Zaak C-363/00
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Italiaanse Republiek
«Niet-nakoming – Eigen middelen van Gemeenschap – Fout bij boeking op credit van rekening geopend op naam van Commissie – Vertragingsrente»
Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 9 juli 2002 I - 0000 Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 juni 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
1.. Beroep wegens niet-nakoming – Voorwerp van geschil – Vaststelling tijdens precontentieuze procedure – Aanpassing wegens wijziging in gemeenschapsrecht – Toelaatbaarheid – Voorwaarden
(Art. 226 EG)
2.. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Vaststelling en terbeschikkingstelling door lidstaten – Boeking op credit van rekening van Commissie – Te late boeking – Verplichting om moratoire interessen te betalen – Fout van nationale diensten bij boeking op credit van rekening van Commissie – Geen invloed
(Verordening nr. 1150/2000 van de Raad, art. 11)
1. Ofschoon in het kader van een beroep wegens niet-nakoming het petitum van het verzoekschrift in beginsel niet meer mag omvatten dan de in het dispositief van het met redenen omkleed advies en in de aanmaningsbrief gestelde inbreuken, blijft de Commissie, in geval van een wijziging van het gemeenschapsrecht in de loop van de precontentieuze procedure, echter ontvankelijk in een beroep strekkende tot vaststelling van een niet-nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit de oorspronkelijke versie van een later gewijzigde of afgeschafte gemeenschapshandeling, indien die verplichtingen in de nieuwe bepalingen zijn gehandhaafd. Daarentegen mag het voorwerp van het geschil niet worden uitgebreid tot verplichtingen uit hoofde van de nieuwe bepalingen die niet hun pendant vinden in de oorspronkelijke versie van de betrokken handeling; dit zou een schending opleveren van de wezenlijke vormvoorschriften die voor de regelmatigheid van de niet-nakomingsprocedure gelden. cf. punt 22
2. Er bestaat een onlosmakelijk verband bestaat tussen de verplichting de eigen middelen van de Gemeenschap vast te stellen, de verplichting deze binnen de gestelde termijn te boeken op de rekening van de Commissie, en ten slotte de verplichting vertragingsrente te betalen. Deze vertragingsrente bedoeld in artikel 11 van verordening nr. 1150/2000, houdende toepassing van besluit 94/728 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, is verschuldigd voor elke vertraging en is opeisbaar ongeacht de reden voor de te late boeking op de rekening van de Commissie. Hieruit volgt dat geen onderscheid behoeft te worden gemaakt tussen het geval waarin de vertraging te wijten is aan een materiële fout en het geval waarin zij te wijten is aan een juridische fout, en voorts dat het niet-opzettelijke karakter van de vertraging bij de boeking de verplichting om vertragingsrente te betalen niet kan opheffen. cf. punten 43-45
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
12 juni 2003 (1)
„Niet-nakoming – Eigen middelen van Gemeenschap – Fout bij boeking op credit van rekening geopend op naam van Commissie – Vertragingsrente”
In zaak C-363/00,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa en G. Wilms als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door G. De Bellis, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet binnen de termijn gesteld in de artikelen 9 en 10 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1), het bedrag van 1 484 936 000 000 ITL als eigen middelen ter beschikking van de Commissie te stellen en door te weigeren de volgens artikel 11 van die verordening over dat bedrag verschuldigde vertragingsrente te betalen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 9, 10 en 11 van verordening nr. 1150/2000, die met ingang van 31 mei 2000 verordening (EG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1), waarvan het voorwerp identiek is, heeft ingetrokken en vervangen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, C. W. A. Timmermans, P. Jann, S. von Bahr (rapporteur) en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 juli 2002,
het navolgende
Arrest
1 Bij op 29 september 2000 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat de Italiaanse Republiek, door niet binnen de termijn gesteld in de artikelen 9 en 10 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1), het bedrag van 1 484 936 000 000 ITL als eigen middelen ter beschikking van de Commissie te stellen en door te weigeren de volgens artikel 11 van die verordening over dat bedrag verschuldigde vertragingsrente te betalen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 9, 10 en 11 van verordening nr. 1150/2000, die met ingang van 31 mei 2000 verordening (EG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1), waarvan het voorwerp identiek is, heeft ingetrokken en vervangen.
De gemeenschapsregeling
2 Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1552/89 luidt: Op de in artikel 10 aangegeven wijze boekt iedere lidstaat de eigen middelen op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat die lidstaat aanwijst, is geopend.Deze rekening wordt zonder kosten bijgehouden.
3 Artikel 10, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1552/89 bepaalt: De BTW-middelen, de aanvullende middelen [...] en, in voorkomend geval, de financiële BNP-bijdragen worden op de eerste werkdag van elke maand geboekt voor één twaalfde van de uit dien hoofde uit de begroting voortvloeiende bedragen, omgerekend in nationale valuta's tegen de wisselkoersen van de laatste noteringsdag van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het begrotingsjaar, zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen .
4 Artikel 11 van verordening nr. 1552/89 luidt: Elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening verplicht de betrokken lidstaat tot het betalen van rente ten belope van de op de vervaldag geldende rentevoet op de geldmarkt van deze lidstaat voor kortetermijnfinanciering, vermeerderd met twee punten. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.
5 Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1150/2000 bepaalt: Op de in artikel 10 aangegeven wijze boekt iedere lidstaat de eigen middelen op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, is geopend.Deze rekening wordt zonder kosten bijgehouden.
6 Artikel 10, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1150/2000 luidt: De BTW-middelen, de aanvullende middelen, [...] en, in voorkomend geval, de financiële BNP-bijdragen, worden op de eerste werkdag van elke maand geboekt voor één twaalfde van de uit dien hoofde uit de begroting voortvloeiende bedragen, omgerekend in nationale valuta's tegen de wisselkoersen van de laatste noteringsdag van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het begrotingsjaar, zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen , serie C.
7 Artikel 11 van verordening nr. 1150/2000 bepaalt: Elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening verplicht de betrokken lidstaat tot het betalen van rente tegen de op de vervaldag op de geldmarkt van deze lidstaat geldende rentevoet voor kortetermijnfinanciering, vermeerderd met twee punten. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.
De nationale regeling
8 Artikel 4 van decreet nr. 321 van de president van de Republiek van 16 april 1971 ter uitvoering van het op 21 april 1970 te Luxemburg vastgestelde besluit van de Raad van Ministers van de Europese Gemeenschappen betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de lidstaten door eigen middelen van de Gemeenschap, en van de gemeenschapsverordeningen betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, overeenkomstig artikel 3 van wet nr. 1185 van 23 december 1970 ( Gazzetta ufficiale van 9 juni 1971, nr. 145), zoals gewijzigd bij artikel 7 van decreet nr. 532 van de president van de Republiek van 4 juli 1973 (hierna: presidentieel decreet nr. 321) luidt: De minister van de Schatkist mag bij besluit wijzigingen in de begroting aanbrengen die noodzakelijk zijn voor de opneming in het overzicht van te verwachten inkomsten van inkomsten die eigen middelen vormen in de zin van het besluit van de Raad van Ministers van de Europese Gemeenschappen van 21 april 1970, alsmede de wijzigingen die nodig zijn om deze eigen middelen ter beschikking van de Gemeenschappen te stellen en om het deel dat Italië aan de begroting van de Gemeenschappen verschuldigd is, over te maken overeenkomstig dat besluit van 21 april 1970, zoals nadien gewijzigd en aangevuld.In afwijking van het in de vorige alinea bepaalde, kunnen de bedragen die als eigen middelen aan de Europese Gemeenschappen moeten worden betaald, door het ministerie van de Schatkist worden overgemaakt door middel van overschrijvingen van de Schatkist. Daartoe mag de minister van de Schatkist een niet-rentegevende rekening-courant van de Schatkist creëren die op naam van het ministerie van de Schatkist wordt geopend en wordt gevoed door de bedragen die jaarlijks worden geboekt onder de bijzondere uitgavenposten van de begroting van dat ministerie. De op die rekening over te maken bedragen moeten overeenkomen met de driemaandelijkse behoeften, vastgesteld op basis van de gemiddelde hoogte van de bedragen die uit dien hoofde in het voorgaande jaar aan de Gemeenschappen zijn betaald. [...]
De feiten en de precontentieuze procedure
9 Overeenkomstig de artikelen 9, lid 1, en 10, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1552/89, die ten tijde van de feiten van toepassing was, diende de Italiaanse Republiek voor de maand juni 1996 ten laatste op 3 juni 1996 een bedrag overeenkomende met één twaalfde van de uit de begroting voortvloeiende bedragen als eigen middelen van de Gemeenschappen over te maken op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie was geopend.
10 Bij brief nr. 142798 van 28 mei 1996 verzocht het Ministero del Tesoro, Ragioneria Generale dello Stato (dienst Staatsboekhouding) de Direzione Generale del Tesoro (directoraat-generaal Schatkist) krachtens artikel 10, lid 3, van verordening nr. 1552/89 om het bedrag van 1 486 422 594 526 ITL, zijnde het uit hoofde van de BTW-middelen en BNP-bijdragen voor de maand juni 1996 verschuldigde bedrag, van rekening-courant nr. 435/23203 Ministero del Tesoro ─ art. 7 D.P.R. 4 luglio 1973, n. 532 over te maken op rekening nr. 414/23200 Commissione CEE ─ risorse proprie. De laatste zin van deze brief preciseerde dat de transactie vóór 3 juni 1996 moest worden voltooid teneinde de betaling van vertragingsrente te vermijden.
11 De Commissie werd hiervan op de hoogte gesteld bij fax nr. 9835, eveneens van 28 mei 1996, waarin het Ministero del Tesoro, Ragioneria Generale dello Stato verklaarde een totaalbedrag van 1 486 422 594 526 ITL ─ vervaldag 3 juni 1996 ─ te hebben overgemaakt op rekening-courant nr. 414/23200 van de kas van de Commissie.
12 Bij opdracht van 29 mei 1996 gaf de Direzione Generale del Tesoro de Tesoreria Centrale dello Stato (de algemene thesaurie van de staat) toestemming de overmaking van middelen op rekening nr. 435/23203 uit te voeren en een kwitantie voor de overmaking op rekening nr. 414/23200 Commissione CEE ─ Risorse proprie uit te schrijven. Het in deze opdracht vermelde bedrag in letters was juist, maar in cijfers was het bedrag 1 486 594 526 ITL aangegeven.
13 Op kwitantie nr. 12912 van 30 mei 1996, uitgeschreven door de Tesoreria Centrale dello Stato, is aangegeven dat het bedrag van 1 486 594 526 ITL op de rekening van de Commissie is overgemaakt.
14 Op 27 juni 1996 heeft de Direzione Generale del Tesoro een nieuwe opdracht gegeven waarbij de Tesoreria Centrale dello Stato werd gemachtigd om het bedrag van 1 484 936 000 000 ITL over te maken van rekening nr. 435/23203 op rekening nr. 414/23200 CEE Ris. proprie, met als valutadatum 30 mei 1996 en de mededeling: ter aanvulling van de overmaking bedoeld in kwitantie nr. 12912 van 30 mei 1996 betreffende 1 486 594 526 ITL en ter algehele vereffening.
15 Diezelfde dag, 27 juni 1996, heeft de Tesoreria Centrale dello Stato kwitantie nr. 16817 uitgeschreven, waarop vermeld stond dat het bedrag van 1 484 936 000 000 ITL op de rekening van de Commissie was overgemaakt met als valutadatum 30 mei 1996 en de mededeling: ter aanvulling van de overmaking bedoeld in kwitantie nr. 12912 van 30 mei 1996 betreffende 1 486 594 526 ITL en ter algehele vereffening.
16 De Commissie leidde uit de bankafschriften van de Banca d'Italia betreffende de maanden mei en juni 1996 af dat op 30 mei 1996 een bedrag van 1 486 594 526 ITL op rekening nr. 414/23200 CEE risorse proprie was geboekt en dat het verschuldigde saldo, te weten 1 484 936 000 000 ITL, op 27 juni 1996 op die rekening was overgemaakt, en oordeelde dat de Italiaanse Republiek, in strijd met verordening nr. 1552/89 en de latere wijzigingen daarvan, en in het bijzonder de artikelen 9 en 10 van deze verordening, de terbeschikkingstelling van eigen middelen van de Gemeenschap ten onrechte had vertraagd.
17 De Commissie heeft daarom besloten artikel 11 van verordening nr. 1552/89 toe te passen. Zij stelde vast dat het rentepercentage 10,24 % bedroeg, hetgeen, toegepast op het bedrag dat 24 dagen te laat was overgemaakt, een bedrag van 9 970 980 092 ITL aan vertragingsrente gaf. Bij brief van 28 november 1996 verzocht zij de Italiaanse autoriteiten, dit bedrag ter beschikking van de Commissie te stellen.
18 Bij brief van 30 januari 1997 weigerde het Ministero del Tesoro aan dit verzoek van de Commissie te voldoen op grond dat het totaalbedrag dat voor de maand juni 1996 verschuldigd was, niet met vertraging ter beschikking was gesteld, maar slechts ten dele was geboekt als gevolg van een materiële fout bij de boeking van de transactie in de interne boekhouding van de Schatkist.
19 Overeenkomstig de procedure van artikel 226, eerste alinea, EG heeft de Commissie, na de Italiaanse Republiek in de gelegenheid te hebben gesteld haar opmerkingen te maken, bij brief van 15 november 1999 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij deze lidstaat verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen. Daar de Italiaanse Republiek niet aan dit advies heeft voldaan, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Opmerkingen vooraf
20 De Commissie merkt om te beginnen op dat verordening nr. 1552/89, op grond waarvan de inbreukprocedure is ingeleid, is ingetrokken en vervangen door verordening nr. 1150/2000, die slechts de codificatie vormt van de eerder genoemde verordening en van de drie verordeningen die deze achtereenvolgens hebben gewijzigd. Gelet op het feit dat het rechtskader in de gerechtelijke fase van deze inbreukprocedure in wettelijk opzicht geen inhoudelijke wijziging heeft ondergaan ten opzichte van het rechtskader in de administratieve fase, en de nummering van de artikelen van verordening nr. 1552/89 zelf ongewijzigd is gebleven, meent de Commissie in haar beroep te kunnen verwijzen naar de relevante artikelen van verordening nr. 1150/2000.
21 Volgens de rechtspraak van het Hof moet in het kader van een beroep krachtens artikel 226 EG het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld in het licht van de gemeenschapswetgeving die van kracht was aan het einde van de termijn die de Commissie de betrokken lidstaat heeft gesteld om aan het met redenen omkleed advies te voldoen (zie arresten van 10 september 1996, Commissie/Duitsland, C-61/94, Jurispr. blz. I-3989, punt 42, en 9 november 1999, Commissie/Italië, C-365/97, Jurispr. blz. I-7773, punt 32).
22 Ofschoon het petitum van het verzoekschrift in beginsel niet meer mag omvatten dan de in het dispositief van het met redenen omkleed advies en in de aanmaningsbrief gestelde inbreuken, blijft de Commissie, in geval van een wijziging van het gemeenschapsrecht in de loop van de precontentieuze procedure, echter ontvankelijk in een beroep strekkende tot vaststelling van een niet-nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit de oorspronkelijke versie van een later gewijzigde of afgeschafte gemeenschapshandeling, indien die verplichtingen in de nieuwe bepalingen zijn gehandhaafd. Daarentegen mag het voorwerp van het geding niet worden uitgebreid tot verplichtingen uit hoofde van de nieuwe bepalingen die niet hun pendant vinden in de oorspronkelijke versie van de betrokken handeling; dit zou een schending van wezenlijke vormvoorschriften opleveren, die voor de regelmatigheid van de niet-nakomingsprocedure gelden (zie arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, punten 36 en 39).
23 In casu staat evenwel vast dat de verplichtingen voortvloeiende uit de artikelen 9, lid 1, 10, lid 3, eerste alinea, en 11 van verordening nr. 1150/2000 reeds golden krachtens de artikelen 9, lid 1, 10, lid 3, eerste alinea, en 11 van verordening nr. 1552/89.
24 In deze omstandigheden is de Commissie ontvankelijk in haar beroep strekkende tot vaststelling dat de Italiaanse Republiek de krachtens de artikelen 9, 10 en 11 van verordening nr. 1150/2000 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Ten gronde
Argumenten van partijen
25 De Commissie stelt dat uit het bankafschrift van de Banca d'Italia betreffende de maand mei 1996 blijkt dat op 30 mei 1996 op rekening nr. 414/23200 CEE risorse proprie een bedrag van 1 486 594 526 ITL is bijgeschreven. De drie cijfers 422 die tussen 1 486 en 594 526 hadden moeten worden geschreven, zijn kennelijk weggevallen. Uit het bankafschrift betreffende de maand juni 1996 blijkt dat het verschuldigde saldo, te weten 1 484 936 000 000 ITL, op 27 juni 1996 op de rekening van de Commissie is bijgeschreven.
26 Voorts was zowel op de opdracht tot overmaking van middelen van 27 juni 1996 als op kwitantie nr. 16817 van diezelfde dag als reden voor de betaling aangegeven: ter aanvulling van de overmaking bedoeld in kwitantie nr. 12912 van 30 mei 1996 betreffende 1 486 594 526 ITL en ter algehele vereffening. Bovendien blijkt uit het bankafschrift betreffende de maand juni 1996 inderdaad dat de boeking op het credit van 27 juni 1996 overeenkwam met kwitantie nr. 16817.
27 De Commissie herinnert daarop aan de rechtspraak van het Hof dat het automatisme van artikel 11 van verordening nr. 1150/2000, volgens hetwelk elke te late boeking op de rekening van de Commissie verplicht tot het betalen van vertragingsrente, van toepassing is zodra de betrokken lidstaat van een dergelijke vertraging blijk geeft (zie met name arrest van 22 februari 1989, Commissie/Italië, 54/87, Jurispr. blz. 385, punt 12).
28 Met betrekking tot rectificaties met terugwerkende kracht, zoals die welke de Italiaanse Republiek op 27 juni 1996 heeft aangebracht, stelt de Commissie dat deze geen zin hebben in een financiële context die wordt gekenmerkt door het gebruik van rekeningen die geen rente geven, en dat aanvaarding hiervan de verplichting tot betaling van vertragingsrente in de praktijk het daarmee beoogde effect zou ontnemen.
29 Wat de bestemming van de rekeningen nrs. 435/23203 en 414/23200 betreft, betoogt de Commissie dat zij niet kan beschikken over enig bedrag dat op rekening nr. 435/23203 is gestort, omdat die rekening uitsluitend onder de bevoegdheid van het ministerie van de Schatkist valt, en dat zij zelfs niet op de hoogte is van stortingen op deze rekening. Pas op het moment waarop het geld van transitrekening nr. 435/23203 wordt overgemaakt op rekening nr. 414/23200, geopend op naam van de Commissie, kunnen de Gemeenschappen, in plaats van Italië, over deze middelen beschikken.
30 De Italiaanse regering merkt om te beginnen op dat overeenkomstig artikel 4 van presidentieel decreet nr. 321 op naam van het Ministero del Tesoro een transitrekening nr. 435/23203 is geopend, die uitsluitend dient voor de storting van voor de Gemeenschappen bestemde bedragen die vervolgens worden overgemaakt op rekening nr. 414/23200, die rechtstreeks op naam van de Commissie is geopend. De twee rekeningen zijn niet rentegevend.
31 Zijn de bedragen eenmaal op de eerste rekening overgemaakt, dan staan zij de facto niet meer ter beschikking van de Italiaanse regering, aangezien deze volgens de eerder genoemde regelgeving alleen ten gunste van de Gemeenschappen kan beschikken over bedragen die op rekening nr. 435/23203 zijn overgemaakt. Zodra het verschuldigde bedrag is vastgesteld, wordt het bedrag van transitrekening nr. 435/23203 overgemaakt naar rekening nr. 414/23200, die op naam van de Commissie is geopend.
32 In casu heeft de Ragioneria Generale dello Stato bij besluit van 16 mei 1996 de uitgave van 2 650 miljard ITL goedgekeurd, een aanmerkelijk hoger bedrag dan nodig was, te boeken onder de daartoe voorziene post van de overheidsbegroting en over te maken op rekening nr. 435/23203, Ministero del Tesoro ─ art. 7 D.P.R. 4 luglio 1973, n. 532. De daarbij behorende betalingsopdracht is op 24 mei 1996 uitgevoerd.
33 Zodoende heeft de Ragioneria Generale dello Stato, onmiddellijk nadat zij de overmaking van geld tussen de twee rekeningen bij brief nr. 142789 van 28 mei 1996 had goedgekeurd, dit de Commissie bij fax nr. 9835 van diezelfde dag bevestigd. Er was dan ook sprake van een daadwerkelijke beschikbaarheid van liquide middelen, gelet op de voorafgaande overmaking op rekening nr. 435/23203 en het feit dat het precieze bedrag dat de Commissie als eigen middelen toekwam, in de fax was aangegeven.
34 Gelet op het feit dat er sprake was van een regelmatige opdracht voor een overboeking tussen twee lopende rekeningen, te weten brief nr. 142798 van 28 mei 1996 gevolgd door de opdracht tot overmaking van middelen van de Direzione Generale del Tesoro van 29 mei 1996, moet volgens de Italiaanse regering worden aangenomen dat de transactie op regelmatige wijze heeft plaatsgevonden, aangezien deze laatste opdracht, niettegenstaande de onjuistheid van het in cijfers aangegeven bedrag, regelmatig was. Volgens een algemeen Italiaans rechtsbeginsel is in geval van een verschil tussen het in letters en het in cijfers aangegeven bedrag het eerste doorslaggevend. Aangezien het transacties betreft tussen twee niet-rentegevende lopende rekeningen binnen eenzelfde overheidsadministratie die voor hetzelfde doel zijn bestemd, levert de onjuiste vermelding van het bedrag in cijfers een eenvoudige materiële vergissing op, die slechts louter interne gevolgen heeft gehad en in de regel is te herstellen zonder externe gevolgen voor de regelmatigheid van de transactie.
35 Met betrekking tot de door de Commissie aangehaalde rechtspraak over de gevolgen van een te late boeking van eigen middelen op het credit van de op haar naam geopende rekening, stelt de Italiaanse regering dat de gevallen waar het in deze rechtspraak om ging, verschillen van de onderhavige zaak. In casu gaat het immers alleen om de vraag of de termijn voor de terbeschikkingstelling van eigen middelen is nageleefd wanneer er een louter materiële fout is gemaakt die na ontdekking onmiddellijk is hersteld, en geen juridische fout.
36 Ten slotte stelt de Italiaanse regering dat de materiële fout die de Italiaanse thesauriers hebben gemaakt bij de registratie van de boekhoudkundige handeling waartoe zij opdracht hadden gekregen, de Commissie geen nadeel heeft berokkend en de Italiaanse Staat evenmin voordeel heeft opgeleverd.
37 Omdat het dus een louter materiële fout betreft, en zij geen enkele intentie had om aan betaling te ontkomen, concludeert de Italiaanse regering tot verwerping van het beroep.
Beoordeling door het Hof
38 In casu zijn partijen het erover eens dat het bedrag van 1 486 422 594 526 ITL, dat de Italiaanse Republiek voor de maand juni 1996 had vastgesteld als één twaalfde van de eigen middelen van de Gemeenschappen, ten laatste op 3 juni 1996 moest worden overgemaakt op het credit van de rekening die daartoe op naam van de Commissie was geopend.
39 Vaststaat eveneens dat op 30 mei 1996 een bedrag van 1 486 594 526 ITL is overgemaakt op rekening nr. 414/23200 CEE ─ risorse proprie, geopend op naam van de Commissie, en dat het verschuldigde saldo, namelijk 1 481 936 000 000 ITL op 27 juni 1996 op die rekening is overgemaakt.
40 Hieruit volgt dat laatstgenoemd bedrag met een vertraging van 24 dagen op het credit van de rekening van de Commissie is overgemaakt.
41 In dit verband is het irrelevant dat reeds op 24 mei 1996 op transitrekening nr. 435/23203, geopend op naam van het Ministero del Tesoro een groter bedrag was overgemaakt dan nodig was, en dat de Italiaanse Republiek daarover alleen ten gunste van de Gemeenschap kon beschikken, dat het precieze bedrag dat de Commissie voor de maand juni 1996 als eigen middelen toekwam, was aangegeven op fax nr. 9835 van 28 mei 1996, en dat volgens een algemeen Italiaans rechtsbeginsel bij een verschil tussen het in letters en het in cijfers aangegeven bedrag het eerste doorslaggevend is.
42 Uit de artikelen 9, lid 1, en 10, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1150/2000 blijkt immers duidelijk dat de verschuldigde eigen middelen ten laatste op de eerste werkdag van elke maand moeten worden geboekt op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie is geopend, en dat zij dus vanaf deze datum rechtstreeks en daadwerkelijk ter beschikking van de Commissie moeten zijn, hetgeen in casu niet het geval was.
43 Er zij aan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie met name arresten van 21 september 1989, Commissie/Griekenland, 68/88, Jurispr. blz. 2965, punt 17, en 16 mei 1991, Commissie/Nederland, C-96/89, Jurispr. blz. I-2461, punt 38) een onlosmakelijk verband bestaat tussen de verplichting de eigen middelen van de Gemeenschap vast te stellen, de verplichting deze binnen de gestelde termijn te boeken op de rekening van de Commissie, en ten slotte de verplichting vertragingsrente te betalen.
44 Deze in artikel 11 van verordening nr. 1150/2000 bedoelde vertragingsrente is verschuldigd voor elke vertraging en is opeisbaar ongeacht de reden voor de te late boeking op de rekening van de Commissie (zie met name arresten van 22 februari 1989, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 12, en 12 september 2000, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C-359/97, Jurispr. blz. I-6355, punt 78).
45 Anders dan de Italiaanse regering stelt, volgt hieruit dat geen onderscheid behoeft te worden gemaakt tussen het geval waarin de vertraging te wijten is aan een materiële fout en het geval waarin zij te wijten is aan een juridische fout, en voorts dat het niet-opzettelijke karakter van de vertraging bij de boeking de verplichting om vertragingsrente te betalen niet kan opheffen (zie in die zin arrest van 18 december 1986, Commissie/Verenigd Koninkrijk, 93/85, Jurispr. blz. 4011, punten 34 en 37).
46 Het feit dat het verschuldigde saldo met valutadatum 30 mei 1996 op het credit van rekening nr. 414/23200 is geboekt, is in dit opzicht evenmin relevant. Gelijk de Commissie terecht heeft opgemerkt, hebben dergelijke rectificaties met terugwerkende kracht immers niet alleen geen zin in een financiële context gekenmerkt door het gebruik van niet-rentegevende rekeningen, maar zou aanvaarding hiervan ook de verplichting tot betaling van vertragingsrente in de praktijk het daarmee beoogde effect ontnemen.
47 Wat het argument van de Italiaanse regering betreft, dat de Commissie geen nadeel heeft ondervonden, volstaat het eraan te herinneren dat het niet voldoen door een lidstaat aan een door het gemeenschapsrecht opgelegde verplichting op zich reeds een niet-nakoming vormt, en dat het argument dat deze niet-nakoming geen nadelige gevolgen heeft gehad, irrelevant is (zie arresten van 21 januari 1999, Commissie/Portugal, C-150/97, Jurispr. blz. I-259, punt 22, en 15 juni 2000, Commissie/Duitsland, C-348/97, Jurispr. blz. I-4429, punt 62), net als de overweging dat de betrokken lidstaat daardoor geen voordeel heeft genoten.
48 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door niet binnen de termijn gesteld in de artikelen 9 en 10 van verordening nr. 1150/2000 het bedrag van 1 484 936 000 000 ITL als eigen middelen ter beschikking van de Commissie te stellen en door te weigeren de volgens artikel 11 van die verordening over dat bedrag verschuldigde vertragingsrente te betalen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 9, 10 en 11 van deze verordening, die met ingang van 31 mei 2000 verordening nr. 1552/89, waarvan het voorwerp identiek is, heeft ingetrokken en vervangen.
Kosten
49 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de termijn gesteld in de artikelen 9 en 10 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, het bedrag van 1 484 936 000 000 ITL als eigen middelen ter beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen te stellen en door te weigeren de volgens artikel 11 van die verordening over dat bedrag verschuldigde vertragingsrente te betalen, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 9, 10 en 11 van verordening nr. 1150/2000, die met ingang van 31 mei 2000 verordening (EG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, waarvan het voorwerp identiek is, heeft ingetrokken en vervangen.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Wathelet
Timmermans
Jann
von Bahr
Rosas
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 juni 2003.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
R. Grass
M. Wathelet
1 – Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy