Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. EG-Verdrag - Materiële werkingssfeer - Auteursrecht en naburige rechten - Daaronder begrepen
2. Gemeenschapsrecht - Beginselen - Gelijke behandeling - Discriminatie op grond van nationaliteit - Verbod - Auteur overleden vóór inwerkingtreding van EEG-Verdrag in lidstaat waarvan hij nationaliteit bezat - Daaronder begrepen
[EG-Verdrag, art. 6, eerste alinea (thans, na wijziging, art. 12, eerste alinea, EG)]
3. Gemeenschapsrecht - Beginselen - Gelijke behandeling - Discriminatie op grond van nationaliteit - Verbod - Kortere beschermingsduur voor werken van auteur die onderdaan is van andere lidstaat, dan voor werken van eigen onderdanen - Ontoelaatbaarheid
[EG-Verdrag, art. 6, eerste alinea (thans, na wijziging, art. 12, eerste alinea, EG)]
Samenvatting
1. Het auteursrecht en de naburige rechten vallen, met name wegens hun gevolgen voor het intracommunautaire handelsverkeer van goederen en diensten, binnen de werkingssfeer van het Verdrag.
( cf. punt 24 )
2. Het discriminatieverbod van artikel 6, eerste alinea, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12, eerste alinea, EG) is tevens van toepassing op de bescherming van auteursrechten ingeval de auteur overleden was toen het EEG-Verdrag in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezat in werking trad.
( cf. punt 34 en dictum )
3. Het discriminatieverbod van artikel 6, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12, eerste alinea, EG) staat eraan in de weg dat naar nationaal recht de beschermingsduur voor werken van een auteur die onderdaan is van een andere lidstaat, korter is dan voor werken van eigen onderdanen. Doordat deze bepaling immers elke discriminatie op grond van nationaliteit" verbiedt, verplicht zij elke lidstaat, een volledige gelijkheid van behandeling te verzekeren tussen eigen onderdanen en onderdanen van andere lidstaten die zich in een onder het gemeenschapsrecht vallende situatie bevinden.
( cf. punten 31, 34 en dictum )
Partijen
In zaak C-360/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Bundesgerichtshof (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Land Hessen
en
G. Ricordi & Co. Bühnen- und Musikverlag GmbH,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 6, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12, eerste alinea, EG),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, S. von Bahr, A. La Pergola, M. Wathelet (rapporteur) en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- het Land Hessen, vertegenwoordigd door H. L. Bauer, Rechtsanwalt,
- G. Ricordi & Co. Bühnen- und Musikverlag GmbH, vertegenwoordigd door O. Brändel, Rechtsanwalt,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door A. Dittrich en W.-D. Plessing als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks als gemachtigde, bijgestaan door W. Berg, Rechtsanwalt,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 februari 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 30 maart 2000, ingekomen bij het Hof op 28 september daaraanvolgend, heeft het Bundesgerichtshof krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 6, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12, eerste alinea, EG).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen het Land Hessen en G. Ricordi & Co. Bühnen- und Musikverlag GmbH (hierna: Ricordi"), een theater- en muziekuitgeverij, betreffende het recht om de opera La Bohème" van de Italiaanse componist Giacomo Puccini tijdens de seizoenen 1993/1994 en 1994/1995 uit te voeren.
Rechtskader
Nationale rechtsvoorschriften
3 Ten tijde van de feiten in het hoofdgeding waren artistieke en intellectuele scheppingen in Duitsland beschermd door het Gesetz über Urheberrechte und verwandte Schutzrechte (wet inzake auteursrechten en naburige rechten) van 9 september 1965 (BGBl. I, blz. 1273; hierna: UrhG"). Deze wet maakte een onderscheid tussen de bescherming van werken van Duitse onderdanen en die van werken van buitenlandse auteurs.
4 Eerstgenoemden genoten bescherming voor al hun werken, ongeacht of en waar deze verschenen waren (§ 120, lid 1, UrhG), terwijl laatstgenoemden slechts recht hadden op bescherming met betrekking tot werken die voor het eerst of binnen dertig dagen te rekenen vanaf de eerste verschijning op Duits grondgebied waren verschenen (§ 121, lid 1, UrhG).
5 In de andere gevallen werden de rechten van buitenlandse auteurs beschermd door internationale verdragen (§ 121, lid 4, UrhG).
6 De door de Duitse wetgeving verleende bescherming van de auteursrechten eindigt 70 jaren na de eerste januari van het jaar volgende op het sterfjaar van de auteur (§§ 64 en 69 UrhG).
7 Ingevolge artikel 25 van de Italiaanse wet nr. 633 van 22 april 1941 inzake de bescherming van het auteursrecht en andere, met de uitoefening ervan verbonden rechten (GURI nr. 166 van 16 juli 1941), en artikel 1 van wetsdecreet nr. 440 van 20 juli 1945 (GURI nr. 98 van 16 augustus 1945), bedraagt de duur van de auteursrechten naar Italiaans recht 56 jaren te rekenen vanaf het overlijden van de auteur.
Internationaal recht
8 De voornaamste internationale overeenkomst inzake de bescherming van auteursrechten is de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (Akte van Parijs van 24 juli 1971), die op het hoofdgeding van toepassing is in de gewijzigde versie van 28 september 1979 (hierna: Berner Conventie").
9 Volgens artikel 7, lid 1, van de Berner Conventie omvat de door haar toegekende beschermingsduur het leven van de auteur en 50 jaren na zijn dood. Artikel 7, lid 5, preciseert dat de termijn van 50 jaren wordt berekend met ingang van de eerste januari van het jaar volgende op het sterfjaar. Volgens artikel 7, lid 6, kunnen de verdragsluitende partijen echter een langere beschermingsduur toekennen.
10 Artikel 7, lid 8, van de Berner Conventie voert een zogenaamd stelsel van vergelijking van de beschermingsduren" in. Volgens die bepaling wordt de duur in alle gevallen bepaald door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen. Tenzij de wetgeving van dat land anders beschikt - quod non in de Duitse wetgeving - overschrijdt de duur evenwel niet de in het land van oorsprong van het werk vastgestelde duur.
11 De door artikel 7, lid 8, van de Berner Conventie toegestane beperkingen zijn overgenomen in artikel 3, lid 1, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, die is opgenomen in bijlage 1 C van de overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden goedgekeurd bij beschikking 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 (PB L 336, blz. 1). Artikel 9 van die Overeenkomst bepaalt tevens dat de overeenkomstsluitende staten de artikelen 1 tot en met 21 van de Berner Conventie en de bijlage daarbij naleven.
Gemeenschapsrecht
12 Artikel 6, eerste alinea, EG-Verdrag bepaalt:
Binnen de werkingssfeer van dit Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden."
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
13 Ricordi bezit de rechten voor de uitvoering van de opera La Bohème" van Puccini, overleden op 29 november 1924 (zie punten 13 en volgende van de conclusie van de advocaat-generaal). Het Land Hessen beheert het Staatstheater van Wiesbaden (Duitsland).
14 In de loop van de seizoenen 1993/1994 en 1994/1995 heeft het Staatstheater van Wiesbaden zonder toestemming van Ricordi meerdere uitvoeringen van genoemde opera georganiseerd.
15 Ricordi heeft voor een Duits Landgericht aangevoerd dat, gelet op het in het EG-Verdrag neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, de werken van Puccini in Duitsland beschermd waren gedurende de in het Duitse recht voorziene periode van 70 jaren, zijnde tot en met 31 december 1994.
16 Het Land Hessen heeft daartegen ingebracht dat de in het Italiaanse recht bepaalde beschermingsduur van 56 jaren van toepassing is op de opera La Bohème", zodat de auteursrechten met betrekking tot dit werk op 31 december 1980 zijn vervallen.
17 Het Landgericht waarbij de zaak aanhangig was gemaakt heeft de vordering van Ricordi toegewezen. Het door het Land Hessen ingestelde hoger beroep is verworpen. Daarop heeft het Land Hessen beroep in Revision" ingesteld.
18 Het Bundesgerichtshof heeft er in de verwijzingsbeschikking op gewezen dat, aangezien de opera La Bohème" volgens de gedane vaststellingen voor het eerst in Italië en niet in Duitsland is uitgevoerd, hij ten tijde van de feiten in het hoofdgeding in Duitsland overeenkomstig § 121, lid 4, UrhG, uitsluitend beschermd was op grond van internationale verdragen.
19 Gelet op artikel 7, lid 8, van de Berner Conventie en aangezien het Duitse recht niet afwijkt van het beginsel dat de beschermingsduur niet de in het land van oorsprong van het werk vastgestelde duur overschrijdt, was volgens het Bundesgerichtshof de beschermingsduur van de opera La Bohème" in Duitsland bijgevolg beperkt tot de beschermingsduur naar Italiaans recht en derhalve in 1980 vervallen.
20 Volgens het Bundesgerichtshof hangt de afloop van het hoofdgeding af van de vraag, of het in artikel 6, eerste alinea, EG-Verdrag neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing is.
21 Dienaangaande betwijfelt de verwijzende rechter, of het discriminatieverbod van artikel 6, eerste alinea, EG-Verdrag van toepassing is op de bescherming van auteursrechten ingeval de auteur reeds was overleden toen het communautaire verbod van discriminatie op grond van nationaliteit in werking trad. Dit verbod geldt sinds 1 januari 1958 zowel in de Bondsrepubliek Duitsland als in de Italiaanse Republiek, terwijl Puccini in 1924 overleden is.
22 In deze omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
Dient het discriminatieverbod van artikel 12, eerste alinea, EG-Verdrag toepassing te vinden wanneer een buitenlandse auteur al was overleden toen het Verdrag in de staat waarvan hij de nationaliteit bezat in werking trad, wanneer anders naar nationaal recht sprake zou zijn van ongelijke behandeling ten aanzien van de beschermingsduur voor het werk van de buitenlandse auteur en het werk van een eveneens vóór de inwerkingtreding van het Verdrag overleden binnenlandse auteur?"
De prejudiciële vraag
23 Met zijn vraag wil de verwijzende rechter in hoofdzaak vernemen, of het discriminatieverbod van artikel 6, eerste alinea, EG-Verdrag eveneens van toepassing is op de bescherming van auteursrechten ingeval de auteur overleden was toen het EEG-Verdrag in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezat in werking trad en, zo ja, of dit verbod eraan in de weg staat dat naar nationaal recht de beschermingsduur voor werken van een auteur die onderdaan is van een andere lidstaat korter is dan voor werken van eigen onderdanen.
24 In de eerste plaats zij in herinnering gebracht dat het auteursrecht en de naburige rechten, met name wegens hun gevolgen voor het intracommunautaire handelsverkeer van goederen en diensten, binnen het toepassingsgebied van het EG-Verdrag vallen (zie in die zin arrest van 20 oktober 1993, Phil Collins e.a., C-92/92 en C-326/92, Jurispr. blz. I-5145, punt 27).
25 Vervolgens staat de omstandigheid dat de auteur overleden was toen het EEG-Verdrag in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezat in werking trad, niet in de weg aan de toepassing van artikel 6, eerste alinea, EG-Verdrag.
26 Een auteursrecht kan immers niet alleen door de auteur, maar ook door zijn rechtverkrijgenden worden ingeroepen (zie arrest Phil Collins e.a., reeds aangehaald, punt 35). Vaststaat dat het auteursrecht dat in het hoofdgeding aan de orde is, bij de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag nog steeds effect sorteerde voor de rechtverkrijgenden van Giacomo Puccini (zie arrest van 29 januari 2002, Pokrzeptowicz-Meyer, C-162/00, Jurispr. blz. I-1049, punten 49 en 50).
27 Ten slotte moet worden nagegaan of het litigieuze verschil in behandeling dat het UrhG invoert tussen Duitse en buitenlandse auteurs, in strijd is met het gemeenschapsrecht.
28 Het Land Hessen betoogt dat dit verschil in behandeling voortvloeit uit het verschil tussen de wettelijke regelingen van de lidstaten.
29 Volgens het Land Hessen hanteert de in artikel 7, lid 8, van de Berner Conventie voorziene vergelijking van de beschermingsduren niet de nationaliteit als criterium, maar het land van oorsprong. De beschermingsduur wordt vastgesteld door elke lidstaat, die het steeds vrijstaat de naar nationaal recht toepasselijke beschermingsduur te verlengen en daarmee, via deze bepaling, ook de beschermingsduur voor zijn in het buitenland wonende onderdanen. In die omstandigheden vormt de nationale rechtstoestand geen willekeurig, maar een objectief onderscheidingscriterium. De beschermingsduur staat slechts indirect in verband met de nationaliteit van de auteur.
30 Deze uitlegging kan niet worden aanvaard.
31 Ofschoon vaststaat dat artikel 6, eerste alinea, EG-Verdrag geen betrekking heeft op de eventuele verschillen in behandeling en de distorsies welke voor de aan de rechtsmacht van de Gemeenschap onderworpen personen en ondernemingen kunnen voortvloeien uit verschillen tussen de wettelijke regelingen der onderscheiden lidstaten, mits die regelingen volgens objectieve criteria en zonder rechtstreeks of indirect te verwijzen naar de nationaliteit der betrokkenen, al degenen raken op wie hun voorschriften van toepassing zijn, verbiedt het elke discriminatie op grond van nationaliteit". Bijgevolg verplicht deze bepaling elke lidstaat, een volledige gelijkheid van behandeling te verzekeren tussen eigen onderdanen en onderdanen van andere lidstaten die zich in een onder het gemeenschapsrecht vallende situatie bevinden (zie in die zin arrest Phil Collins e.a., reeds aangehaald, punten 30 en 32).
32 Vaststaat dat de §§ 120, lid 1, en 121, lid 1, UrhG een rechtstreekse discriminatie op grond van nationaliteit inhouden.
33 Aangezien bovendien artikel 7, lid 8, van de Berner Conventie de Bondsrepubliek Duitsland machtigt de naar Duits recht geldende beschermingsduur van 70 jaren ook toe te passen op de rechten van een buitenlandse auteur, kan het in die bepaling voorziene mechanisme van vergelijking van beschermingsduren geen rechtvaardiging zijn voor het verschil in behandeling ten aanzien van de beschermingsduur dat genoemde bepalingen van het UrhG creëren tussen de rechten van een Duitse auteur en die van een auteur die onderdaan is van een andere lidstaat.
34 Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat het discriminatieverbod van artikel 6, eerste alinea, EG-Verdrag tevens van toepassing is op de bescherming van auteursrechten ingeval de auteur overleden was toen het EEG-Verdrag in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezat in werking trad, en dat dit verbod eraan in de weg staat dat naar nationaal recht de beschermingsduur voor werken van een auteur die onderdaan is van een andere lidstaat korter is dan voor werken van eigen onderdanen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
35 De kosten door de Duitse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesgerichtshof bij beschikking op 30 maart 2000 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Het discriminatieverbod van artikel 6, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12, eerste alinea, EG) is tevens van toepassing op de bescherming van auteursrechten ingeval de auteur overleden was toen het EEG-Verdrag in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezat in werking trad. Dit verbod staat eraan in de weg dat naar nationaal recht de beschermingsduur voor werken van een auteur die onderdaan is van een andere lidstaat korter is dan voor werken van eigen onderdanen.
Full & Egal Universal Law Academy