrijvende luchtvaartmaatschappijen die over een in een andere lidstaat afgegeven vergunning beschikten kon verlangen dat zij voldeden aan de in artikel 3, lid 2, van de verordening gestelde voorwaarden.
35 Dienaangaande dient gezien het antwoord op de eerste vraag te worden vastgesteld, dat voorzover een aanbesteding die op grond van artikel 4, lid 1, van de verordening is uitgeschreven, niet inhoudt dat wordt afgezien van de mogelijkheid de toekenning van cabotagerechten overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de verordening te beperken, het evenmin in strijd is met het gemeenschapsrecht wanneer een lidstaat in het kader van deze aanbesteding verlangt dat luchtvaartmaatschappijen inschrijven onder de in artikel 3, lid 2, gestelde voorwaarden.
36 Hieraan moet echter worden toegevoegd, dat volgens de bewoordingen van artikel 3, lid 2, van de verordening dit artikel na 1 april 1997 geen gevolgen meer kan hebben.
37 Op de tweede vraag dient dus te worden geantwoord dat in het kader van een in 1995 uitgeschreven openbare aanbesteding voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten op een route in overeenstemming met de krachtens artikel 4 van de verordening voor die route opgelegde openbare-dienstverplichtingen, een lidstaat van inschrijvende luchtvaartmaatschappijen die over een in een andere lidstaat afgegeven vergunning beschikten kon verlangen dat zij voldeden aan de in artikel 3, lid 2, van de verordening gestelde voorwaarden, mits die aanbesteding geen gevolgen had na 1 april 1997.
De derde vraag
38 Met de derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 1, sub e, van beschikking 94/698, dat aan goedkeuring van de daarin bedoelde steunmaatregel de voorwaarde verbindt dat de Portugese Republiek haar verplichting nakomt om uiterlijk vanaf 1 januari 1996 artikel 4 van de verordening op de autonome regio's Madeira en de Azoren toe te passen en de openbare-dienstverplichtingen voor de betrokken routes te publiceren, aldus moet worden uitgelegd dat het deze lidstaat belet gebruik te maken van de in artikel 3, lid 2, van de verordening voorziene mogelijkheid.
39 Allereerst zij eraan herinnerd dat de verordening sinds haar inwerkingtreding, op 1 januari 1993, van toepassing is op de autonome regio Madeira, maar dat krachtens artikel 1, lid 4, de autonome regio de Azoren van de toepassing ervan was uitgesloten tot en met 30 juni 1993 en vervolgens, door een verlenging, tot en met 30 juni 1998.
40 Daar de Portugese Republiek evenwel de in artikel 1, sub e, van beschikking 94/698 genoemde verplichting is aangegaan, is artikel 4 van de verordening sinds 1 januari 1996 ook van toepassing op de autonome regio de Azoren.
41 Artikel 1, sub e, van beschikking 94/698 bepaalt echter niet dat de Portugese Republiek, gezien de toepassing van artikel 4 van de verordening, dient af te zien van de in artikel 3, lid 2, van de verordening voorziene mogelijkheid de toegang tot de betrokken routes te beperken tot de luchtvaartmaatschappijen met een vergunning die aan de voorwaarden van deze laatste bepaling voldoen.
42 Uit hoofdstuk VIII, punt 3, zesde alinea, van deze beschikking volgt juist dat de Portugese Republiek de verplichting is aangegaan om in 1995 over te gaan tot een openbare aanbesteding voor de verbindingen tussen het Portugese vasteland en de autonome regio's Madeira en de Azoren en dat het recht om die diensten te exploiteren in het kader van een openbare aanbesteding moet worden aangeboden aan elke communautaire luchtvaartmaatschappij [...] die dergelijke luchtdiensten mag onderhouden".
43 Vastgesteld moet worden dat de zinsnede die dergelijke luchtdiensten mag onderhouden" ook voorkomt in artikel 4, lid 1, sub d, van de verordening en in de context van beschikking 94/698 geen andere betekenis kan hebben. De Portugese Republiek kon derhalve, zoals opgemerkt in punt 26 van dit arrest, de toegang tot deze routes beperken tot luchtvaartmaatschappijen die aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2, van deze verordening voldeden.
44 Aangezien de verordening sinds 1 januari 1993 van toepassing is op de autonome regio Madeira, moet hieraan evenwel worden toegevoegd dat alle communautaire luchtvaartmaatschappijen die over een door een lidstaat verleende vergunning beschikken sinds 1 april 1997 op intracommunautaire routes vanaf of naar deze regio vervoersrechten mogen uitoefenen. Wat de autonome regio de Azoren betreft mogen deze luchtvaartmaatschappijen sinds 1 juli 1998 cabotagediensten verrichten.
45 Op de derde vraag dient dus te worden geantwoord dat artikel 1, sub e, van beschikking 94/698, dat aan goedkeuring van de daarin bedoelde steunmaatregel de voorwaarde verbindt dat de Portugese Republiek haar verplichting nakomt om uiterlijk vanaf 1 januari 1996 artikel 4 van de verordening op de autonome regio's Madeira en de Azoren toe te passen en de openbare-dienstverplichtingen voor de betrokken routes te publiceren, deze lidstaat niet belet gebruik te maken van de in artikel 3, lid 2, van de verordening voorziene mogelijkheid.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
46 De kosten door de Portugese regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Supremo Tribunal Administrativo bij beschikking van 13 april 2000 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Wanneer een lidstaat de rechten en mogelijkheden benut die zijn neergelegd in artikel 4 van verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes, ziet die lidstaat daarmee niet af van de in artikel 3, lid 2, van die verordening geboden mogelijkheid om tot 1 april 1997 de mededinging in cabotagediensten op zijn grondgebied te beperken.
2) In het kader van een in 1995 uitgeschreven openbare aanbesteding voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten op een route in overeenstemming met de krachtens artikel 4 van verordening nr. 2408/92 voor die route opgelegde openbare-dienstverplichtingen, kon een lidstaat van inschrijvende luchtvaartmaatschappijen die over een in een andere lidstaat afgegeven vergunning beschikten, verlangen dat zij voldeden aan de in artikel 3, lid 2, van die verordening gestelde voorwaarden, mits die aanbesteding geen gevolgen had na 1 april 1997.
3) Artikel 1, sub e, van beschikking 94/698/EG van de Commissie van 6 juli 1994 betreffende kapitaalverhoging, kredietgaranties en bestaande belastingvrijstelling voor de luchtvaartmaatschappij TAP, dat aan goedkeuring van de daarin bedoelde steunmaatregel de voorwaarde verbindt dat de Portugese Republiek haar verplichting nakomt om uiterlijk vanaf 1 januari 1996 artikel 4 van verordening nr. 2408/92 op de autonome regio's Madeira en de Azoren toe te passen en de openbare-dienstverplichtingen voor de betrokken routes te publiceren, belet deze lidstaat niet gebruik te maken van de in artikel 3, lid 2, van deze verordening voorziene mogelijkheid.
Full & Egal Universal Law Academy