Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Partijen
In zaak C-365/00,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. B. Wainwright en R. Amorosi als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door I. M. Braguglia, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door artikel 28 van wet nr. 128 van 24 april 1998 houdende bepalingen ter uitvoering van de verplichtingen die voor Italië uit het lidmaatschap van de Europese Gemeenschappen voortvloeien - communautaire wet 1995-1997 te hebben vastgesteld en gehandhaafd, volgens hetwelk op het etiket van cosmetische producten moet worden vermeld of de essences van de parfums of de aroma's die deze producten bevatten, van natuurlijke of kunstmatige oorsprong zijn, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PB L 262, blz. 169), zoals gewijzigd bij richtlijn 93/35/EEG van de Raad van 14 juni 1993 (PB L 151, blz. 32), en in het bijzonder, artikel 6, lid 1, sub g, derde alinea, van deze richtlijn,
wijst HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: S. von Bahr, kamerpresident, D. A. O. Edward (rapporteur) en A. La Pergola, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 december 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 2 oktober 2000, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat de Italiaanse Republiek, door artikel 28 van wet nr. 128 van 24 april 1998 houdende bepalingen ter uitvoering van de verplichtingen die voor Italië uit het lidmaatschap van de Europese Gemeenschappen voortvloeien - communautaire wet 1995-1997 (hierna: "wet nr. 128/98") te hebben vastgesteld en gehandhaafd, volgens hetwelk op het etiket van cosmetische producten moet worden vermeld of de essences van de parfums of de aroma's die deze producten bevatten, van natuurlijke of kunstmatige oorsprong zijn, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PB L 262, blz. 169), zoals gewijzigd bij richtlijn 93/35/EEG van de Raad van 14 juni 1993 (PB L 151, blz. 32; hierna: "richtlijn 76/768"), en in het bijzonder, artikel 6, lid 1, sub g, derde alinea, van deze richtlijn.
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
2 Artikel 6 van richtlijn 76/768 beoogt de harmonisatie van de aanduidingen die op de recipiënten en de verpakkingen van cosmetische producten moeten worden aangebracht.
3 In lid 1, sub g, derde alinea, van dit artikel heet het dat "parfumerende en aromatische verbindingen en grondstoffen daarvan worden aangegeven door het woord $parfum' of $aroma'" zonder dat enige bijkomende aanduiding wordt vermeld.
Bepalingen van Italiaans recht
4 Volgens artikel 28 van wet nr. 128/98 moet op het etiket van cosmetische producten uitdrukkelijk worden vermeld of de essences van de parfums of aroma's die deze producten bevatten, van natuurlijke of kunstmatige oorsprong zijn.
De precontentieuze procedure
5 Overeenkomstig de procedure van artikel 226, eerste alinea, EG heeft de Commissie, na de Italiaanse Republiek in de gelegenheid te hebben gesteld haar opmerkingen te maken, deze lidstaat bij brief van 14 juli 1999 een met redenen omkleed advies toegezonden, met het verzoek binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van dit advies de nodige maatregelen te nemen om aan haar verplichtingen uit hoofde van artikel 6, lid 1, sub g, derde alinea, van richtlijn 76/768 te voldoen.
6 In haar antwoord aan de Commissie bij brief van 3 november 1999 heeft de Italiaanse regering het voornemen bekend gemaakt om een regeling vast te stellen met het oog op de opheffing van de in artikel 28 van wet nr. 128/98 neergelegde verplichting.
7 Omdat de Commissie van de Italiaanse regering vervolgens geen informatie heeft ontvangen waaruit zij kon concluderen dat deze regeling definitief was vastgesteld en in werking was getreden, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
8 De Commissie stelt, dat artikel 28 van wet nr. 128/98, door op het Italiaanse grondgebied de vrije verhandeling te verhinderen van een cosmetisch product waarop niet de natuurlijke of kunstmatige oorsprong is vermeld van de essences van de parfums of de aroma's die het product bevat, een extra voorschrift invoert waarin richtlijn 76/768 niet voorziet en dat dus bij deze richtlijn verboden is.
9 In haar verweerschrift merkt de Italiaanse regering op dat zij de door de Commissie tegen haar aangevoerde grief niet betwist en dat in het ontwerp van communautaire wet voor het jaar 2001 een bepaling moet worden opgenomen met het oog op de opheffing van de verplichting van artikel 28 van wet nr. 128/98.
10 In deze omstandigheden dient te worden vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek, door artikel 28 van wet nr. 128/98 te hebben vastgesteld en gehandhaafd, de krachtens artikel 6, lid 1, sub g, derde alinea, van richtlijn 76/768 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
11 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door artikel 28 van de Italiaanse wet nr. 128 van 24 april 1998 houdende bepalingen ter uitvoering van de verplichtingen die voor Italië uit het lidmaatschap van de Europese Gemeenschappen voortvloeien - communautaire wet 1995-1997 te hebben vastgesteld en gehandhaafd, volgens hetwelk op het etiket van cosmetische producten moet worden vermeld of de essences van de parfums of de aroma's die de producten bevatten, van natuurlijke of kunstmatige oorsprong zijn, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 6, lid 1, sub g, derde alinea, van richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/35/EEG van de Raad van 14 juni 1993.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy