Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(Art. 226 EG)
Partijen
In zaak C-376/00,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Støvlbaek en R. Amorosi als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door M. Fiorilli, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door na te laten om voor de periode 1995 tot en met 1997 de verslagen als bedoeld in artikel 18 van richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PB L 194, blz. 23), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied (PB L 377, blz. 48), en in artikel 12 van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, blz. 39), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/692, binnen de bij die bepalingen gestelde termijn aan de Commissie toe te zenden, de krachtens deze richtlijnen op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, L. Sevón (rapporteur) en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 oktober 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 oktober 2000, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Italiaanse Republiek, door na te laten om voor de periode 1995 tot en met 1997 de verslagen als bedoeld in artikel 18 van richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PB L 194, blz. 23), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied (PB L 377, blz. 48; hierna: gewijzigde richtlijn 75/439"), en in artikel 12 van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, blz. 39), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/692 (hierna: gewijzigde richtlijn 75/442"), binnen de bij die bepalingen gestelde termijn aan de Commissie toe te zenden, de krachtens deze richtlijnen op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 De richtlijn beoogt volgens artikel 1 ervan de bepalingen inzake de toezending van informatie en de publicatie van verslagen over bepaalde communautaire richtlijnen inzake milieubescherming per sector te rationaliseren en te verbeteren.
3 Bij artikel 5 van richtlijn 91/692 is de tekst van de in bijlage VI opgenomen bepalingen, waaronder artikel 18 van richtlijn 75/439 en artikel 12 van richtlijn 75/442, vervangen door de volgende tekst:
Elke drie jaar lichten de lidstaten de Commissie in over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn in het kader van een verslag dat per sector wordt uitgebracht en ook de andere communautaire richtlijnen op dit gebied bestrijkt. Dit verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst of een schema, uitgewerkt door de Commissie volgens de procedure van artikel 6 van richtlijn 91/692/EEG [...]. Zes maanden vóór de aanvang van de verslagperiode wordt de vragenlijst of het schema aan de lidstaten toegezonden. Het verslag wordt aan de Commissie voorgelegd binnen negen maanden na de periode van drie jaar waarop het betrekking heeft.
Het eerste verslag bestrijkt de periode van 1995 tot en met 1997.
Binnen negen maanden na ontvangst van de verslagen van de lidstaten publiceert de Commissie een verslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn in de Gemeenschap."
4 Overeenkomstig de procedure van artikel 226, eerste alinea, EG heeft de Commissie, na de Italiaanse Republiek in de gelegenheid te hebben gesteld haar opmerkingen te maken, deze lidstaat bij brief van 26 januari 2000 een met redenen omkleed advies toegezonden, met het verzoek binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van dit advies de nodige maatregelen te nemen om aan haar verplichtingen uit hoofde van artikel 18 van de gewijzigde richtlijn 75/439 en artikel 12 van de gewijzigde richtlijn 75/442 voor de periode tussen 1995 en 1997 te voldoen.
5 Aangezien zij met betrekking tot de bij die bepalingen van de gewijzigde richtlijnen 75/439 en 75/442 bedoelde verslagen geen antwoord van de Italiaanse Republiek had ontvangen, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
6 De Commissie voert aan dat zij bij beschikking 94/741/EG van 24 oktober 1994 inzake de vragenlijsten voor de verslagen van de lidstaten betreffende de toepassing van bepaalde richtlijnen in de sector afvalstoffen (tenuitvoerlegging van richtlijn 91/692) (PB L 296, blz. 42), de vragenlijsten betreffende de gewijzigde richtlijnen 75/439 en 75/442 heeft vastgesteld. De lidstaten waren dus verplicht geweest de Commissie de eerste verslagen betreffende de periode van 1995 tot en met 1997 uiterlijk op 30 september 1998 toe te zenden.
7 Met betrekking tot het in artikel 12 van de gewijzigde richtlijn 75/442 bedoelde verslag betreffende afvalstoffen verklaart de Commissie dat zij daarvan bij lezing van de bijlagen van het verweerschrift kennis heeft genomen. Aangezien dat verslag strookt met de bij de gewijzigde richtlijn 75/442 vastgestelde criteria en in overeenstemming is met de door de Commissie opgestelde vragenlijst, verklaart zij met betrekking tot die richtlijn afstand van instantie te doen.
8 Met betrekking tot het in artikel 18 van de gewijzigde richtlijn 75/439 bedoelde verslag betreffende afgewerkte olie heeft de Commissie van het Italiaanse ministerie van Industrie op 18 december 2000 een verslag ontvangen dat de jaren 1995 en 1996 bestrijkt. Voor het jaar 1997 is echter geen enkele informatie verstrekt en de voor de jaren 1995 en 1996 verstrekte inlichtingen beantwoorden niet aan de vereisten die uit de door de Commissie uitgewerkte vragenlijst voortvloeien. De mededeling van dit verslag kan de niet-nakoming van artikel 18 van de gewijzigde richtlijn 75/439 dus niet opheffen.
9 De Italiaanse regering betwist de conclusies van de Commissie niet.
10 In die omstandigheden moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat, aangezien de Commissie afstand heeft gedaan van haar beroep voorzover het betrekking heeft op de gewijzigde richtlijn 75/442, niet behoeft te worden beslist over het gedeelte van haar conclusies betreffende die richtlijn.
11 In de tweede plaats, aangezien het in artikel 18 van de gewijzigde richtlijn 75/439 bedoelde verslag betreffende de periode 1995 tot en met 1997 niet binnen de bij deze bepaling vastgestelde termijn is toegezonden, moet het door de Commissie ingestelde beroep, voorzover het die richtlijn betreft, gegrond worden geacht.
12 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek, door na te laten om voor de periode 1995 tot en met 1997 het in artikel 18 van de gewijzigde richtlijn 75/439 bedoelde verslag binnen de bij deze bepaling gestelde termijn aan de Commissie toe te zenden, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Overeenkomstig artikel 69, lid 5, van dit Reglement wordt de partij die afstand doet van instantie in de proceskosten veroordeeld, voorzover dit door de wederpartij in haar opmerkingen over de afstand van instantie is gevorderd. In de eerste plaats heeft de Commissie gevorderd dat de Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten. In de tweede plaats is laatstgenoemde, wat het beroep betreffende de gewijzigde richtlijn 75/439 betreft, in het ongelijk gesteld en heeft zij niet gevorderd dat de Commissie wordt verwezen in de kosten voor het gedeelte van het beroep waarvoor afstand van instantie is gedaan, namelijk dat betreffende de gewijzigde richtlijn 75/442. De Italiaanse Republiek moet dus in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door na te laten om voor de periode 1995 tot en met 1997 het verslag als bedoeld in artikel 18 van richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied, binnen de bij de genoemde bepaling gestelde termijn aan de Commissie toe te zenden, is de Italiaanse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Italiaanse Republiek wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy