Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(Art. 226 EG)
Partijen
In zaak C-230/00,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Lier als gemachtigde, bijgestaan door M. H. van der Woude en T. E. M. Chellingsworth, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door A. Snoecx als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de volledige uitvoering van de richtlijnen
- 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, blz. 39), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991 (PB L 78, blz. 32),
- 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PB L 129, blz. 23),
- 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PB 1980, L 20, blz. 43),
- 84/360/EEG van de Raad van 28 juni 1984 betreffende de bestrijding van door industriële inrichtingen veroorzaakte luchtverontreiniging (PB L 188, blz. 20), en
- 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40),
de krachtens de artikelen 9 van richtlijn 75/442, 3, 4, 5 en 7 van richtlijn 76/464, 3, 4, 5, 7 en 10 van richtlijn 80/68, 3, 4, 9 en 10 van richtlijn 84/360, 2 en 8 van richtlijn 85/337 en artikel 189 EG-Verdrag (thans artikel 249 EG) op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, J.-P. Puissochet en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 maart 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 juni 2000, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG het Hof verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de volledige uitvoering van de richtlijnen
- 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, blz. 39), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991 (PB L 78, blz. 32),
- 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PB L 129, blz. 23),
- 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PB 1980, L 20, blz. 43),
- 84/360/EEG van de Raad van 28 juni 1984 betreffende de bestrijding van door industriële inrichtingen veroorzaakte luchtverontreiniging (PB L 188, blz. 20), en
- 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40),
de krachtens de artikelen 9 van richtlijn 75/442, 3, 4, 5 en 7 van richtlijn 76/464, 3, 4, 5, 7 en 10 van richtlijn 80/68, 3, 4, 9 en 10 van richtlijn 84/360, 2 en 8 van richtlijn 85/337 en artikel 189 EG-Verdrag (thans artikel 249 EG) op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Rechtskader
2 Volgens de richtlijnen 75/442, 76/464, 80/68 en 84/360 moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen om de activiteiten of inrichtingen die onder deze richtlijnen vallen, aan voorafgaande vergunning te onderwerpen.
3 Volgens artikel 2 van richtlijn 85/337 treffen de lidstaten de nodige maatregelen om te verzekeren dat, voordat een vergunning wordt verleend, de projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, worden onderworpen aan een beoordeling van die effecten.
4 De bepalingen van Belgisch recht tot uitvoering van de richtlijnen 75/442, 76/464, 80/68, 84/360 en 85/337 hebben de vergunningplicht ingevoerd. Een aantal van die bepalingen, met name die in de Vlaamse en Waalse regeling, voorzien evenwel in stilzwijgende vergunningen of weigeringen.
5 Indien de bevoegde overheid in eerste aanleg geen beslissing neemt over een vergunningaanvraag, wordt deze namelijk geacht te zijn geweigerd. In hoger beroep daarentegen, wordt de vergunning geacht te zijn verleend indien de bevoegde instantie binnen de gestelde termijn geen beslissing neemt. Dat is in wezen de regeling ingevoerd bij de artikelen 34 tot en met 42 en 49 tot en met 55 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Belgisch Staatsblad van 26 juni 1991, blz. 14269) en bij artikel 11 van het decreet van de Waalse Gewestraad van 27 juni 1996 inzake afvalstoffen (Belgisch Staatsblad van 2 augustus 1996, blz. 20685).
De precontentieuze procedure
6 Van oordeel dat het Koninkrijk België de richtlijnen 75/442, 76/464, 80/68, 84/360 en 85/337 niet correct had uitgevoerd, stelde de Commissie deze lidstaat bij brief van 6 juli 1998 in de gelegenheid zijn opmerkingen te maken overeenkomstig de niet-nakomingsprocedure waarin het Verdrag voorziet.
7 Omdat deze brief onbeantwoord bleef, zond de Commissie het Koninkrijk België op 18 december 1998 een met redenen omkleed advies.
8 Op 6 januari 1999 ontving de Commissie van de Belgische autoriteiten een brief waarbij een brief van de Vlaamse regering van 8 december 1998 was gevoegd. In deze laatste formuleerden de Vlaamse autoriteiten de opmerkingen waarom de Commissie bij brief van 6 juli 1998 had verzocht, waarbij zij met name wezen op de beperkte werkingssfeer van de stilzwijgende vergunning en op het kleine aantal stilzwijgend afgegeven vergunningen. De Vlaamse regering voegde eraan toe dat de bevoegde autoriteiten en adviesinstanties goed weten wat de gevolgen van het uitblijven van een beslissing zijn, zodat zij elke vergunningaanvraag steeds aan een nauwgezet onderzoek onderwerpen.
9 In het op 15 maart 1999 door de Commissie ontvangen antwoord van de Vlaamse regering op het met redenen omkleed advies worden de argumenten uit de brief van 8 december 1998 herhaald. De Vlaamse regering voegde daar evenwel aan toe, dat een stilzwijgende vergunning geen passieve beoordeling of nalatigheid van de overheid impliceert, aangezien alle vergunningaanvragen steeds omstandig worden beoordeeld.
10 Van oordeel dat het Koninkrijk België niet alle maatregelen had genomen die nodig zijn om het met redenen omkleed advies op te volgen, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Ten gronde
11 De Commissie wijst erop dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat een stelsel van stilzwijgende vergunningen onverenigbaar is met de vereisten van richtlijn 80/68 (arrest van 28 februari 1991, Commissie/Italië, C-360/87, Jurispr. blz. I-791, punt 31). Deze rechtspraak zou ook van toepassing zijn op de in de richtlijnen 75/442, 76/464, 84/360 en 85/337 bedoelde vergunningen.
12 Het in punt 5 van het onderhavige arrest beschreven mechanisme van stilzwijgende vergunningen is volgens de Commissie dus onverenigbaar met de bepalingen van de betrokken richtlijnen.
13 Zonder de verweten niet-nakoming te betwisten, merkt het Koninkrijk België in zijn verweerschrift alleen op dat de Vlaamse regering een ontwerpdecreet terzake aan het opstellen is en dat de Waalse regering dienaangaande twee voorontwerpen van besluiten alsook verschillende maatregelen tot toepassing van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning (Belgisch Staatsblad van 8 juni 1999, blz. 21101) heeft vastgesteld.
14 Er zij aan herinnerd, dat het Hof heeft geoordeeld dat richtlijn 80/68 bepaalt dat op basis van de resultaten van het onderzoek steeds een uitdrukkelijke administratieve handeling - een verbod of een vergunning - moet worden vastgesteld" (arrest van 28 februari 1991, Commissie/Duitsland, C-131/88, Jurispr. blz. I-825, punt 38).
15 Verder is, zoals in punt 52 van het arrest van 19 september 2000, Linster (C-287/98, Jurispr. blz. I-6917) is overwogen, de belangrijkste doelstelling van richtlijn 85/337 dat de projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, met name gezien hun aard, omvang of ligging, vóór de vergunningverlening worden onderworpen aan een beoordeling van die effecten".
16 Blijkens deze rechtspraak is een stilzwijgende vergunning niet verenigbaar met de vereisten van de in het onderhavige beroep bedoelde richtlijnen, omdat de richtlijnen 75/442, 76/464, 80/68 en 84/360 voorafgaande vergunningen eisen en richtlijn 85/337 voorziet in beoordelingsprocedures vóór de vergunningverlening. De nationale autoriteiten zijn dus volgens elk van deze richtlijnen gehouden de ingediende vergunningaanvragen geval per geval te onderzoeken.
17 Aangaande de aanvullende uitvoeringsmaatregelen die bij het Vlaamse en Waalse Gewest in behandeling zijn, zij eraan herinnerd, dat een richtlijn volgens artikel 189, derde alinea, van het Verdrag verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is. Volgens vaste rechtspraak brengt deze verplichting mee dat de in de richtlijnen gestelde termijnen in acht moeten worden genomen (zie onder meer arresten van 22 september 1976, Commissie/Italië, 10/76, Jurispr. blz. 1359, punten 11 en 12, en 8 maart 2001, Commissie/Griekenland, C-176/00, Jurispr. blz. I-2063, punt 7).
18 In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de volledige uitvoering van richtlijnen 75/442, 76/464, 80/68, 84/360 en 85/337, de krachtens de artikelen 9 van richtlijn 75/442, 3, 4, 5 en 7 van richtlijn 76/464, 3, 4, 5, 7 en 10 van richtlijn 80/68, 3, 4, 9 en 10 van richtlijn 84/360 alsmede 2 en 8 van richtlijn 85/337 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de volledige uitvoering van de richtlijnen
- 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991,
- 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd,
- 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen,
- 84/360/EEG van de Raad van 28 juni 1984 betreffende de bestrijding van door industriële inrichtingen veroorzaakte luchtverontreiniging, en
- 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten,
is het Koninkrijk België de krachtens de artikelen 9 van richtlijn 75/442, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156, 3, 4, 5 en 7 van richtlijn 76/464, 3, 4, 5, 7 en 10 van richtlijn 80/68, 3, 4, 9 en 10 van richtlijn 84/360 alsmede 2 en 8 van richtlijn 85/337 op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy