Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(Art. 226 EG)
Partijen
In zaak C-427/00,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. B. Wainwright als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door G. Amodeo als gemachtigde, bijgestaan door D. Wyatt, QC, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, door er niet voor te zorgen dat zijn zwemwater in overeenstemming is met de ingevolge artikel 3 van richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater (PB 1976, L 31, blz. 1) vastgestelde grenswaarden, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, waarnemend voor de president van de Derde kamer, J.-P. Puissochet en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juli 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 november 2000, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen op basis van artikel 226 EG het Hof verzocht vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, door er niet voor te zorgen dat zijn zwemwater in overeenstemming is met de ingevolge artikel 3 van richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater (PB 1976, L 31, blz. 1; hierna: richtlijn") vastgestelde grenswaarden, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 1, lid 2, sub a, van de richtlijn bepaalt:
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) ,zwemwater, alle wateren, of delen van die wateren, te weten stromende of stilstaande zoete wateren alsmede zeewater, waarin het baden:
- door de bevoegde instanties van elke lidstaat uitdrukkelijk is toegestaan, dan wel
- niet is verboden en gewoonlijk door een groot aantal baders wordt beoefend."
3 Volgens artikel 3, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn [stellen] de lidstaten voor alle badzones of voor elke badzone afzonderlijk de waarden vast voor de in de bijlage genoemde parameters".
4 Artikel 3, lid 2, van de richtlijn bepaalt dat [d]e krachtens lid 1 vastgestelde waarden niet minder streng [mogen] zijn dan die vermeld in kolom I van de bijlage". In de bijlage bij de richtlijn zijn 19 parameters alsmede dwingende grenswaarden voor de meeste van deze parameters opgenomen.
5 Uit artikel 4, lid 1, van de richtlijn vloeit voort, dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen opdat de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming wordt gebracht met ingevolge artikel 3 van deze richtlijn vastgestelde grenswaarden, zulks binnen een termijn van tien jaar na de kennisgeving ervan.
6 Artikel 13 van de richtlijn, in de versie die voortvloeit uit richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied (PB L 377, blz. 48), bepaalt dat de lidstaten elk jaar bij de Commissie een verslag indienen over de tenuitvoerlegging van de richtlijn voor het betrokken jaar. Dit verslag wordt aan de Commissie voorgelegd vóór het einde van het betrokken jaar.
7 Van de richtlijn is aan het Verenigd Koninkrijk op 10 december 1975 kennis gegeven.
8 De Britse autoriteiten hebben bij de Commissie verslagen ingediend over de tenuitvoerlegging van de richtlijn in met name de badseizoenen 1996 en 1997. De Commissie heeft in dit verband vastgesteld, dat tijdens het badseizoen 1997 slechts 88,3 % van het zwemwater van het Verenigd Koninkrijk voldeed aan de in kolom I van de bijlage bij de richtlijn vastgestelde dwingende grenswaarden, tegenover 89,4 % tijdens het badseizoen 1996. Bij aanmaningsbrief van 22 januari 1999 heeft de Commissie de regering van het Verenigd Koninkrijk bijgevolg attent gemaakt op die tekortkomingen en haar verzocht, dienaangaande haar opmerkingen kenbaar te maken.
9 De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft bij brief van 30 maart 1999 geantwoord, vastbesloten te zijn de richtlijn zo snel mogelijk na te leven, met de mededeling dat er werd gewerkt aan een verbetering van de kwaliteit van het betrokken zwemwater.
10 Omdat zij met dit antwoord geen genoegen nam, heeft de Commissie het Verenigd Koninkrijk op 28 februari 2000 een met redenen omkleed advies toegezonden, waarin zij vaststelde dat deze lidstaat, door zijn zwemwater niet in overeenstemming te brengen met de ingevolge artikel 3 van de richtlijn vastgestelde grenswaarden, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen, en deze lidstaat verzocht binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van dit advies de nodige maatregelen te nemen om eraan te voldoen.
11 De Britse autoriteiten hebben geantwoord bij brief van 14 juni 2000, waarin zij toegaven niet op de vereiste wijze aan de normen van de richtlijn te hebben voldaan. Zij verklaarden evenwel dat de in 1997 vastgestelde tekortkomingen uitzonderlijk waren en dat in 1999 91,4 % van alle zwemwater aan de grenswaarden voldeed. Zij betoogden bovendien dat door de uitvoering van grondige onderzoeken en corrigerende maatregelen het percentage zwemwater dat in overeenstemming is met de dwingende grenswaarden, vóór 2005 zou kunnen worden verhoogd tot 97 %.
12 De Commissie was echter van mening dat de inbreuk voortduurde, en heeft daarop het onderhavige beroep ingesteld.
13 In haar verweerschrift stelt de regering van het Verenigd Koninkrijk, dat sinds 1997 het kwaliteitsniveau van het zwemwater in het Verenigd Koninkrijk aanzienlijk is verbeterd. Zo is een recordpercentage bereikt in het jaar 2000, toen 94 % van de kustwateren in overeenstemming was met de grenswaarden. Zij erkent niettemin de gegrondheid van de door de Commissie aangevoerde grief met betrekking tot de badseizoenen die het voorwerp uitmaken van de onderhavige niet-nakomingsprocedure.
14 Uit artikel 4, lid 1, van de richtlijn vloeit voort, dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen opdat de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming wordt gebracht met de ingevolge artikel 3 van deze richtlijn vastgestelde grenswaarden, zulks binnen een termijn van tien jaar na de kennisgeving ervan. De richtlijn verlangt derhalve van de lidstaten, dat zij ervoor zorgen dat bepaalde resultaten worden bereikt, en, afgezien van de afwijkingen waarin zij voorziet, kunnen de lidstaten zich niet op bijzondere omstandigheden beroepen om de niet-nakoming van deze verplichting te rechtvaardigen (zie arresten van 14 juli 1993, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C-56/90, Jurispr. blz. I-4109, punten 42-44, en 25 mei 2000, Commissie/België, C-307/98, Jurispr. blz. I-3933, punten 48 en 49).
15 De Britse autoriteiten beroepen zich evenwel op geen van deze afwijkingen. Volgens de aan het Hof overgelegde en door deze autoriteiten niet betwiste gegevens is de kwaliteit van het Britse zwemwater bovendien niet binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn in overeenstemming gebracht met de ingevolge artikel 3 van de richtlijn vastgestelde dwingende grenswaarden.
16 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk, door er niet voor te zorgen dat zijn zwemwater in overeenstemming is met de ingevolge artikel 3 van de richtlijn vastgestelde dwingende grenswaarden, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
17 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Verenigd Koninkrijk in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door er niet voor te zorgen dat zijn zwemwater in overeenstemming is met de ingevolge artikel 3 van richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater vastgestelde dwingende grenswaarden, is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy