Zaak C-416/00
Tommaso Morellato
tegen
Comune di Padova
(verzoek van het Tribunale civile di Padova om een prejudiciële beslissing)
«Artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 30 EG) – Verkoopmodaliteiten – Nationale regeling die voorverpakking en specifieke etikettering vereist voor in handel brengen van in lidstaat rechtmatig vervaardigd diepgevroren brood dat na afbakken in andere lidstaat op markt wordt gebracht»
Conclusie van advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer van 6 juni 2002 Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 18 september 2003
Samenvatting van het arrest
1.. Vrij verkeer van goederen – Kwantitatieve beperkingen – Maatregelen van gelijke werking – Belemmeringen als gevolg van nationale bepalingen die verkoopmodaliteiten op niet-discriminerende wijze regelen – Begrip – Vereiste van specifieke verpakking voor bepaald product – Daarvan uitgesloten
[EG-Verdrag, art. 30 (thans na wijziging, art. 28 EG)]
2.. Vrij verkeer van goederen – Kwantitatieve beperkingen – Maatregelen van gelijke werking – Nationale regeling die eist dat ingevoerd voorgebakken brood na afbakking in lidstaat van invoer wordt verpakt alvorens in handel te worden gebracht – Toelaatbaarheid – Voorwaarde – Maatregel die zonder onderscheid van toepassing is en geen discriminatie van ingevoerde producten inhoudt – Beoordeling door nationale rechter – Eventuele rechtvaardiging – Bescherming van volksgezondheid – Uitgesloten
[EG-Verdrag, art. 30 en 36 (thans, na wijziging, art. 28 EG en 30 EG)]
3.. Vrij verkeer van goederen – Kwantitatieve beperkingen – Maatregelen van gelijke werking – Verdragsbepalingen – Rechtstreekse werking – Verplichtingen van nationale rechterlijke instanties – Buiten toepassing laten van nationale bepalingen die onverenigbaar zijn met Verdragsbepalingen
[EG-Verdrag, art. 30 (thans, na wijziging, art. 28 EG)]
1. De regeling van een lidstaat die verbiedt dat een in een andere lidstaat rechtmatig vervaardigd en in de handel gebracht product in eerstgenoemde lidstaat te koop wordt aangeboden zonder volgens de vereisten van die regeling te zijn herverpakt, kan niet worden aangemerkt als een regeling die betrekking heeft op verkoopmodaliteiten die de handel tussen de lidstaten niet rechtstreeks, indirect, daadwerkelijk of potentieel kunnen belemmeren. Dat de verpakking of de etikettering moet worden gewijzigd, sluit immers uit dat het gaat om verkoopmodaliteiten. cf. punten 29-30
2. De naar het recht van een lidstaat opgelegde verplichting dat brood dat wordt verkregen door het afbakken in deze lidstaat van uit een andere lidstaat ingevoerd, al dan niet diepgevroren, voorgebakken brood, voorverpakt ten verkoop wordt aangeboden, vormt geen kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG), mits zij zonder onderscheid op nationale en op ingevoerde producten van toepassing is en in werkelijkheid geen discriminatie ten aanzien van ingevoerde producten inhoudt. Wanneer de nationale rechter tot de bevinding komt dat die verplichting de invoer belemmert, kan deze niet uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen in de zin van artikel 36 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 30 EG) worden gerechtvaardigd. cf. punt 42, dictum 1
3. De nationale rechterlijke instanties zijn verplicht de volle werking van artikel 30 van het Verdrag (thans, na wijziging artikel 28 EG) te verzekeren door op eigen initiatief de met dit artikel strijdige nationale bepalingen buiten toepassing te laten. cf. punt 45, dictum 2
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
18 september 2003 (1)
„Artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 30 EG) – Verkoopmodaliteiten – Nationale regeling die voorverpakking en specifieke etikettering vereist voor in handel brengen van in lidstaat rechtmatig vervaardigd diepgevroren brood dat na afbakken in andere lidstaat op markt wordt gebracht”
In zaak C-416/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Tribunale civile di Padova (Italië), in het aldaar aanhangige geding tussen
Tommaso Morellato
en
Comune di Padova,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 30 EG),wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. A. O. Edward (rapporteur), A. La Pergola, P. Jann en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Lier en R. Amorosi als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 2002,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 16 oktober 2000, ingekomen bij het Hof op 13 november daaraanvolgend, heeft het Tribunale civile di Padova krachtens artikel 234 EG vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 30 EG).
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een beroep dat T. Morellato heeft ingesteld tegen een beschikking van de burgemeester van Padua waarbij hem werd gelast een boete te betalen wegens schending van de Italiaanse wettelijke regeling inzake het in de handel brengen van brood dat wordt verkregen door het afbakken van reeds gedeeltelijk gebakken brood.
Het nationale rechtskader
3 De verwerking van en de handel in granen, meel, brood en deegwaren wordt in Italië geregeld door wet nr. 580, met als opschrift Disciplina per la lavorazione e commercio dei cereali, degli sfarinati, del pane e delle paste alimentari (Regeling inzake de verwerking en het in de handel brengen van granen, meel, brood en deegwaren), van 4 juli 1967 (GURI nr. 189 van 29 juli 1967, blz. 4182; hierna: wet nr. 580/1967).
4 Artikel 14 van wet nr. 580/1967, zoals gewijzigd bij artikel 44 van wet nr. 146, met als opschrift Disposizioni per l'adempimento di obblighi derivanti dall'appartenenza dell'Italia alla Comunità europea, legge comunitaria 1993 (Bepalingen ter nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit het Italiaanse lidmaatschap van de Europese Gemeenschap, communautaire wet 1993), van 22 februari 1994 (gewone bijlage bij GURI nr. 52 van 4 maart 1994), bepaalt:
1. Brood is het product dat wordt verkregen door het volledig of gedeeltelijk bakken van een naar behoren gerezen deeg dat is bereid met tarwemeel, water en gist, al dan niet met toevoeging van keukenzout (natriumchloride).
2. Brood dat door gedeeltelijk bakken wordt verkregen en voor de eindverbruiker is bestemd, moet afzonderlijk worden voorverpakt en worden voorzien van een etiket met de door de geldende bepalingen voorgeschreven vermeldingen alsmede, duidelijk en leesbaar, de benaming brood gevolgd door de uitdrukking gedeeltelijk gebakken of een vergelijkbare uitdrukking. Op het etiket moet tevens worden gewaarschuwd dat het product dient te worden gebakken alvorens te worden verbruikt, en moeten de bakaanwijzingen worden vermeld.
3. Wanneer het een diepgevroren product betreft, moet het etiket naast de in lid 2 bepaalde vermeldingen, ook de door de wettelijke regeling inzake diepvriesproducten voorgeschreven vermeldingen bevatten, alsmede de vermelding diepgevroren.
4. Brood dat door afbakken van, al dan niet diepgevroren, gedeeltelijk gebakken brood wordt verkregen, mag alleen voorverpakt en voorzien van etiketten waarop de in de geldende regeling inzake etikettering van levensmiddelen voorgeschreven vermeldingen zijn aangebracht, worden geleverd en te koop worden aangeboden in van het verse brood gescheiden vakken waarop ter informatie van de consument de aard van het product wordt vermeld.
5. Op producten die niet voor de eindverbruiker zijn bestemd, zijn de bepalingen van artikel 17 van decreto legislativo (wetsbesluit) nr. 109 van 27 januari 1992 van toepassing.
5 Op 30 mei 1995 heeft het Italiaanse ministerie van Industrie, Handel en Ambacht een lettera circolare gestuurd aan de Uffici provinciali dell'Industria, del Commercio e dell'Artigianato (provinciale diensten voor Industrie, Handel en Ambacht) (hierna: lettera circolare). In antwoord op een vraag van het Hof heeft de Italiaanse regering gepreciseerd dat dit document geen circulaire in de technische zin van het woord is, aangezien een circulaire in de Gazzetta ufficiale della Repubblica italiana moet worden bekendgemaakt.
6 Uit de opmerkingen van de Commissie blijkt dat deze lettera circolare is vastgesteld naar aanleiding van de inleiding van een niet-nakomingsprocedure tegen de Italiaanse Republiek wegens belemmering van het in de handel brengen van diepgevroren voorgebakken brood. Op 29 maart 1995 werd deze procedure beëindigd, met name wegens de nakende vaststelling van de lettera circolare.
7 In deze lettera circolare wordt gepreciseerd hoe artikel 14 van wet nr. 580/1967, zoals gewijzigd, moet worden uitgelegd teneinde onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht te vermijden. Dienaangaande staat in dit document onder meer te lezen: [V]oor het voorverpakken van brood dient gebruik te worden gemaakt van zakken die zijn vervaardigd van een materiaal waardoor het brood kan ademen, en waarop de volgende vermeldingen moeten voorkomen: ingrediënten, bedrijf waar het brood is geproduceerd en/of verpakt, zetel van de productie-eenheid en herkomst van het voorgebakken en diepgevroren brood, uiterste gebruiksdatum. Eventueel kan het product in de zak worden gedaan op het tijdstip van de verkoop.
8 Volgens de Italiaanse regering moet worden aangenomen dat de lettera circolare is opgeheven ten gevolge van de wijziging van artikel 14 van wet nr. 580/1967 bij het decreto del presidente della repubblica nº. 502, Regolamento recante norme per la revisione della normativa in materia di lavorazione e di commercio del pane, a norma dell'articolo 50 della legge nº. 146 del 22 febbraio 1994 (decreet nr. 502 van de president van de Republiek tot wijziging van de regeling inzake het vervaardigen van en de handel in brood overeenkomstig artikel 50 van de Italiaanse wet nr. 146 van 22 februari 1994), van 30 november 1998 (hierna: decreet nr. 502/1998). Artikel 1, lid 1, van dit decreet, met als opschrift Gedeeltelijk gebakken brood, bepaalt: Voor de toepassing van artikel 14, vierde alinea, van wet nr. 580 van 4 juli 1967, gewijzigd bij artikel 44 van wet nr. 146 van 22 februari 1994, moet brood dat door afbakken van gedeeltelijk gebakken, al dan niet diepgevroren brood wordt verkregen, worden geleverd en te koop worden aangeboden in van het verse brood gescheiden vakken en in vooraf vervaardigde verpakkingen waarop, naast de door wetsbesluit nr. 109 van 27 januari 1992 voorgeschreven vermeldingen, het volgende moet worden vermeld:
a) afkomstig van gedeeltelijk gebakken en diepgevroren brood, wanneer het een diepgevroren product betreft;
b) afkomstig van gedeeltelijk gebakken brood, wanneer het een product betreft dat noch diepgevroren noch gekoeld is.
9 Artikel 9, lid 1, van hetzelfde decreet, met als opschrift Wederzijdse erkenning bepaalt: De bepalingen van dit decreet en van wet nr. 580 van 4 juli 1967 zijn niet van toepassing op brood dat het nationale grondgebied wordt binnengebracht en daar wordt verkocht wanneer het in de lidstaten van de Europese Unie rechtmatig werd vervaardigd en in de handel gebracht, of wanneer het afkomstig is uit landen die tot de Europese Economische Ruimte behoren.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
10 Op 26 april 1994 begaven de inspecteurs van een Italiaanse hygiënische dienst zich naar het bakkersbedrijf van Morellato en stelden zij vast dat zich daar allerlei broodsoorten los en onverpakt op schappen en in bakken bevonden. Al dit brood was verkregen door het afbakken in deze bakkerij van voorgebakken en diepgevroren brood dat hij uit Frankrijk had ingevoerd. Op deze schappen en bakken waren etiketten aangebracht met daarop de verkoopbenaming, de aanduiding dat het ging om brood dat afkomstig was van een diepgevroren voorgebakken product, de lijst van ingrediënten, de naam van de fabrikant en de distributeur.
11 Verder stelden de inspecteurs vast dat het brood slechts in een daartoe bestemde en met een nieter gesloten papieren zak werd gedaan op het moment van de overhandiging aan de koper en niet, zoals door de destijds van kracht zijnde Italiaanse wettelijke regeling werd geëist, vóór het te koop aanbieden.
12 Daarop heeft de burgemeester van de gemeente Padua Morellato bij beschikking gelast een bedrag van 1 200 000 ITL te betalen op grond dat hij als eigenaar van een met een verkoopruimte verbonden inrichting voor het bakken van diepgevroren brood, diepgevroren gebak en andere bakkerswaren deze producten in strijd met artikel 14 van de gewijzigde wet nr. 580/1967 had verkocht in papieren zakken die pas bij de overhandiging aan de koper werden dicht geniet.
13 Morellato heeft tegen deze beschikking beroep ingesteld bij het Tribunale civile di Padova. Hij betoogde met name dat artikel 14 van de gewijzigde wet nr. 580/1967 in strijd was met de artikelen 30 en 36 van het Verdrag, aangezien deze bepaling het vrije verkeer van in een andere lidstaat rechtmatig vervaardigde producten belemmert of althans beperkt, zonder dat hiervoor een rechtvaardiging uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen in de zin van artikel 36 van het Verdrag voorhanden is.
14 Daar het Tribunale civile di Padova twijfelde over de juiste uitlegging van het toepasselijke gemeenschapsrecht, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Moeten de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag aldus worden uitgelegd dat daarmee onverenigbaar is artikel 14, vierde alinea, van wet nr. 580 van 4 juli 1967 (gewijzigd bij artikel 44, vierde alinea, van wet nr. 146 van 22 februari 1994), zoals uitgelegd door de burgemeester van de gemeente Padua in de bestreden beschikking, voorzover daarbij de verkoop wordt verboden van brood dat wordt verkregen door afbakken van al dan niet diepgevroren, voorgebakken brood (dat rechtmatig is vervaardigd in en ingevoerd uit Frankrijk) indien dit door de wederverkoper niet is voorverpakt?
2) Moeten artikel 14, vierde alinea, van wet nr. 580 van 4 juli 1967 (gewijzigd bij artikel 44, vierde alinea, van wet nr. 146 van 22 februari 1994) en de uitlegging die de burgemeester van de gemeente Padua daarvan heeft gegeven, worden aangemerkt als een kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking als bedoeld in artikel 30 EG-Verdrag?
3) Zo ja, kan de Italiaanse staat zich dan op de in artikel 36 EG-Verdrag geformuleerde uitzondering uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen beroepen?
4) Moet artikel 14, vierde alinea, van wet nr. 580 van 4 juli 1967 (gewijzigd bij artikel 44, vierde alinea, van wet nr. 146 van 22 februari 1994) door de Italiaanse rechter buiten toepassing worden gelaten?
5) Moet derhalve het vrije verkeer van brood dat wordt verkregen door afbakken van al dan niet diepgevroren, voorgebakken brood (dat rechtmatig is vervaardigd in en ingevoerd uit Frankrijk), worden toegestaan zonder enige beperking, zoals het voorverpakt zijn dat wordt voorgeschreven door artikel 14, vierde alinea, van wet nr. 580 van 4 juli 1967 (gewijzigd bij artikel 44, vierde alinea, van wet nr. 146 van 22 februari 1994)?
Opmerkingen vooraf
15 Partijen in het hoofdgeding noch de Italiaanse regering hebben bij het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend.
16 Uit de stukken blijkt dat Morellato wordt vervolgd wegens overtreding van een nationaalrechtelijke bepaling waarvan de inhoud blijkbaar ten gevolge van een door de Commissie jegens de Italiaanse Republiek ingeleide niet-nakomingsprocedure bij de lettera circolare werd gepreciseerd.
17 Het Hof heeft aan de Italiaanse regering gevraagd te preciseren of deze lettera circolare de rechtsgrondslag van de door de burgemeester van de gemeente Padua jegens Morellato genomen maatregelen kon aantasten, in voorkomend geval rekening houdend met het lex mitior-beginsel. De Italiaanse regering heeft geantwoord dat de lettera circolare bij decreet nr. 502/1998 is opgeheven, zonder echter te preciseren wat hiervan het gevolg is voor de situatie van Morellato.
18 Onder deze omstandigheden dient het Hof ervan uit te gaan dat de burgemeester gerechtigd was Morellato een sanctie op te leggen op basis van de door de verwijzende rechter in zijn vragen vermelde nationaalrechtelijke bepalingen.
De eerste tot en met de derde vraag
19 Met de eerste tot en met de derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de naar het recht van een lidstaat opgelegde verplichting dat brood dat wordt verkregen door het afbakken in deze lidstaat van uit een andere lidstaat ingevoerd, al dan niet diepgevroren, voorgebakken brood, voorverpakt ten verkoop moet worden aangeboden, een kwantitatieve beperking of een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 van het Verdrag vormt. Zo ja, dan wenst deze rechter bovendien te vernemen of dit vereiste uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen in de zin van artikel 36 van het Verdrag kan worden gerechtvaardigd.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
20 De Commissie, die als enige schriftelijke opmerkingen heeft ingediend, herinnert er om te beginnen aan dat de voorverpakking van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde soort brood niet aan communautaire regels is onderworpen en dat de verplichting tot voorverpakking slechts door de wettelijke regeling van een enkele lidstaat wordt opgelegd, namelijk door die van de Italiaanse Republiek.
21 Deze verplichting brengt voor de betrokken handelaren extra lasten en kosten mee, zodat zij de invoer van voorgebakken brood in Italië kan ontmoedigen en een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 van het Verdrag vormt.
22 De Commissie voegt hieraan toe dat de verplichting tot voorverpakken moet worden geacht een invloed te hebben op het verloop van de vervaardiging van het brood en derhalve als een bijzonder kenmerk van het product in de zin van het arrest van 24 november 1993, Keck en Mithouard (C-267/91 en C-268/91, Jurispr. blz. I-6097) moet worden beschouwd.
23 Verder betoogt de Commissie dat deze verplichting, voorzover zij niet geldt voor andere broodsoorten, zoals vers brood, die los kunnen worden verkocht en op het moment van de verkoop kunnen worden verpakt, vooral op ingevoerde producten drukt. Zij creëert derhalve een ongerechtvaardigde discriminatie tussen de verschillende broodsoorten ten voordele van vers brood, dat een typisch lokaal product is dat normaliter op één en dezelfde dag wordt gebakken en verkocht, ongeacht of het artisanaal of industrieel wordt vervaardigd. Aangezien hapklaar brood zeer aan bederf onderhevig is, is voorgebakken brood immers zowat de enige broodsoort waarin tussen de lidstaten handelsverkeer bestaat.
24 Wat een eventuele rechtvaardiging van de vastgestelde belemmering betreft, betoogt de Commissie dat het algemeen belang van bescherming van de gezondheid en het leven van personen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verplichting niet kan rechtvaardigen.
25 Hoewel zij meent dat bepaalde verplichtingen inzake voorverpakken gerechtvaardigd zouden kunnen zijn uit hoofde van de consumentenbescherming, die met name eist dat de consument nog voor hij zijn voornemen tot kopen kenbaar maakt, voldoende duidelijk en volledig wordt geïnformeerd over het soort product dat te koop wordt aangeboden, is zij van oordeel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verplichting in elk geval onevenredig is.
Antwoord van het Hof
26 Om op de eerste tot en met de derde vraag te antwoorden dient vooraf te worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling valt binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag, zoals dit door het Hof is uitgelegd in het reeds aangehaalde arrest Keck en Mithouard, waarnaar de Commissie in haar opmerkingen heeft verwezen.
27 In punt 16 van dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat nationale bepalingen die bepaalde verkoopmodaliteiten aan banden leggen of verbieden en van toepassing zijn op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale producten als op die van producten uit andere lidstaten, niet kunnen worden beschouwd als maatregelen die de handel tussen de lidstaten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kunnen belemmeren in de zin van het arrest Dassonville van 11 juli 1974 (8/74, Jurispr. blz. 837).
28 Vervolgens heeft het Hof bepalingen betreffende de plaats en het tijdstip waarop bepaalde producten mogen worden verkocht, alsmede betreffende de ervoor gemaakte reclame, en bepaalde verkoopmethoden aangemerkt als bepalingen die verkoopmodaliteiten aan banden leggen of verbieden in de zin van het reeds aangehaalde arrest Keck en Mithouard (zie met name arresten van 15 december 1993, Hünermund e.a., C-292/92, Jurispr. blz. I-6787; 2 juni 1994, Tankstation 't Heukske en Boermans, C-401/92 en C-402/92, Jurispr. blz. I-2199, en 13 januari 2000, TK-Heimdienst, C-254/98, Jurispr. blz. I-151). Het Hof heeft daarentegen nationale maatregelen die, hoewel zij bepaalde aspecten van de verkoop regelen, wijzigingen van de producten impliceren, nooit als verkoopmodaliteiten aangemerkt.
29 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat de noodzaak om de verpakking of etikettering van de ingevoerde producten te wijzigen, uitsluit dat het gaat om verkoopmodaliteiten in de zin van het reeds aangehaalde arrest Keck en Mithouard (zie arresten van 3 juni 1999, Colim, C-33/97, Jurispr. blz. I-3175, punt 37, en 16 januari 2003, Commissie/Spanje, C-12/00, Jurispr. blz. I-459, punt 76).
30 Bijgevolg kan de regeling van een lidstaat die verbiedt dat een in een andere lidstaat rechtmatig vervaardigd en in de handel gebracht product in eerstgenoemde lidstaat te koop wordt aangeboden zonder volgens de vereisten van die regeling te zijn herverpakt, niet worden aangemerkt als een regeling die betrekking heeft op verkoopmodaliteiten in de zin van het reeds aangehaalde arrest Keck en Mithouard.
31 Het Hof heeft gepreciseerd dat een regeling die bepaalde verkoopmodaliteiten oplegt, niet binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag valt, omdat een dergelijke regeling niet tot gevolg heeft dat voor ingevoerde producten de toegang tot de markt van deze lidstaat wordt verhinderd of meer wordt bemoeilijkt dan voor nationale producten het geval is (zie het reeds aangehaalde arrest Keck en Mithouard, punt 17, en arrest van 10 mei 1995, Alpine Investments, C-384/93, Jurispr. blz. I-1141, punt 37).
32 Het bijzondere van het hoofdgeding is echter dat het door Morellato verkochte product werd ingevoerd op een ogenblik dat het productieproces ervan nog niet was voltooid. Om het product in Italië als hapklaar brood in de handel te kunnen brengen diende het uit Frankrijk ingevoerde, voorgebakken brood immers in Italië te worden afgebakken.
33 Dat een product na de invoer ervan enigszins moet worden bewerkt, sluit op zich niet uit dat een vereiste met betrekking tot het in de handel brengen ervan binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag kan vallen. Het is immers mogelijk dat dit ingevoerde product, zoals in het hoofdgeding, niet een louter onderdeel of ingrediënt is van een ander product, doch in feite het voor de verkoop bestemde product oplevert zodra een eenvoudig bewerkingsproces is voltooid.
34 In een dergelijke situatie is de beslissende vraag of de door de regeling van de lidstaat van invoer vereiste voorverpakking impliceert dat het product wordt gewijzigd.
35 In casu wijst niets in het dossier erop dat het voorgebakken brood, zoals het in Italië werd ingevoerd, moest worden gewijzigd om aan dit vereiste te voldoen.
36 Onder deze omstandigheden valt het vereiste van voorverpakking, dat slechts betrekking heeft op het in de handel brengen van brood dat door het afbakken van voorgebakken brood wordt verkregen, in beginsel niet binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag, op voorwaarde dat het in werkelijkheid geen discriminatie ten aanzien van ingevoerde producten inhoudt.
37 Wanneer het betrokken product in de lidstaat van invoer niet wordt vervaardigd, zou een dergelijk vereiste, hoewel zonder onderscheid van toepassing, uitsluitend de ingevoerde producten benadelen door de invoer ervan te ontraden of ze voor de eindverbruiker minder aantrekkelijk te maken. Indien dit het geval zou zijn, hetgeen door de nationale rechter dient te worden uitgemaakt, vormt dit vereiste een belemmering van de invoer en valt het derhalve onder het verbod van artikel 30 van het Verdrag, tenzij het kan worden gerechtvaardigd door een algemeen belang dat voorrang heeft boven de eisen van het vrije verkeer van goederen.
38 Zoals uit de formulering van de derde prejudiciële vraag blijkt, wordt in het hoofdgeding uitsluitend de bescherming van de gezondheid en het leven van personen in de zin van artikel 36 van het Verdrag als rechtvaardigingsgrond aangevoerd.
39 De verwijzende rechter noch de Italiaanse regering hebben gegevens verstrekt die aantonen dat het feit dat het door Morellato verkochte brood niet was voorverpakt, een gevaar voor de gezondheid oplevert.
40 Met name de Italiaanse regering heeft in antwoord op een vraag van het Hof uitdrukkelijk erkend dat artikel 14 van wet nr. 580/1967 niet is gewijzigd om redenen van voedselveiligheid of van bescherming van de consument, doch uitsluitend omdat al dan niet diepgevroren, voorgebakken brood, dat na het afbakken ervan in de handel werd gebracht, te concurrerend was in vergelijking met artisanaal vervaardigd brood.
41 Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat, voorzover in het hoofdgeding een belemmering wordt vastgesteld, deze niet kan worden gerechtvaardigd uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen in de zin van artikel 36 van het Verdrag.
42 Derhalve moet op de eerste tot en met de derde vraag worden geantwoord dat de naar het recht van een lidstaat opgelegde verplichting dat brood dat wordt verkregen door het afbakken in deze lidstaat van uit een andere lidstaat ingevoerd, al dan niet diepgevroren, voorgebakken brood, voorverpakt ten verkoop moet worden aangeboden, geen kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 van het Verdrag vormt, mits zij zonder onderscheid op nationale en op ingevoerde producten van toepassing is en in werkelijkheid geen discriminatie ten aanzien van ingevoerde producten inhoudt. Wanneer de nationale rechter tot de bevinding komt dat die verplichting de invoer belemmert, kan deze niet uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen in de zin van artikel 36 van het Verdrag worden gerechtvaardigd.
De vierde en de vijfde vraag
43 Met zijn vierde en zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de nationale rechterlijke instanties verplicht zijn de volle werking van artikel 30 van het Verdrag te verzekeren door op eigen gezag de met dit artikel strijdige nationale bepalingen buiten toepassing te laten.
44 Uit de rechtspraak van het Hof volgt duidelijk dat de aldus geherformuleerde vragen bevestigend dienen te worden beantwoord (zie met name arresten van 9 maart 1978, Simmenthal, 106/77, Jurispr. blz. 629, punt 21, en 13 maart 1997, Morellato, C-358/95, Jurispr. blz. I-1431, punt 18).
45 Derhalve moet op de vierde en de vijfde vraag worden geantwoord dat de nationale rechterlijke instanties verplicht zijn de volle werking van artikel 30 van het Verdrag te verzekeren door op eigen gezag de met dit artikel strijdige nationale bepalingen buiten toepassing te laten.
Kosten
46 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunale civile di Padova bij beschikking van 16 oktober 2000 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De naar het recht van een lidstaat opgelegde verplichting dat brood dat wordt verkregen door het afbakken in deze lidstaat van uit een andere lidstaat ingevoerd, al dan niet diepgevroren, voorgebakken brood, voorverpakt ten verkoop moet worden aangeboden, vormt geen kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG), mits zij zonder onderscheid op nationale en op ingevoerde producten van toepassing is en in werkelijkheid geen discriminatie ten aanzien van ingevoerde producten inhoudt. Wanneer de nationale rechter tot de bevinding komt dat die verplichting de invoer belemmert, kan deze niet uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen in de zin van artikel 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 30 EG) worden gerechtvaardigd.
2) De nationale rechterlijke instanties zijn verplicht de volle werking van artikel 30 van het Verdrag te verzekeren door op eigen gezag de met dit artikel strijdige nationale bepalingen buiten toepassing te laten.
Timmermans
Edward
La Pergola
Jann
von Bahr
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 18 september 2003.
De griffier
De waarnemend president van de Vijfde kamer
R. Grass
M. Wathelet
1 – Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy