Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Oliën en vetten - Compensatiebedragen voor oliehoudende zaden - Verordening tot vaststelling van definitieve regionale referentiebedragen voor bepaalde oliehoudende zaden
(Verordening nr. 3766/91 van de Raad; verordening nr. 525/93 van de Commissie)
2. Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Omvang - Verordening tot vaststelling van definitieve regionale referentiebedragen voor bepaalde oliehoudende zaden
[EG-Verdrag, art. 190 (thans art. 253 EG); verordening nr. 525/93 van de Commissie]
Samenvatting
1. Binnen het kader van verordening nr. 3766/91 inzake een steunregeling voor de producenten van sojabonen, kool- en raapzaad en zonnebloemzaad, die de grondslag vormde voor verordening nr. 525/93 tot vaststelling van de definitieve regionale referentiebedragen voor de producenten van sojabonen, kool- en raapzaad en zonnebloemzaad, heeft de Commissie zich niet schuldig gemaakt aan kennelijke dwaling, misbruik van bevoegdheid of kennelijke overschrijding van de grenzen van haar beoordelingsvrijheid toen zij, teneinde de vergelijkbaarheid van de geconstateerde referentieprijzen met de voorlopige referentieprijs te waarborgen, zich enerzijds baseerde op ramingen om in deze berekening de termijnprijzen te betrekken, die, aangezien zij over een langere periode waren berekend, een grotere stabiliteit uitdrukten dan de prijzen op de spotmarkt, en anderzijds geen rekening hield met prijzen die vanwege het geringe aantal transacties waarop zij betrekking hadden, niet representatief waren voor de evenwichtsprijs over het gehele verkoopseizoen 1992/1993.
( cf. punten 34, 37 )
2. De door artikel 190 van het Verdrag (thans artikel 253 EG) vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling. De motivering moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Het is evenwel niet noodzakelijk dat alle feitelijk of juridisch relevante omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst, doch ook op de context van de handeling en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.
( cf. punt 42 )
Partijen
In zaak C-328/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Bayerische Verwaltungsgericht Regensburg (Duitsland), in het aldaar aanhangige geding tussen
Maria Weber,
Martin Weber
en
Freistaat Bayern,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 525/93 van de Commissie van 8 maart 1993 tot vaststelling van de definitieve regionale referentiebedragen voor de producenten van sojabonen, kool- en raapzaad en zonnebloemzaad voor het verkoopseizoen 1992/1993 (PB L 56, blz. 18),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: N. Colneric, kamerpresident, R. Schintgen (rapporteur) en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schmidt en M. Niejahr als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 oktober 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 30 augustus 2000, ingekomen bij de griffie van het Hof op 6 september daaraanvolgend, heeft het Bayerische Verwaltungsgericht Regensburg krachtens artikel 234 EG vijf prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 525/93 van de Commissie van 8 maart 1993 tot vaststelling van de definitieve regionale referentiebedragen voor de producenten van sojabonen, kool- en raapzaad en zonnebloemzaad voor het verkoopseizoen 1992/1993 (PB L 56, blz. 18).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen M. en M. Weber, de enige vennoten van de vennootschap naar burgerlijk recht Martin Weber, en de Freistaat Bayern, ter zake van het bedrag van de compenserende betalingen die het Amt für Landwirtschaft und Bodenkultur Regensburg (hierna: Amt") uit hoofde van verordening nr. 525/93 had toegekend aan de producenten van oliehoudende zaden.
Rechtskader
3 Bij verordening (EEG) nr. 3766/91 van de Raad van 12 december 1991 inzake een steunregeling voor de producenten van sojabonen, kool- en raapzaad en zonnebloemzaad (PB L 356, blz. 17), is een stelsel ingevoerd dat is gebaseerd op het beginsel van de directe compenserende betaling aan de producent van een vast bedrag per hectare, gedifferentieerd naar de gemiddelde opbrengsten in de verschillende regio's van de Gemeenschap.
4 Volgens artikel 1, lid 3, van verordening nr. 3766/91 loopt het verkoopseizoen voor de in deze verordening genoemde producten van 1 juli tot en met 30 juni.
5 Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 3766/91 luidt:
Voor oliehoudende zaden wordt een verwachte referentieprijs vastgesteld en wel op 163 ECU/ton."
6 Blijkens de schriftelijke toelichtingen van de Commissie komt deze prijs overeen met een raming van de op een gestabiliseerde wereldmarkt op middellange termijn te verwachten evenwichtsprijs voor oliehoudende zaden".
7 Artikel 3, lid 2, van deze verordening bepaalt:
Voor oliehoudende zaden wordt een communautair referentiebedrag vastgesteld en wel op 384 ECU/ha."
8 Volgens de Commissie gaat het daarbij om een theoretische waarde, die het te verwachten gemiddelde bedrag van de compenserende betaling per hectare in de Gemeenschap weergeeft.
9 Het bedrag van de compenserende betaling aan de producenten wordt in twee etappes vastgesteld.
10 Eerst stelt de Commissie krachtens artikel 3, lid 3, van verordening nr. 3766/91 voor elke op grond van artikel 2 van deze verordening vastgestelde productieregio een voorlopig regionaal referentiebedrag" vast op basis van de verhouding tussen de gemiddelde graanopbrengst of de opbrengst van oliehoudende zaden in de Gemeenschap en de desbetreffende gemiddelde opbrengst in de betrokken regio.
11 Vervolgens berekent de Commissie volgens de beheerscomitéprocedure" van artikel 38 van verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1966, 172, blz. 3025), vóór 30 januari van elk verkoopseizoen overeenkomstig artikel 3, lid 4, van verordening nr. 3766/91 een definitief regionaal referentiebedrag".
12 Ingevolge deze laatste bepaling:
[...] (berekent) de Commissie [...] aan de hand van de geconstateerde referentieprijs voor oliehoudende zaden een definitief regionaal referentiebedrag. Dit bedrag wordt verkregen door de verwachte referentieprijs te vervangen door de geconstateerde referentieprijs; er wordt geen rekening gehouden met verschillen van minder dan 8 % ten opzichte van de verwachte referentieprijs".
13 Bij verschillen van meer dan 8 % tussen de overeenkomstig artikel 3, lid 4, van verordening nr. 3766/91 geconstateerde referentieprijs en de voorlopige referentieprijs wordt het definitieve regionale referentiebedrag vastgesteld door het voorlopige regionale referentiebedrag aan te passen naar evenredigheid van het betrokken verschil.
14 Artikel 3, lid 5, van verordening nr. 3766/91 staat de Commissie toe definitieve berekeningen te maken voor iedere soort oliehoudende zaden afzonderlijk.
15 Ingevolge artikel 3, lid 6, van verordening nr. 3766/91 dient de bekendmaking van de voorlopige en de definitieve regionale referentiebedragen in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen vergezeld te gaan van een korte uitleg van de berekeningen.
16 Wegens vertragingen als gevolg van de invoering van de nieuwe regeling kregen de lidstaten bij verordening (EEG) nr. 1405/92 van de Commissie van 27 mei 1992 houdende vaststelling van de voorschotten aan producenten van sojabonen, kool- en raapzaad en zonnebloemzaad voor het verkoopseizoen 1992/1993 (PB L 146, blz. 56), toestemming om aan de producenten voorschotten te betalen ten belope van 50 % van het voorlopige regionale referentiebedrag dat was berekend op basis van de gegevens die zij in het kader van hun regioplannen aan de Commissie hadden verstrekt.
17 Op 5 maart 1993 gaf de Commissie verordening (EEG) nr. 515/93 tot vaststelling van de voorlopige regionale referentiebedragen voor de producenten van sojabonen, kool- en raapzaad en zonnebloemzaad voor het verkoopseizoen 1992/1993 (PB L 55, blz. 43). Het voorlopige regionale referentiebedrag voor Beieren (Duitsland) werd vastgesteld op 517,42 ECU/ha (1 218,10 DEM/ha).
18 Op 8 maart 1993 gaf de Commissie verordening nr. 525/93. Blijkens bijlage II bij deze verordening is het definitieve regionale referentiebedrag voor Beieren eveneens op 517,42 ECU/ha (1 218,10 DEM/ha) vastgesteld.
19 Bijlage I bij verordening nr. 525/93 bevat een korte uitleg van de berekening van de definitieve regionale referentiebedragen, die luidt als volgt:
Voor iedere soort oliehoudende zaden is een geconstateerde referentieprijs bepaald, zijnde de gemiddelde prijs op de wereldmarkt in het verkoopseizoen 1992/1993.
Deze geconstateerde referentieprijzen zijn berekend aan de hand van noteringen en van prijzen van gerealiseerde transacties - omgerekend in hun equivalent voor Rotterdam - voor in representatieve havens geleverde bulkladingen van oliehoudende zaden. De prijzen en noteringen zijn geconstateerd in de periode van juli 1992 tot en met januari 1993. Waar mogelijk is zowel rekening gehouden met de prijs in de lopende maand en met de termijnprijzen van de transacties, als met lopende noteringen en termijnnoteringen.
Op grond van de geconstateerde referentieprijzen en gezien het bepaalde in artikel 3, lid 4, van verordening (EEG) nr. 3766/91 behoeven de voorlopige regionale referentiebedragen niet aangepast te worden.
[...]
Voor het verkoopseizoen 1992/1993 zijn de definitieve regionale referentiebedragen gelijk aan de voorlopige regionale referentiebedragen. De bedragen zijn vermeld in bijlage II."
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
20 De vennootschap naar burgerlijk recht Martin Weber diende op 24 mei 1992 bij het Amt een aanvraag om directe betalingen aan producenten van oliehoudende zaden met betrekking tot de oogst van 1992 in voor een areaal van 6,37 ha waarop koolzaad was verbouwd. Deze aanvraag werd op 29 mei daaraanvolgend ingeschreven.
21 Bij beschikking van 23 september 1992 kende het Amt een voorschot van 3 879,65 DEM toe, hetgeen overeenkomt met 50 % van het voorlopige regionale referentiebedrag. De berekening was gebaseerd op het voor Beieren geldende bedrag van 609,05 DEM per ha. Verzoekers in het hoofdgeding dienden daartegen een bezwaarschrift in met het argument dat het toegekende bedrag de verliezen door prijsdalingen niet dekte.
22 Bij beschikking van 28 april 1993 kende het Amt hun een totaal bedrag van 7 759,29 DEM toe, berekend op basis van het definitieve referentiebedrag per ha voor Beieren, dat 1 218,10 DEM per ha bedroeg. Tegen die beschikking dienden verzoekers in het hoofdgeding eveneens een bezwaarschrift in, met het verzoek op dat bezwaar niet te beslissen totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan op een bij hem in te stellen beroep.
23 Bij een op 11 mei 1993 bij de griffie van het Hof ingeschreven verzoekschrift vorderden verzoekers nietigverklaring van verordening nr. 525/93. Het Gerecht van eerste aanleg, waarnaar dit verzoek bij beschikking van de president van het Hof van 27 september 1993 was verwezen, heeft het beroep bij arrest van 10 juli 1996, Weber/Commissie (T-482/93, Jurispr. blz. II-609), niet-ontvankelijk verklaard op grond dat verzoekers door de bestreden verordening niet individueel waren geraakt.
24 Bij beschikking van 4 december 1997 heeft de regering van de Oberpfalz het bezwaar van verzoekers in het hoofdgeding afgewezen op grond dat de op verordening nr. 525/93 gebaseerde beschikking van het Amt van 28 april 1993 rechtmatig was.
25 Op 9 januari 1998 hebben verzoekers in het hoofdgeding bij het Bayerische Verwaltungsgericht Regensburg een verzoek tot nietigverklaring van deze afwijzingsbeschikking ingediend en voorgesteld het Hof van Justitie krachtens artikel 177, eerste alinea, sub b, EG-Verdrag (thans artikel 234, eerste alinea, sub b, EG) te verzoeken om een prejudiciële beslissing.
26 Tot staving van hun verzoek hebben de verzoekers in het hoofdgeding aangevoerd dat verordening nr. 525/93, enerzijds, in strijd met artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG) onvoldoende was gemotiveerd en, anderzijds, een schending van het gemeenschapsrechtelijke verbod van willekeur oplevert.
27 Van mening dat de beslechting van het bij hem aanhangige geding afhangt van de geldigheid van verordening nr. 525/93, heeft het Bayerische Verwaltungsgericht Regensburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Was de Commissie bij de vaststelling van de definitieve regionale referentiebedragen, in afwijking van de bewoordingen van bijlage I van verordening (EEG) nr. 525/93, gerechtigd om geen rekening te houden met referentieprijzen uit de maanden tussen 1 juli 1992 en 1 januari 1993, om referentieprijzen uit de maanden na de genoemde periode mede bij de berekening te betrekken en om ontbrekende referentieprijsgegevens door ramingen te vervangen?
2) Was het geoorloofd, de voor Hamburg en ,Façade Atlantique vastgestelde prijzen met hypothetische vrachtkosten ten bedrage van 3,8 ECU/t te verhogen?
3) Mochten aan de berekening van de definitieve referentieprijs zuiver rekenkundig vastgestelde gemiddelde prijzen ten grondslag worden gelegd, zonder rekening te houden met de verschillende hoeveelheden die in de afzonderlijke maanden van de berekeningsperiode op de markt waren gebracht?
4) In geval van een bevestigend antwoord op de eerste tot en met de derde vraag: vertoont verordening (EEG) nr. 525/93 met betrekking tot haar regels voor de berekening van het definitieve regionale referentiebedrag een motiveringsgebrek in de zin van artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG)?
5) Is het motiveringsgebrek zo wezenlijk dat het tot nietigheid of gedeeltelijke nietigheid van de verordening leidt?"
De eerste, de tweede en de derde vraag
28 Aangaande de eerste drie vragen, die gezamenlijk dienen te worden behandeld, moet erop worden gewezen dat de Commissie, blijkens haar schriftelijke opmerkingen, bij de berekening van de definitieve regionale referentiebedragen zoals vastgesteld bij verordening nr. 525/93, in de eerste plaats op basis van een raming rekening heeft gehouden met de termijnprijzen voor februari en maart 1993, die betrekking hadden op de in januari 1993 verrichte transacties. In de tweede plaats heeft zij in twee gevallen geen rekening gehouden met de door de lidstaten meegedeelde gemiddelde prijzen. In de derde plaats heeft zij bepaalde prijzen verhoogd met een forfaitair bedrag van 3,8 ECU/t voor vrachtkosten. In de vierde plaats heeft zij in de verkregen prijzen niet de in de betrokken maanden daadwerkelijk in de handel gebrachte hoeveelheden laten meewegen.
29 De Commissie is evenwel van mening dat zij daarmee geen onregelmatigheid heeft begaan die de ongeldigheid van verordening nr. 525/93 tot gevolg kan hebben.
30 In dit verband moet enerzijds worden geconstateerd dat artikel 3, lid 4, van verordening nr. 3766/91, die de grondslag vormt van verordening nr. 525/93, slechts bepaalt dat de definitieve regionale referentieprijzen moeten worden berekend aan de hand van de geconstateerde referentieprijs voor oliehoudende zaden en dat het definitieve regionale referentiebedrag wordt verkregen door de verwachte referentieprijs te vervangen door de geconstateerde referentieprijs.
31 Verordening nr. 3766/91 beschrijft echter niet in detail op welke wijze deze referentieprijs moet worden berekend. Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van deze verordening geeft de Commissie bij de bekendmaking van de definitieve regionale referentiebedragen een korte uitleg van de berekeningen.
32 Anderzijds beschikken de gemeenschapsinstellingen op het gebied van het gemeenschappelijke landbouwbeleid over een ruime discretionaire bevoegdheid in overeenstemming met de verantwoordelijkheden die hun bij het EG-Verdrag zijn toegekend (zie met name arresten van 29 oktober 1998, Zaninotto, C-375/96, Jurispr. blz. I-6629, punt 64, en 12 juli 2001, Jippes e.a., C-189/01, Jurispr. blz. I-5689, punt 80).
33 Gelet op deze bevoegdheid moet de gemeenschapsrechter zich beperken tot de vraag of er geen sprake is geweest van een kennelijke dwaling of van misbruik van bevoegdheid dan wel of de gemeenschapsinstellingen de grenzen van hun beoordelingsbevoegdheid niet kennelijk hebben overschreden (zie met name arrest van 17 juli 1997, National Farmers' Union e.a., C-354/95, Jurispr. blz. I-4559, punt 50; arrest Jippes e.a., reeds aangehaald, punt 80, en arrest van 22 november 2001, Nederland/Raad, C-301/97, Jurispr. blz. I-8853, punt 74).
34 De handelwijze van de Commissie lijkt evenwel niet mank te gaan aan kennelijke dwaling, misbruik van bevoegdheid of overschrijding van de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid.
35 Enerzijds moeten, overeenkomstig artikel 3, lid 4, van verordening nr. 3766/91, de voorlopige regionale referentiebedragen bij hun omzetting in definitieve regionale referentiebedragen alleen dan worden aangepast wanneer de geconstateerde referentieprijs meer dan 8 % afwijkt van de voorlopige referentieprijs.
36 Anderzijds heeft de Commissie onweersproken verklaard dat de voorlopige referentieprijs voor oliehoudende zaden, zoals bepaald in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 3766/91, overeenkwam met de op een gestabiliseerde wereldmarkt op middellange termijn te verwachten evenwichtsprijs voor oliehoudende zaden.
37 In die omstandigheden lijkt het, teneinde de vergelijkbaarheid van de geconstateerde referentieprijzen met de voorlopige referentieprijs te waarborgen, niet onredelijk dat de Commissie zich bij de berekening van de definitieve regionale referentieprijzen baseert op ramingen, om in deze berekening de termijnprijzen te betrekken, die, aangezien zij over een langere periode waren berekend, een grotere stabiliteit uitdrukten dan de prijzen op de spotmarkt en, anderzijds, geen rekening houdt met prijzen die vanwege het geringe aantal transacties waarop zij betrekking hadden, niet representatief waren voor de evenwichtsprijs over het gehele verkoopseizoen 1992/1993.
38 Hetzelfde geldt voor de verhoging door de Commissie van bepaalde prijzen met een forfaitair bedrag van 3,8 ECU/t voor vrachtkosten om de in de verschillende havengebieden van de Europese Gemeenschap gehanteerde prijzen aan te passen aan het niveau van de te Rotterdam (Nederland) gehanteerde prijzen.
39 De Commissie mocht er immers redelijkerwijs van uitgaan dat, aangezien Rotterdam de belangrijkste haven van de Gemeenschap is, de aldaar gehanteerde prijzen representatief zijn voor de wereldmarkt. Daarnaast was, zoals de Commissie heeft verklaard, ook de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 3766/91 bepaalde voorlopige referentieprijs vastgesteld op basis van Rotterdam".
40 Evenmin lijkt de Commissie de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid kennelijk te hebben overschreden door, nu zij van de lidstaten niet de daartoe benodigde informatie had ontvangen, in de verkregen prijzen niet de daadwerkelijk verhandelde hoeveelheden te hebben laten meewegen en zich bij de vaststelling van de geconstateerde referentieprijzen eenvoudigweg te baseren op zuiver rekenkundig vastgestelde gemiddelde prijzen.
41 Uit het voorgaande volgt dat geen van de in de eerste drie vragen genoemde overwegingen de geldigheid van verordening nr. 525/93 kan aantasten.
De vierde en de vijfde vraag
42 Met betrekking tot de vierde en de vijfde vraag, die erop gericht zijn te vernemen of verordening nr. 525/93 geheel of gedeeltelijk ongeldig is wegens niet-nakoming van de in artikel 190 van het Verdrag neergelegde motiveringsplicht, zij eraan herinnerd dat de door deze bepaling vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling. De motivering moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Het is evenwel niet noodzakelijk dat alle feitelijk of juridisch relevante omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst, doch ook op de context van de handeling en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie met name arresten van 19 oktober 2000, Italië en Sardegna Lines/Commissie, C-15/98 en C-105/99, Jurispr. blz. I-8855, punt 65, en Nederland/Raad, reeds aangehaald, punten 187 en 188).
43 De eerste overweging van de considerans van verordening nr. 525/93 verwijst uitdrukkelijk naar artikel 3, lid 4, van verordening nr. 3766/91, waarin is bepaald dat het definitieve regionale referentiebedrag wordt berekend door de verwachte referentieprijs te vervangen door de geconstateerde referentieprijs.
44 Bovendien wordt, overeenkomstig artikel 3, lid 6, van verordening nr. 3766/91, in bijlage I bij verordening nr. 525/93 een korte uitleg van de berekening van de definitieve regionale bedragen gegeven.
45 Bijgevolg is verordening nr. 525/93 als eenvoudige maatregel tot toepassing van verordening nr. 3766/91 voldoende gemotiveerd wat de berekening van de definitieve regionale referentiebedragen betreft.
46 Uit een en ander volgt, dat uit het onderzoek van de gestelde vragen niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 525/93 kunnen aantasten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
47 De kosten door regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Bayerische Verwaltungsgericht Regensburg bij beschikking van 30 augustus 2000 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Bij onderzoek van de gestelde vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van verordening (EEG) nr. 525/93 van de Commissie van 8 maart 1993 tot vaststelling van de definitieve regionale referentiebedragen voor de producenten van sojabonen, kool- en raapzaad en zonnebloemzaad voor het verkoopseizoen 1992/1993.
Full & Egal Universal Law Academy