Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde steunregelingen - Steun gekoppeld aan voor akkerbouwgewassen en braaklegging bestemde oppervlakten - Toepasselijkheid van sancties van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3887/92 indien bedrijfshoofd wijzigingen na indiening van aanvraag niet signaleert
(Verordening nr. 3887/92 van de Commissie, art. 4, leden 1 en 2, en 9, lid 2)
Samenvatting
$$Artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3887/92 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, moet aldus worden uitgelegd dat de in deze bepaling bedoelde sancties niet enkel gelden wanneer het bedrijfshoofd bij de indiening van de steunaanvraag een onjuiste of valse aangifte heeft gedaan, maar ook wanneer hij heeft verzuimd de bevoegde instantie in te lichten over voor de steunverlening relevante wijzigingen. Een verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de bij de controles door de bevoegde autoriteiten feitelijk geconstateerde oppervlakte leidt immers op zich tot de oplegging van de in artikel 9, lid 2, eerste en tweede alinea, bepaalde sancties, en het is niet van belang, te weten wat de oorzaak is van het vastgestelde verschil. Ter bereiking van het doel van artikel 9, lid 2, namelijk de doeltreffende preventie en bestraffing van onregelmatigheden en fraude, dienen de sancties van de derde alinea van deze bepaling, die bedrijfshoofden die opzettelijk of door grove nalatigheid een valse verklaring afgeven, van de steunregeling uitsluit, niet alleen te worden opgelegd wanneer bij de indiening van de steunaanvraag een onjuiste aangifte is gedaan, maar ook wanneer de in deze aanvraag verstrekte gegevens niet meer met de later vastgestelde feiten overeenstemmen omdat de oorspronkelijke situatie is gewijzigd.
( cf. punten 40-41, 49-50, 56 en dictum )
Partijen
In zaak C-417/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Oberverwaltungsgericht van de deelstaat Sachsen-Anhalt (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Agrargenossenschaft Pretzsch eG
en
Amt für Landwirtschaft und Flurneuordnung Anhalt,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 9, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 391, blz. 36), zoals gewijzigd bij verordeningen (EG) van de Commissie nrs. 229/95 van 3 februari 1995 (PB L 27, blz. 3) en 1648/95 van 6 juli 1995 (PB L 156, blz. 27),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de kamerpresident, C. Gulmann, V. Skouris, F. Macken (rapporteur) en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: R. Grass,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Agrargenossenschaft Pretzsch eG, vertegenwoordigd door C. Columbus, Rechtsanwältin,
- het Amt für Landwirtschaft und Flurneuordnung Anhalt, vertegenwoordigd door W. Nahrstedt als gemachtigde,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en L. Bernheim als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Niejahr als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juli 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 7 september 2000, ingekomen bij het Hof op 13 november daaraanvolgend, heeft het Oberverwaltungsgericht van de deelstaat Sachsen-Anhalt het Hof krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 9, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 391, blz. 36), zoals gewijzigd bij verordeningen (EG) van de Commissie nrs. 229/95 van 3 februari 1995 (PB L 27, blz. 3) en 1648/95 van 6 juli 1995 (PB L 156, blz. 27; hierna: verordening nr. 3887/92").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Agrargenossenschaft Pretzsch eG (hierna: Agrargenossenschaft Pretzsch"), een Duitse landbouwcoöperatie, en het Amt für Landwirtschaft und Flurneuordnung Anhalt, de instantie die in Duitsland bevoegd is voor de uitvoering van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (hierna: GBCS"), betreffende de financiële sanctie die op grond van artikel 9, lid 2, derde alinea, tweede streepje, van verordening nr. 3887/92 aan deze coöperatie is opgelegd.
Toepasselijke bepalingen
Verordening (EEG) nr. 1765/92
3 Artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB L 181, blz. 12), bepaalt dat in de Gemeenschap gevestigde producenten van akkerbouwgewassen onder de in de artikelen 2 tot en met 13 van de verordening aangegeven voorwaarden een compensatiebedrag kunnen aanvragen.
4 Volgens artikel 2, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1765/92 wordt het compensatiebedrag toegekend voor een met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakte of een overeenkomstig artikel 7 van de verordening uit productie genomen oppervlakte.
5 Artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1765/92 bepaalt dat de braakgelegde grond mag worden gebruikt voor de productie van grondstoffen voor de vervaardiging, in de Gemeenschap, van niet specifiek voor voeding of vervoedering bestemde producten, op voorwaarde dat doeltreffende controlesystemen kunnen worden toegepast.
Verordening (EG) nr. 762/94
6 Verordening (EG) nr. 762/94 van de Commissie van 6 april 1994 (PB L 90, blz. 8) bevat toepassingsbepalingen inzake het uit productie nemen van grond als bedoeld in verordening nr. 1765/92.
7 Volgens artikel 2, eerste alinea, van verordening nr. 762/94 wordt onder uit productie nemen van de grond" verstaan, het aan de productie onttrekken van een oppervlakte die het jaar voordien met het oog op het oogsten van een gewas bebouwd is geweest.
8 Volgens artikel 3, lid 2, van verordening nr. 762/94 mag de uit productie genomen grond niet worden gebruikt voor andere vormen van landbouwproductie dan die bedoeld in artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1765/92, en ook niet voor een andere winstgevende bestemming die met akkerbouw onverenigbaar is.
9 Artikel 3, lid 4, van verordening nr. 762/94 bepaalt:
Om voor de bij verordening (EEG) nr. 1765/92 ingestelde regeling in aanmerking te komen, moeten de uit productie genomen oppervlakten:
- in de twee aan de aanvraag voorafgaande jaren door de aanvrager zijn geëxploiteerd, behalve in bijzondere, aan de hand van door de betrokken lidstaat vastgestelde objectieve criteria, naar behoren gestaafde gevallen, verband houdende met, bijvoorbeeld, exploitatiewijze, vestiging of bedrijfsvergroting door erfopvolging;
- uit productie worden genomen voor een periode die uiterlijk op 15 januari ingaat en ten vroegste op 31 augustus eindigt. De lidstaten bepalen evenwel onder welke voorwaarden de telers vanaf 15 juli een gewas mogen inzaaien dat in het daaropvolgende jaar wordt geoogst en aan welke voorwaarden moet worden voldaan om in lidstaten waar traditioneel ,transhumance gebeurt, de grond vanaf 15 juli voor beweiding te mogen gebruiken. [...]"
Verordening (EEG) nr. 3508/92
10 Volgens artikel 1, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 355, blz. 1), is het GBCS in de sector van de plantaardige productie van toepassing op de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, ingesteld bij verordening nr. 1765/92.
11 In artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3508/92 is bepaald:
Om in aanmerking te komen voor de toepassing van één of meer communautaire regelingen die onder deze verordening vallen, moet elk bedrijfshoofd voor elk jaar een steunaanvraag ,oppervlakten indienen, waarin worden vermeld:
- de percelen landbouwgrond, voederarealen inbegrepen, de percelen landbouwgrond waarvoor een maatregel voor het uit productie nemen van bouwland wordt toegepast, en de percelen landbouwgrond die braak gelegd zijn;
- in voorkomend geval, alle andere noodzakelijke gegevens, hetzij uit hoofde van de verordeningen inzake communautaire regelingen, hetzij op verzoek van de betrokken lidstaat."
12 Volgens artikel 6, lid 4, van verordening nr. 3508/92 kunnen in de steunaanvraag oppervlakten" bepaalde wijzigingen worden aangebracht, mits zij uiterlijk op de in de artikelen 10, 11 en 12 van verordening nr. 1765/92 genoemde data door de bevoegde autoriteiten worden ontvangen.
13 Volgens artikel 6, lid 5, van verordening nr. 3508/92 wordt de steunaanvraag oppervlakten", zo nodig gewijzigd overeenkomstig artikel 6, lid 4, beschouwd als de steunaanvraag waarin de in artikel 1, lid 1, sub a, van de verordening bedoelde regeling voorziet.
Verordening nr. 3887/92
14 Artikel 4 van verordening nr. 3887/92 luidt als volgt:
1. Onverminderd de eisen die in de sectoriële verordeningen worden gesteld, moet een steunaanvraag ,oppervlakten alle nodige gegevens bevatten, en met name:
- de identificatie van het bedrijfshoofd,
- de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf benodigde gegevens, de oppervlakte van deze percelen, hun ligging, het gebruik ervan, eventueel het feit dat het om een geïrrigeerd perceel gaat, en de betrokken steunregeling,
- een verklaring van de producent dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden voor toekenning van de betrokken steun.
Onder ,gebruik wordt verstaan het gewas- of vegetatietype of het ontbreken van een gewas.
[...]
2. a) De steunaanvraag ,oppervlakten mag na de uiterste datum voor de indiening ervan worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten de wijzigingen uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen.
Wat de percelen landbouwgrond betreft, mag de steunaanvraag ,oppervlakten slechts worden gewijzigd in bijzondere gevallen die naar behoren zijn gemotiveerd, zoals met name een overlijden, een huwelijk, aan- of verkoop of de sluiting van een pachtovereenkomst. De lidstaten stellen de desbetreffende voorwaarden vast. Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan de percelen die voor een braaklegging of als voederareaal zijn aangegeven, tenzij het een geval betreft dat overeenkomstig de desbetreffende bepalingen naar behoren is gemotiveerd en op voorwaarde dat dit perceel reeds voor braaklegging of als voederareaal was opgenomen in een steunaanvraag van een ander bedrijfshoofd, welke laatste steunaanvraag dan dienovereenkomstig wordt gecorrigeerd.
Met betrekking tot het gebruik of de betrokken steunregeling kunnen in alle gevallen wijzigingen worden aangebracht. Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan de percelen die voor een braaklegging zijn aangegeven.
[...]"
15 Artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3887/92 bepaalt:
Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag ,oppervlakten aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.
Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.
Is evenwel opzettelijk of door grove nalatigheid een onjuiste aangifte gedaan, dan wordt het betrokken bedrijfshoofd uitgesloten van toepassing van:
- de betrokken steunregeling voor het betrokken kalenderjaar en
- bij opzettelijk onjuiste aangifte alle in artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde steunregelingen voor het volgende kalenderjaar voor een oppervlakte die gelijk is aan die waarvoor zijn steunaanvraag is afgewezen.
De bovenbedoelde verlagingen worden niet toegepast indien het bedrijfshoofd het bewijs levert dat hij voor de bepaling van de oppervlakte op correcte wijze is uitgegaan van informatie die door de bevoegde instantie wordt erkend.
De voor de productie van grondstoffen voor de vervaardiging van niet-voedingsproducten gebruikte braakgelegde percelen waarvoor het bedrijfshoofd niet aan alle op hem rustende verplichtingen heeft voldaan, worden voor de toepassing van dit artikel beschouwd als oppervlakten die bij de controle niet zijn gevonden.
In dit artikel wordt onder geconstateerde oppervlakte verstaan de oppervlakte waarvoor aan alle in de voorschriften gestelde voorwaarden is voldaan."
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
16 Op 3 mei 1996 verzocht Agrargenossenschaft Pretzsch het Amt für Landwirtschaft und Flurneuordnung Anhalt haar op grond van verordening nr. 1765/92 een compensatiebedrag te betalen voor de braaklegging van een perceel van 191,71 ha.
17 Op haar aanvraagformulier verklaarde zij dat zij zich ertoe verbond de bevoegde instantie onverwijld alle feiten mee te delen die aan de toekenning of het behoud van de steun in de weg stonden, alsook elke wijziging van de in de aanvraag vermelde gegevens en van de gebruiksrechten tijdens de periode waarvoor zij zich had verbonden, en elke niet-nakoming van de voorwaarden voor steunverlening, zelfs in geval van overmacht.
18 Op 11 december 1996 werd Agrargenossenschaft Pretzsch door verweerster in het hoofdgeding meegedeeld dat zij op grond van artikel 9, lid 2, derde alinea, tweede streepje, van verordening nr. 3887/92 zowel voor het jaar van de aanvraag als voor het volgende jaar voor de braakgelegde oppervlakte van steun was uitgesloten, op grond dat ter plaatse was vastgesteld dat zij 14,90 ha van deze oppervlakte als weide had gebruikt zonder verweerster in het hoofdgeding daarover in te lichten. Volgens verweerster in het hoofdgeding wist Agrargenossenschaft Pretzsch, dat het als braakland aangegeven perceel gedurende een bepaalde periode na deze aangifte niet als weide mocht worden gebruikt, en had zij opzettelijk verzuimd haar over de gewijzigde bestemming in te lichten.
19 Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft verzoekster in het hoofdgeding in de loop van het geding uiteengezet dat sinds maart-april 1995 bouwwerken aan twee stallen en de bouw van een bekken voor vloeibare mest waren gepland. Eind mei 1996 is begonnen met de bouwwerken aan de stallen voor de koeien die later op het braakgelegde perceel werden gezet. De dieren werden toen op de naburige boerderij ondergebracht. Aangezien evenwel de bouw van het bekken op het erf met vier weken werd vervroegd, diende het vee tijdelijk op het naburige braakgelegde perceel te worden gezet. Volgens de bouwplannen was het weliswaar de bedoeling dat het erf tijdelijk voor de werken zou worden gebruikt, maar niet dat het vee op het braakgelegde perceel zou worden gezet.
20 In haar beroep voor het Verwaltungsgericht Dessau (Duitsland) stelde verzoekster in het hoofdgeding dat vee op de braakgelegde grond zetten geen landbouwactiviteit is die een beletsel vormt voor steunverlening. De in artikel 9, lid 2, derde alinea, tweede streepje, van verordening nr. 3887/92 bedoelde sanctie kan volgens haar enkel worden opgelegd wanneer ten tijde van de steunaanvraag opzettelijk een onjuiste aangifte over de braakgelegde oppervlakte wordt gedaan. Deze bepaling is daarentegen niet van toepassing op het hoofdgeding, dat betrekking heeft op de vermindering van de braakgelegde oppervlakte en dus op het verzuim om de bevoegde autoriteit in te lichten over deze wijziging ná de indiening van de aanvraag.
21 Bij vonnis van 14 juli 1999 verwierp het Verwaltungsgericht Dessau het beroep van verzoekster in het hoofdgeding, op grond dat zij een onjuiste aangifte van de braakgelegde oppervlakte had gedaan. Volgens het Verwaltungsgericht is het volstrekt in overeenstemming zowel met de bewoordingen als met de geest en het doel van artikel 9, lid 2, derde alinea, tweede streepje, van verordening nr. 3887/92, dat gegevens in de steunaanvraag niet enkel als onjuist worden aangemerkt wanneer zij ten tijde van de aanvraag niet met de werkelijkheid overeenstemmen, maar ook wanneer zij naderhand onjuist worden, met name omdat de steunaanvrager deze gegevens, ondanks de wijziging van de situatie zoals zij was ten tijde van de indiening van de aanvraag, niet heeft gecorrigeerd. Het handhaven van een steunaanvraag ondanks een latere wijziging van de voor de steunverlening relevante omstandigheden levert op zich een onjuiste aangifte in de zin van bovenbedoelde bepaling op.
22 Volgens het Verwaltungsgericht Dessau kan verzoekster in het hoofdgeding ook het voor de opgelegde sanctie vereiste opzet worden verweten. Uiterlijk eind juni 1996 kwam verzoekster immers tot het inzicht, dat de wijze waarop de braakgelegde oppervlakte werd gebruikt, onverenigbaar was met het recht op steun, zodat zij onmiddellijk de nodige stappen heeft ondernomen om de koeien van het betrokken perceel te verwijderen. Zij heeft de bevoegde instantie evenwel nooit ingelicht over de vermindering van de braakgelegde oppervlakte, hoewel zij wist dat zij hiervan aangifte diende te doen.
23 Verzoekster in het hoofdgeding, die van het Oberverwaltungsgericht van de deelstaat Sachsen-Anhalt verlof heeft gekregen om hoger beroep in te stellen tegen dit vonnis, is van mening dat zij recht heeft op een volledige vergoeding voor de braaklegging van het betrokken perceel. Verweerster in het hoofdgeding daarentegen vordert de bevestiging van het vonnis in eerste aanleg.
24 Van oordeel dat voor de beslechting van het aanhangige geding de uitlegging van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3887/92 vereist is, heeft het Oberverwaltungsgericht van de deelstaat Sachsen-Anhalt de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
1) Moet artikel 9, lid 2, derde alinea, van de verordening [nr. 3887/92] aldus worden uitgelegd, dat een ,onjuiste aangifte een onrechtmatige handeling in het kader van de steunaanvraag veronderstelt, zodat geen sanctie wordt toegepast bij verzuim om voor de steunverlening relevante wijzigingen die pas na de indiening van de aanvraag zijn opgetreden, aan de steunverlenende instantie te melden?
2) Impliceren de zogenaamde ,gewone verschillen in artikel 9, lid 2, eerste alinea, tweede zin, van de verordening [nr. 3887/92] dat reeds bij de indiening van de aanvraag een ,onjuiste aangifte wordt gedaan, of telt alleen de vergelijking van de gegevens in de aangifte met het resultaat van de controle ter plaatse?"
De prejudiciële vragen
25 Met deze twee vragen, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3887/92 aldus dient te worden uitgelegd, dat de in deze bepaling genoemde sancties enkel gelden wanneer het bedrijfshoofd bij de indiening van de steunaanvraag een onjuiste of valse aangifte heeft gedaan, maar niet wanneer hij heeft nagelaten de bevoegde instantie in te lichten over voor de verlening van dergelijke steun relevante wijzigingen.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
26 Verzoekster in het hoofdgeding betoogt, dat een uitlegging van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3887/92 op basis van de formulering en de opzet van de in deze bepaling genoemde regel leidt tot de conclusie dat de sanctie slechts geldt wanneer bij de indiening van de aanvraag bij de bevoegde instantie een onjuiste aangifte is gedaan.
27 Wat met name de sancties van artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 3887/92 betreft, stelt verzoekster in het hoofdgeding dat een valse aangifte ten minste een gedraging veronderstelt die bij een derde een onjuiste indruk van de werkelijkheid kan doen ontstaan, doordat hem een bepaald beeld wordt voorgehouden". Het verzuim om de bevoegde autoriteit in te lichten over een wijziging van de betrokken situatie, kan niet als een dergelijke gedraging worden aangemerkt. Uit niets blijkt dat het verzoekster in het hoofdgeding er om te doen was op bedrieglijke wijze braakleggingspremies te verkrijgen waarop zij geen recht had.
28 Volgens verzoekster in het hoofdgeding ware het dus in strijd met het doel van artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 3887/92 haar op één lijn te plaatsen met een steunaanvrager die reeds bij de indiening van de aanvraag een valse aangifte doet om aldus braakleggingspremies te verkrijgen.
29 Zowel verweerder in het hoofdgeding als de Franse regering en de Commissie stellen dat artikel 9, lid 2, eerste en tweede alinea, van verordening nr. 3887/92 ook geldt wanneer het bedrijfshoofd bij de indiening van de aanvraag een juiste aangifte heeft gedaan, en de situatie pas later is gewijzigd.
30 De Franse regering en de Commissie beklemtonen dat een strikte opvatting van de aansprakelijkheid van de steunaanvrager in overeenstemming is met het doel van de gehele sanctieregeling, die ertoe strekt onregelmatigheden en fraude te voorkomen of te bestraffen.
31 De sancties van artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 3887/92 gelden volgens verweerder in het hoofdgeding, de Franse regering en de Commissie ook wanneer de steunaanvrager na de indiening van de aanvraag opzettelijk onrechtmatig heeft gehandeld of een grove nalatigheid heeft begaan. Om fraude en andere ernstige onregelmatigheden doeltreffend te kunnen bestrijden, moet deze bepaling immers gelden voor alle gevallen waarin de exploitant een opzettelijke onrechtmatige daad of een grove nalatigheid te verwijten valt, ongeacht het tijdstip daarvan.
32 De Franse regering concludeert dat indien de steunontvanger nalaat de wijziging met betrekking tot zijn perceel aan te geven, dit onvermijdelijk leidt tot een verschil tussen de in zijn aanvraag aangegeven en de tijdens een controle werkelijk vastgestelde oppervlakte, wat de situatie is die in artikel 9 van verordening nr. 3887/92 is bedoeld.
Beoordeling door het Hof
33 Volgens de eerste, de zevende en de negende overweging van de considerans van verordening nr. 3887/92, heeft de verordening, en meer in het bijzonder artikel 9 ervan tot doel een doeltreffende tenuitvoerlegging van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid mogelijk te maken, op doeltreffende wijze te controleren of de bepalingen inzake communautaire steunverlening worden nageleefd, en bepalingen vast te stellen voor een doeltreffende preventie en bestraffing van onregelmatigheden en fraude.
34 Volgens artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3887/92 wordt de steun oppervlakte" volledig toegekend wanneer de in de steunaanvraag aangegeven oppervlakte overeenstemt met die welke tijdens een controle door de bevoegde autoriteiten is vastgesteld, en aan alle relevante voorwaarden van de verordening is voldaan.
35 Om de in punt 33 van het onderhavige arrest genoemde doelstellingen te bereiken, en gelet op de bijzondere kenmerken van de verschillende communautaire steunregelingen, voorziet bovenbedoelde bepaling, voor het geval dat de in de steunaanvraag oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de bij een controle geconstateerde oppervlakte en dus niet is voldaan aan de door het GBCS gestelde voorwaarden, in sancties waarvan de zwaarte verschilt naar gelang van de ernst van de begane onregelmatigheid.
36 In de eerste plaats voorziet artikel 9, lid 2, eerste alinea, eerste zin, van verordening nr. 3887/92, voor het geval dat de aangegeven oppervlakte slechts in geringe mate en te goeder trouw is overschat, zonder dat er sprake is van grove nalatigheid, in een eenvoudige correctie van het steunbedrag, dat dan wordt berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte.
37 In de tweede plaats, gesteld dat het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de bij de controle geconstateerde oppervlakte groter is dan 3 % of dan 2 ha en niet groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt volgens artikel 9, lid 2, eerste alinea, tweede zin, van de verordening, de feitelijke geconstateerde oppervlakte verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil.
38 In de derde plaats, wordt volgens artikel 9, lid 2, tweede alinea, van de verordening geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het bedrijfshoofd in zijn aangifte de oppervlakte waarvoor steun is aangevraagd, met meer dan 20 % heeft overschat.
39 Ten slotte worden de bedrijfshoofden die opzettelijk of door grove nalatigheid een onjuiste aangifte hebben gedaan, volgens artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 3887/92 in elk geval uitgesloten van de betrokken steunregeling voor het betrokken kalenderjaar, en bij opzettelijk onjuiste aangifte verder ook van de steunregeling voor het volgende kalenderjaar. Deze sancties gelden ongeacht het vastgestelde verschil tussen de aangegeven en de bij een controle geconstateerde oppervlakte (arrest van 17 juli 1997, National Farmers' Union e.a., C-354/95, Jurispr. blz. I-4559, punt 62).
40 Uit deze bepalingen van verordening nr. 3887/92 volgt, dat een verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de bij de controles door de bevoegde autoriteiten feitelijk geconstateerde oppervlakte op zich leidt tot de oplegging van een sanctie.
41 Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, is het voor de oplegging van sancties op grond van artikel 9, lid 2, eerste en tweede alinea, van verordening nr. 3887/92 zonder belang te weten waarom er een verschil is tussen de aangifte in de steunaanvraag en het resultaat van de controle door de bevoegde autoriteiten.
42 Dat de sancties van artikel 9, lid 2, eerste en tweede alinea, van verordening nr. 3887/92 verschillen naar gelang van de ernst van de begane onregelmatigheid, neemt namelijk niet weg dat deze bepalingen ook dan moeten gelden wanneer het bedrijfshoofd bij de indiening van de aanvraag een juiste aangifte heeft gedaan, en de situatie pas later is gewijzigd.
43 Deze uitlegging van bovenbedoelde bepalingen van verordening nr. 3887/92 is in overeenstemming met de krachtens deze verordening op de steunaanvrager rustende verplichtingen.
44 Enerzijds moet volgens artikel 4, lid 1, eerste alinea, derde streepje, van verordening nr. 3887/92 de steunaanvraag oppervlakten" onder meer een verklaring van de producent bevatten dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden voor toekenning van de betrokken steun.
45 De procedures tot uitvoering van de uit hoofde van het GBCS verleende steun hebben betrekking op een groot aantal aanvragen. Een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap in een dergelijke context impliceert dat de steunontvangers actief meewerken aan de correcte uitvoering van deze procedures en instaan voor de juistheid van de bedragen die hun in het kader van het GBCS worden toegekend (zie in die zin arrest van 16 mei 2002, Schilling en Nehring, C-63/00, Jurispr. blz. I-4483, punten 34 en 37).
46 Anderzijds mag de steunaanvraag oppervlakten" na de uiterste datum voor de indiening ervan slechts worden gewijzigd in bepaalde, in artikel 4, lid 2, sub a, van verordening nr. 3887/92 limitatief opgesomde gevallen die naar behoren zijn gestaafd, zoals met name een overlijden, een huwelijk of aan- of verkoop van het betrokken landbouwperceel.
47 Deze bepaling en artikel 6, leden 4 en 5, van verordening nr. 3508/92 tonen evenwel aan, dat een steunaanvraag oppervlakte" gedurende een bepaalde periode kan worden gewijzigd en in de nieuwe versie in aanmerking kan worden genomen als de aanvraag waarin het GBCS voorziet.
48 Gelet op een en ander dient te worden opgemerkt, dat artikel 9, lid 2, eerste en tweede alinea, van verordening nr. 3887/92 ertoe strekt de aangifte in de steunaanvraag te vergelijken met het resultaat van de controle ter plaatse, zonder dat behoeft te worden nagegaan of het eventueel vastgestelde verschil in oppervlakte reeds bestond op het tijdstip dat de aanvraag werd ingediend.
49 Artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 3887/92 kan weliswaar aldus worden uitgelegd dat het slechts betrekking heeft op het geval dat bij de indiening van de steunaanvraag opzettelijk of door grove nalatigheid een onjuiste aangifte is gedaan, maar zowel uit het doel van deze bepaling als uit de opzet van artikel 9, lid 2, in zijn geheel beschouwd, blijkt dat een dergelijke restrictieve uitlegging niet kan worden aanvaard.
50 Ter bereiking van het doel van artikel 9, lid 2, namelijk de doeltreffende preventie en bestraffing van onregelmatigheden en fraude, dient de derde alinea van deze bepaling niet alleen te gelden wanneer bij de indiening van de steunaanvraag opzettelijk of door grove nalatigheid een onjuiste aangifte is gedaan, maar ook wanneer de in deze aanvraag verstrekte gegevens niet meer met de later vastgestelde feiten overeenstemmen omdat de oorspronkelijke situatie is gewijzigd.
51 Dienaangaande zij opgemerkt dat, zoals de Franse regering terecht heeft opgemerkt, indien de steunaanvrager verzuimt de wijziging op het perceel waarvoor deze steun is aangevraagd, bij de bevoegde autoriteiten aan te geven, dit onvermijdelijk leidt tot een verschil tussen de in de aanvraag aangegeven en de tijdens een controle feitelijk geconstateerde oppervlakte, wat precies de situatie is die in artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3887/92 is bedoeld. Het handhaven van een steunaanvraag in dezelfde bewoordingen als waarin zij is ingediend, ook wanneer de voor de steunverlening relevante omstandigheden later zijn gewijzigd, vormt dus op zich een onregelmatigheid in de zin van deze bepaling.
52 Zoals het Hof in punt 37 van het reeds aangehaalde arrest Schilling en Nehring heeft vastgesteld, volgt overigens uit de bepalingen van de verordeningen nrs. 3508/92 en 3887/92 dat de nationale autoriteiten niet verplicht en vooral niet in staat zijn om het waarheidsgehalte van alle aangiften in de bij hen ingediende steunaanvragen te controleren. In het kader van het GBCS moeten de bedrijfshoofden steunaanvragen indienen voor oppervlakten die aan de voorwaarden voor verlening van de betrokken steun voldoen, en de bevoegde autoriteiten inlichten over elke wijziging van de situatie die na de indiening van de aanvraag is opgetreden.
53 De door verzoekster in het hoofdgeding voorgestelde uitlegging van artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 3887/92, volgens welke geen sanctie kan worden opgelegd indien bij de indiening van de steunaanvraag geen fout is gemaakt, zodat de wijzigingen van de situatie die relevant zijn voor de verlening of het behoud van de gevraagde steun, zonder gevolgen blijven, kan dus niet worden aanvaard.
54 Een dergelijke uitlegging zou een steunaanvrager in de verleiding kunnen brengen om een aanvraag in te dienen die aan alle door het GBCS gestelde voorwaarden voldoet, en de gegevens in deze aanvraag niet te corrigeren wanneer zij na de indiening daarvan niet langer juist blijken te zijn, omdat hem toch geen sanctie kan worden opgelegd.
55 Aangaande de vraag welke van de sancties van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3887/92 in de omstandigheden van het hoofdgeding dient te worden opgelegd, zij eraan herinnerd dat het aan de verwijzende rechter staat om de ernst van de begane onregelmatigheid te beoordelen en met name uit te maken of de steunaanvrager opzettelijk of door grove nalatigheid in de zin van artikel 9, lid 2, derde alinea, heeft verzuimd de bevoegde autoriteit in kennis te stellen van voor de steunverlening relevante wijzigingen.
56 Gelet op een en ander, dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3887/92 aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling bedoelde sancties niet enkel gelden wanneer het bedrijfshoofd bij de indiening van de steunaanvraag een onjuiste of valse aangifte heeft gedaan, maar ook wanneer hij heeft verzuimd de bevoegde instantie in te lichten over voor de steunverlening relevante wijzigingen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
57 De kosten door de Franse regering en door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Oberverwaltungsgericht van de deelstaat Sachsen-Anhalt bij beschikking van 7 september 2000 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 9, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals gewijzigd bij verordeningen (EG) van de Commissie nrs. 229/95 van 3 februari 1995 en 1648/95 van 6 juli 1995, moet aldus worden uitgelegd dat de in deze bepaling bedoelde sancties niet enkel gelden wanneer het bedrijfshoofd bij de indiening van de steunaanvraag een onjuiste of valse aangifte heeft gedaan, maar ook wanneer hij heeft verzuimd de bevoegde instantie in te lichten over voor de steunverlening relevante wijzigingen.
Full & Egal Universal Law Academy