Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Hogere voorziening - Middelen - Middel dat voor het eerst in hogere voorziening is aangevoerd - Niet-ontvankelijkheid
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 42, lid 2, eerste alinea)
2. Hogere voorziening - Middelen - Onjuiste beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51)
Samenvatting
1. In hogere voorziening is het Hof enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen die voor de rechters in eerste aanleg zijn aangevoerd. Zou een partij een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof mogen aanvoeren, dan zou zij bij het Hof immers een geschil aanhangig kunnen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen.
( cf. punt 39 )
2. Volgens artikel 225 EG en artikel 51 van Statuut van het Hof van Justitie is de hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen. Het Gerecht daarentegen is als enige bevoegd om de feiten vast te stellen, tenzij uit de overgelegde stukken blijkt dat zijn bevindingen materieel onjuist zijn, en ze vervolgens te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in hogere voorziening, behoudens in het geval van een verdraaiing van de voorgelegde gegevens.
Het onderzoek van de geloofwaardigheid van de uitlegging die de Commissie tijdens de procedure heeft verstrekt, is een onderdeel van de beoordeling van de feiten, en is dus niet een van de punten die het Hof in hogere voorziening kan toetsen.
( cf. punten 44, 46-47 )
Partijen
In zaak C-274/00 P,
Odette Simon, Luxemburg, aanvankelijk vertegenwoordigd door J.-N. Louis, vervolgens door L. Misson, avocats, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (enkelvoudige kamer) van 10 mei 2000, Simon/Commissie (T-177/97, JurAmbt, blz. I-A-75 en II-319), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall als gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. Macken, kamerpresident, N. Colneric (rapporteur), C. Gulmann, J.-P. Puissochet en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: L. Hewlett, administrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 27 juni 2001, O. Simon vertegenwoordigd door P. Mbaya, avocat, en de Commissie vertegenwoordigd door J. Currall, bijgestaan door D. Waelbroeck,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 september 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 juli 2000, heeft O. Simon krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en -EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 mei 2000, Simon/Commissie (T-177/97, JurAmbt. blz. I-A-75 en II-319; hierna: bestreden arrest"), waarbij haar beroep is verworpen tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie houdende afwijzing van haar verzoek tot regularisatie van haar administratieve positie teneinde te verkrijgen dat de werkzaamheden die zij sinds 1966 in dienst van verschillende contractueel met de Commissie verbonden verenigingen had verricht, worden aangemerkt als werkzaamheden verricht in de hoedanigheid van tijdelijk functionaris van de Gemeenschappen (hierna: litigieus besluit"), alsmede tot veroordeling van de Commissie tot betaling van een symbolische euro en vergoeding van de morele schade die zij stelt te hebben geleden.
De feiten van het geding
2 De feiten van het geding zijn in het bestreden arrest in de volgende bewoordingen uiteengezet:
1 In het kader van de krachtens artikel 55 van het EGKS-Verdrag uitgevoerde vijfjarenprogramma's van ergonomisch onderzoek voor de steenkool- en staalindustrieën maakte de Commissie tot 1995 gebruik van de diensten van vennootschappen of externe verenigingen die contractueel werden belast met de coördinatie en de verspreiding, in de betrokken nationale industrieën, van de resultaten van de studies van verschillende wetenschappelijke deskundigen in het kader van deze programma's. Ingevolge deze overeenkomsten werd de aangesproken vennootschap of vereniging voor de duur van het programma toezichthoudende instantie van een Informatie- en coördinatiebureau van de communautaire actieprogramma's voor ergonomisch onderzoek van de EGKS [...], met vestiging te Luxemburg.
2 Verzoekster, gewezen gemeenschapsambtenaar van categorie C, van 1957 tot 1960, het jaar van haar ontslag, was van 1966 tot 1993 in het Informatie- en Coördinatiebureau tewerkgesteld door de opeenvolgende toezichthoudende instanties, te weten Société des sciences médicales, Ligue luxembourgeoise contre la tuberculose, Société d'ergonomie de langue française, Gesellschaft für Arbeitswissenschaft, en daarna, vanaf 1980, Gesellschaft für Sicherheitswissenschaft (hierna: ,GFS).
3 Tussen 1 maart 1993 en 14 januari 1994, en daarna tussen 1 juli en 30 november 1994 was verzoekster rechtstreeks door de Commissie tewerkgesteld bij wege van arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur naar Luxemburgs recht, om haar bij te staan bij de voorbereiding van rapporten betreffende de communautaire actieprogramma's voor ergonomisch onderzoek.
4 Bij de sluiting van een nieuwe overeenkomst tussen de Commissie en GFS, voor de periode 1 december 1994 tot 31 augustus 1995, werd deze laatste belast met de coördinatie en de verspreiding van de onderzoeksresultaten van het zesde programma voor ergonomisch onderzoek. Verzoekster werd door GFS opnieuw in dienst genomen als hoofd van het Informatie- en coördinatiebureau, voor de periode die overeenstemt met de looptijd van de overeenkomst, die vervolgens evenals verzoeksters arbeidsovereenkomst tot 25 oktober 1995 werd verlengd. Aangezien de Commissie de genoemde overeenkomst niet vernieuwde, liep verzoeksters contract af op de voorziene datum.
5 Op 16 januari 1996 dagvaardde verzoekster GFS en haar bestuurder voor het Tribunal du travail de Luxembourg (arbeidsrechtbank te Luxemburg) om hen te doen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag.
6 Naast deze dagvaarding diende verzoekster bij brief van 28 juni 1996 krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: ,Statuut) een verzoek in strekkende tot vaststelling dat de werkzaamheden die zij sinds 1966 in dienst van verschillende contractueel met de Commissie verbonden instanties had verricht, zijn verricht in de hoedanigheid van tijdelijk functionaris van de Gemeenschappen. Tot staving van haar verzoek voerde zij aan dat de met die instanties gesloten arbeidsovereenkomsten enkel tot doel hadden te ontsnappen aan de toepassing van de bepalingen van het Statuut en van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: ,RAP). Zij verzocht bovendien om betaling van een symbolische euro als schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht en de bijstandsverplichting.
7 Toen een antwoord van de Commissie uitbleef, diende verzoekster op 2 december 1996 krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in tegen het stilzwijgend besluit tot afwijzing van haar verzoek.
8 Bij besluit van 2 april 1997, ter kennis van verzoekster gebracht op 8 april daaraanvolgend, wees het Commissielid voor personeelszaken, dat bevoegd is voor het sluiten van aanstellingsovereenkomsten, de klacht af.
9 Op 12 maart 1997 verklaarde het Tribunal du travail te Luxemburg verzoeksters vordering niet-ontvankelijk omdat zij niet het bewijs had geleverd dat GFS of haar bestuurder de hoedanigheid van werkgever hadden."
3 Op 11 juni 1997 stelde Simon bij het Gerecht beroep in tot nietigverklaring van het litigieuze besluit alsmede tot veroordeling van de Commissie tot betaling van een symbolische euro als vergoeding voor de morele schade wegens schending van de zorgplicht en de bijstandsverplichting.
4 Tot staving van haar enige nietigheidsgrond, ontleend aan misbruik van bevoegdheid, betoogde Simon dat de arbeidsovereenkomsten die zij sinds 15 mei 1966 had gesloten met de verschillende vennootschappen en verenigingen die als toezichthoudende instantie fungeerden, moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van tijdelijk functionaris in de zin van artikel 1 van de RAP, zodat haar administratieve positie met ingang van die datum moet worden geregulariseerd. Zij baseerde haar argumenten met name op de arresten van 6 december 1989, Mulfinger e.a./Commissie (C-249/87, Jurispr. blz. 4127), en 1 februari 1979, Deshormes/Commissie (17/78, Jurispr. blz. 189), volgens welke door het recht van een lidstaat beheerste arbeidsovereenkomsten of overeenkomsten tot het verrichten van diensten als onrechtmatig worden beschouwd indien de Gemeenschap deze vorm van contractuele betrekkingen niet kiest op basis van de behoeften van de dienst maar om te ontsnappen aan de toepassing van de bepalingen van het Statuut of de RAP.
5 Ten betoge dat de door haar verrichte taken vaste taken waren die volgens de omschrijving ervan tot het Europees openbaar ambt behoren, beriep Simon zich op de volgende argumenten: in de eerste plaats had zij haar ambt voortdurend uitgeoefend onder het rechtstreekse gezag van de ambtenaren van de Commissie die binnen het directoraat-generaal Sociale Zaken belast waren met de programma's van ergonomisch onderzoek; in de tweede plaats had haar functie bijgedragen tot de verwezenlijking van een van de door het EGKS-Verdrag aan de Commissie opgedragen doelstellingen, namelijk de bedrijfsveiligheid in de steenkool- en staalindustrieën en de organisatie te dien einde van de samenwerking tussen de bestaande onderzoeksinstellingen; in de derde plaats werden de kosten van de door het Bureau verrichte informatie- en coördinatiewerkzaamheden op de begroting van de EGKS toegerekend, en in de vierde plaats bleek uit haar bezoldiging dat haar werkzaamheden overeenstemden met die van een ambtenaar met de rang A 5.
Het bestreden arrest
6 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep ongegrond verklaard.
7 In de punten 37 en 38 van het bestreden arrest oordeelde het Gerecht, dat blijkens de artikelen 1 en 6 van de RAP de hoedanigheid van functionaris van de Gemeenschappen niet kan worden verleend aan een persoon wiens werkgever niet de Commissie of een andere instelling van de Gemeenschappen is, maar een rechtspersoon naar het recht van een lidstaat, die niet kan worden gelijkgesteld met een administratief orgaan van de betrokken instelling.
8 In punt 40 stelde het Gerecht vast, dat Simon haar werkzaamheden in het Informatie- en Coördinatiebureau had verricht op grond van arbeidsovereenkomsten of overeenkomsten voor het verrichten van diensten, welke zij zelf had gesloten met de verenigingen en vennootschappen die dit Bureau achtereenvolgens beheerden, en dat deze overeenkomsten door de Luxemburgse wet en door de bepalingen van de overeenkomsten werden beheerst.
9 In punt 42 kwam het Gerecht tot de conclusie dat de opeenvolgende werkgevers van Simon gedurende de periode tussen 1966 en 1993, en daarna tussen 1 december 1994 en 25 oktober 1995, de in het vorige punt bedoelde verenigingen of vennootschappen waren geweest, en niet de Commissie.
10 In punt 43 van het arrest wees het Gerecht de argumenten van Simon af in verband met de omstandigheid dat haar aanstelling door de Commissie was opgelegd, en in punt 44 stelde het eveneens vast dat verschillende van haar feitelijke argumenten inzake haar beweerde afhankelijkheid ten aanzien van de Commissie en inzake de gelijkstelling van haar situatie met die van een tijdelijk functionaris, irrelevant waren.
11 In de punten 46 tot en met 49 stelde het Gerecht vast, dat de arresten Mulfinger e.a./Commissie en Deshormes/Commissie, reeds aangehaald, niet relevant zijn voor de zaak. Deze arresten hadden immers betrekking op zaken waarin de kwalificatie aan de orde was van overeenkomsten die de betrokkenen niet met derde rechtspersonen maar met de Commissie zelf hadden gesloten.
12 Aangezien de Commissie geen partij was bij de door Simon gesloten overeenkomsten, kon in casu geen sprake zijn van misbruik van procedure.
13 Bijgevolg oordeelde het Gerecht in punt 50, dat uit al deze gegevens blijkt dat Simon niet a posteriori de hoedanigheid van tijdelijk functionaris van de Europese Gemeenschappen kan worden verleend, zodat het beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit moest worden verworpen.
14 Het Gerecht wees in de punten 56 tot en met 60 ook de schadevordering af.
De hogere voorziening
15 Op 10 juli 2000 heeft Simon hogere voorziening ingesteld tegen het bestreden arrest, dat haar op 12 mei 2000 was betekend. Van het verzoekschrift werd een verbeterde versie ingediend, wegens een aantal feitelijke en formele onjuistheden in de eerste versie. Na dit tweede stuk, dat op 12 juli 2000 door rekwirantes raadsman ter griffie is neergelegd, is op verzoek van de griffie een schriftelijke toelichting gevolgd, die op 13 juli daaraanvolgend per fax ter griffie is ingekomen.
16 Na inschrijving in het register van het Hof op 11 juli 2000 is het eerste stuk dezelfde dag aan de Commissie betekend, en op 17 juli 2000 is haar een kopie van de verbeterde versie van het verzoekschrift in hogere voorziening, samen met de schriftelijke toelichting, gezonden.
17 Op de verbeterde versie van dit verzoekschrift is geen datum van neerlegging vermeld. De schriftelijke toelichting vermeldde als datum van registratie enkel de datum van 17 juli 2000, aangevuld met de vermelding (fax 13.7)".
18 In hogere voorziening verzoekt Simon het Hof
- het bestreden arrest en het litigieuze besluit te vernietigen,
- te verklaren dat haar werkzaamheden tussen 15 mei 1966 en 25 oktober 1995 moeten worden geacht voort te vloeien uit een overeenkomst tussen de Commissie en een tijdelijk functionaris.
19 Tot staving van haar hogere voorziening voert Simon aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het middel ontleend aan misbruik van bevoegdheid af te wijzen.
20 Met haar eerste middel betoogt Simon dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door niet de wettigheid te toetsen van de overeenkomsten die de Commissie heeft gesloten met de opeenvolgende toezichthoudende instanties van een orgaan (hierna: Bureau") dat aanvankelijk Secretariaat voor communautair onderzoek inzake veiligheid", vervolgens Secretariaat voor communautair ergonomisch onderzoek", en ten slotte vanaf 1980 Informatie- en coördinatiebureau van de communautaire actieprogramma's voor ergonomisch onderzoek van de EGKS" was genaamd. Volgens haar had het Gerecht moeten zoeken naar het reële doel dat de Commissie met betrekking tot het voorwerp van deze overeenkomsten voor ogen had, namelijk het reële doel van de overdracht aan deze instanties van respectievelijk het toezicht en het officiële beheer van bovengenoemd Bureau. Zij stelt dienaangaande dat de Commissie hiermee enkel de bedoeling had de financiering van dit Bureau te garanderen en aldus in staat te zijn haar verplichtingen te vervullen inzake informatie en coördinatie van de onderzoekswerkzaamheden krachtens artikel 55 EGKS-Verdrag.
21 Volgens Simon had het Gerecht de geloofwaardigheid moeten nagaan van de rechtvaardiging die de Commissie heeft gegeven voor haar recht om zich te mengen in de uitvoering van de overeenkomsten met de toezichthoudende instanties, met name de bevoegdheid om het Bureau te verplichten de tewerkgestelde personeelsleden in dienst te houden en om hun bezoldiging op basis van hun dienstanciënniteit alsmede hun arbeidsvoorwaarden vast te stellen.
22 Bovendien had het Gerecht de werkzaamheden moeten onderzoeken die de toezichthoudende instanties daadwerkelijk ten behoeve van de Commissie hebben verricht, namelijk in hoofdzaak de financiële verantwoordelijkheid voor het beheer van het Bureau binnen de grenzen van de hem door de Commissie ter beschikking gestelde fondsen, en de verplichting om een directeur met een staf van maximaal twee personen aan te stellen.
23 Met haar tweede middel betoogt Simon dat het Gerecht ten onrechte heeft verzuimd te onderzoeken wat de reële aard is van het dienstverband tussen haar en de opeenvolgende toezichthoudende instanties, alsmede haar relatie ten aanzien van de Commissie en de gemeenschapsambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de programma's krachtens artikel 55 EGKS-Verdrag. Voorts had het Gerecht volgens haar moeten nagaan of haar werkzaamheden bij het Bureau naar hun aard behoren tot de permanente opdrachten van de communautaire openbare dienst waarmee de instellingen door de Verdragen zijn belast.
24 Simon beroept zich ten slotte op de verklaring van de gemachtigde van de Commissie, in zijn eindrepliek tijdens de mondelinge behandeling voor het Gerecht, dat de Commissie haar misschien rechtstreeks in dienst had moeten nemen zonder dit aan de toezichthoudende instanties over te laten.
25 In haar verweerschrift stelt de Commissie dat de verbeterde versie van het verzoekschrift in hogere voorziening te laat is ingediend, en dus niet-ontvankelijk is. Wat de op 10 juli 2000 ingediende versie van het verzoekschrift betreft, is de hogere voorziening volgens de Commissie niet-ontvankelijk, voorzover hiermee wordt opgekomen tegen de soevereine beoordelingen van het Gerecht, en wordt gevorderd dat de werkzaamheden van Simon tussen 15 mei 1966 en 25 oktober 1995 moeten worden geacht voort te vloeien uit een overeenkomst tussen de Commissie en een tijdelijk functionaris. Subsidiair vordert de Commissie dat de hogere voorziening ongegrond wordt verklaard.
26 De Commissie, aan wie bij griffiebrief van 12 januari 2001 de datum van neerlegging van de verbeterde versie van de hogere voorziening is meegedeeld, heeft bedenkingen bij de methode die erin bestaat een verzoekschrift in hogere voorziening neer te leggen en enkele dagen later een verbeterde versie hiervan in te dienen, zonder enige uitleg over de strekking van de hierin aangebrachte wijzigingen.
27 Voor het overige meent de Commissie, na nauwgezet onderzoek van de verbeterde versie van het verzoekschrift, dat het eerste verzoekschrift hierdoor niet fundamenteel wordt gewijzigd. Zij blijft derhalve volledig op haar aanvankelijk standpunt.
Beoordeling door het Hof
De ontvankelijkheid van de hogere voorziening
De ontvankelijkheid van de hogere voorziening in de verbeterde versie
28 De Commissie werpt geen exceptie van niet-ontvankelijkheid op over de hogere voorziening als zodanig, die volgens haar binnen de voorgeschreven termijn is ingesteld, maar zij betwist wél de ontvankelijkheid van het verzoekschrift in hogere voorziening in zijn verbeterde versie. Blijkbaar handhaaft zij dit standpunt, zelfs nadat haar bij brief van 12 januari 2001 de datum van neerlegging van de verbeterde versie is medegedeeld. De Commissie stelt met name vast, dat het stuk met de gewijzigde versie van het verzoekschrift nergens vermeldt welke feitelijke en formele onjuistheden in het op 10 juli 2000 ingediende verzoekschrift zijn verbeterd. In haar antwoord op die brief herinnert zij met name eraan, dat volgens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof hogere voorziening wordt ingesteld door neerlegging van een verzoekschrift" ter griffie van het Hof.
29 Om te beginnen zij vastgesteld, dat overeenkomstig artikel 49, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EGKS en artikel 80, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, de verbeterde versie van het verzoekschrift in hogere voorziening is neergelegd binnen de termijn van twee maanden vanaf de betekening van het bestreden arrest op 12 mei 2000.
30 Het recht van Simon om tot de laatste werkdag van de daartoe bij bovengenoemde bepaling van 's Hofs Statuut-EGKS gestelde termijn een stuk in te dienen dat het geding inleidt, houdt in dat zij tot het verstrijken van deze termijn de mogelijkheid moet hebben een eerste stuk dat het geding inleidt, in te trekken en het binnen de genoemde termijn te vervangen door een nieuwe versie van dit stuk.
31 Door de neerlegging van een volledige verbeterde versie van het aanvankelijke verzoekschrift, gevolgd door de schriftelijke toelichting waar de griffie om had gevraagd, heeft Simon duidelijk doen blijken dat zij het aanvankelijke verzoekschrift impliciet wenste in te trekken en te vervangen door een nieuwe versie, die zelf binnen de termijn voor hogere voorziening van artikel 49, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EGKS is ingediend.
32 De verbeterde versie van de hogere voorziening is dus ontvankelijk, en er is van uit te gaan dat het verzoekschrift in die versie is ingediend. Bijgevolg moet de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie worden afgewezen.
De gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van de conclusies in hogere voorziening
33 Voorzover Simon het Hof verzoekt te verklaren dat haar werkzaamheden dienen te worden geacht voort te vloeien uit een overeenkomst tussen de Commissie en een tijdelijk functionaris", zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 113, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, hogere voorziening moet strekken tot gehele of gedeeltelijke toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde. Nieuwe conclusies zijn hierbij niet toegelaten.
34 Vastgesteld dient evenwel te worden, dat Simon in eerste aanleg nooit iets dergelijks heeft gevorderd.
35 Als rekwirante wordt toegestaan een herkwalificatie van haar werkzaamheden te vorderen, komt dit erop neer dat haar in strijd met artikel 113, lid 1, tweede streepje, wordt toegestaan nieuwe conclusies in te dienen.
36 Deze conclusies moeten dan ook kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
37 Met haar eerste middel betwist Simon de wettigheid van de overeenkomsten tussen de Commissie en de verschillende toezichthoudende instanties. In dit verband voert zij met het eerste onderdeel van dit middel aan, dat het Gerecht het door de Commissie werkelijk nagestreefde doel niet heeft onderzocht.
38 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 42, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
39 Zou een partij een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof mogen aanvoeren, dan zou zij in feite bij het Hof, met een beperkte bevoegdheid in hogere voorziening, een geschil aanhangig mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen die voor de rechters in eerste aanleg zijn aangevoerd (zie arrest van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 59, en beschikking van 17 juli 1998, Sateba/Commissie, C-422/97 P, Jurispr. blz. I-4913, punt 30).
40 Simon heeft weliswaar betoogd dat de handelwijze van de Commissie ten aanzien van haar misbruik van bevoegdheid inhield, waardoor deze verplicht zou zijn haar met terugwerkende kracht de status van tijdelijk functionaris te verlenen, maar voor het Gerecht heeft zij de wettigheid van de overeenkomsten met de toezichthoudende instanties niet ter discussie gesteld met het argument dat de Commissie met deze overeenkomsten de bedoeling had gehad de financiering van het Bureau te garanderen en te voldoen aan haar verplichtingen inzake informatie en coördinatie van de onderzoekswerkzaamheden.
41 Voor het Gerecht heeft zij enkel aangevoerd - ten betoge dat zij vaste, naar hun aard als werkzaamheden van het Europees openbaar ambt te omschrijven taken heeft verricht - dat de kosten van de informatie- en coördinatieactiviteiten van het Bureau op de EGKS-begroting waren toegerekend.
42 Gelet op een en ander, dient het eerste onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
43 Met het tweede onderdeel van het eerste middel betoogt Simon dat het Gerecht heeft verzuimd de geloofwaardigheid na te gaan van de rechtvaardiging die de Commissie heeft gegeven voor haar recht om zich te mengen in de uitvoering van de overeenkomsten met de toezichthoudende instanties.
44 Dienaangaande zij opgemerkt, dat volgens artikel 225 EG en artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. Volgens laatstgenoemde bepaling moet de hogere voorziening gebaseerd zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.
45 Het Hof is dus niet bevoegd om de feiten vast te stellen noch, in beginsel, om de bewijzen te onderzoeken op basis waarvan het Gerecht deze feiten heeft vastgesteld.
46 Het Gerecht daarentegen is als enige bevoegd om de feiten vast te stellen, tenzij uit de overgelegde stukken blijkt dat zijn bevindingen materieel onjuist zijn, en vervolgens om ze te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in hogere voorziening, behoudens in het geval van een verdraaiing van de voorgelegde elementen (zie, met name, arrest van 11 februari 1999, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, C-390/95 P, Jurispr. blz. I-769, punt 29, en beschikking van 21 februari 2002, C-486/01 P-R en C-488/01 P-R, Front National en Martinez/Parlement, Jurispr. blz. I-1843, punten 83-85).
47 Het onderzoek van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de Commissie is een onderdeel van de beoordeling van de feiten, en is dus niet een van de punten die het Hof in hogere voorziening kan toetsen.
48 Ook het tweede onderdeel van het eerste middel is dus niet-ontvankelijk.
49 Met het tweede middel verwijt Simon het Gerecht de werkelijke aard van de banden die tussen haar en de opeenvolgende toezichthoudende instanties enerzijds, en tussen haar en de Commissie en de gemeenschapsambtenaren anderzijds hebben bestaan, alsmede de aard van haar werkzaamheden niet te hebben beoordeeld.
50 Met deze grief als zodanig trekt rekwirante de juridische kwalificatie van de reële aard van deze banden door het Gerecht in twijfel.
51 Het Gerecht heeft deze elementen echter in de punten 43 en 44 van het bestreden arrest onderzocht en heeft terecht geoordeeld dat de rechtspraak van het Hof (arrest van 11 juli 1985, Salerno e.a./Commissie en Raad, 87/77, 130/77, 22/83, 9/84 en 10/84, Jurispr. blz. 2523) zich tegen verzoeksters betoog verzet.
52 Wat ten slotte de verklaring van de gemachtigde van de Commissie tijdens de mondelinge behandeling betreft, aangehaald in punt 24 van het onderhavige arrest, dat de Commissie Simon misschien rechtstreeks in dienst had moeten nemen zonder dit over te laten aan de toezichthoudende instanties, deze is niets anders dan een uiting van twijfel over de vraag of het wel een goed idee was Simon door die instanties in dienst te laten nemen.
53 Dit argument moet dan ook ongegrond worden verklaard.
54 Uit een en ander volgt, dat de hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond dient te worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
55 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien Simon in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Simon in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy