Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Handelingen van de instellingen - Richtlijnen - Uitvoering door lidstaten - Noodzakelijkheid van volledige uitvoering - Ontbreken in lidstaat van activiteit waarop richtlijn betrekking heeft - Geen invloed - Uitzondering - Geografische redenen
(art. 249, derde alinea, EG)
Samenvatting
$$Het feit dat een bepaalde activiteit waarop een richtlijn betrekking heeft, in een lidstaat niet bestaat, kan deze lidstaat niet ontheffen van zijn verplichting wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen te treffen ter verzekering van een adequate uitvoering van alle bepalingen van die richtlijn. Slechts wanneer de uitvoering van een richtlijn om geografische redenen geen feitelijk doel dient, hoeft deze uitvoering niet plaats te vinden.
( cf. punten 15, 17 )
Partijen
In zaak C-441/00,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door R. Magrill als gemachtigde, bijgestaan door R. Anderson, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 96/48/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem (PB L 235, blz. 6), de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, M. Wathelet en A. Rosas (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 maart 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 29 november 2000, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 96/48/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem (PB L 235, blz. 6; hierna: richtlijn"), de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 De richtlijn heeft met name tot doel, de onderlinge koppeling en de interoperabiliteit van de nationale netten voor hogesnelheidstreinen alsmede de toegang tot deze netten te bevorderen.
3 Artikel 23, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten uiterlijk 30 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen die noodzakelijk zijn om aan deze richtlijn te voldoen en dat zij de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis stellen.
4 Artikel 25 van de richtlijn bepaalt dat zij in werking [treedt] op de eenentwintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen". Aangezien de richtlijn op 17 september 1996 is bekendgemaakt, is zij dus op 8 oktober 1996 in werking getreden en verstreek de omzettingstermijn op 8 april 1999.
5 Overeenkomstig de procedure van artikel 226, eerste alinea, EG heeft de Commissie, na het Verenigd Koninkrijk in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken, deze lidstaat bij brief van 31 januari 2000 een met redenen omkleed advies toegezonden, met het verzoek binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van dit advies de nodige maatregelen te nemen om aan zijn verplichtingen uit hoofde van de richtlijn te voldoen.
6 In zijn antwoord van 5 april 2000 heeft het Verenigd Koninkrijk praktische problemen op wetgevingsgebied ingeroepen, en uiteengezet dat het wellicht voor het einde van het jaar 2000 de maatregelen zou kunnen vaststellen die noodzakelijk zijn om ten volle aan de richtlijn te voldoen.
7 In deze omstandigheden heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
8 De Commissie betoogt dat het Verenigd Koninkrijk niet de maatregelen heeft vastgesteld die noodzakelijk zijn voor de omzetting van de richtlijn. In dit verband herinnert zij aan de verplichtingen die krachtens de artikelen 10, eerste alinea, EG en 249, derde alinea, EG op de lidstaten rusten.
9 Het Verenigd Koninkrijk erkent dat de richtlijn slechts gedeeltelijk is omgezet binnen de daarin gestelde termijn.
10 Het Verenigd Koninkrijk betoogt echter dat de te late omzetting van een aantal bepalingen van de richtlijn deels te wijten is aan het feit dat het krachtens artikel 21 ervan opgerichte comité niet de technische specificaties inzake interoperabiliteit (TSI's) heeft vastgesteld die volgens hem integrerend deel uitmaken van de richtlijn. Bijgevolg konden de onderdelen van de richtlijn betreffende de TSI's nog geen toepassing vinden.
11 Dienaangaande stelt het Verenigd Koninkrijk dat de Transport Act 2000 (wet van 2000 betreffende het vervoer), die op 1 februari 2001 in werking is getreden, de bevoegde nationale overheid machtigt regelingen vast te stellen die toepassing van de TSI's mogelijk zullen maken zodra deze laatste zijn vastgesteld en ingegaan overeenkomstig de communautaire procedures. Deze regelingen zouden zowel voor Groot-Brittannië als, afzonderlijk, voor Noord-Ierland worden vastgesteld. Zij zouden uiterlijk eind juni 2001 in werking moeten treden, hetgeen, volgens de ramingen van de Commissie het vroegste tijdstip is waarop de TSI's zouden kunnen worden vastgesteld.
12 Het Verenigd Koninkrijk geeft toe dat de richtlijn niet is omgezet in Noord-Ierland, met name wat haar bepalingen betreft volgens welke aangemelde instanties moeten worden aangewezen. Het betoogt echter dat aldaar geen enkel hogesnelheidsspoorwegsysteem operationeel is en dat nauwelijks te verwachten valt dat in de voorzienbare toekomst een dergelijk systeem tot stand komt. Bijgevolg heeft de richtlijn in Noord-Ierland weinig of geen praktische betekenis. Niettemin zouden uiterlijk eind juni 2001 regelingen worden vastgesteld die de richtlijn omzetten in Noord-Ierland. Op die wijze zou de richtlijn dan, in haar geheel, omgezet zijn in heel het Verenigd Koninkrijk.
13 Vastgesteld moet worden dat de richtlijn in het Verenigd Koninkrijk binnen de daarin gestelde termijn niet volledig is omgezet, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk ook heeft erkend.
14 Wat de TSI's betreft heeft het Hof reeds geoordeeld dat niet uit de bewoordingen van de richtlijn en met name uit artikel 23 daarvan volgt dat de uitwerking van TSI's een noodzakelijke voorwaarde voor de omzetting van de richtlijn is. Hieruit volgt dat het feit dat de TSI's nog niet zijn aangenomen, niet relevant is bij de beoordeling of een lidstaat zijn verplichtingen is nagekomen (arrest van 13 december 2001, Commissie/Ierland, C-372/00, Jurispr. blz. I-10303, punten 14 en 15).
15 Zoals de advocaat-generaal in punt 6 van zijn conclusies opmerkt, is het evenmin relevant dat er in Noord-Ierland nog geen enkele hogesnelheidstrein operationeel is. Het Hof heeft in dit verband reeds geoordeeld dat het feit dat een bepaalde activiteit waarop een richtlijn betrekking heeft, in een lidstaat nog niet bestaat, deze lidstaat niet kan ontheffen van zijn verplichting wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen te treffen ter verzekering van een adequate omzetting van de bepalingen van die richtlijn (zie arrest van 16 november 2000, Commissie/Griekenland, C-214/98, Jurispr. blz. I-9601, punt 22, en arrest Commissie/Ierland, reeds aangehaald, punt 11).
16 Alle rechtssubjecten in het Verenigd Koninkrijk dienen immers, net als andere rechtssubjecten binnen de Gemeenschap, hun rechten en plichten te kennen wanneer eventueel in deze lidstaat een hogesnelheidsspoorwegsysteem gecreëerd en geëxploiteerd zal worden.
17 Slechts wanneer de omzetting van een richtlijn om geografische redenen geen feitelijk doel dient, hoeft deze omzetting niet plaats te vinden (zie in deze zin arrest van 7 juli 1987, Commissie/Italië, 420/85, Jurispr. blz. 2983, punt 5). Dat is niet het geval voor het eiland Ierland, zoals blijkt uit kaart 3.7, opgenomen in bijlage I bij beschikking nr. 1692/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet (PB L 228, blz. 1).
18 Aangezien de richtlijn niet binnen de gestelde termijn is omgezet, moet het door de Commissie ingestelde beroep gegrond worden geacht.
19 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk, door niet binnen de voorgeschreven termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover zulks is gevorderd. Aangezien het Verenigd Koninkrijk in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de voorgeschreven termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 96/48/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem, is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy