Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Steunmaatregelen van de staten - Voorgenomen steunmaatregelen - Aanmelding bij Commissie - Voorafgaande kennisgeving bedoeld in artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999 - Juridisch gewicht van faxbericht
(Verordening nr. 659/1999 van de Raad, art. 4, lid 6)
2. Steunmaatregelen van de staten - Voorgenomen steunmaatregelen - Aanmelding bij Commissie - Gids betreffende procedures inzake staatssteun - Voorafgaande kennisgeving bedoeld in artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999 - Kennisgeving aan met dossier belast directoraat-generaal
(Verordening nr. 659/1999 van de Raad, art. 4, lid 6)
3. Steunmaatregelen van de staten - Onderzoek door Commissie - Voorafgaande kennisgeving bedoeld in artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999 - Besluit tot inleiding van formele onderzoeksprocedure - Verplichting tot betekening van besluit binnen 15 werkdagen na ontvangst van kennisgeving - Wijze van berekening van termijn
(Art. 254, lid 3, EG; verordening nr. 659/1999 van de Raad, art. 4, lid 6)
Samenvatting
1. Het juridische gewicht dat aan een faxbericht moet worden toegekend, hangt zowel af van de door de toepasselijke bepalingen voor de betrokken handeling vereiste formaliteiten als van de omstandigheden waarin deze verzendingswijze is toegepast, aangezien een verzending per fax in de regel geen afbreuk doet aan de bindende rechtsgevolgen van de handeling. Wanneer de toepasselijke bepalingen voor bepaalde handelingen bijzondere formaliteiten voorschrijven, dient aldus te worden nagegaan of de verzending per fax verenigbaar is met deze bepalingen.
Wat de in artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999 bedoelde voorafgaande kennisgeving betreft, schrijven de bepalingen betreffende de precontentieuze procedures waarin de staatssteun aan het Verdrag wordt getoetst, geen bijzondere formaliteit voor. Anders dan voor de initiële aanmelding van nieuwe steun, waarvoor de Commissie volgens artikel 2 van de verordening de betrokken lidstaat een bericht van ontvangst moet toezenden, gelden voor de voorafgaande kennisgeving immers geen andere voorwaarden dan voor de verschillende handelingen in het kader van de precontentieuze procedure voor de Commissie.
( cf. punten 21-23 )
2. De door de Commissie opgestelde Gids betreffende de procedures inzake staatssteun" eist enkel voor de initiële aanmelding van steun dat de lidstaten zich tot het secretariaat-generaal van de Commissie richten. Daarentegen dient het antwoord op verzoeken van het bevoegde directoraat-generaal om aanvullende informatie volgens punt 24 van de gids rechtstreeks aan dat directoraat-generaal te worden gericht". Bijgevolg dient de in artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999 bedoelde voorafgaande kennisgeving, die in het kader van de verdere informatie-uitwisseling plaatsvindt, het met het dossier belaste directoraat zo spoedig mogelijk te bereiken.
( cf. punt 26 )
3. Artikel 254, lid 3, EG bepaalt duidelijk dat van de beschikkingen [kennis] wordt [...] gegeven aan hen tot wie zij zijn gericht; zij worden door deze kennisgeving van kracht". Aldus kan een beschikking die ten doel heeft de tenuitvoerlegging van voorgenomen steunmaatregelen door een lidstaat te verhinderen, niet van kracht worden voor de datum waarop zij aan deze lidstaat kan worden tegengeworpen, dat wil zeggen de datum waarop zij aan deze staat wordt betekend. Artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999, dat betrekking heeft op de beschikking over de door de staat verrichte voorafgaande kennisgeving die de Commissie binnen een termijn van 15 werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving [...] geeft", kan dus niet aldus worden uitgelegd dat de vaststelling van de beschikking op zich deze termijn stuit, ongeacht wanneer zij wordt betekend.
( cf. punten 31-33 )
Partijen
In zaak C-398/00,
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door S. Ortiz Vaamonde als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet en R. Vidal als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van de bij brief SG (2000) D/106322 van 22 augustus 2000 aan het Koninkrijk Spanje betekende en in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 18 november 2000 (PB C 328, blz. 19) gepubliceerde beschikking van de Commissie van 17 augustus 2000 tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure ten aanzien van de verenigbaarheid met het EG-Verdrag van aan Santana Motor SA verleende steun (hierna: bestreden beschikking"), met betrekking tot alle daarin bedoelde maatregelen, met uitzondering van de in juni 1998 verleende garantie,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. Macken, kamerpresident, J.-P. Puissochet (rapporteur), en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 februari 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 oktober 2000, heeft het Koninkrijk Spanje krachtens artikel 230 EG verzocht om nietigverklaring van de hem bij brief SG (2000) D/106322 van 22 augustus 2000 betekende en in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 18 november 2000 (PB C 328, blz. 19) gepubliceerde beschikking van de Commissie van 17 augustus 2000 tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure ten aanzien van de verenigbaarheid met het EG-Verdrag van aan Santana Motor SA verleende steun (hierna: bestreden beschikking"), met betrekking tot alle daarin bedoelde maatregelen, met uitzondering van de in juni 1998 verleende garantie.
Juridisch kader
2 Artikel 88 EG bepaalt:
1. De Commissie onderwerpt tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de dienstige maatregelen voor, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de gemeenschappelijke markt vereist.
2. Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel 87 niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, bepaalt zij dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn.
[...]
3. De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 87 onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid."
3 Artikel 89 EG bepaalt:
De Raad kan op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen alle verordeningen vaststellen, dienstig voor de toepassing van de artikelen 87 en 88, en met name de voorwaarden voor de toepassing van artikel 88, lid 3, bepalen alsmede de van die procedure vrijgestelde soorten van steunmaatregelen."
4 Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1), bepaalt in artikel 4, Eerste onderzoek van de aanmelding en beschikkingen van de Commissie":
1. De Commissie onderzoekt de aanmelding [van de voorgenomen steun] onverwijld na ontvangst. Onverminderd artikel 8 geeft de Commissie een beschikking overeenkomstig de leden 2, 3 of 4.
[...]
4. Indien de Commissie na een eerste onderzoek tot de bevinding komt dat de aangemelde maatregel twijfel doet rijzen over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt, geeft zij een beschikking welke ertoe strekt de procedure overeenkomstig artikel [88], lid 2, van het Verdrag in te leiden [...].
5. De in de leden 2, 3 en 4 bedoelde beschikkingen worden binnen twee maanden gegeven. Die termijn gaat in op de dag na de ontvangst van een volledige aanmelding. De aanmelding wordt als volledig beschouwd als de Commissie binnen twee maanden na ontvangst van de aanmelding of van aanvullende informatie waarom was gevraagd niet om verdere informatie heeft verzocht. [...]
6. Indien de Commissie niet binnen de in lid 5 genoemde termijn een beschikking overeenkomstig de leden 2, 3 of 4 heeft gegeven, wordt de steun geacht door de Commissie te zijn goedgekeurd. Daarop kan de betrokken lidstaat de maatregelen ten uitvoer leggen, na de Commissie hiervan vooraf in kennis te hebben gesteld, tenzij de Commissie binnen een termijn van 15 werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving een beschikking overeenkomstig dit artikel geeft."
5 De artikelen 17 tot en met 19 van de verordening regelen de wijze waarop de Commissie bestaande steunregelingen onderzoekt en bepalen met name dat, indien de betrokken lidstaat de door de Commissie voorgestelde maatregelen om de steun in overeenstemming te brengen met de gemeenschappelijke markt, niet aanvaardt, deze laatste de procedure van artikel 4, lid 4, van de verordening kan inleiden.
6 Artikel 25 van de verordening bepaalt:
De overeenkomstig [verordening nr. 659/1999] gegeven beschikkingen worden tot de betrokken lidstaat gericht. De Commissie stelt de betrokken lidstaat er onverwijld van in kennis [...]"
7 Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden (PB L 124, blz. 1), die volgens artikel 1 ervan met name van toepassing is op door de Commissie krachtens het Verdrag vastgestelde rechtshandelingen, bepaalt in artikel 2, lid 2, dat de voor de toepassing van deze verordening in aanmerking te nemen werkdagen [...] alle dagen [zijn], die niet feestdagen, zondagen of zaterdagen zijn". Volgens artikel 3, lid 1, van de verordening wordt de dag waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvindt die de termijn doet ingaan, niet bij de termijn inbegrepen.
Feiten van het geding
8 Na verschillende brieven met de Commissie te hebben uitgewisseld over de toekenning van een bankgarantie aan Santana Motor SA in juni 1998, heeft de Spaanse regering de Commissie bij brief van 1 juli 1999 op de hoogte gebracht van haar voornemen om nieuwe steun die de Junta de Andalucía aan deze onderneming wilde toekennen, op grond van artikel 88, lid 3, EG aan te melden.
9 Bij brieven van 30 juli en 17 november 1999, beide gericht aan de secretaris-generaal en de directeur-generaal van het directoraat-generaal Mededinging van de Commissie, hebben de Spaanse autoriteiten het voornemen om het kapitaal van Santana Motor SA te verhogen en verschillende door deze onderneming in het kader van haar strategisch plan 1998-2006 ingediende aanvragen om regionale steun aangemeld en om machtiging verzocht om bepaalde van deze aanvragen in te willigen.
10 Op 4 januari 2000 werden aan de Commissie aanvullende gegevens over deze steunvoornemens verstrekt. Toen zij vaststelde dat de aanmeldingen nog steeds onvolledig waren, verzocht zij op 22 maart 2000 om nieuwe gegevens, die haar werden verstrekt op 24 mei 2000.
11 In haar brief van 28 juli 2000 aan de Commissie, die op dezelfde dag per fax werd verzonden, schreef de Spaanse regering: Aangezien twee maanden zijn verstreken sinds de verzending van de laatste door de Commissie gevraagde gegevens (24 mei 2000), laten wij u weten dat de Junta de Andalucía krachtens artikel 4, lid 6, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag de [...] aangemelde steunmaatregelen ten gunste van Santana, namelijk kapitaalinbreng en subsidies à fonds perdu ten uitvoer zal brengen."
12 Op 17 augustus 2000 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 88, lid 2, EG de formele onderzoeksprocedure ten aanzien van de aangemelde steun ingeleid. Deze beschikking is op 23 augustus 2000 aan de Spaanse autoriteiten ter kennis gebracht bij brief van 22 augustus 2000.
Wettigheid van de bestreden beschikking
13 Het Koninkrijk Spanje stelt dat de betrokken steun - de kapitaalverhoging en de subsidies - anders dan de in juni 1998 verleende bankgarantie nog in het geheel niet ten uitvoer is gebracht. Op het ogenblik dat deze steun, bij brieven van 30 juli en 17 november 1999, aan de Commissie werd aangemeld, ging het dus om aangemelde maatregelen in de zin van artikel 4 van verordening nr. 659/1999, die binnen de in artikel 4, leden 5 en 6, gestelde termijnen dienden te worden onderzocht. Deze termijnen van twee maanden respectievelijk 15 werkdagen waren volgens de Spaanse regering vóór de vaststelling van de bestreden beschikking verstreken, zodat de aangemelde maatregelen als bestaande steunmaatregelen moeten worden aangemerkt. In deze omstandigheden kon de Commissie niet zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting de regeling van artikel 88, lid 2, EG, die slechts betrekking heeft op nieuwe steun, op deze maatregelen toepassen.
14 Om uit te maken of deze argumenten gegrond zijn, dient te worden nagegaan hoe de in artikel 4, leden 5 en 6, van verordening nr. 659/1999 gestelde proceduretermijnen in casu zijn toegepast.
De termijn van twee maanden
15 Uit de stukken blijkt, en de Commissie betwist niet, dat de voorgenomen steunmaatregelen - de kapitaalverhoging en de subsidies - daadwerkelijk overeenkomstig artikel 88, lid 3, EG bij haar zijn aangemeld en door de Spaanse autoriteiten niet ten uitvoer zijn gebracht. Op het ogenblik van hun aanmelding vormden deze maatregelen dus nieuwe steun in de zin van artikel 2 van verordening nr. 659/1999, waarvoor de Commissie vooraf machtiging moest verlenen.
16 De Commissie beschikt over een eerste termijn van twee maanden om deze machtigingsaanvraag te onderzoeken. Ingevolge artikel 4, lid 5, van verordening nr. 659/1999 wordt de aanmelding als volledig beschouwd", wanneer de Commissie aan het einde van deze termijn geen beschikking heeft gegeven op grond van artikel 4 van de verordening en zij de betrokken lidstaat niet om verdere informatie heeft verzocht. Bij het verstrijken van deze termijn mag de lidstaat onder het genoemde voorbehoud zijn voornemen ten uitvoer leggen.
17 Uit het feitenrelaas blijkt dat de Spaanse regering op 24 mei 2000 aanvullende informatie betreffende bovengenoemde maatregelen aan de Commissie heeft toegezonden, en dat de Commissie nadien niet om verdere informatie heeft verzocht. Aangezien de Commissie aldus gedurende de termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van deze informatie niets van zich heeft laten horen, diende de aanmelding van de betrokken steun met ingang van 25 juli 2000 als volledig te worden beschouwd, zodat de Spaanse autoriteiten hun voornemen ten uitvoer konden leggen, mits zij de Commissie hiervan vooraf in kennis stelden.
18 De Commissie betwist deze vaststelling niet, maar stelt dat de bestreden beschikking binnen de in artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999 gestelde termijn is gegeven en aldus een wettelijke hindernis vormt voor de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangemelde maatregelen.
De termijn van 15 werkdagen
19 De Spaanse regering stelt in de eerste plaats dat de termijn is ingegaan op 31 juli 2000, de eerste werkdag na de ontvangst door de Commissie, op 28 juli 2000, van een faxbericht waarbij de Spaanse autoriteiten haar overeenkomstig artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999 ervan in kennis stelden dat de aangemelde maatregelen ten uitvoer zouden worden gelegd.
20 De Commissie stelt daarentegen dat de termijn pas is ingegaan op 1 augustus 2000. Volgens haar heeft de brief van 28 juli haar pas op 31 juli 2000 op rechtsgeldige wijze bereikt. Het faxbericht van 28 juli 2000 kan niet in aanmerking worden genomen, aangezien dit niet is gericht aan het secretariaat-generaal van de Commissie, zoals de communautaire regels inzake staatssteun in de automobielsector voorschrijven, maar enkel aan het directoraat-generaal Mededinging van de Commissie. In elk geval kan een faxbericht met alleen maar een verzendingsrapport met daarop het aantal bladzijden en het nummer van de ontvanger niet gelden als bewijs van de inhoud van het verzonden document. Daarom heeft het Hof geoordeeld dat verzoekschriften niet per fax mogen worden ingediend. Om soortgelijke redenen van rechtszekerheid kan met faxberichten geen rekening worden gehouden bij de berekening van de termijn. Voor het faxbericht van 28 juli 2000 kon overigens geen bericht van ontvangst worden afgegeven, aangezien het vrijdags om 17 uur 49 was verzonden, na de officiële arbeidsuren van de ambtenaren van de Commissie.
21 Dienaangaande dient te worden beklemtoond dat het juridische gewicht dat aan een faxbericht moet worden toegekend, zowel afhangt van de door de toepasselijke bepalingen voor de betrokken handeling vereiste formaliteiten als van de omstandigheden waarin deze verzendingswijze is toegepast, aangezien een verzending per fax in de regel geen afbreuk doet aan de bindende rechtsgevolgen van een handeling (zie in die zin arrest van 28 november 1991, BEUC/Commissie, C-170/89, Jurispr. blz. I-5709, punten 9-11).
22 Wanneer de toepasselijke bepalingen voor bepaalde handelingen bijzondere formaliteiten voorschrijven, dient te worden nagegaan of de verzending per fax verenigbaar is met deze bepalingen.
23 Wat de in artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999 bedoelde voorafgaande kennisgeving betreft, schrijven de bepalingen betreffende de precontentieuze procedures waarin de staatssteun aan het Verdrag wordt getoetst, geen bijzondere formaliteit voor. Anders dan voor de initiële aanmelding van nieuwe steun, waarvoor de Commissie volgens artikel 2 van de verordening de betrokken lidstaat een bericht van ontvangst moet toezenden, gelden voor de voorafgaande kennisgeving geen andere voorwaarden dan voor de verschillende handelingen in het kader van de precontentieuze procedure voor de Commissie. Deze laatste heeft in een voetnoot in bijlage I bij haar Leidraad bij de procedures met betrekking tot overheidssteun uitdrukkelijk erkend dat de termijnen voor deze verschillende handelingen ingaan op de datum van ontvangst van de brief [...] of van de verzending, indien de brief per fax wordt verzonden". Verder heeft het Hof in het kader van een beroep wegens nalaten geoordeeld dat een aan de Commissie gefaxt verzoek om te handelen niet-ontvankelijk was, niet omdat het per fax was verzonden, maar omdat de inhoud zelf van het document ontoereikend was (beschikking van 18 november 1999, Pescados Congelados Jogamar/Commissie, C-249/99 P, Jurispr. blz. I-8333). Bijgevolg kan de Commissie niet stellen dat de brief van 28 juli 2000 niet in aanmerking kan worden genomen, alleen omdat hij per fax is verzonden.
24 Er dient dus te worden beoordeeld of de omstandigheden waarin dit verzendingsmiddel in casu is gebruikt, invloed konden hebben op de kennis die de Commissie had van de inhoud van dit document en van de datum van de ontvangst ervan.
25 De stukken wettigen deze conclusie niet. De Commissie stelt immers niet dat zij de voorafgaande kennisgeving door het Koninkrijk Spanje later per post heeft ontvangen. Zij wijst er enkel op dat het faxbericht op vrijdag 28 juli 2000, om 17 uur 49, niet kon worden ingeschreven, omdat er geen ambtenaren aanwezig waren, en dat deze inschrijving in feite pas op maandag 31 juli 2000 kon worden verricht. Vaststaat dus dat het op 31 juli 2000 ingeschreven document inderdaad hetzelfde was als het op 28 juli 2000 ontvangen document, en dat de Commissie de kennisgeving door de Spaanse autoriteiten wel degelijk op 28 juli 2000 heeft ontvangen. Dat de ambtenaren van de Commissie afwezig waren toen het faxbericht binnenkwam, kan in de onderhavige omstandigheden dus geen twijfel doen rijzen over de datum van ontvangst noch over de inhoud van het toegezonden document.
26 Het argument dat de Spaanse regering de voorafgaande kennisgeving aan het secretariaat-generaal van de Commissie had moeten richten, kan het tijdstip waarop de termijn van 15 dagen is ingegaan, niet veranderen. De Leidraad bij de procedures met betrekking tot overheidssteun eist immers enkel voor de initiële aanmelding van steun dat de lidstaten zich - voor interne coördinatiedoeleinden - tot het secretariaat-generaal van de Commissie richten. Wanneer het secretariaat-generaal van de Commissie duidelijk heeft aangewezen welk directoraat-generaal met de zaak is belast, dient het antwoord op verzoeken van het bevoegde directoraat-generaal om aanvullende informatie volgens punt 24 van de leidraad rechtstreeks aan dat directoraat-generaal te worden gericht". Dit geldt ook voor de in artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999 bedoelde voorafgaande kennisgeving, die in het kader van de verdere informatie-uitwisseling plaatsvindt en die, eveneens in het belang van een snelle administratieve verwerking, de met het dossier belaste directie zo spoedig mogelijk dient te bereiken.
27 Uit al het voorgaande volgt dat de ontvangst, door de Commissie, op 28 juli 2000 van de voorafgaande kennisgeving door de Spaanse autoriteiten de termijn van 15 werkdagen heeft doen ingaan. Deze termijn is dus, gelet op de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 1182/71 en artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999, ingegaan op 31 juli 2000, de eerste werkdag na deze ontvangst en zij is verstreken op 21 augustus 2000.
28 Wat in de tweede plaats de stuiting van de termijn van 15 werkdagen betreft, die afhangt van de omstandigheden waarin de bestreden beschikking is vastgesteld, stelt het Koninkrijk Spanje dat de beschikking, die volgens de Commissie op 17 augustus 2000 is gegeven, pas op 23 augustus 2000, dat wil zeggen na het verstrijken van deze termijn, aan de Spaanse autoriteiten is betekend. Relevant is evenwel slechts de datum waarop de beschikking van de Commissie ten aanzien van de betrokken lidstaat van kracht wordt: volgens artikel 254, lid 3, EG is dit de datum van de kennisgeving van de beschikking.
29 Volgens de Commissie daarentegen dient te worden uitgegaan van de datum waarop de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure is gegeven, en niet van de datum waarop deze beschikking aan de betrokken lidstaat is betekend. Artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999 heeft immers betrekking op de beschikking die de Commissie binnen een termijn van 15 werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving [...] geeft". In casu stelt de Commissie dat de bestreden beschikking overeenkomstig de in artikel 12 van haar reglement van orde vastgelegde schriftelijke procedure op 17 augustus 2000 is vastgesteld en onverwijld" aan de betrokken lidstaat is betekend, zoals is voorgeschreven in artikel 25 van verordening nr. 659/1999. Volgens de Commissie is de termijn dus op 17 augustus 2000 door de bestreden beschikking gestuit en kon zij, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, de formele onderzoeksprocedure ten aanzien van de aangemelde steun inleiden.
30 Dienaangaande zij opgemerkt dat de leden van de Commissie daadwerkelijk is verzocht, zich op 17 augustus 2000 in het kader van een versnelde schriftelijke procedure uit te spreken over het voorstel van het directoraat-generaal Mededinging om de formele onderzoeksprocedure ten aanzien van de betrokken steun in te leiden. Aangezien geen enkel voorbehoud met betrekking tot dit voorstel werd geformuleerd, is dit overeenkomstig artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie op die datum aangenomen. De handeling werd op dezelfde dag formeel geauthentiseerd door de handtekening van de secretaris-generaal en werd aldus een beschikking in de zin van artikel 249 EG. Bijgevolg moet de brief van 22 augustus 2000 aan het Koninkrijk Spanje, waarin het aldus aangenomen voorstel, dat de bestreden beschikking is geworden, volledig is overgenomen, ook al wordt hierin niet verwezen naar een beschikking van 17 augustus 2000, worden beschouwd als de kennisgeving van deze beschikking aan de adressaat ervan.
31 Anders dan de Commissie stelt, kon de vaststelling van de beschikking van de Commissie op deze datum de termijn van 15 werkdagen evenwel niet stuiten. Artikel 254, lid 3, EG bepaalt immers duidelijk dat van de beschikkingen [kennis] wordt [...] gegeven aan hen tot wie zij zijn gericht; zij worden door deze kennisgeving van kracht".
32 In casu kan de beschikking, die ten doel heeft de tenuitvoerlegging van voorgenomen steunmaatregelen door een lidstaat te verhinderen, niet van kracht worden - en aldus de termijn van 15 werkdagen stuiten - voor de datum waarop zij aan deze lidstaat kan worden tegengeworpen, dat wil zeggen de datum waarop zij wordt betekend.
33 Artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999, dat betrekking heeft op de beschikking die de Commissie binnen een termijn van 15 werkdagen [...] geeft", kan dus niet aldus worden uitgelegd dat de vaststelling van de beschikking op zich de termijn stuit, ongeacht wanneer zij wordt betekend. Dit is trouwens de betekenis van artikel 25 van de verordening, volgens hetwelk de Commissie de lidstaat onverwijld" in kennis stelt van de overeenkomstig deze verordening gegeven beschikkingen, en van de eenentwintigste overweging van de considerans van de verordening, waarin wordt herinnerd aan het beginsel [...] dat beschikkingen in zaken van overheidssteun tot de betrokken lidstaat worden gericht", in het belang van de transparantie en de rechtszekerheid". Dit oogmerk verklaart waarom de nietigverklaring van een handeling van de gemeenschapsinstellingen in bepaalde gevallen reeds gerechtvaardigd kan zijn door het feit dat hiervan geen kennis is gegeven (zie in die zin arrest van 8 juli 1999, Hoechst/Commissie, C-227/92 P, Jurispr. blz. I-4443, punt 68).
34 Gelet op het voorgaande is de bestreden beschikking, die op 17 augustus 2000 is gegeven en pas op 23 augustus 2000 aan de Spaanse autoriteiten is betekend, na de in artikel 4, lid 6, van verordening nr. 659/1999 bedoelde termijn van 15 werkdagen vastgesteld. Met ingang van 21 augustus 2000, de datum waarop deze termijn verstreek, hebben de aangemelde steunmaatregelen dus het karakter van bestaande steunmaatregelen gekregen. De Commissie kon zich in de bestreden beschikking dus niet baseren op artikel 88, lid 3, EG - dat enkel geldt voor nieuwe steun - om de tenuitvoerlegging van de voorgenomen steunmaatregelen ten gunste van Santana Motor SA te verhinderen (zie in die zin arrest van 15 februari 2001, Oostenrijk/Commissie, C-99/98, Jurispr. blz. I-1101, punten 68-78, en, met betrekking tot feiten die dateren van na de inwerkingtreding van verordening nr. 659/1999, arrest van 9 oktober 2001, Italië/Commissie, C-400/99, Jurispr. blz. I-7303, punt 48).
35 Bijgevolg heeft de Commissie blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en dient de bestreden beschikking alleen reeds om deze reden nietig te worden verklaard.
36 In deze omstandigheden behoeft het subsidiair door het Koninkrijk Spanje aangevoerde middel inzake ontoereikende motivering niet te worden onderzocht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
37 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van het Koninkrijk Spanje in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig de bij brief SG (2000) D/106322 van 22 augustus 2000 aan het Koninkrijk Spanje betekende beschikking van de Commissie van 17 augustus 2000 tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure ten aanzien van de verenigbaarheid met het EG-Verdrag van aan Santana Motor SA verleende steun, met betrekking tot alle daarin bedoelde maatregelen, met uitzondering van de in juni 1998 verleende garantie.
2) Verwijst de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy