Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Gemeenschappelijke handelspolitiek - Regeling door gemeenschapsinstellingen - Verordeningen nrs. 519/94 en 3285/94 betreffende gemeenschappelijke regeling voor invoer uit bepaalde derde landen - Werkingssfeer - Invloed op regeling van lidstaat betreffende op markt brengen van uit derde landen ingevoerde producten - Geen
(Verordeningen nrs. 519/94 en 3285/94 van de Raad)
Samenvatting
$$Verordening nr. 519/94 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen en tot intrekking van de verordeningen nrs. 1765/82, 1766/82 en 3420/83, en verordening nr. 3285/94 betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling en tot intrekking van verordening nr. 518/94, bevatten geen bepalingen betreffende het op de markt brengen van de daarin bedoelde producten. Deze verordeningen zijn niet van invloed op de regeling van een lidstaat betreffende het op de markt brengen van uit derde landen ingevoerde producten.
( cf. punten 33, 35 en dictum )
Partijen
In zaak C-296/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Corte suprema di cassazione (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
Prefetto Provincia di Cuneo
en
Silvano Carbone, in de hoedanigheid van enige bestuurder van de vennootschap Expo Casa Manta Srl,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de verordeningen (EG) nr. 519/94 van de Raad van 7 maart 1994 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1765/82, (EEG) nr. 1766/82 en (EEG) nr. 3420/83 (PB L 67, blz. 89), en nr. 3285/94 van de Raad van 22 december 1994 betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling en tot intrekking van verordening (EG) nr. 518/94 (PB L 349, blz. 53),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: N. Colneric (rapporteur), kamerpresident, R. Schintgen en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door G. Aiello, avvocato dello Stato,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Bury en R. Amorosi als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 januari 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 18 april 2000, ingekomen bij het Hof op 1 augustus daaraanvolgend, heeft de Corte suprema di cassazione krachtens artikel 234 EG verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de verordeningen (EG) nr. 519/94 van de Raad van 7 maart 1994 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1765/82, (EEG) nr. 1766/82 en (EEG) nr. 3420/83 (PB L 67, blz. 89), en nr. 3285/94 van de Raad van 22 december 1994 betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling en tot intrekking van verordening (EG) nr. 518/94 (PB L 349, blz. 53).
2 Dit verzoek is gedaan in een geding tussen de Prefetto Provincia di Cuneo en S. Carbone, handelend in de hoedanigheid van enige bestuurder van de vennootschap Expo Casa Manta Srl (hierna: Expo Casa Manta"), betreffende de administratieve verbeurdverklaring van 20 niet-goedgekeurde draadloze telefoontoestellen.
Rechtskader
Communautaire bepalingen
3 Artikel 9, lid 2, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 23, lid 2, EG) bepaalt:
De bepalingen van hoofdstuk 1, eerste afdeling, en van hoofdstuk 2 van deze titel [betreffende de afschaffing van de douanerechten en de kwantitatieve beperkingen tussen de lidstaten] zijn van toepassing op producten welke van oorsprong zijn uit de lidstaten alsook op de producten uit derde landen welke zich in de lidstaten in het vrije verkeer bevinden."
4 Artikel 10, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 24 EG) luidt als volgt:
Als zich bevindend in het vrije verkeer in een lidstaat worden beschouwd: de producten uit derde landen waarvoor in genoemde staat de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten en heffingen is verleend."
5 Verordening nr. 519/94 bepaalt in artikel 1, lid 2:
De invoer in de Gemeenschap van de in lid 1 bedoelde producten is vrij en is dus aan geen enkele kwantitatieve beperking onderworpen, onverminderd:
- de maatregelen die op grond van titel V kunnen worden opgenomen,
- de kwantitatieve contingenten van bijlage II."
6 Titel V van deze verordening betreft vrijwaringsmaatregelen en bijlage II hierbij bepaalde producten van oorsprong uit China.
7 Artikel 1, lid 2, van verordening nr. 3285/94 bepaalt:
De invoer in de Gemeenschap van in lid 1 bedoelde producten is vrij en is dus aan geen enkele kwantitatieve beperking onderworpen, onverminderd de vrijwaringsmaatregelen die op grond van titel V kunnen worden genomen."
8 Titel V van deze verordening heeft betrekking op vrijwaringsmaatregelen.
9 Artikel 19, lid 2, sub a, van verordening nr. 519/94 en artikel 24, lid 2, sub a, van verordening nr. 3285/94 - die in hun respectieve verordening zijn opgenomen in titel VI, gewijd aan de slotbepalingen - luiden:
Onverminderd andere communautaire bepalingen vormt deze verordening geen beletsel voor de vaststelling of toepassing door de lidstaten:
i) van verboden, kwantitatieve beperkingen of toezichtmaatregelen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch erfgoed of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom;
ii) van speciale formaliteiten voor het deviezenverkeer;
iii) van formaliteiten die, in overeenstemming met het Verdrag, op grond van internationale overeenkomsten zijn ingevoerd."
Nationale bepalingen
10 Artikel 398 van decreet nr. 156 van de president van de republiek van 29 maart 1973 houdende goedkeuring van de uniforme tekst van de wettelijke bepalingen inzake de posterijen, de postbankdiensten en de telecommunicatie (GURI nr. 113 van 3 mei 1973, gewoon supplement), in de versie die voortvloeit uit wet nr. 209 van 22 mei 1980 (GURI nr. 155 van 7 juni 1980; hierna: wet op de posterijen"), bepaalt:
Het is verboden elektrische en radio-elektrische apparaten of installaties of kabels voor transmissie van elektrische stroom met het oogmerk om deze te verhandelen, te gebruiken of in bedrijf te hebben, onder welke titel ook, te bouwen of op het nationale grondgebied in te voeren die niet beantwoorden aan de voorschriften die zijn vastgesteld ter voorkoming van storingen van radio-uitzending en -ontvangst.
De vaststelling van die voorschriften, die ook de methode voor de conformiteitsbeoordeling zullen regelen, geschiedt bij decreet van de minister van Posterijen en Telecommunicatie, in overleg met de minister voor Industrie, Handel en Nijverheid, in overeenstemming met de richtlijnen van de Europese Gemeenschap.
Voor het verhandelen en de invoer met het oog op het verhandelen van de in lid 1 bedoelde goederen is een certificaat of verklaring van overeenstemming vereist of dient een verklaring van overeenstemming te worden overgelegd volgens de voorwaarden, vast te stellen bij het in het tweede lid bedoelde decreet.
Bij decreet van de minister van Posterijen en Telecommunicatie, in overleg met de minister voor Industrie, Handel en Nijverheid, worden de organen of personen aangewezen die de typegoedkeuringsmerken of verklaringen van overeenstemming, bedoeld in het voorgaande lid, afgeven."
11 Artikel 399 van de wet op de posterijen bepaalt:
Een ieder die het bepaalde in artikel 398 overtreedt, wordt een administratieve geldboete opgelegd ten bedrage van 15 000 tot 300 000 ITL. Indien de overtreder een fabrikant of importeur van elektrische of radio-elektrische apparaten of installaties is, bedraagt de administratieve geldboete tussen 50 000 en 1 000 000 ITL, onverminderd de verbeurdverklaring van de producten en apparaten die niet overeenkomen met de in artikel 398 bedoelde verklaring van overeenstemming."
Het hoofdgeding
12 Op 9 maart 1995 heeft de guardia di finanza 20 niet-goedgekeurde draadloze telefoontoestellen in beslag genomen die Expo Casa Manta, in strijd met de artikelen 398 en 399 van de wet op de posterijen, ten verkoop voorradig had. De inbeslagneming werd vervolgens bij maatregel van de Prefetto Provincia di Cuneo in een administratieve verbeurdverklaring omgezet.
13 In zijn hoedanigheid van enige bestuurder van Expo Casa Manta heeft Carbone tegen die maatregel een vordering ingesteld. De Pretore di Salluzzo (Italië), bij wie de zaak aanhangig was gemaakt, heeft de vordering toegewezen en de verbeurdverklaring nietig verklaard, op grond dat de verordeningen nrs. 519/94 en 3285/94, die onder meer de invoer van draadloze telefoontoestellen liberaliseren, het in artikel 398 van de wet op de posterijen neergelegde verbod om niet-goedgekeurde toestellen ten verkoop voorradig te hebben, zou hebben opgeheven.
14 De Prefetto Provincia di Cuneo heeft tegen die beslissing van de Pretore cassatieberoep ingesteld. Hij voert aan dat artikel 19, lid 2, sub a, van verordening nr. 519/94 en artikel 24, lid 2, sub a, van verordening nr. 3285/94 daarin onjuist zijn toegepast, aangezien deze verordeningen weliswaar iedere beperking op de invoer van de in het hoofdgeding bedoelde toestellen hadden afgeschaft, maar geen gevolgen hadden voor de nationale regeling betreffende het in de handel brengen ervan.
15 Daar de Corte suprema di cassazione met het oog op de beslechting van het voor haar aanhangig geding moet bepalen of deze twee verordeningen enkel de invoer dan wel zowel de invoer als het in de handel brengen van de in het hoofdgeding bedoelde producten hadden geliberaliseerd, heeft zij haar uitspraak aangehouden en de zaak voor uitlegging van de gemeenschapsverordeningen nrs. 519/94 en 3285/94" naar het Hof verwezen.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
16 De Italiaanse regering voert aan, dat artikel 19 van verordening nr. 519/94 en artikel 24 van verordening nr. 3285/94 de lidstaten de mogelijkheid laten om verboden vast te stellen en toe te passen, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen [en] dieren".
17 In het hoofdgeding zijn de inbeslagneming en de verbeurdverklaring van de draadloze telefoontoestellen volgens haar echter gelast om interferenties met de aan de Italiaanse politie toegewezen radiofrequenties te voorkomen, zodat die maatregelen in overeenstemming zijn met bedoelde gemeenschapsverordeningen.
18 De Italiaanse regering betoogt, dat dus niet behoeft te worden geantwoord op de door de Corte suprema di cassazione gestelde vraag van uitlegging. Het hoofdgeding kan op nationaal vlak worden beslecht, door de feiten van het geding correct te bepalen, hetgeen niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort.
19 Subsidiair voert die regering aan, dat de verordeningen nrs. 519/94 en 3285/94 de beperkingen op de invoer van de in het hoofdgeding bedoelde toestellen van herkomst uit derde landen hebben afgeschaft, maar niet de verplichting om voor die toestellen goedkeuring te verkrijgen alvorens zij in de handel worden gebracht.
20 De Commissie merkt vooraf op, dat de verwijzende rechter heeft verzuimd bepaalde essentiële feitelijke informatie - zoals het land van herkomst van de in het hoofdgeding bedoelde toestellen en de tariefklasse ervan - te verstrekken, die noodzakelijk zou zijn geweest om de aan het Hof voorgelegde rechtsvraag beter te begrijpen. Die rechter heeft zijn vraag ook niet duidelijk omschreven. De aan het Hof verstrekte gegevens volstaan echter om het in staat te stellen, een voor de beslechting van het hoofdgeding nuttig antwoord te geven.
21 Wat de draagwijdte van de verordeningen nrs. 519/94 en 3285/94 betreft, betoogt de Commissie, dat zij enkel betrekking hebben op de liberalisering van de invoer van goederen van herkomst uit derde landen op het grondgebied van de Gemeenschap, en geen gevolgen hebben voor het latere in de handel brengen van goederen op dit grondgebied, waarvoor dus de toepasselijke nationale regelingen of andere communautaire bepalingen gelden.
22 De verordeningen nrs. 519/94 en 3285/94 hebben volgens haar enkel ten doel, de op de invoer toepasselijke regelingen eenvormiger te maken, door een einde te maken aan de uitzonderingen en afwijkingen die voortvloeien uit de vóór de vaststelling van die verordeningen geldende nationale handelspolitieke maatregelen, met name de kwantitatieve beperkingen die de lidstaten krachtens de vorige verordeningen hadden gehandhaafd. Zij streven hetzelfde doel, namelijk afschaffing van de kwantitatieve invoerbeperkingen, na als artikel XI van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel van 1994 (hierna: GATT van 1994"), [opgenomen in bijlage I A bij de Overeenkomst tot oprichting van de wereldhandelsorganisatie (hierna: WTO"), namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1)].
23 Met de artikelen 398 en 399 van de wet op de posterijen heeft de Italiaanse wetgever ervoor willen zorgen, dat alle elektrische of radio-elektrische apparaten of installaties en alle kabels voor transmissie van elektrische stroom voldoen aan de voorschriften die zijn vastgesteld ter voorkoming van storingen van radio-uitzending en -ontvangst.
24 Volgens de Commissie kan, gezien het feit dat die regels zowel op de nationale als op de ingevoerde producten van toepassing zijn, niet worden gesteld dat zij in strijd zijn met het gemeenschapsrecht.
De ontvankelijkheid
25 De door de verwijzende rechter verstrekte gegevens verschaffen het Hof voldoende kennis van het feitelijke en regelgevende kader van het hoofdgeding om de relevante gemeenschapsbepalingen te kunnen uitleggen ten aanzien van de situatie waarop het hoofdgeding betrekking heeft. Ofschoon zij niet uitdrukkelijk is geformuleerd, vloeit de uitleggingsvraag waarover het Hof wordt verzocht zich uit te spreken, uit de motivering van de verwijzingsbeschikking voort.
26 De noodzaak van een prejudiciële beslissing voor de beslechting van het hoofdgeding dient door de nationale rechter te worden beoordeeld. Volgens vaste rechtspraak is het Hof, wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie inzonderheid arresten van 13 maart 2001, PreussenElektra, C-379/98, Jurispr. blz. I-2099, punt 38; 17 mei 2001, TNT Traco, C-340/99, Jurispr. blz. I-4109, punt 30, en 6 december 2001, Clean Car Autoservice, C-472/99, Jurispr. blz. I-9687, punt 13). Geen van de in deze rechtspraak ontwikkelde uitzonderingen op die regel geldt in de onderhavige zaak. Met name blijkt niet duidelijk, dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.
27 Daaruit volgt, dat het prejudiciële verzoek ontvankelijk is.
De prejudiciële vraag
28 De verwijzende rechter vraagt in wezen, of de verordeningen nrs. 519/94 en 3285/94 van invloed zijn op de regeling van een lidstaat betreffende het op de markt brengen van uit derde landen ingevoerde producten.
29 Deze verordeningen zijn vastgesteld in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek, zoals blijkt uit hun rechtsgrondslag, namelijk artikel 113 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 133 EG). Terwijl verordening nr. 519/94 de invoer uit landen met staatshandel betreft, heeft verordening nr. 3285/94 betrekking op de invoer uit landen die lid zijn van de WTO.
30 Blijkens de considerans van deze twee verordeningen is hun doel, de liberalisering van de invoer van uit derde landen herkomstige goederen in de Gemeenschap. Zo wordt in de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 519/94 verklaard dat het noodzakelijk is de regelingen voor de invoer uit derde landen eenvormiger te maken door een einde te maken aan de uitzonderingen of afwijkingen op grond van nog bestaande nationale handelspolitieke maatregelen. In de derde overweging van de considerans van verordening nr. 3285/94 wordt herinnerd aan de Overeenkomst tot oprichting van de WTO, alsook aan het GATT van 1994 en de eveneens in bijlage I A erbij opgenomen Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen. In het licht van deze nieuwe multilaterale regels is het volgens de zesde overweging van de considerans noodzakelijk, de gemeenschappelijke invoerregeling duidelijker te maken en zo nodig te wijzigen, met name wat de toepassing van vrijwaringsmaatregelen betreft. In de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 519/94 en de zevende overweging van de considerans van verordening nr. 3285/94 wordt verklaard dat de liberalisering van de invoer, dat wil zeggen de afwezigheid van alle kwantitatieve beperkingen, het uitgangspunt is van de gemeenschappelijke invoerregeling.
31 Het in de handel brengen is een fase die volgt op de invoer. Evenals een rechtmatig in de Gemeenschap vervaardigd product niet om die enkele reden op de markt mag worden gebracht, betekent de rechtmatige invoer van een product niet dat dit automatisch tot de markt wordt toegelaten.
32 Een product van herkomst uit een derde land, waarvoor aan de in artikel 10, lid 1, van het Verdrag gestelde voorwaarden is voldaan, wordt geacht in het vrije verkeer te zijn. Het wordt dus, volgens artikel 9, lid 2, van het Verdrag, gelijkgesteld met producten van oorsprong uit de lidstaten, wat de afschaffing van de douanerechten en de kwantitatieve beperkingen tussen de lidstaten betreft (zie arrest van 15 december 1976, Donckerwolcke en Schou, 41/76, Jurispr. blz. 1921, punten 16 en 17). Aangezien er geen gemeenschapsregeling is die de voorwaarden voor het in de handel brengen van de betrokken producten harmoniseert, kan de lidstaat waar zij in het vrije verkeer worden gebracht, zich tegen het op de markt brengen ervan verzetten, indien zij niet aan de daartoe in het nationale recht gestelde voorwaarden voldoen.
33 De verordeningen nrs. 519/94 en 3285/94 bevatten geen bepalingen betreffende het op de markt brengen van de daarin bedoelde producten. Anders dan richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit (PB L 91, blz. 10), die na de feiten van het hoofdgeding is vastgesteld op grond van artikel 100 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 95 EG), voorzien zij nergens in de harmonisatie van de ter zake toepasselijke nationale bepalingen.
34 Wanneer de verordeningen nrs. 519/94 en 3285/94 in artikel 19, lid 2, sub a, respectievelijk artikel 24, lid 2, sub a, preciseren, dat zij geen beletsel vormen voor de vaststelling of toepassing, door de lidstaten, van verboden, kwantitatieve beperkingen of toezichtmaatregelen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch erfgoed of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom, heeft dat voorbehoud betrekking op de invoer en niet op het op de markt brengen van de betrokken producten. Die bepalingen betreffen het externe aspect van de gemeenschappelijke markt. In dit verband staan zij afwijkingen toe, die vergelijkbaar zijn met die bedoeld in artikel 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 30 EG), dat het interne aspect van de gemeenschappelijke markt betreft.
35 Gelet op de voorgaande overwegingen moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord, dat de verordeningen nrs. 519/94 en 3285/94 niet van invloed zijn op de regeling van een lidstaat betreffende het op de markt brengen van uit derde landen ingevoerde producten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
36 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door de Corte suprema di cassazione bij beschikking van 18 april 2000 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Verordening (EG) nr. 519/94 van de Raad van 7 maart 1994 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1765/82, (EEG) nr. 1766/82 en (EEG) nr. 3420/83, en verordening (EG) nr. 3285/94 van de Raad van 22 december 1994 betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling en tot intrekking van verordening (EG) nr. 518/94, zijn niet van invloed op de regeling van een lidstaat betreffende het op de markt brengen van uit derde landen ingevoerde producten.
Full & Egal Universal Law Academy