Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelproducten - Extra heffing op melk - Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Begunstigden - Producent die bedrijf op soortgelijke wijze als door erfopvolging" in bezit heeft gekregen - Begrip - Bedrijf dat na afloop van door erflater aangegane niet-leveringsverbintenis tegen gunstiger condities dan marktcondities wordt verpacht aan echtgenoot van aangewezen erfgenaam - Daaronder begrepen - Voorwaarden
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 3 bis, lid 1, tweede alinea, tweede streepje)
Samenvatting
$$De woorden producent [...] die het bedrijf [...] op soortgelijke wijze [als door erfopvolging] in bezit heeft gekregen", in artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de extra heffing op melk, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1639/91, moeten aldus worden uitgelegd dat zij betrekking hebben op een producent die de hoedanigheid van echtgenoot van de aangewezen erfgenaam bezit, en aan wie het bedrijf tegen gunstiger condities dan de marktcondities is verpacht na afloop van de door de verpachter-erflater uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane niet-leveringsverbintenis, voorzover uit alle feitelijke en juridische omstandigheden van de pachtverhouding blijkt:
- dat deze primair is gericht op de voortzetting van het bedrijf ten gunste van de aangewezen erfgenaam en niet op de tegeldemaking van het bedrijf door de erflater, en dat
- de rechtsbetrekkingen tussen de partijen bij de overeenkomst aldus zijn geregeld, dat het voordeel dat de erflater zijn erfgenaam wil laten genieten, op duurzame wijze is gewaarborgd, zelfs in geval van scheiding van de echtgenoten of ontbinding van het huwelijk.
( cf. punt 37 en dictum )
Partijen
In zaak C-384/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Niedersächsische Oberverwaltungsgericht (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
H. Bredemeier
en
Landwirtschaftskammer Hannover,
in tegenwoordigheid van:
Wilhelm Wieggrebe
en
Irmtraut Bredemeier,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3 bis, lid 1, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1639/91 van de Raad van 13 juni 1991 (PB L 150, blz. 35),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: N. Colneric, kamerpresident, R. Schintgen en V. Skouris (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- H. Bredemeier, W. Wieggrebe en I. Bredemeier, vertegenwoordigd door K.-L. Grages, Rechtsanwalt,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Niejahr als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 februari 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 28 augustus 2000, ingekomen bij het Hof op 20 oktober daaraanvolgend, heeft het Niedersächsische Oberverwaltungsgericht krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 3 bis, lid 1, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1639/91 van de Raad van 13 juni 1991 (PB L 150, blz. 35; hierna: verordening nr. 857/84").
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een geding tussen H. Bredemeier en de Landwirtschaftskammer Hannover over de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid uit hoofde van het stelsel van extra heffingen op melk.
Het rechtskader
3 Verordening (EEG) nr. 1078/77 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelproducten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB L 131, blz. 1), door de Raad vastgesteld op 17 mei 1977, voorzag in de toekenning van een premie aan producenten die zich verbonden om gedurende vijf jaar geen melk of melkproducten in de handel te brengen of om het melkveebestand op de rundvleesproductie om te schakelen.
4 De Raad heeft op 31 maart 1984 de verordeningen (EEG) nrs. 856/84 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 10), en 857/84 vastgesteld. Deze verordeningen voerden met ingang van 1 april 1984 een stelsel van extra heffingen op melk in. Dit hield in, dat iedere melkproducent slechts de hoeveelheid melk overeenkomend met het hem toegewezen melkquotum (hierna: referentiehoeveelheid") mocht produceren, op straffe van betaling van een extra heffing. Dit quotum was gelijk aan de hoeveelheid melk die tijdens een referentiejaar was geproduceerd. Voor de Bondsrepubliek Duitsland was dit het jaar 1983.
5 De producenten die in dat jaar geen melk hadden geproduceerd in verband met hun verbintenis uit hoofde van verordening nr. 1078/77 werden van het stelsel van melkquota uitgesloten.
6 In de arresten van 28 april 1988, Mulder (120/86, Jurispr. blz. 2321), en Von Deetzen I (170/86, Jurispr. blz. 2355) heeft het Hof verordening nr. 857/84 ongeldig verklaard, voorzover zij niet voorzag in toekenning van een referentiehoeveelheid aan producenten die gedurende het referentiejaar van de betrokken lidstaat geen melk hadden geleverd.
7 Ter uitvoering van de bovengenoemde arresten Mulder en Von Deetzen I stelde de Raad verordening (EEG) nr. 764/89 van 20 maart 1989 tot wijziging van verordening nr. 857/84 (PB L 84, blz. 2) vast. Zo heeft zij aan verordening nr. 857/84 een artikel 3 bis toegevoegd. Op grond van deze bepaling kon, onder bepaalde voorwaarden, een specifieke referentiehoeveelheid worden toegekend aan de groep producenten die uitgesloten waren geweest van het stelsel van melkquota.
8 De nadere voorschriften voor de toepassing van de in het vorige punt bedoelde regeling zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB L 139, blz. 12), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989 (PB L 110, blz. 27; hierna: verordening nr. 1546/88"). Deze heeft aan verordening nr. 1546/88 een nieuw artikel 7 bis toegevoegd, dat onder meer bepaalt dat, in geval van overgang van een bedrijf door vererving of een daarmee vergelijkbare wijze van overgang, de volgens artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 toegewezen specifieke referentiehoeveelheid overeenkomstig artikel 7, eerste en derde alinea, van deze laatste verordening wordt overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt, op voorwaarde dat deze zich ertoe verbindt de door zijn voorganger aangegane verbintenissen na te leven.
9 In zijn arrest van 21 maart 1991, Rauh (C-314/89, Jurispr. blz. I-1647), heeft het Hof voor recht verklaard dat artikel 3 bis van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, aldus moet worden uitgelegd, dat onder de aldaar bepaalde voorwaarden een specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegekend aan een producent die door vererving of op een daarmee vergelijkbare wijze een bedrijf heeft verworven na afloop van een door de erflater uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis om geen melk in de handel te brengen.
10 Bovendien heeft het Hof in de punten 38 en 39 van zijn arrest van 22 oktober 1991, Von Deetzen II (C-44/89, Jurispr. blz. I-5119), het begrip [met vererving] vergelijkbare wijze van overgang", in de zin van artikel 7 bis, eerste alinea, van verordening nr. 1546/88, aldus uitgelegd, dat het - ongeacht de juridische vorm waarin de overdracht plaatsvindt - doelt op elke overdracht die rechtsgevolgen heeft die vergelijkbaar zijn met die van een overgang door vererving, en dat het derhalve met name transacties betreffende het betrokken bedrijf tussen een producent en zijn vermoedelijke erfgenaam omvat, voorzover deze transactie, gelet op het doel en het voorwerp ervan, primair is gericht op de voortzetting van het bedrijf door die erfgenaam en niet op de verhandeling van de marktwaarde van het bedrijf door de erflater. Dat is het geval wanneer de condities van de overeenkomst die aan de betrokken handeling ten grondslag ligt, van dien aard zijn, dat de vermoedelijke erfgenaam wordt bevoordeeld ten opzichte van een marktdeelnemer die een vergelijkbaar bedrijf overeenkomstig de marktcondities overneemt.
11 Artikel 3 bis, leden 1, eerste streepje, en 2, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, is op zijn beurt ongeldig verklaard bij de arresten van 11 december 1990, Spagl (C-189/89, Jurispr. blz. I-4539), en Pastätter (C-217/89, Jurispr. blz. I-4585).
12 Om te voldoen aan de voornoemde arresten Spagl en Pastätter, heeft de Raad verordening nr. 1639/91 vastgesteld met een nieuwe versie van bedoeld artikel 3 bis, volgens welke ook aan de producenten die tot dan toe op grond van de bij die arresten Spagl en Pastätter ongeldig verklaarde voorwaarden werden verhinderd het melkbedrijf over te nemen, een specifieke referentiehoeveelheid kon worden toegewezen.
13 In de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 1639/91 wordt bovendien erop gewezen, dat ingevolge de door het Hof van Justitie in zaak C-314/89 [arrest Rauh, reeds aangehaald] gegeven interpretatie van artikel 3 bis, aan producenten die het melkbedrijf door erfopvolging of op soortgelijke wijze hebben overgenomen en tussen 29 maart en 29 juni 1989 geen aanvraag hebben ingediend of wier aanvraag is afgewezen, de mogelijkheid moet worden geboden een aanvraag in te dienen of te herhalen".
14 Bijgevolg is bij verordening nr. 1639/91 aan artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84 een tweede alinea toegevoegd, die luidt als volgt:
Aan de producent:
[...]
- die het bedrijf door erfopvolging of op soortgelijke wijze in bezit heeft gekregen na het verstrijken van de verbintenis die uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1078/77 door de rechtsvoorganger is aangegaan, maar vóór 29 juni 1989,
wordt voorlopig, op een door hem binnen drie maanden na 1 juli 1991 in te dienen verzoek, onder de hierboven onder a, b en d vastgestelde voorwaarden een specifieke referentiehoeveelheid toegewezen."
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
15 Bredemeier is een melkproducent die vanaf 1 oktober 1986 door middel van achtereenvolgende pachtovereenkomsten het landbouwbedrijf van zijn schoonvader pacht dat hij met zijn echtgenote beheert. De schoonvader, die met zijn dochter en haar echtgenoot in hun boerderij woont en door hen wordt verzorgd, was in het begin van de jaren tachtig uit hoofde van verordening nr. 1078/77 een niet-leveringsverbintenis aangegaan, die is verstreken op 10 juni 1985, dus nog vóór Bredemeier het bedrijf pachtte.
16 Volgens de verklaringen van Bredemeier voor de verwijzende rechter bedroeg de pachtprijs 500 DEM/ha, na aftrek van 3 600 DEM/jaar voor de huur van de bedrijfsgebouwen, terwijl de normale marktprijs toentertijd 800 tot 1 000 DEM/ha zou hebben bedragen. Die rechter stelt vast, dat de pacht is overeengekomen tegen condities die Bredemeier in een veel gunstiger situatie plaatsen dan die van de marktdeelnemers die een vergelijkbaar bedrijf overeenkomstig de marktcondities overnemen.
17 In juni 1989 en op 26 september 1991 - dus, wat deze laatste datum betreft, binnen de in artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 bedoelde termijn van drie maanden -, diende Bredemeier bij de Landwirtschaftskammer Hannover twee verzoeken in om toewijzing van een voorlopige referentiehoeveelheid voor het bedrijf dat hij van zijn schoonvader pachtte. Na de afwijzing van die twee verzoeken stelde hij bij het bevoegde Verwaltungsgericht twee beroepen in, ter ondersteuning waarvan de echtgenote en de schoonvader van Bredemeier hebben geïntervenieerd. Na voeging zijn de beide beroepen verworpen bij vonnis van 20 oktober 1993.
18 Tegen dat vonnis heeft Bredemeier hoger beroep ingesteld bij het Niedersächsische Oberverwaltungsgericht.
19 Ten aanzien van de vraag, of krachtens artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 aan Bredemeier een specifieke referentiehoeveelheid had moeten worden toegewezen, wijst die rechter erop, dat het betrokken bedrijf niet aan Bredemeier is overgedragen in zijn hoedanigheid van vermoedelijke erfgenaam - een kwestie die het Hof in het voornoemde arrest Von Deetzen II heeft onderzocht -, omdat niet de pachter maar zijn echtgenote de erfgename van het bedrijf van de producent is.
20 Die rechter sluit evenwel niet uit, dat het - wegens de familiebanden tussen Bredemeier, zijn echtgenote en zijn schoonvader, die met hen in hun eigen bedrijf woont en door hen wordt verzorgd - gaat om de overname van een bedrijf op soortgelijke wijze [als door erfopvolging]", in de zin van artikel 3 bis van verordening nr. 857/84, te meer omdat de pacht van het bedrijf aan Bredemeier is verleend tegen condities die veel gunstiger waren dan de marktcondities, zodat is voldaan aan het in de punten 38 en 39 van het voornoemde arrest Von Deetzen II vermelde criterium.
21 In deze omstandigheden heeft het Niedersächsische Oberverwaltungsgericht de behandeling geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
Is er sprake van een overname van een landbouwbedrijf op ,soortgelijke wijze in de zin van artikel 3 bis van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 (PB L 90, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1639/91 van de Raad van 13 juni 1991 (PB L 150, blz. 35), wanneer het bedrijf na afloop van de door de producent uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1078/77 aangegane niet-leveringsverbintenis doch vóór 29 juni 1989 door hem aan de echtgenoot van de vermoedelijke erfgename op gunstiger dan de gebruikelijke marktvoorwaarden werd verpacht?"
De prejudiciële vraag
22 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de woorden producent [...] die het bedrijf [...] op soortgelijke wijze [als door erfopvolging] in bezit heeft gekregen", in artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 857/84, aldus moeten worden uitgelegd dat zij betrekking hebben op een producent die de hoedanigheid van echtgenoot van de aangewezen erfgenaam bezit, en aan wie het bedrijf tegen gunstigere dan de marktcondities is verpacht na afloop van de door de verpachter uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane niet-leveringsverbintenis, doch vóór 29 juni 1989.
23 Vooraf zij opgemerkt, dat het Hof in het voornoemde arrest Von Deetzen II het begrip [met vererving] vergelijkbare wijze van overgang", in de zin van artikel 7 bis, eerste alinea, van verordening nr. 1546/88 heeft uitgelegd.
24 Zoals de advocaat-generaal in de punten 13 tot en met 15 van zijn conclusie heeft opgemerkt, betrof die bepaling niet de toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid aan de producent die het bedrijf door erfopvolging of op soortgelijke wijze in bezit heeft gekregen, maar de overdracht van de specifieke referentiehoeveelheid waarover het bedrijf reeds beschikte, aan de producent aan wie het bedrijf vervolgens door vererving of op een daarmee vergelijkbare wijze van overgang is overgedragen, en was zij bovendien in sommige taalversies enigszins anders geformuleerd dan de bepaling waarop de onderhavige prejudiciële verwijzing betrekking heeft.
25 In het voornoemde arrest Rauh heeft het Hof evenwel voor de uitlegging van artikel 3 bis van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, in wezen de bewoordingen van artikel 7 bis van verordening nr. 1546/88 gebruikt. Zo heeft het in de punten 12 en 25 van dat arrest geoordeeld, dat deze laatste bepaling het mogelijk maakt, onder de aldaar bepaalde voorwaarden een specifieke referentiehoeveelheid toe te kennen aan een producent die door vererving of op een daarmee vergelijkbare wijze een bedrijf heeft verworven na afloop van een door de erflater uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane niet-leveringsverbintenis, ondanks het feit dat de erflater zelf nog geen specifieke referentiehoeveelheid heeft gekregen.
26 Blijkens de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 1639/91 spreekt de gemeenschapswetgever in artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 van de producent die het bedrijf door erfopvolging of op soortgelijke wijze" in bezit heeft gekregen, om zich te voegen naar de door het Hof in het voornoemde arrest Rauh gegeven interpretatie.
27 In die omstandigheden dient te worden aangenomen, dat deze laatste woorden synoniem zijn met de woorden [met vererving] vergelijkbare wijze van overgang" in artikel 7 bis, eerste alinea, van verordening nr. 1546/88. Bijgevolg is de uitlegging die het Hof in het voornoemde arrest Von Deetzen II aan het begrip [met vererving] vergelijkbare wijze van overgang" in de zin van die bepaling heeft gegeven, ook geldig voor de uitlegging van de overeenkomstige woorden van artikel 3 bis van verordening nr. 857/84.
28 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de woorden op soortgelijke wijze [als door erfopvolging]" - ongeacht de juridische vorm waarin de overdracht plaatsvindt - doelen op elke overdracht die rechtsgevolgen heeft die vergelijkbaar zijn met die van een erfopvolging.
29 In punt 38 van het voornoemde arrest Von Deetzen II heeft het Hof opgemerkt, dat er een dergelijke wijze van overgang is, wanneer de betrokken transactie, gelet op het doel en het voorwerp ervan, primair is gericht op de voortzetting van het bedrijf door de vermoedelijke erfgenaam en niet op de verhandeling van de marktwaarde van het bedrijf door de erflater. In punt 39 van dat arrest heeft het voorts gepreciseerd, dat zulks het geval is wanneer de condities van de overeenkomst die aan de betrokken handeling ten grondslag liggen, de vermoedelijke erfgenaam bevoordelen ten opzichte van een marktdeelnemer die een vergelijkbaar bedrijf overeenkomstig de marktcondities overneemt.
30 De overname van een bedrijf kan dus slechts worden geacht op soortgelijke wijze als door erfopvolging te hebben plaatsgevonden, indien zij op de in het vorige punt vermelde manier de vermoedelijke erfgenaam bevoordeelt.
31 Weliswaar heeft het Hof dit in het voornoemde arrest Von Deetzen II vastgesteld onder verwijzing naar, met name, de transacties tussen een producent en zijn vermoedelijke erfgenaam.
32 Zoals het gebruik van de woorden met name" in punt 38 van het voornoemde arrest Von Deetzen II echter aantoont, zijn die transacties niet de enige die de vermoedelijke erfgenaam kunnen bevoordelen in de door het Hof in dat arrest vermelde zin.
33 Inzonderheid is het denkbaar dat, gelet op alle feitelijke en juridische omstandigheden van de betrokken wijze van overgang, kan worden aangenomen dat die overgang primair is gericht, niet op de verhandeling van de marktwaarde van het bedrijf door de erflater, maar op de voortzetting van het bedrijf ten gunste van de vermoedelijke erfgenaam, ook al neemt deze laatste het bedrijf niet zelf over. Teneinde vast te stellen, of bij een verpachting van het bedrijf aan een ander dan de vermoedelijke erfgenaam aan die voorwaarde is voldaan, moet niet enkel worden gezien naar de in de pachtovereenkomst bedongen pachtprijs, maar ook naar andere elementen, zoals de duur van die overeenkomst en de mogelijkheid tot opzegging ervan door een van de partijen.
34 Wanneer, zoals in het hoofdgeding, het bedrijf aan de echtgenoot van de aangewezen erfgenaam wordt verpacht, is het - zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen terecht heeft opgemerkt - van belang, dat de rechtsbetrekkingen tussen de partijen bij de overeenkomst aldus zijn geregeld, dat het voordeel dat de erflater zijn erfgenaam wil laten genieten, op duurzame wijze is gewaarborgd, zelfs in geval van scheiding van de echtgenoten of ontbinding van het huwelijk.
35 De verwijzende rechter dient met inachtneming van alle feitelijke en juridische omstandigheden van de in het hoofdgeding bedoelde pachtverhouding na te gaan of zij voldoet aan de in de vorige twee punten vermelde voorwaarden.
36 Op grond van de gegevens in de bij het Hof ingediende stukken moet er echter op worden gewezen, dat het feit dat het betrokken bedrijf aan de echtgenoot van de aangewezen erfgenaam wordt verpacht tegen een gunstigere prijs dan de marktprijs, alsook het feit dat dat bedrijf door de twee echtgenoten samen wordt geëxploiteerd, belangrijke omstandigheden zijn die ervoor pleiten om de betrokken verpachting gelijk te stellen met een overname op soortgelijke wijze als door erfopvolging, in de zin van artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 857/84.
37 Gelet op de voorgaande overwegingen, moeten de woorden producent [...] die het bedrijf [...] op soortgelijke wijze [als door erfopvolging] in bezit heeft gekregen", in artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 857/84, aldus worden uitgelegd dat zij betrekking hebben op een producent die de hoedanigheid van echtgenoot van de aangewezen erfgenaam bezit, en aan wie het bedrijf tegen gunstiger condities dan de marktcondities is verpacht na afloop van de door de verpachter-erflater uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane niet-leveringsverbintenis, voorzover uit alle feitelijke en juridische omstandigheden van de pachtverhouding blijkt:
- dat deze primair is gericht op de voortzetting van het bedrijf ten gunste van de aangewezen erfgenaam en niet op de tegeldemaking van het bedrijf door de erflater, en dat
- de rechtsbetrekkingen tussen de partijen bij de overeenkomst aldus zijn geregeld, dat het voordeel dat de erflater zijn erfgenaam wil laten genieten, op duurzame wijze is gewaarborgd, zelfs in geval van scheiding van de echtgenoten of ontbinding van het huwelijk.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
38 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Niedersächsische Oberverwaltungsgericht bij beschikking van 28 augustus 2000 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De woorden producent [...] die het bedrijf [...] op soortgelijke wijze [als door erfopvolging] in bezit heeft gekregen", in artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, tweede streepje, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1639/91 van de Raad van 13 juni 1991, moeten aldus worden uitgelegd dat zij betrekking hebben op een producent die de hoedanigheid van echtgenoot van de aangewezen erfgenaam bezit, en aan wie het bedrijf tegen gunstiger condities dan de marktcondities is verpacht na afloop van de door de verpachter-erflater uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1078/77 aangegane niet-leveringsverbintenis, voorzover uit alle feitelijke en juridische omstandigheden van de pachtverhouding blijkt:
- dat deze primair is gericht op de voortzetting van het bedrijf ten gunste van de aangewezen erfgenaam en niet op de tegeldemaking van het bedrijf door de erflater, en dat
- de rechtsbetrekkingen tussen de partijen bij de overeenkomst aldus zijn geregeld, dat het voordeel dat de erflater zijn erfgenaam wil laten genieten, op duurzame wijze is gewaarborgd, zelfs in geval van scheiding van de echtgenoten of ontbinding van het huwelijk.
Full & Egal Universal Law Academy