Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Vervoer - Zeevervoer - Vrij verrichten van diensten - Verordening nr. 4055/86 - Nationale regeling waarbij verschillende havenrechten voor binnenlandse of intracommunautaire verbindingen en voor verbindingen naar of van derde land worden toegepast - Ontoelaatbaarheid bij gebreke van verband tussen havenrechten en kostprijs van havendiensten
(Verordening nr. 4055/86 van de Raad, art. 1)
2. Vervoer - Zeevervoer - Vrij verrichten van diensten - Verordening nr. 4055/86 - Nationale regeling waarbij voor extracommunautaire verbindingen havenrechten worden opgelegd die variëren naar gelang van afstand of geografische ligging van haven van bestemming - Ontoelaatbaarheid bij gebreke van verschillen in behandeling van passagiers wegens hun bestemming of herkomst
(Verordening nr. 4055/86 van de Raad, art. 1)
Samenvatting
$$1. Artikel 1 van verordening nr. 4055/86 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen, verzet zich tegen de toepassing in een lidstaat van verschillende havenrechten voor binnenlandse of intracommunautaire verbindingen en voor verbindingen tussen een lidstaat en een derde land, indien dit verschil niet objectief is gerechtvaardigd.
Daaruit volgt dat de omstandigheid dat een lidstaat aan passagiers van schepen die een haven van een derde land aandoen of als eindbestemming hebben, andere havenrechten oplegt dan aan passagiers van schepen met een binnenlandse bestemming of een bestemming in de lidstaten, zonder dat er een verband bestaat tussen dit verschil en de kostprijs van de havendiensten die ten goede komen aan deze categorieën van passagiers, een met dit artikel 1 strijdige beperking van het vrij verrichten van diensten vormt.
( cf. punten 24, 26, dictum 1-2 )
2. Op grond van artikel 1 van verordening nr. 4055/86 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen, kunnen voor trajecten met als bestemming havens van derde landen geen havenrechten worden opgelegd die variëren volgens criteria inzake de afstand tot of de geografische ligging van deze havens, indien het verschil tussen deze heffingen niet objectief is gerechtvaardigd door verschillen in behandeling van de passagiers wegens hun bestemming of hun herkomst.
( cf. punt 29, dictum 3 )
Partijen
In zaak C-435/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Dioikitiko Protodikeio Rodou (Griekenland), in het aldaar aanhangige geding tussen
Geha Naftiliaki EPE,
Total Scope NE,
Stavros Georgios,
Afoi Charalambis OE,
Anastasios Charalambis,
Nicolaos Sarlis,
Dimitrios Kattidenios,
Antonios Charalambis,
Vassileios Dimitrakopoulos
en
NPDD Limeniko Tameio DOD/SOU,
Elliniko Dimosio,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 1 van verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen (PB L 378, blz. 1, en rectificatie PB 1987, L 93, blz. 17),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet (rapporteur), kamerpresident, C. Gulmann, F. Macken, N. Colneric en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Geha Naftiliaki EPE, Total Scope NE, S. Georgios, Afoi Charalambis OE, A. Charalambis en N. Sarlis, vertegenwoordigd door E. Bakaloumas, dikigoros,
- NPDD Limeniko Tameio DOD/SOU, vertegenwoordigd door I. Stamoulis, dikigoros,
- Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia en B. Mongin als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 juli 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 10 juli 2000, ingekomen bij het Hof op 27 november daaraanvolgend, heeft het Dioikitiko Protodikeio Rodou (administratieve rechtbank van eerste aanleg te Rhodos) krachtens artikel 234 EG drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 1 van verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen (PB L 378, blz. 1, en rectificatie PB 1987, L 93, blz. 17).
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een procedure tussen enerzijds Geha Naftiliaki EPE, Total Scope NE, S. Georgios, Afoi Charalambis OE, A. Charalambis, N. Sarlis, D. Kattidenios, A. Charalambis en V. Dimitrakopoulos, en anderzijds NPDD Limeniko Tameio DOD/SOU (hierna: havenfonds van de Dodekanesos") en Elliniko Dimosio (Griekse Staat). De vragen hebben betrekking op de vaststelling in de Griekse wettelijke regeling van hogere havenrechten voor reizigers naar havens van derde landen.
Toepasselijke bepalingen
De gemeenschapsregeling
3 Verordening nr. 4055/86 bepaalt:
Artikel 1
1. Het vrij verrichten van diensten inzake zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen is van toepassing op de onderdanen van de lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan in die van degene voor wie de diensten worden verricht.
2. Deze verordening geldt eveneens voor de onderdanen van de lidstaten die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van een lidstaat, indien hun schepen in deze lidstaat zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat.
[...]
4. In de zin van deze verordening wordt, indien deze normaal tegen vergoeding worden verricht, onder diensten inzake zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen verstaan:
a) intracommunautaire vervoerdiensten:
vervoer over zee van reizigers of goederen tussen een haven van een lidstaat en een haven of een off-shore-installatie van een andere lidstaat;
b) verkeer met derde landen:
vervoer over zee van reizigers of goederen tussen de havens van een lidstaat en havens of off-shore-installaties van een derde land.
[...]
Artikel 6
1. Indien onderdanen of scheepvaartondernemingen van een lidstaat, als bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2, zich in een situatie bevinden of dreigen te bevinden waarin zij geen daadwerkelijke gelegenheid hebben lijndiensten van en naar een bepaald derde land te onderhouden, stelt de betrokken lidstaat de andere lidstaten en de Commissie daarvan zo spoedig mogelijk in kennis.
[...]
Artikel 7
De Raad kan in overeenstemming met de voorwaarden van het Verdrag besluiten de bepalingen van deze verordening uit te breiden tot onderdanen van een derde land die diensten inzake zeevervoer verrichten en in de Gemeenschap zijn gevestigd.
[...]
Artikel 9
Zolang de beperkingen op het vrij verrichten van diensten niet zijn opgeheven, passen de lidstaten deze zonder onderscheid naar nationaliteit of naar verblijfplaats toe op al degenen die diensten verrichten als bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2.
[...]
Artikel 12
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen."
De nationale regeling
4 Artikel 6 van wet nr. 2399/1996 (FEK A' 90), in de versie die gold ten tijde van de vaststelling van de in het hoofdgeding bestreden besluiten (hierna: wet nr. 2399/1996"), bepaalt:
1. Voor elke passagier die aan boord gaat van een vaartuig voor zeevervoer, met een binnenlandse of buitenlandse bestemming, wordt een bijzondere heffing geïnd ten behoeve van de overheidsinstelling die is belast met het beheer en de exploitatie van de haven van inscheping. Deze heffing vormt de tegenprestatie voor de modernisering en de verbetering van de havenwerken en -installaties, voor het gebruik van de haven en voor andere daarmee verwante doeleinden die met de verbetering van de diensten voor de reizigers verband houden.
2. De heffing bestaat uit een percentage van de prijs van het reisbiljet of een vast bedrag in drachmen naar gelang van de haven van bestemming van de passagier, het soort reis, de categorie van het schip, enz. en wordt bepaald als volgt:
A. Voor passagiers van alle soorten veerboten voor personen en/of voertuigen en draagvleugelboten op binnenlandse lijnen een percentage van 5 % van de prijs van het reisbiljet.
B. Voor passagiers van veerboten voor personen en/of voertuigen onder Griekse of buitenlandse vlag op buitenlandse lijnen:
a) een vaste heffing van 5 000 GRD voor iedere passagier die naar een haven in het buitenland reist, met uitzondering van havens in de Europese Unie, Cyprus, Albanië, Rusland, Oekraïne, Moldavië, en Georgië aan de Zwarte Zee.
[...]
e) 30 % van de opbrengst van de hierboven bedoelde vaste heffing wordt door de betrokken havenfondsen betaald aan het pensioenfonds voor de civiele scheepvaart, overeenkomstig de procedures die voor dit orgaan zijn vastgesteld.
C. Voor passagiers die aan rondreizen (cruises) met passagiersschepen voor toeristen (cruiseschepen) onder Griekse of vreemde vlag deelnemen:
a) een vaste heffing van 50 GRD voor iedere passagier die aan een eendaagse cruise tussen Griekse havens deelneemt, voor elke haven die het schip aandoet. Indien bij de eendaagse cruise ook een haven in het buitenland wordt aangedaan, wordt aan deze laatste haven, naar gelang van het geval, het vaste recht betaald dat is verschuldigd op grond van de lid B, onder a, b, of c, van dit artikel.
[...]
[...]
4. De heffing wordt vermeld op de reisbiljetten en voor de inning ervan zijn de verstrekkers van de reisbiljetten verantwoordelijk, dat wil zeggen de scheepsagenten, reisbureaus en soortgelijke ondernemingen. Het voor iedere kalendermaand geïnde bedrag moet door de voor de inning verantwoordelijke personen binnen de eerste tien dagen van de daaropvolgende maand worden gestort op de bijzondere rekening bij de Bank van Griekenland van de begunstigde overheidsinstelling die met het beheer en de exploitatie van de haven is belast, onder de enkele vermelding ,uitvoering van werken in het belang van de passagiers, samen met een overzicht waarop het aantal afgegeven reisbiljetten per categorie en het te betalen bedrag is vermeld. Deze bedragen zijn uitsluitend bestemd voor werken in het belang van de passagiers.
5. De voor de inning verantwoordelijke ondernemingen zijn met de betalingsplichtige passagiers volledig en hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de heffing. [...]
6. De vaststelling van de als havenrecht verschuldigde bedragen geschiedt bij besluit van het collegiale orgaan van de overheidsinstelling die met het beheer en de exploitatie van de haven is belast. [...]"
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
5 De vennootschappen Geha Naftiliaki EPE en Total Scope NE zijn de reders van de draagvleugelboten Fl. Marianna" respectievelijk Fl. Zeus". De scheepsgemeenschap A. Charalambis, N. Sarlis, D. Kattidenios, A. Charalambis, V. Dimitrakopoulos is de reder van de draagvleugelboot Iviskos", waarvan de scheepsagent de vennootschap Afoi Charalambis OE is.
6 Deze drie schepen varen vanuit de haven van Rhodos naar Turkije en keren dezelfde dag terug. In juni 1996 hebben zij 4 067 dagpassagiers en 3 703 transitpassagiers vervoerd.
7 Bij besluit van 1 augustus 1996 stelde het havenfonds van de Dodekanesos vast dat onder andere S. Georgios, vertegenwoordiger van Geha Naftiliaki EPE en Total Scope NE, en Afoi Charalambis OE de havenrechten niet hadden betaald. Dit vaststellingsbesluit werd op 5 augustus 1996 door de regionale directeur van de Dodekanesos bevestigd.
8 In hun bij de verwijzende rechter ingesteld beroep vorderen verzoekers in het hoofdgeding nietigverklaring van de in het voorgaande punt bedoelde besluiten en terugbetaling van bepaalde als havenrechten betaalde bedragen.
9 Tot staving van hun beroep stellen zij dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bedragen aan havenrechten niet volgens de regels zijn berekend. Volgens hen dienden deze heffingen te worden geïnd overeenkomstig artikel 6, lid 2, A, van wet nr. 2399/1996, te weten 5 % over de prijs van het reisbiljet en niet overeenkomstig artikel 6, lid 2, B, sub a, van die wet, waarin een bedrag van 5 000 GRD per passagier is vastgesteld, aangezien de betrokken schepen volledig door reisbureaus werden gecharterd voor dagexcursies heen en terug van Rhodos naar Turkije, en de eindbestemming van deze schepen Rhodos was, dus een binnenlandse haven, en niet Turkije.
10 Verzoekers in het hoofdgeding stellen eveneens dat de draagvleugelboten niet zijn onderworpen aan de heffing van artikel 6, lid 2, B, sub a, van wet nr. 2399/1996, omdat zij daarin niet specifiek worden vermeld, doch wel aan de heffing van artikel 6, lid 2, A, van deze wet.
11 Zij stellen dat de berekening van havenrechten naar gelang van de bestemming van het schip niet alleen hen, maar ook de passagiers discrimineert. Deze discriminatie is op grond van de internationale verplichtingen van de Helleense Republiek verboden. Zij is inzonderheid onverenigbaar met de artikelen 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG), 62 EG-Verdrag (ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam) en 84 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 80 EG), en met verordening nr. 4055/86.
12 Volgens de verwijzende rechter zijn de bij het besluit van het havenfonds van de Dodekanesos van 1 augustus 1996 vastgestelde havenrechten wettig berekend overeenkomstig artikel 6, lid 2, B, sub a, van wet nr. 2399/1996, omdat in het hoofdgeding artikel 6, lid 2, C, sub a, van die wet moet worden toegepast, voorzover het gaat om eendaagse cruises.
13 De verwijzende rechter is van oordeel dat de in artikel 6, lid 2, B, sub a, van wet nr. 2399/1996 vastgestelde heffing eveneens terecht is toegepast op de passagiers die met de draagvleugelboten Fl. Marianna", Fl. Zeus" en Iviskos" zijn vervoerd.
14 Bovendien worden de in het hoofdgeding aan de orde zijnde havenrechten geïnd voor het gebruik van de havens en de modernisering en de verbetering van de haveninstallaties. Deze heffingen worden geïnd als tegenprestatie voor een specifieke dienst die bij het gebruik van deze installaties aan de schepen die de havens aandoen, en aan hun passagiers wordt verleend, en zij worden betaald aan de overheidsinstelling die met het beheer en de exploitatie van de haven is belast.
15 De verwijzende rechter herinnert eraan dat op grond van verordening nr. 4055/86 het beginsel van het vrij verrichten van diensten met ingang van 1 januari 1987 van toepassing is op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen.
16 Van mening dat de toepassing van deze verordening op het hoofdgeding problemen opleverde, heeft het Dioikitiko Protodikeio Rodou het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
1) Moet artikel 1 van verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat in zijn nationale wettelijke regeling beperkingen invoert op dienstverrichtingen op het gebied van zeevervoer tussen de lidstaten en derde landen in het algemeen, zelfs indien deze beperkingen zonder onderscheid gelden voor alle schepen, ongeacht of zij worden gebruikt door binnenlandse dienstverrichters dan wel door onderdanen van andere lidstaten, en voor alle passagiers, ongeacht hun nationaliteit, of moet dit artikel aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat in zijn nationale wettelijke regeling beperkingen invoert die alleen gelden voor dienstverrichtingen tussen een andere lidstaat en een derde land, waardoor de nationale vervoerders die zeevervoer naar derde landen verrichten, een gunstiger behandeling genieten dan de vervoerders uit andere lidstaten?
2) Kan een lidstaat aan passagiers van schepen die een haven van een derde land (buiten de Europese Unie) aandoen of als eindbestemming hebben, andere (hogere) havenrechten opleggen dan die welke worden opgelegd aan passagiers van schepen die een binnenlandse haven of een haven in een lidstaat van de Europese Unie als bestemming hebben, zelfs indien deze heffingen in beide gevallen worden opgelegd aan alle passagiers ongeacht hun nationaliteit of de door de schepen gevoerde vlag, of vormt een dergelijke regeling een beperking van het vrije vervoer van passagiers naar derde landen op grond dat de hogere heffing van invloed kan zijn op de keuze van de trajecten, en is die regeling bijgevolg onverenigbaar met artikel 1 van verordening (EEG) nr. 4055/86?
en
3) Bij een ontkennend antwoord: kunnen de havenrechten die worden opgelegd aan passagiers die havens van derde landen als bestemming hebben, naar gelang van het derde land worden gedifferentieerd aan de hand van een criterium inzake de afstand tussen de havens of de geografische ligging, of is een dergelijke nationale wettelijke regeling eveneens in strijd met bovengenoemde verordening, omdat hierbij het zeevervoer naar een bepaald derde land (of bepaalde derde landen) wordt gediscrimineerd en het zeevervoer naar dat land (of die landen) derhalve wordt beperkt?"
Eerste vraag
17 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1 van verordening nr. 4055/86 eraan in de weg staat dat een lidstaat in zijn nationale wettelijke regeling beperkingen van dienstverrichtingen op het gebied van zeevervoer tussen de lidstaten en derde landen invoert, dan wel of op grond van dit artikel alleen de beperkingen zijn verboden die een discriminatie in het leven roepen tussen nationale vervoerders en vervoerders uit andere lidstaten, die zeevervoer naar derde landen verrichten.
18 Het havenfonds van de Dodekanesos zet uiteen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde havenrechten niet ten laste komen van de zeevervoerondernemingen, doch wel van de door hen vervoerde passagiers, en bijgevolg niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 4055/86 vallen. Deze heffingen worden toegepast om de bouw- en onderhoudskosten van de haveninstallaties en het aanbod van havendiensten in het algemeen te financieren. Zij vormen derhalve rechten die met artikel 81 EG-Verdrag (thans artikel 77 EG) verenigbaar zijn en waarvan de geldigheid niet kan worden aangetast door een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht zoals artikel 1 van verordening nr. 4055/86.
19 Zoals de Commissie opmerkt, beïnvloedt de verhoging van de havenrechten evenwel rechtstreeks en automatisch de prijs van het traject, zodat een differentiatie van de door de passagiers te betalen heffingen automatisch een weerslag heeft op de kostprijs van het traject. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de toepassing van verschillende havenbelastingen naargelang het om een binnenlands of intracommunautair traject gaat, een door verordening nr. 4055/86 verboden inbreuk op het beginsel van het vrij verrichten van diensten vormt (zie arrest van 5 oktober 1994, Commissie/Frankrijk, C-381/93, Jurispr. blz. I-5145, punt 21, en, wat luchthavenbelastingen betreft, arrest van 26 juni 2001, Commissie/Portugal, C-70/99, Jurispr. blz. I-4845).
20 Verordening nr. 4055/86, waarbij de gehele verdragsregeling inzake het vrij verrichten van diensten van toepassing is gemaakt op de sector van het zeevervoer tussen de lidstaten (zie arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 13), verzet zich tegen de toepassing van een nationale regeling waardoor het verrichten van diensten tussen lidstaten moeilijker wordt dan het verrichten van diensten binnen een enkele lidstaat, tenzij deze regeling is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang en mits de daarin vastgestelde maatregelen noodzakelijk en evenredig zijn (zie arrest Commissie/Portugal, reeds aangehaald, punt 28).
21 Aangezien artikel 1, lid 1, van verordening nr. 4055/86 het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het gebied van intracommunautaire verbindingen heeft uitgebreid tot verbindingen tussen een lidstaat en een derde land, moeten op laatstgenoemde verbindingen de regels worden toegepast die voor eerstgenoemde verbindingen zijn ontwikkeld.
22 Bijgevolg kunnen voor het verrichten van diensten inzake zeevervoer tussen de haven van Rhodos en een Turkse haven niet zonder objectieve rechtvaardiging (zie arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 16) strengere voorwaarden worden gesteld dan voor vergelijkbare dienstverrichtingen tussen de haven van Rhodos en de havens van de Helleense Republiek of andere lidstaten.
23 Artikel 81 van het Verdrag, dat door het havenfonds van de Dodekanesos wordt aangevoerd, staat geenszins in de weg aan de toepassing van verordening nr. 4055/86. Op grond van dit artikel mag een vervoerondernemer bij het overschrijden van de grens heffingen of andere rechten in rekening brengen mits rekening wordt gehouden met de werkelijke kosten welke door die grensoverschrijding feitelijk zijn veroorzaakt". Het havenfonds toont echter niet aan dat dergelijke kosten naar gelang van de bestemmingen in dezelfde mate variëren als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde havenrechten.
24 Op de eerste vraag moet derhalve worden geantwoord dat artikel 1 van verordening nr. 4055/86 zich verzet tegen de toepassing in een lidstaat van verschillende havenrechten voor binnenlandse of intracommunautaire verbindingen en voor verbindingen tussen een lidstaat en een derde land, indien dit verschil niet objectief is gerechtvaardigd.
Tweede vraag
25 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een lidstaat, gelet op artikel 1 van verordening nr. 4055/86, aan passagiers van schepen die een haven van een derde land aandoen of als eindbestemming hebben, andere havenrechten kan opleggen dan die welke worden opgelegd aan passagiers van schepen met een binnenlandse bestemming of een bestemming in andere lidstaten, wanneer deze heffingen worden toegepast ongeacht de nationaliteit van de passagiers of de vlag waaronder het schip vaart.
26 Gelet op de overwegingen in de punten 19 tot en met 24 van het onderhavige arrest, moet op deze vraag worden geantwoord dat de omstandigheid dat aan passagiers van schepen die een haven van een derde land aandoen of als eindbestemming hebben, andere havenrechten worden opgelegd dan aan passagiers van schepen met een binnenlandse bestemming of een bestemming in de lidstaten, zonder dat er een verband bestaat tussen dit verschil en de kostprijs van de havendiensten die ten goede komen aan deze categorieën van passagiers, een met artikel 1 van verordening nr. 4055/86 strijdige beperking van het vrij verrichten van diensten vormt.
Derde vraag
27 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of op grond van artikel 1 van verordening nr. 4055/86 voor trajecten met als bestemming havens in derde landen havenrechten kunnen worden opgelegd die variëren volgens criteria inzake de afstand tot of de geografische ligging van deze havens.
28 Een criterium inzake de afstand tot of de geografische ligging van de haven van bestemming kan op zich het opleggen van verschillende havenrechten niet rechtvaardigen. Alleen wanneer er sprake is van objectieve verschillen tussen de diensten die door de vervoerders aan de passagiers worden verleend, kan een dergelijk verschil gerechtvaardigd zijn (zie in die zin de reeds aangehaalde arresten Commissie/Frankrijk, punt 16, en Commissie/Portugal, punt 36).
29 Op de derde vraag moet dus worden geantwoord, dat op grond van artikel 1 van verordening nr. 4055/86 voor trajecten met als bestemming havens van derde landen geen havenrechten kunnen worden opgelegd die variëren volgens criteria inzake de afstand tot of de geografische ligging van deze havens, indien het verschil tussen deze heffingen niet objectief is gerechtvaardigd door verschillen in behandeling van de passagiers wegens hun bestemming of hun herkomst.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Dioikitiko Protodikeio Rodou bij beschikking van 10 juli 2000 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen, verzet zich tegen de toepassing in een lidstaat van verschillende havenrechten voor binnenlandse of intracommunautaire verbindingen en voor verbindingen tussen een lidstaat en een derde land, indien dit verschil niet objectief is gerechtvaardigd.
2) De omstandigheid dat aan passagiers van schepen die een haven van een derde land aandoen of als eindbestemming hebben, andere havenrechten worden opgelegd dan aan passagiers van schepen met een binnenlandse bestemming of een bestemming in de lidstaten, zonder dat er een verband bestaat tussen dit verschil en de kostprijs van de havendiensten die ten goede komen aan deze categorieën van passagiers, vormt een met artikel 1 van verordening nr. 4055/86 strijdige beperking van het vrij verrichten van diensten.
3) Op grond van artikel 1 van verordening nr. 4055/86 kunnen voor trajecten met als bestemming havens van derde landen geen havenrechten worden opgelegd die variëren volgens criteria inzake de afstand tot of de geografische ligging van deze havens, indien het verschil tussen deze heffingen niet objectief is gerechtvaardigd door verschillen in behandeling van de passagiers wegens hun bestemming of hun herkomst.
Full & Egal Universal Law Academy