Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Steunmaatregelen van de staten - Onderzoek door Commissie - Bevoegdheid om richtsnoeren vast te stellen - Maatregelen aan lidstaten voorgesteld in kader van voortdurend onderzoek van steunregelingen waarop richtsnoeren betrekking hebben - Aanvaarding door lidstaten - Bindende werking - Beschikkingen inzake maximaal bereik van steunmaatregelen die wezenlijk onderdeel van richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen vormen
(Art. 87 EG en 88 EG)
Samenvatting
$$De Commissie kan bij de uitoefening van de bevoegdheden waarover zij krachtens de artikelen 87 EG en 88 EG beschikt, richtsnoeren vaststellen inzake de wijze waarop zij krachtens deze artikelen gebruik zal maken van haar beoordelingsvrijheid ter zake van nieuwe steun of bestaande steunmaatregelen.
Voorzover deze richtsnoeren op artikel 88, lid 1, EG zijn gebaseerd, vormen zij een onderdeel van de regelmatige en periodieke samenwerking in het kader waarvan de Commissie tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek onderwerpt, en de dienstige maatregelen voorstelt welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de gemeenschappelijke markt vereist. Zoals tevens blijkt uit artikel 19, lid 1, van verordening nr. 659/1999, hebben die voorstellen van dienstige maatregelen bindende werking voor de lidstaat die deze voorstellen heeft aanvaard.
Wat meer in het bijzonder de richtsnoeren inzake regionale steun betreft,
vormen beschikkingen, zoals die tot vaststelling van de maximale bereiken van de steun en die tot bijwerking ervan, een van de etappes van een procedure om de algemene voorwaarden voor een communautair onderzoek van regionale steunregelingen vast te stellen. Derhalve maken deze beschikkingen een wezenlijk onderdeel uit van voormelde richtsnoeren en hebben zij uit zichzelf slechts bindende kracht wanneer zij door de lidstaten zijn aanvaard.
( cf. punten 27-29, 33-35 )
Partijen
In zaak C-242/00,
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing als gemachtigde, bijgestaan door R. M. Bierwagen, Rechtsanwalt,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K.-D. Borchardt en J. Macdonald Flett als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2001/272/EG van de Commissie van 14 maart 2000 betreffende de nieuwe afbakening van steungebieden van het gemeenschappelijk actieprogramma Verbetering van de regionale economische structuur" in Duitsland voor de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2003 voor West-Duitsland en Berlijn (PB 2001, L 97, blz. 27),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, P. Jann, F. Macken en N. Colneric, kamerpresidenten, C. Gulmann, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet (rapporteur), M. Wathelet, R. Schintgen, V. Skouris en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 22 januari 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 maart 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 juni 2000, heeft de Bondsrepubliek Duitsland, krachtens artikel 230 EG verzocht om nietigverklaring van beschikking 2001/272/EG van de Commissie van 14 maart 2000 betreffende de nieuwe afbakening van steungebieden van het gemeenschappelijk actieprogramma Verbetering van de regionale economische structuur" in Duitsland voor de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2003 voor West-Duitsland en Berlijn (PB 2001, L 97, blz. 27; hierna: bestreden beschikking"), op grond dat daarin regionale steunmaatregelen slechts verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden geacht voorzover zij betrekking hebben op regio's die 17,73 % van de Duitse bevolking vertegenwoordigen.
De gemeenschapswetgeving
2 Artikel 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) heeft betrekking op steunmaatregelen van de staten en bepaalt in lid 3, sub a en c, eerste volzin, waarvan de tekst identiek is aan deze van artikel 87, lid 3, sub a en c, EG:
Als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd:
a) steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst,
[...]
c) steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad."
3 Artikel 93 EG-Verdrag (thans artikel 88 EG), waarvan de tekst identiek is aan deze van artikel 88, lid 1, EG, bepaalt:
De Commissie onderwerpt tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de dienstige maatregelen voor, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de gemeenschappelijke markt vereist."
4 De Commissie heeft op 16 december 1997 richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (PB 1998, C 74, blz. 9; hierna: richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen") vastgesteld in samenwerking met de lidstaten. Bijlage III bij deze richtsnoeren bevat de methode voor de berekening van de maxima van de bevolking van de streken die voor regionale steun in aanmerking komen.
5 De Commissie stelt een algemeen maximum vast voor de reikwijdte, in termen van bevolking, van dit soort steun in de Gemeenschap. Dit wordt vervolgens over de lidstaten verdeeld, waarbij voor elke staat een maximaal percentage van in aanmerking komende bevolking wordt vastgesteld.
6 Uit hoofde van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag voldoen alle regio's die overeenkomen met een geografische eenheid van het niveau II van de nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (hierna: NUTS"), die een in koopkrachtstandaard (hierna: KKS") gemeten bruto binnenlands product (hierna: BBP") per inwoner van niet meer dan 75 % van het communautaire gemiddelde hebben, automatisch aan het communautaire maximum.
7 Het uit hoofde van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag vastgestelde algemeen bevolkingscijfer wordt verkregen door de bevolking van de regio's die onder artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag vallen, van het algemene maximum voor de Gemeenschap af te trekken. Dit cijfer wordt vervolgens verdeeld over de onderscheiden lidstaten in het licht van de relatieve sociaal-economische situatie van de regio's in elk ervan, welke in de context van de Gemeenschap wordt beoordeeld.
8 Deze verdeling van het bevolkingscijfer waarmee op grond van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag wordt rekening gehouden, geschiedt als volgt. Met een eerste verdeelsleutel wordt voor elke regio van NUTS III, over een periode van drie jaar en op basis van door Eurostat verstrekte statistische gegevens inzake BBP/KKS per inwoner en werkloosheid, het verschil vastgesteld ten opzichte van de communautaire basisdrempels voor deze indicatoren, te weten 115 voor het werkloosheidspercentage en 85 voor het BBP. Uit hoofde daarvan kunnen in aanmerking worden genomen de regio's die grote verschillen vertonen ten opzichte van minstens één van de twee basisdrempels. Alle regio's van lidstaten die nog niet uit hoofde van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag in aanmerking zijn gekomen en die aan deze voorwaarde voldoen, worden samengeteld, zodat het relatieve aandeel van elke lidstaat in het geheel kan worden bepaald.
9 De aldus verkregen resultaten worden zo nodig" gecorrigeerd teneinde rekening te houden met de volgende dwingende eisen: allereerst moet de uit hoofde van artikel 92, lid 3, sub c, gesteunde bevolking ten minste 15 % en niet meer dan 50 % bedragen van de bevolking die uit hoofde van artikel 92, lid 3, sub a, niet voor steun in aanmerking komt; vervolgens moeten alle regio's die niet meer in aanmerking komen op grond van het bepaalde sub a, evenals de zones met een geringe bevolkingsdichtheid, op grond van het bepaalde sub c in aanmerking worden genomen; ten slotte mag de vermindering van het totale bereik uit hoofde van het bepaalde sub a en sub c niet hoger zijn dan 25 %.
10 De toepassing van deze correcties kan tot gevolg hebben dat het maximum van de bevolking waarmee voor elke lidstaat rekening wordt gehouden, wordt verhoogd, hetgeen laatste correcties tussen staten meebrengt om te voorkomen dat het ex ante vastgestelde algemene maximum van de bevolking in de Gemeenschap wordt overschreden.
De feiten van het geding
11 Bij beschikking van 16 december 1997, de dag waarop de richtsnoeren inzake regionale steun werden goedgekeurd, heeft de Commissie de maximale bereiken inzake regionale steunmaatregelen voor de jaren 2000 tot en met 2006 vastgesteld op 42,7 % van de bevolking in de Gemeenschap (19,8 % uit hoofde van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag en 22,9 % uit hoofde van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag), tegenover 46,7 % voordien (22,7 % uit hoofde van het bepaalde sub a en 24 % uit hoofde van het bepaalde sub c).
12 Deze vermindering werd doorgevoerd wegens de verbetering van de sociaal-economische situatie in bepaalde regio's, waardoor deze niet meer in aanmerking kwamen voor steun op grond van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag, en om de steun die onder artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag kon vallen, strikter te regelen en te concentreren op de regio's waar de grootste moeilijkheden werden vastgesteld, teneinde te garanderen dat die steunmaatregelen de intracommunautaire handel niet ongunstig beïnvloeden, maar de doeltreffendheid en coherentie in het kader van de structuurfondsen behouden. Het vooruitzicht van de uitbreiding van de Gemeenschap in de periode 2000-2006 werd eveneens aangevoerd als rechtvaardiging voor deze vermindering.
13 De beschikking van 16 december 1997 tot vaststelling van de maximale bereiken, werd ter kennis van de Bondsrepubliek Duitsland gebracht bij brief van 24 februari 1998. Daarin wees de Commissie er tevens op dat 35,7 % van de Duitse bevolking in aanmerking kwam voor regionale steun op grond van artikel 92, lid 3, van het Verdrag, zijnde 17,4 % uit hoofde van het bepaalde sub a en 18,3 % uit hoofde van het bepaalde sub c. Zoals aan alle lidstaten verzocht de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland in dezelfde brief, haar nationale wettelijke regeling inzake regionale steun met ingang van 1 januari 2000 in overeenstemming te brengen met de richtsnoeren inzake regionale steun, en de kaart van de met ingang van 1 januari 2000 in aanmerking komende regio's alsmede van de omvang van de steun en de maximale cumulatiepercentages die in de in aanmerking komende regio's van toepassing zijn, vóór 31 maart 1999 bij de Commissie aan te melden.
14 Bij brief van 23 april 1998 heeft de Duitse regering deze door de Commissie krachtens artikel 93, lid 1, van het Verdrag voorgestelde dienstige maatregelen" ten dele goedgekeurd, maar de berekeningswijze van het maximum van de bevolking van de in aanmerking komende regio's formeel betwist.
15 Wegens de mogelijkheid dat een formele onderzoeksprocedure zou worden geopend, en het risico dat zonder toestemming van de Commissie tijdelijk geen regionale steun zou kunnen worden toegekend, heeft de Duitse regering bij brief van 24 augustus 1998 de dienstige maatregel uiteindelijk goedgekeurd, waardoor de bestaande steunregelingen op 31 december 1999 werden gewijzigd. Hierbij verzette zij zich wel opnieuw tegen de wijze van berekening van het maximum voor de in aanmerking komende regio's.
16 In een nieuwe brief van 30 december 1998 wijst de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland erop dat het op 16 december 1998 geactualiseerde maximum voor deze lidstaat voortaan was vastgesteld op 34,9 % van haar bevolking, zijnde 17,3 % uit hoofde van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag en 17,6 % op grond van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag. Uit bijlage A bij die brief bleek dat de Commissie dit laatste cijfer aanvankelijk op 23,4 % had vastgesteld en het had verminderd om de correctiemaatregelen ten voordele van andere lidstaten te compenseren.
17 Op 21 januari 1999 werd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen een document van de Commissie gepubliceerd, met als titel Het maximale bereik per lidstaat van de regionale steunmaatregelen krachtens de afwijkingen van artikel 92, lid 3, onder a en c, van het Verdrag voor de periode 2000 tot 2006" (PB L 16, blz. 5), waarin voor Duitsland een maximum van 34,9 % is voorzien. Uit dit document blijkt dat de genoemde maxima zijn vastgesteld [o]vereenkomstig de bepalingen van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen".
18 Bij brief van 30 maart 1999 heeft de Duitse regering bij de Commissie een ontwerp van regionale steunkaart aangemeld, waarbij regio's werden voorgesteld die 17,6 % van de Duitse bevolking vertegenwoordigen uit hoofde van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag en 23,4 % van de Duitse bevolking uit hoofde van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag (in de deelstaten van Oost-Duitsland en in Berlijn).
19 De Commissie heeft bij brief van 17 augustus 1999 erkend dat de projecten voor de onder artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag vallende regio's verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, maar heeft bezwaren geformuleerd en de formele onderzoeksprocedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag ingeleid met betrekking tot de regio's die onder artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag vallen. Een en ander betreft de reikwijdte van de regio's en verschillende kenmerken van de voorgenomen steunmaatregelen in de deelstaten van Oost-Duitsland en in Berlijn.
20 Na tal van contacten en op aandringen van de Bondsrepubliek Duitsland heeft de Commissie einde 1999 aanvaard de onderzoeksprocedure te beëindigen voor de regio's die onder artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag vallen en 17,7 % van de Duitse bevolking vertegenwoordigen, omdat dit percentage in de buurt ligt van hetgeen door de Commissie is vastgesteld in haar brief van 30 december 1998. Een en ander vereiste evenwel een precieze afbakening van de betrokken regio's, die strikter was dan die welke de Bondsrepubliek Duitsland voor ogen had, aangezien 5,7 % van de bevolking er buiten valt en rekening wordt gehouden met bepaalde eisen van de Commissie inzake de definitie van de geografische eenheid van de voorgestelde gebieden.
21 Op 2 februari 2000 heeft de Duitse regering de Commissie in kennis gesteld van de vooruitgang ter zake van de noodzakelijke maatregelen en bij haar een lijst aangemeld van regio's die 17,73 % van de Duitse bevolking vertegenwoordigen, waarbij zij evenwel nogmaals verklaarde haar juridische stelling inzake het cijfer van 23,4 % te handhaven.
22 De bestreden beschikking van 14 maart 2000 werd op grond van deze laatste gegevens vastgesteld. In artikel 1 wordt bepaald: De regionalesteunkaart voor de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2003 betreffende regio's in de zin van artikel 87, lid 3, onder c, van het EG-Verdrag, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt voorzover aan de in artikel 2 genoemde voorwaarden is voldaan." Artikel 2 van deze beschikking preciseert inzonderheid: Duitsland treft op nationaal niveau maatregelen teneinde heel duidelijk de gebieden die onder artikel 87, lid 3, onder a, van het EG-Verdrag vallen, af te bakenen van de gebieden die onder artikel 87, [lid] 3, onder c, van het EG-Verdrag vallen, en duidelijk aan te geven dat alleen deze gebieden gerechtigd zijn om regionale steun in de zin van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen te ontvangen."
De ontvankelijkheid van het beroep
23 De Commissie werpt in haar verweer primair een exceptie van niet-ontvankelijkheid op. Zij is van mening dat het beroep waarmee vooral wordt opgekomen tegen het maximale bevolkingsbereik van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag, op twee gronden niet-ontvankelijk is.
24 In de eerste plaats voert zij aan dat de bestreden beschikking, waarbij de door de Bondsrepubliek Duitsland op 2 februari 2000 aangemelde lijst van regio's verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, in werkelijkheid gunstig is voor deze lidstaat en deze niet bezwaart. Het beroep zou in die omstandigheden zonder voorwerp zijn.
25 Zij betoogt in de tweede plaats en subsidiair dat de bestreden beschikking moet worden beschouwd als een impliciete afwijzing van een aanvullend verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland tot inaanmerkingneming van 5,67 % extra van haar bevolking. Dit deel van de bestreden beschikking zou slechts een bevestiging zijn van de door de Commissie op 16 december 1997 vastgestelde en op 16 december 1998 geactualiseerde beschikking tot vaststelling van de maximale bereiken, waartegen geen beroep werd ingesteld en die derhalve definitief is geworden. Het onderhavige beroep zou bijgevolg te laat zijn ingesteld.
26 Het onderzoek van deze exceptie van niet-ontvankelijkheid impliceert dat het Hof uitspraak doet over de aard en de juiste draagwijdte van de bestreden beschikking.
27 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de Commissie bij de uitoefening van de bevoegdheden waarover zij krachtens de artikelen 87 EG en 88 EG beschikt, richtsnoeren kan vaststellen inzake de wijze waarop zij krachtens deze artikelen gebruik zal maken van haar beoordelingsvrijheid ter zake van nieuwe steun of bestaande steunmaatregelen.
28 Voorzover deze richtsnoeren op artikel 88, lid 1, EG zijn gebaseerd, vormen zij een onderdeel van de regelmatige en periodieke samenwerking in kader waarvan de Commissie tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek onderwerpt en de dienstige maatregelen voorstelt welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de gemeenschappelijke markt vereist (arresten van 15 oktober 1996, IJssel-Vliet, C-311/94, Jurispr. blz. I-5023, punten 36 en 37, en 5 oktober 2000, Duitsland/Commissie, C-288/96, Jurispr. blz. I-8237, punten 62-65). Voorzover een lidstaat voorstellen van dienstige maatregelen heeft aanvaard, hebben deze bindende werking voor die lidstaat (arrest IJssel-Vliet, reeds aangehaald, punten 42 en 43).
29 Bovendien zij vastgesteld dat de gemeenschapswetgever de beginselen van de in het voorgaande punt genoemde rechtspraak heeft opgenomen in artikel 19, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1), dat luidt als volgt: Indien de betrokken lidstaat de voorgestelde maatregelen aanvaardt en de Commissie daarvan in kennis stelt, legt de Commissie dit vast en deelt zij dit aan de lidstaat mede. Door zijn aanvaarding verbindt de lidstaat zich ertoe de dienstige maatregelen ten uitvoer te leggen."
30 De Commissie heeft op 16 december 1997 de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen aangenomen als dienstige maatregelen" in de zin van artikel 93, lid 1, van het Verdrag. Dezelfde dag heeft zij in een afzonderlijke beschikking de maximale bereiken van de regionale steunmaatregelen in een percentage van de bevolking vastgesteld voor de gehele Gemeenschap en voor elke lidstaat, voor de periode 2000-2006. Van genoemde richtsnoeren en de inhoud van deze beschikking werd de Bondsrepubliek Duitsland in kennis gesteld bij brief van 24 februari 1998 om deze lidstaat in staat te stellen het onderzoek van haar bestaande steunregelingen aan te vatten en aan de Commissie een regionalesteunkaart voor te stellen waarin per 1 januari 2000 rekening werd gehouden met de aldus bepaalde nieuwe maxima. Het voor de Bondsrepubliek Duitsland vastgestelde maximale bereik werd, net als dat van de andere lidstaten, geactualiseerd op 16 december 1998 om te garanderen dat de voorwaarden van toekenning van steun voor de periode 2000-2006 op de recentste statistische indicatoren berusten. De maxima voor de lidstaten zijn eerst vanaf deze actualisatie definitief vastgesteld. Zij zijn ter kennis van de lidstaten gebracht bij brief van 30 december 1998 en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 21 januari 1999. De staten hebben als gevolg daarvan de inhoud van hun voorstellen moeten aanpassen en de Bondsrepubliek Duitsland heeft op 30 maart 1999 haar regionale steunprojecten, met precisering van de omvang en het geografische bereik ervan, kunnen aanmelden.
31 De Commissie betoogt dat de beschikking van 16 december 1997 inzake de maximale bereiken, en de beschikking die vervat ligt in de brief van 30 december 1998 waarbij eerstgenoemde beschikking wordt geactualiseerd, juridisch zelfstandige beschikkingen zijn die niet als de dienstige maatregelen" in de zin van artikel 93, lid 1, van het Verdrag kunnen worden aangemerkt. Aangezien zij zijn vastgesteld met toepassing van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen, maar daarvan onderscheiden zijn, berusten zij op de beoordelingsvrijheid van de Commissie ter zake van de verenigbaarheid van regionale steunmaatregelen met de gemeenschappelijke markt. Anders dan genoemde richtsnoeren, die een onderdeel van de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten vormen, hangt het bindend karakter van die beschikkingen niet af van de instemming van de lidstaten.
32 De Bondsrepubliek Duitsland stelt dat deze beschikkingen jegens haar slechts voorbereidende handelingen zijn en tussentijdse maatregelen vormen. Omdat zij een wezenlijk onderdeel van de richtsnoeren inzake regionale steun zijn, heeft de Duitse regering er steeds uitdrukkelijk voorbehoud tegen gemaakt, zodat zij uit zichzelf geen bindend karakter hebben kunnen verkrijgen.
33 Dienaangaande zij erop gewezen dat genoemde beschikkingen" de noodzakelijke aanvulling van de richtsnoeren inzake regionale steun vormden, ofschoon zij er materieel van onderscheiden zijn en de tweede beschikking ongeveer één jaar later is gegeven. De Bondsrepubliek Duitsland werd eerst nuttig in kennis gesteld van het belangrijkste - uit de richtsnoeren voortvloeiende - beoordelingscriterium dat de Commissie heeft gehanteerd, namelijk de maximaal in aanmerking komende bevolking, op het ogenblik van de kennisgeving van de haar betreffende cijfers bij brief van 30 december 1998. Het is pas bij ontvangst van deze brief en van bijlage A ervan, waarin de wijze van berekening van de maxima en inzonderheid het gevolg van de in bijlage III bij genoemde richtsnoeren voorziene correcties" worden gepreciseerd, dat deze lidstaat kennis heeft kunnen nemen van de werkelijke draagwijdte die deze voor haar hadden, en haar aanmelding van de steungebiedenkaart heeft kunnen voorbereiden.
34 Zoals de Commissie zelf erkent, zijn die beschikkingen" bovendien niet voorafgegaan door een formele goedkeuringsprocedure. Eigenlijk bevatten zij geen oordeel over de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van reeds bij de Commissie aangemelde maatregelen. Zij vormen een van de etappes van een procedure om de algemene voorwaarden voor een communautair onderzoek van regionale steunregelingen vast te stellen.
35 In die omstandigheden moeten deze beschikkingen" worden geacht een wezenlijk onderdeel te zijn van de richtsnoeren inzake regionale steun en uit zichzelf slechts bindende kracht te hebben wanneer zij door de lidstaten zijn aanvaard (zie arrest IJssel-Vliet, reeds aangehaald, punten 42 en 43).
36 Uit de briefwisseling tussen de Commissie en de Duitse regering in onderhavige zaak, inzonderheid uit de brieven van deze laatste van 23 april en 24 augustus 1998, blijkt dat de Bondsrepubliek Duitsland steeds voorbehoud heeft gemaakt bij de wijze van berekening en het cijfer van het voor haar vastgestelde bereik. Zij heeft zich verzet tegen de vaststelling van een maximum gelijk aan 17,7 % van haar bevolking door op 30 maart 1999 een steungebiedenkaart die 23,4 % van haar bevolking vertegenwoordigde, bij de Commissie aan te melden. Dit verzet werd herhaald tijdens gesprekken op 12 november en op 2 december 1999 tussen vertegenwoordigers van de Commissie en van het Duitse ministerie van Financiën en werd bevestigd bij brief van de Duitse regering van 2 februari 2000. Bijgevolg kunnen de bepalingen van de richtsnoeren inzake regionale steun met betrekking tot de wijze van berekening van het maximale bereik en het daaruit voortvloeiende cijfer niet uit zichzelf rechtstreeks aan de Bondsrepubliek Duitsland worden tegengeworpen.
37 Anders dan de Commissie stelt, is de eerste beschikking met bindende werking jegens de Bondsrepubliek Duitsland derhalve wel degelijk de in het onderhavige beroep bestreden beschikking waarbij de Commissie een kaart van regio's die 17,7 % van de Duitse bevolking vertegenwoordigen, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard, en niet de tussentijdse maatregelen van 16 december 1997 en van 30 december 1998.
38 In die omstandigheden moet de exceptie van niet-ontvankelijkheid als zou het beroep zijn gericht tegen een beschikking houdende bevestiging van eerdere besluiten van de Commissie die definitief zijn geworden omdat de Bondsrepubliek Duitsland daartegen geen beroep heeft ingesteld, worden verworpen.
39 De Commissie voert evenwel aan dat het beroep niet-ontvankelijk is om een andere reden, namelijk dat het strekt tot nietigverklaring van een beschikking waarbij de op 2 februari 2000 aangemelde lijst van regio's verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, en die derhalve niet bezwarend is voor de Bondsrepubliek Duitsland. De Duitse regering brengt daartegen in dat zij haar oorspronkelijke aanmelding, op 30 maart 1999, van een kaart van regio's die 23,4 % van de Duitse bevolking vertegenwoordigden, gedurende de hele onderzoeksprocedure heeft gehandhaafd. De bestreden beschikking zou, voorzover daarbij een kaart van regio's die slechts 17,73 % van de bevolking vertegenwoordigen, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, impliciet, maar noodzakelijk een ongunstige uitspraak over deze aanmelding bevatten.
40 Enerzijds is de bestreden beschikking, zoals de Commissie beklemtoont, daadwerkelijk gebaseerd op de lijst van regio's die de Duitse regering op 2 februari 2000 aan de Commissie heeft overgelegd.
41 In punt 15 van de motivering van de bestreden beschikking wordt immers verklaard: In het kader van de onderzoeksprocedure heeft Duitsland op 2 februari 2000 een lijst met 41 arbeidsmarktregio's met inbegrip van de stad Berlijn, ingediend." en Deze gebieden hebben tezamen 14 546 097 inwoners, hetgeen neerkomt op 17,7 % van de totale bevolking van Duitsland; deze worden door Duitsland ingedeeld als gebieden die voor het regionale beleid de hoogste prioriteit genieten." Punt 35 van de motivering betreft [d]e nieuwe aanmelding van Duitsland van 2 februari 2000, die een wijziging inhoudt met betrekking tot de gebieden van artikel 87, lid 3, onder c, van het EG-Verdrag". In punt 49 van dezelfde motivering wordt gepreciseerd: Om de aanmelding in overeenstemming te brengen met de richtsnoeren, zond Duitsland in de loop van de onderzoeksprocedure een lijst van gebieden toe, die zich beperkte tot het door de Commissie vastgelegde maximale bevolkingsbereik." Punt 50 van de motivering voegt daaraan toe dat voor de Duitse steungebieden van artikel 87, lid 3, onder c, van het EG-Verdrag een maximaal bevolkingsbereik van 17,7 % [geldt]" en dat de voorgestelde gebieden [...] 17,7 % van de totale bevolking van Duitsland uit[maken] en [...] derhalve als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt [kunnen] worden verklaard". Het in punt 22 van dit arrest aangehaalde dispositief van de bestreden beschikking bevat derhalve een uitspraak over de stand van de gegevens waarover de Commissie op 2 februari 2000 beschikte, en erkent de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van de lijst van gebieden zoals die op die datum was gewijzigd.
42 De Bondsrepubliek Duitsland voert weliswaar aan dat de op 30 maart 1999 aangemelde lijst alleen door een - op 2 februari 2000 nog niet genomen - beslissing van de Bund-Länder-Planningsausschuss kon worden gewijzigd, doch deze omstandigheid heeft geen invloed op de draagwijdte van de bestreden beschikking.
43 Blijkens het dossier heeft de Bondsrepubliek Duitsland na in de brieven van 17 september en 4 oktober 1999 haar oorspronkelijke aanmelding te hebben gehandhaafd, immers zelf tijdens gesprekken met de diensten van de Commissie eind 1999 voorgesteld om deze laatste een herwerkte lijst over te leggen van regio's die 17,7 % van de Duitse bevolking vertegenwoordigen. De Duitse regering wilde op die manier een beschikking verkrijgen die de verenigbaarheid met het Verdrag van deze lijst erkende, met dien verstande dat zij zich het recht voorbehield om later een aanvullende lijst voor te stellen die boven het maximum van 17,7 % zou uitgaan. In de brief van 2 februari 2000 wordt er overigens op gewezen dat het voorstel allereerst" betrekking heeft op een lijst van gebieden waarbij met dat maximum rekening is gehouden. De Commissie herinnert eraan dat de Bondsrepubliek Duitsland, zonder dat nieuwe voorstel, het gevaar liep een beschikking te krijgen waarbij een kaart van gebieden die 23,4 % van de bevolking vertegenwoordigt, volledig onverenigbaar werd verklaard, daar de Commissie niet zelf de volgorde van regionale prioriteiten voor tussenkomst met inachtneming van het uit de richtsnoeren inzake regionale steun voortvloeiende maximum kan bepalen. De Duitse regering kan dus niet met succes aanvoeren dat haar verzoek inzake het maximale bereik door de handhaving van de aanmelding van 30 maart 1999 tot aan de goedkeuring van de bestreden beschikking is blijven bestaan.
44 Aangezien de Commissie zich evenwel noch in de niet-bindende besluiten van 16 december 1997 en 30 december 1998, noch in de bestreden beschikking heeft uitgesproken over het aanvankelijke verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland om steun te mogen toekennen aan regio's die 23,4 % van haar bevolking vertegenwoordigen, zou deze lidstaat nog een aanvullende lijst van gebieden die 5,67 % van haar bevolking vertegenwoordigen, kunnen aanmelden. De Commissie zou dan dienen te onderzoeken of dat voorstel verenigbaar is met het Verdrag.
45 Zowel uit de inhoud van de bestreden beschikking als uit de context waarin zij is vastgesteld, volgt derhalve dat zij tot doel noch tot gevolg had een verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland inzake een aanvullende lijst van gebieden die 5,67 % van de bevolking vertegenwoordigen, impliciet af te wijzen.
46 In die omstandigheden moet het beroep tegen deze beschikking, die op zich niet ongunstig en derhalve niet bezwarend is voor de Bondsrepubliek Duitsland, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
47 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy