Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Fiscale bepalingen - Harmonisatie van wetgevingen - Belasting, andere dan omzetbelasting, op verbruik van tabaksfabrikaten - Richtlijn 95/59 - Vaststelling van minimumkleinhandelsverkoopprijs voor tabaksfabrikaten door autoriteiten - Minimumreferentieprijs voor alle onder zelfde merk verkochte sigaretten - Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 95/59 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/81, art. 9, lid 1)
2. Fiscale bepalingen - Harmonisatie van wetgevingen - Belasting, andere dan omzetbelasting, op verbruik van tabaksfabrikaten - Richtlijnen 92/79 en 95/59 - Gedifferentieerde belastingheffing voor sigaretten van donkere tabak en sigaretten van heldere tabak - Ontoelaatbaarheid
(Richtlijnen van de Raad 92/79, art. 2, 95/59, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/81, art. 8, lid 2, en 16, lid 5)
3. Fiscale bepalingen - Binnenlandse belastingen - Verbod van discriminatie tussen ingevoerde producten en soortgelijke nationale producten - Gedifferentieerde belastingheffing voor sigaretten van donkere tabak en sigaretten van heldere tabak - Ontoelaatbaarheid
[EG-Verdrag, art. 95 (thans, na wijziging, art. 90 EG)]
Samenvatting
1. Een lidstaat die een stelsel handhaaft waarbij een minimumreferentieprijs voor alle onder eenzelfde merk verkochte sigaretten wordt opgelegd, ook al wordt deze minimumprijs niet rechtstreeks vastgesteld, maar indirect, aan de hand van de voor een ander product van dit merk toegepaste prijs, is de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 9, lid 1, van richtlijn 95/59 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/81, volgens welke de fabrikanten en de importeurs vrijelijk de maximumkleinhandelsverkoopprijs van sigaretten vaststellen.
( cf. punten 14-17, 35 en dictum )
2. Een lidstaat die een stelsel van gedifferentieerde belastingheffing voor sigaretten van donkere tabak en sigaretten van heldere tabak handhaaft, is de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 8, lid 2, en 16, lid 5, van richtlijn 95/59 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/81, en artikel 2 van richtlijn 92/79 inzake de onderlinge aanpassing van de belastingen op sigaretten, op basis waarvan één globale minimumaccijns moet worden toegepast die voor alle sigaretten dezelfde is.
( cf. punten 20, 34-35 en dictum )
3. Een lidstaat die een stelsel handhaaft van gedifferentieerde belastingheffing voor sigaretten van donkere tabak, die bijna uitsluitend in deze lidstaat worden vervaardigd, en sigaretten van heldere tabak, die hoofdzakelijk worden ingevoerd, dat nadelig is voor sigaretten van heldere tabak, is de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 95, eerste alinea, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 90, eerste alinea, EG).
( cf. punten 29, 34-35 en dictum )
Partijen
In zaak C-302/00,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa en C. Giolito als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues en S. Seam als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Franse Republiek, door de handhaving van
- een stelsel waarbij een minimumreferentieprijs voor alle sigaretten wordt opgelegd, en
- een stelsel van gedifferentieerde belastingheffing voor sigaretten van donkere tabak en sigaretten van heldere tabak, dat nadelig is voor sigaretten van heldere tabak,
de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten zowel krachtens de artikelen 9, lid 1, 8, lid 2, en 16, lid 5, van richtlijn 95/59/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten (PB L 291, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/81/EG van de Raad van 29 juli 1999 (PB L 211, blz. 47), en artikel 2 van richtlijn 92/79/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de onderlinge aanpassing van de belastingen op sigaretten (PB L 316, blz. 8), als krachtens artikel 95, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 90, eerste alinea, EG) en, subsidiair, de tweede alinea van dit artikel,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, S. von Bahr (rapporteur) en A. La Pergola, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 21 juni 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 september 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 augustus 2000, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Franse Republiek, door de handhaving van
- een stelsel waarbij een minimumreferentieprijs voor alle sigaretten wordt opgelegd, en
- een stelsel van gedifferentieerde belastingheffing voor sigaretten van donkere tabak en sigaretten van heldere tabak, dat nadelig is voor sigaretten van heldere tabak,
de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten zowel krachtens de artikelen 9, lid 1, 8, lid 2, en 16, lid 5, van richtlijn 95/59/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten (PB L 291, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/81/EG van de Raad van 29 juli 1999 (PB L 211, blz. 47; hierna: richtlijn 95/59"), en artikel 2 van richtlijn 92/79/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de onderlinge aanpassing van de belastingen op sigaretten (PB L 316, blz. 8), als krachtens artikel 95, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 90, eerste alinea, EG) en, subsidiair, de tweede alinea van dit artikel.
Toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht
2 Tabaksfabrikaten zijn aan een op communautair niveau geharmoniseerde accijns onderworpen. Richtlijn 95/59 omschrijft de verschillende categorieën producten die aan accijns zijn onderworpen evenals de wijze van berekening van deze accijns. Richtlijn 92/79 stelt voor elke categorie producten een minimumheffingspercentage van de accijns vast.
3 Artikel 8, leden 1 en 2, van richtlijn 95/59 bepaalt:
1. In elke lidstaat wordt op in de Gemeenschap vervaardigde en op uit derde landen ingevoerde sigaretten een evenredige accijns geheven die berekend is over de maximumkleinhandelsverkoopprijs, met inbegrip van de douanerechten, alsmede een specifieke accijns welke berekend wordt per eenheid product.
2. Het heffingspercentage van de evenredige accijns en het bedrag van de specifieke accijns moeten voor alle sigaretten dezelfde zijn."
4 Artikel 9, lid 1, van richtlijn 95/59 bepaalt:
Als fabrikant wordt beschouwd, de in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon of de rechtspersoon die tabak verwerkt tot voor verkoop in de kleinhandel gerede producten.
De fabrikanten of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers of gemachtigden in de Gemeenschap alsmede de importeurs van fabrikaten uit derde landen stellen vrijelijk de maximumkleinhandelsverkoopprijs vast van elk van hun producten voor iedere lidstaat waar deze tot verbruik worden uitgeslagen.
De bepaling van de tweede alinea mag echter geen beletsel vormen voor de toepassing van de wettelijke regelingen van de lidstaten inzake prijzencontrole of de inachtneming van de vastgestelde prijzen, voorzover deze verenigbaar zijn met de communautaire voorschriften."
5 Artikel 16, lid 5, van richtlijn 95/59 luidt:
De lidstaten kunnen op sigaretten een minimumaccijns heffen, mits dit niet tot gevolg heeft dat de totale belasting op meer dan 90 % komt te liggen van de totale belasting die wordt geheven op sigaretten van de meest gevraagde prijsklasse."
6 Artikel 2 van richtlijn 92/79 luidt als volgt:
Uiterlijk per 1 januari 1993 past iedere lidstaat een totale minimumaccijns toe (specifieke plus ad valorem-accijns, exclusief BTW), waarvan het niveau is vastgesteld op 57 % van de kleinhandelsprijs (inclusief alle belastingen) van de sigaretten die tot de meest gevraagde prijsklasse behoren.
Met ingang van 1 januari 1993 wordt bij de vaststelling van de totale minimumaccijns op sigaretten uitgegaan van de sigaretten die volgens de op 1 januari van elk jaar bekende gegevens tot de meest gevraagde prijsklasse behoren."
7 Artikel 95, eerste en tweede alinea, van het Verdrag bepaalt:
De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.
Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd."
Toepasselijke nationale voorschriften
8 Artikel 37 van wet nr. 97-1269 van 30 december 1997 houdende de begrotingswet voor 1998 (JORF van 31 december 1997, blz. 19261; hierna: begrotingswet voor 1998"), van toepassing met ingang van 1 januari 1998, heeft bepaalde wijzigingen aangebracht in de artikelen 572 en volgende van de code général des impôts (algemeen belastingwetboek; hierna: CGI").
9 Aldus is bij artikel 37, lid 1, punt 2, van de begrotingswet voor 1998, na artikel 572, eerste alinea, van de CGI de volgende alinea ingevoegd:
Voor de in artikel 575 A, laatste alinea, omschreven categorie sigaretten van donkere tabak, en voor de categorie overige sigaretten, mag de prijs voor 1 000 eenheden van onder eenzelfde merk verkochte producten van een categorie - ongeacht welke andere kenmerken met dit merk zijn ingeschreven en zonder dat de gebruikte verpakkingswijze of -eenheid een rol speelt -, niet lager zijn dan de prijs die voor het meest verkochte product van dat merk wordt toegepast."
10 Voor het overige heeft artikel 37, lid 3, van de begrotingswet voor 1998 de laatste alinea van artikel 575 A van de CGI vervangen door de volgende drie alinea's:
De in artikel 575 vermelde minimumheffing wordt vastgesteld op 500 FRF voor sigaretten. Voor sigaretten van donkere tabak wordt deze minimumheffing echter vastgesteld op 400 FRF, en vanaf 1 januari 1999 op 420 FRF.
Voor tabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten wordt de heffing vastgesteld op 230 FRF.
Als sigaretten van donkere tabak worden aangemerkt, sigaretten waarvan de natuurtabaksamenstelling voor minstens 60 % bestaat uit tabak die is ingedeeld onder de GN-codes 2401.10.41, 2401.10.70, 2401.20.41 of 2401.20.70 van het douanetarief."
De precontentieuze procedure
11 Na de Franse Republiek in de gelegenheid te hebben gesteld haar opmerkingen te maken, heeft de Commissie deze lidstaat bij brief van 26 januari 1999 een met redenen omkleed advies toegezonden, met het verzoek binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van dit advies de nodige maatregelen te nemen om aan haar verplichtingen uit hoofde van de richtlijnen 95/59 en 92/79 en artikel 95 van het Verdrag te voldoen. Van mening dat de antwoorden van de Franse autoriteiten niet bevredigend waren, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Beoordeling door het Hof
De eerste grief
12 De Commissie is van mening, dat artikel 572 van de CGI, zoals gewijzigd bij de begrotingswet voor 1998 (hierna: gewijzigde CGI"), naar luid waarvan de prijs voor 1 000 eenheden van onder eenzelfde merk verkochte producten van een categorie sigaretten, ongeacht de gebruikte verpakkingswijze of -eenheid, niet lager mag zijn dan de prijs die voor het meest verkochte product van dat merk wordt toegepast, in strijd is met artikel 9, lid 1, van richtlijn 95/59, volgens hetwelk de fabrikanten en de importeurs vrijelijk de maximumkleinhandelsverkoopprijs van sigaretten vaststellen.
13 Volgens de Franse regering wordt bij artikel 572 van de gewijzigde CGI aan fabrikanten en importeurs enkel de verplichting opgelegd om de kleinhandels-verkoopprijs van sigaretten op een bepaalde wijze uit te drukken, zonder het niveau ervan vast te stellen. Deze bepaling heeft noch ten gevolge noch tot doel, de Franse autoriteiten in staat te stellen eenzijdig en zonder inspraak de maximum-kleinhandelsverkoopprijs van sigaretten vast te stellen, en is dus niet onverenigbaar met artikel 9, lid 1, van richtlijn 95/59.
14 Dienaangaande zij erop gewezen, dat artikel 572 van de gewijzigde CGI, met de bepaling dat de prijs voor 1 000 eenheden van onder eenzelfde merk verkochte producten van een categorie sigaretten niet lager mag zijn dan die welke voor het meest verkochte product van dat merk wordt toegepast, in werkelijkheid een minimumkleinhandelsverkoopprijs voor sigaretten oplegt, ook al wordt deze minimumprijs niet rechtstreeks vastgesteld, maar indirect, aan de hand van de voor een ander product toegepaste prijs.
15 De vaststelling van een minimumkleinhandelsverkoopprijs door de overheid heeft onvermijdelijk tot gevolg, dat de vrijheid van de producenten en de importeurs om hun maximumkleinhandelsverkoopprijs vast te stellen, wordt beperkt, aangezien deze hoe dan ook niet lager zal kunnen zijn dan de verplichte minimumprijs (arrest van 19 oktober 2000, Commissie/Griekenland, C-216/98, Jurispr. blz. I-8921, punt 21).
16 Artikel 572 van de gewijzigde CGI is dus in strijd met artikel 9, lid 1, van richtlijn 95/59.
17 Bijgevolg is de Franse Republiek, door een stelsel te handhaven waarbij een minimumreferentieprijs voor alle onder eenzelfde merk verkochte sigaretten wordt opgelegd, de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 9, lid 1, van richtlijn 95/59.
De tweede grief
18 De Commissie stelt, dat artikel 575 A van de gewijzigde CGI, waarin voor de toepassing van de bij artikel 575 van de gewijzigde CGI ingevoerde verbruiksbelasting een minimumheffing wordt vastgesteld die voor sigaretten van heldere tabak, die hoofdzakelijk worden ingevoerd, hoger is dan voor sigaretten van donkere tabak, die bijna uitsluitend in Frankrijk worden vervaardigd, zowel in strijd is met de artikelen 8, lid 2, en 16, lid 5, van richtlijn 95/59 en artikel 2 van richtlijn 92/79 als met artikel 95 van het Verdrag.
19 De Franse regering betwist deze grief niet voorzover zij is gebaseerd op de richtlijnen 95/59 en 92/79. Voorzover deze grief artikel 95 van het Verdrag betreft, stelt zij dat artikel 575 A van de gewijzigde CGI noch een met artikel 95, eerste alinea, strijdige discriminerende werking heeft, noch een ingevolge de tweede alinea van deze bepaling verboden beschermende werking.
20 Dienaangaande zij vastgesteld dat de toepassing, overeenkomstig artikel 575 A van de gewijzigde CGI, van een verschillende minimumheffing voor sigaretten van donkere tabak en sigaretten van heldere tabak, in strijd is met de artikelen 8, lid 2, en 16, lid 5, van richtlijn 95/59 evenals met artikel 2 van richtlijn 92/79, op basis waarvan één totale minimumaccijns moet worden toegepast die voor alle sigaretten dezelfde is.
21 Wat voorts de vraag betreft of een verschillende belastingheffing voor sigaretten van donkere tabak en sigaretten van heldere tabak eveneens in strijd is met artikel 95 van het Verdrag, moet worden opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak een belastingstelsel slechts verenigbaar is met artikel 95 van het Verdrag indien het zodanig is ingericht, dat het in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde producten zwaarder worden belast dan gelijksoortige binnenlandse producten (zie onder meer arrest van 15 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C-265/99, Jurispr. blz. I-2305, punt 40).
22 Om na te gaan of het door de Commissie aan de orde gestelde belastingstelsel verenigbaar is met artikel 95, eerste alinea, van het Verdrag, moet eerst worden bepaald, in hoeverre sigaretten van donkere tabak en sigaretten van heldere tabak als gelijksoortige producten kunnen worden beschouwd.
23 Volgens de rechtspraak van het Hof, dat het begrip gelijksoortigheid ruim heeft uitgelegd, moet bij de beoordeling daarvan worden onderzocht of de betrokken producten soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften van de consument voldoen, waarbij niet de volstrekte identiteit, maar het soortgelijke en vergelijkbare gebruik de maatstaf is (arrest van 11 augustus 1995, Roders e.a., C-367/93-C-377/93, Jurispr. blz. I-2229, punt 27).
24 Vooraf moet worden vastgesteld, dat sigaretten van donkere tabak en sigaretten van heldere tabak volgens vergelijkbare procédés uit verschillende soorten van hetzelfde basisproduct, tabak, worden vervaardigd. Ofschoon de organoleptische kenmerken van sigaretten van donkere tabak en van sigaretten van heldere tabak, zoals hun smaak en hun geur, niet gelijk zijn, zijn zij niettemin soortgelijk.
25 Zoals blijkt uit artikel 575 A van de gewijzigde CGI, is het verschil tussen sigaretten van donkere tabak en sigaretten van heldere tabak overigens slechts betrekkelijk. Overeenkomstig deze bepaling worden sigaretten die minstens 60 % van bepaalde tabakssoorten bevatten als sigaretten van donkere tabak beschouwd, terwijl alle andere sigaretten als sigaretten van heldere tabak worden beschouwd.
26 Bovendien kunnen de twee soorten producten, gelet op hun soortgelijke kenmerken, voldoen aan dezelfde behoeften van de consument, aangezien zij zich lenen voor de consumptie van tabak in de typische vorm van sigaretten, namelijk geprefabriceerde tabaksrolletjes die in sigarettenpapier worden gerold. Deze vaststelling kan niet in twijfel worden getrokken door de omstandigheid dat de gemiddelde leeftijd van de consument van sigaretten van donkere tabak beduidend hoger ligt dan de gemiddelde leeftijd van de consument van sigaretten van heldere tabak.
27 Overigens is de gelijksoortigheid van sigaretten van donkere tabak en sigaretten van heldere tabak erkend door de gemeenschapswetgever, die in de richtlijnen 95/59 en 92/79 voorziet in een eenvormige fiscale behandeling van alle sigaretten.
28 Sigaretten van donkere tabak en sigaretten van heldere tabak vallen voorts onder dezelfde postonderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur, opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1).
29 Aangezien de gelijksoortigheid van de twee betrokken producten in de zin van artikel 95, eerste alinea, van het Verdrag aldus is aangetoond, moet worden onderzocht of artikel 575 A van de gewijzigde CGI een discriminerend karakter heeft, voorzover daarin een minimumheffing voor de verbruiksbelasting wordt vastgesteld die voor sigaretten van heldere tabak, die hoofdzakelijk worden ingevoerd, hoger is dan voor sigaretten van donkere tabak, die bijna uitsluitend in Frankrijk worden vervaardigd.
30 Hoewel artikel 575 A van de gewijzigde CGI formeel geen onderscheid maakt naargelang de herkomst van de producten, is het belastingstelsel niettemin zo ingericht dat sigaretten die onder de gunstigste fiscale categorie vallen bijna uitsluitend afkomstig zijn van de nationale productie, terwijl bijna alle ingevoerde producten worden ingedeeld onder de zwaarst belaste categorie. Hieraan doet niet af, dat een zeer klein gedeelte van de ingevoerde sigaretten onder de gunstigste categorie valt, terwijl omgekeerd een bepaald gedeelte van de nationale productie onder dezelfde belastingcategorie valt als ingevoerde sigaretten. Het belastingstelsel is derhalve zodanig opgezet, dat het een typisch nationale productie bevoordeelt en ingevoerde sigaretten in dezelfde mate benadeelt (zie in die zin arrest van 27 februari 1980, Commissie/Denemarken, 171/78, Jurispr. blz. 447, punt 36).
31 Gelet op een en ander, hoeft niet te worden onderzocht of artikel 575 A van de gewijzigde CGI verenigbaar is met artikel 95, tweede alinea, van het Verdrag.
32 Zonder uitdrukkelijk artikel 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 30 EG) aan te voeren, stelt de Franse regering dat artikel 575 A van de gewijzigde CGI de gezondheid en het leven van personen beoogt te beschermen.
33 Dienaangaande volstaat de vaststelling, dat artikel 36 van het Verdrag strikt moet worden uitgelegd en niet aldus kan worden verstaan, dat het andere maatregelen zou toestaan dan de kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen en de maatregelen van gelijke werking bedoeld in de artikelen 30 en 34 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 29 EG) (zie in die zin arresten van 14 december 1972, Marimex, 29/72, Jurispr. blz. 1309, punten 4 en 5, en 25 januari 1977, Bauhuis, 46/76, Jurispr. blz. 5, punten 12-14).
34 Bijgevolg is de Franse Republiek, door de handhaving van een stelsel van gedifferentieerde belasting voor sigaretten van donkere tabak en sigaretten van heldere tabak, dat nadelig is voor sigaretten van heldere tabak, de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten zowel krachtens de artikelen 8, lid 2, en 16, lid 5, van richtlijn 95/59 en artikel 2 van richtlijn 92/79 als krachtens artikel 95, eerste alinea, van het Verdrag.
35 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door de handhaving van
- een stelsel waarbij een minimumreferentieprijs voor alle onder eenzelfde merk verkochte sigaretten wordt opgelegd, en
- een stelsel van gedifferentieerde belastingheffing voor sigaretten van donkere tabak en sigaretten van heldere tabak, dat nadelig is voor sigaretten van heldere tabak,
de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten zowel krachtens de artikelen 9, lid 1, 8, lid 2, en 16, lid 5, van richtlijn 95/59 en artikel 2 van richtlijn 92/79 als krachtens artikel 95, eerste alinea, van het Verdrag.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
36 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door de handhaving van
- een stelsel waarbij een minimumreferentieprijs voor alle onder eenzelfde merk verkochte sigaretten wordt opgelegd, en
- een stelsel van gedifferentieerde belastingheffing voor sigaretten van donkere tabak en sigaretten van heldere tabak, dat nadelig is voor sigaretten van heldere tabak,
is de Franse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten zowel krachtens de artikelen 9, lid 1, 8, lid 2, en 16, lid 5, van richtlijn 95/59/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/81/EG van de Raad van 29 juli 1999, en artikel 2 van richtlijn 92/79/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de onderlinge aanpassing van de belastingen op sigaretten, als krachtens artikel 95, eerste alinea, EG-Verdrag.
2) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy