Zaak C-445/00
Republiek Oostenrijk
tegen
Raad van de Europese Unie
«Ecopuntensysteem voor in transito door Oostenrijk rijdende vrachtwagens – Wijziging bij verordening (EG) nr. 2012/2000 – Onwettigheid»
Conclusie van advocaat-generaal J. Mischo van 13 februari 2003 Arrest van het Hof van 11 september 2003
Samenvatting van het arrest
1.. Beroep tot nietigverklaring – Middel tot nietigverklaring dat gedrag van andere dan verwerende instelling in geding brengt – Ontvankelijkheid – Procedureel statuut van aldus in geding gebrachte instelling – Loutere bevoegdheid tot interveniëren
(Art. 230 EG)
2.. Toetreding van nieuwe lidstaten tot Gemeenschappen – Protocollen en bijlagen bij toetredingsakten – Onderwerping aan bepalingen van primair recht
3.. Vervoer – Wegvervoer – Bijzondere regeling voor transitogoederenvervoer over weg door Oostenrijk – Ecopuntensysteem voor vrachtwagens – Verlaging van ecopunten bij overschrijding van drempel van transitoritten – Spreiding van verlaging over aantal jaren – Ongeldigheid
(Protocol nr. 9 van de Toetredingsakte van 1994, art. 11, lid 2, sub c, en bijlage 5, punt 3; verordening nr. 2012/2000 van de Raad, art. 1 en 2, punten 1 en 4)
4.. Vervoer – Wegvervoer – Bijzondere regeling voor transitogoederenvervoer over weg door Oostenrijk – Ecopuntensysteem voor vrachtwagens – Verlaging van ecopunten bij overschrijding van drempel van transitoritten – Evenredige verdeling over lidstaten naar gelang van bijdrage tot overschrijding – Toelaatbaarheid
(Protocol nr. 9 van de Toetredingsakte van 1994, art. 11, lid 6, en 16)
5.. Vervoer – Wegvervoer – Bijzondere regeling voor transitogoederenvervoer over weg door Oostenrijk – Ecopuntensysteem voor vrachtwagens – Verlaging van ecopunten bij overschrijding van drempel van transitoritten – Berekeningsmethode vastgesteld bij verordening nr. 2012/2000 – Geldigheid – Berekeningsmethode gebaseerd op gemiddeld gebruik van ecopunten – Ontoelaatbaarheid
(Protocol nr. 9 van de Toetredingsakte van 1994, bijlage 5, punten 2 en 3; verordening nr. 2012/2000 van de Raad)
1. Een beroep tot nietigverklaring kan alleen worden gericht tegen de instelling die de bestreden handeling heeft vastgesteld. Niettemin kunnen omstandigheden die de wettigheid van deze handeling aantasten, ter ondersteuning van een dergelijk beroep worden aangevoerd, zelfs wanneer zij betrekking hebben op de handelwijze van een andere dan de verwerende instelling. Een instelling waarvan de handelwijze op die manier in geding wordt gebracht, kan niet als partij ten principale in het geding worden betrokken, maar kan erin interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van één van de partijen ten principale. cf. punten 32-34
2. Protocollen en bijlagen bij een toetredingsakte vormen bepalingen van primair recht die, behoudens andersluidende bepaling in de toetredingsakte, slechts kunnen worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken volgens de procedures voor de herziening van de oorspronkelijke verdragen. cf. punt 62
3. De artikelen 1 en 2, punten 1 en 4, van verordening nr. 2012/2000 houdende wijziging van bijlage 4 van Protocol nr. 9 van de Toetredingsakte van 1994, en verordening nr. 3298/94 met betrekking tot het ecopuntensysteem voor in transito door Oostenrijk rijdende vrachtwagens zijn ongeldig voorzover zij de in artikel 11, lid 2, sub c, van het genoemde protocol bedoelde verlaging van de ecopunten wegens de overschrijding van de drempel voor transitoritten over een aantal jaren beogen te spreiden. Zelfs als de Raad, in een situatie waarin de bevoegde nationale autoriteiten laattijdig betrouwbare statistieken hebben meegedeeld, goede gronden heeft om de verlaging van ecopunten te spreiden over het einde van het jaar volgend op dat waarin een dergelijke overschrijding is vastgesteld, terwijl het opleggen van de genoemde verlaging uitsluitend in de resterende maanden van het genoemde volgende jaar het onevenredige effect zou hebben dat het gehele transitoverkeer van goederen over de weg door Oostenrijk nagenoeg zou worden stilgelegd, is een spreiding over een aantal jaren immers onverenigbaar met bijlage 5, punt 3, bij het genoemde protocol, dat, door het te hebben over het volgende jaar voor de vaststelling van het aantal ecopunten bij een verlaging, duidelijk een tijdschema van een jaar vaststelt. Overeenkomstig deze bepaling kan de Raad de verlaging van de ecopunten spreiden over een periode van een jaar die ingaat op een later tijdstip om rekening te houden met vertragingen die te wijten zijn aan het laattijdig meedelen van betrouwbare statistische gegevens. cf. punten 60, 63, 71, 74-77, 85
4. In het kader van het ecopuntensysteem voor in transito door Oostenrijk rijdende vrachtwagens, vastgesteld bij Protocol nr. 9 van de Toetredingsakte van 1994 betreffende vervoer over de weg en per spoor, alsmede gecombineerd vervoer in Oostenrijk, behoort de verdeling van de ecopunten over de lidstaten volgens de artikelen 11, lid 6, en 16 van het genoemde protocol tot de bevoegdheid van de Commissie en, in voorkomend geval, van de Raad. Aangezien het protocol geen aanwijzing bevat omtrent de te volgen methode bij de verdeling van de verlaging van de ecopunten over de lidstaten, beschikken de gemeenschapsinstellingen over een ruime beoordelingsvrijheid. In dit verband overschrijdt de Raad deze beoordelingsmarge niet door een dergelijke verlaging op een evenredige manier over de lidstaten te verdelen naar gelang van hun bijdrage tot de overschrijding van de vastgestelde drempel voor transitoritten. cf. punten 80-84
5. De methode voor de berekening van de verlaging van de ecopunten, gehanteerd in verordening nr. 2012/2000 houdende wijziging van bijlage 4 bij Protocol nr. 9 van de Toetredingsakte van 1994 en verordening nr. 3298/94 met betrekking tot het ecopuntensysteem voor in transito door Oostenrijk rijdende vrachtwagens, is in overeenstemming met de letter en de geest van het genoemde protocol. De punten 2 en 3 van bijlage 5 bij het genoemde protocol hebben immers betrekking op de gemiddelde NOx-uitstoot van vrachtwagens en beogen niet de berekening van een fictief aantal ecopunten. Een berekeningsmethode die er in de praktijk op neerkomt, het aantal gebruikte ecopunten te delen door het totale aantal geregistreerde ritten, is niet in overeenstemming met de punten 2 en 3 van bijlage 5 bij het genoemde protocol, wanneer het totale aantal gebruikte ecopunten geen rekening houdt met de ritten waarvoor de transporteur ecopunten had moeten gebruiken, maar dat niet heeft gedaan ( illegale transitoritten genoemd), terwijl deze illegale transitoritten wel zijn opgenomen in het totale aantal afgelegde transitoritten. cf. punten 91-93, 96-97
ARREST VAN HET HOF
11 september 2003 (1)
„Ecopuntensysteem voor in transito door Oostenrijk rijdende vrachtwagens – Wijziging bij verordening (EG) nr. 2012/2000 – Onwettigheid”
In zaak C-445/00,
Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door H. Dossi als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Lopes Sabino en G. Houttuin als gemachtigden,
verweerder, ondersteund door Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing als gemachtigde, bijgestaan door J. Sedemund, Rechtsanwalt,door Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door M. Fiorilli, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,en door Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Schmidt en M. Wolfcarius en vervolgens door C. Schmidt en W. Wils als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënten,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 2012/2000 van de Raad van 21 september 2000 houdende wijziging van bijlage 4 van Protocol nr. 9 van de Toetredingsakte van 1994 en van verordening (EG) nr. 3298/94 met betrekking tot het ecopuntensysteem voor in transito door Oostenrijk rijdende vrachtwagens (PB L 241, blz. 18),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, J.-P. Puissochet, M. Wathelet en R. Schintgen, kamerpresidenten, C. Gulmann, D. A. O. Edward, A. La Pergola, P. Jann, V. Skouris, F. Macken, N. Colneric, S. von Bahr en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting, gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 19 november 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 februari 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij op 4 december 2000 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Republiek Oostenrijk krachtens artikel 230, eerste alinea, EG verzocht om nietigverklaring van verordening (EG) nr. 2012/2000 van de Raad van 21 september 2000 houdende wijziging van bijlage 4 van Protocol nr. 9 van de Toetredingsakte van 1994 en van verordening (EG) nr. 3298/94 met betrekking tot het ecopuntensysteem voor in transito door Oostenrijk rijdende vrachtwagens (PB L 241, blz. 18; hierna: bestreden verordening).
Feiten en rechtskader
2 Protocol nr. 9 betreffende vervoer over de weg en per spoor, alsmede gecombineerd vervoer in Oostenrijk (hierna: protocol) bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest (PB 1994, C 241, blz. 21, en PB 1995, L 1, blz. 1; hierna: toetredingsakte) voert in deel III, betreffende vervoer over de weg, een bijzondere regeling voor het transitogoederenvervoer over de weg door Oostenrijk in.
3 Deze regeling vindt haar oorsprong in de op 2 mei 1992 te Porto getekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk betreffende het transitogoederenvervoer per spoor en over de weg, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 92/577/EEG van de Raad van 27 november 1992 (PB L 373, blz. 4).
4 De voornaamste elementen van deze regeling zijn vastgesteld in artikel 11, lid 2, van het protocol, dat luidt: Tot 1 januari 1998 zijn de volgende bepalingen van toepassing:
a) De totale NO x -uitstoot van vrachtwagens in transito op Oostenrijks grondgebied wordt tussen 1 januari 1992 en 31 december 2003 met 60 % verlaagd volgens de tabel in bijlage 4.
b) De verlaging van de totale NO x -uitstoot van vrachtwagens wordt geadministreerd via een ecopuntensysteem. Volgens dit systeem moet elke vrachtwagen in transito op Oostenrijks grondgebied een aantal ecopunten hebben dat overeenstemt met het niveau van de NO x -uitstoot van dat type vrachtwagen (ingeschreven op grond van zijn Conformity of Production (COP)-niveau, afgeleid van de type-goedkeuring). De toewijzing van de punten en de werking van het stelsel worden in bijlage 5 beschreven.
c) Indien het aantal transitoritten in een jaar het voor 1991 bepaalde referentieaantal met meer dan 8 % overschrijdt, treft de Commissie, volgens de procedure van artikel 16, passende maatregelen overeenkomstig bijlage 5, punt 3.
d) [...]
e) De ecopunten worden door de Commissie verdeeld over de lidstaten overeenkomstig volgens lid 6 vast te stellen bepalingen.
5 Artikel 11, leden 3 tot en met 6, van het protocol bepaalt:
3. Vóór 1 januari 1998 evalueert de Raad, aan de hand van een verslag van de Commissie, de tenuitvoerlegging van de bepalingen betreffende het transitogoederenvervoer over de weg door Oostenrijk. Deze evaluatie vindt plaats overeenkomstig de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht, zoals de goede werking van de interne markt, inzonderheid het vrije verkeer van goederen en de vrijheid van dienstverrichting, de milieubescherming in het belang van de Gemeenschap in haar geheel en de verkeersveiligheid. Tenzij de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen, een andere beslissing neemt, wordt de overgangsperiode verlengd en wel tot 1 januari 2001, tijdens welke periode het bepaalde in lid 2 van toepassing is.
4. Vóór 1 januari 2001 maakt de Commissie, in samenwerking met het Europees Milieuagentschap, een wetenschappelijke studie over de mate waarin de in lid 2, sub a, bedoelde doelstelling betreffende de vermindering van de vervuiling is verwezenlijkt. Indien de Commissie tot de conclusie komt dat deze doelstelling op permanente grondslag is verwezenlijkt, treedt lid 2 op 1 januari 2001 buiten werking. Indien de Commissie tot de conclusie komt dat dit niet het geval is, kan de Raad, overeenkomstig artikel 75 EG-Verdrag, in een communautair kader, maatregelen treffen met het oog op een gelijkwaardige bescherming van het milieu, inzonderheid een vermindering van de vervuiling met 60 %. Indien de Raad deze maatregelen niet aanneemt, wordt de overgangsperiode automatisch verlengd met een laatste tijdvak van drie jaar, tijdens welk tijdvak het bepaalde in lid 2 van toepassing is.
5. Aan het einde van de overgangsperiode wordt het acquis communautaire volledig toegepast.
6. De Commissie neemt overeenkomstig de procedure van artikel 16 gedetailleerde maatregelen betreffende de procedures inzake het ecopuntensysteem, de verdeling van de ecopunten en de technische kwesties betreffende de toepassing van dit artikel. Deze maatregelen treden in werking op de datum van toetreding van Oostenrijk.
[...]
6 Artikel 16 van het protocol luidt:
1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.
2. Indien wordt verwezen naar de procedure van dit artikel, dient de vertegenwoordiger van de Commissie een ontwerp in van de te nemen maatregelen. Het comité brengt over deze maatregelen advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan bepalen naar gelang van de urgentie van het vraagstuk. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid bedoeld in artikel 148, lid 2, van het EG-Verdrag in de gevallen waarin de Raad moet besluiten op voorstel van de Commissie. De stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten in het comité worden gewogen op de wijze als vermeld in dat artikel. De voorzitter neemt niet deel aan de stemming.
3. De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité.
Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité of bij gebreke van een advies, doet de Commissie onverwijld een voorstel aan de Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
4. Indien na verloop van een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van indiening van het voorstel bij de Raad, deze geen maatregelen heeft vastgesteld, stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast.
7 Punt 3 van bijlage 5 bij het protocol, met het opschrift Berekening en beheer van de ecopunten genoemd in artikel 11, lid 2, sub b, van het protocol, luidt: Indien artikel 11, lid 2, sub c, van toepassing is, wordt het aantal ecopunten als volgt vastgesteld:Op basis van de kwartaalwaarden van het lopende jaar, berekend overeenkomstig punt 2 hierboven, wordt een extrapolatie gemaakt om het gemiddelde NO x -niveau van vrachtwagens voor het volgende jaar te ramen. Deze geraamde waarde levert bij vermenigvuldiging met 0,0658 en met het aantal ecopunten voor 1991 als bedoeld in bijlage 4, het aantal ecopunten voor het betrokken jaar op.
8 Krachtens artikel 11, lid 6, van het protocol heeft de Commissie verordening (EG) nr. 3298/94 van 21 december 1994 tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen betreffende de procedures inzake het ecopuntensysteem, de verdeling van de ecopunten en de toepassing van artikel 11 van Protocol nr. 9 bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden (PB L 341, blz. 20) vastgesteld. Deze verordening werd gewijzigd bij de verordeningen (EG) nr. 1524/96 van de Commissie van 30 juli 1996 (PB L 190, blz. 13) en (EG) nr. 609/2000 van de Commissie van 21 maart 2000 (PB L 73, blz. 9) (hierna: verordening nr. 3298/94).
9 Artikel 6, lid 2, van deze verordening bepaalt: De gedrukte ecopunten die op ecokaarten moeten worden geplakt, worden elk jaar in twee gedeelten ter beschikking van de lidstaten gesteld: het eerste deel vóór 1 oktober van het voorafgaande jaar en het tweede deel vóór 1 maart van het betrokken jaar.In het in artikel 11, lid 2, onder c, van Protocol nr. 9 bedoelde geval wordt het aantal ecopunten voor dat jaar verminderd volgens de methode van bijlage 5, punt 3, van dat Protocol.
10 Verordening nr. 3298/94 wijzigt bijlage 4 bij het protocol en stelt het totaal aantal ecopunten vast als volgt: Jaar Percentage ecopunten Ecopunten voor EU-15 1991 (basisjaar) 100 % 23 556 220 1995 71,7 % 16 889 810 1996 65,0 % 15 311 543 1997 59,1 % 13 921 726 1998 54,8 % 12 908 809 1999 51,9 % 12 225 678 2000 49,8 % 11 730 998 2001 48,5 % 11 424 767 2002 44,8 % 10 533 187 2003 40,0 % 9 422 488 Voorts wordt in bijlage D bij de genoemde verordening de verdeelsleutel voor de verdeling van de ecopunten over de lidstaten vastgesteld.
11 Aangezien het aantal transitoritten door Oostenrijk in 1991 1 490 900 bedroeg, ligt de in artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol bedoelde drempel op 1 610 172 transitoritten.
12 Blijkens de ecopuntstatistiek waren er in 1999 1 706 436 transitoritten, zodat het aantal van 1991 met 14,57 % werd overschreden.
13 Op 20 mei 2000 diende de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 16 van het protocol bij het in dit artikel bedoelde comité (hierna: ecopuntencomité) een voorstel voor een verordening van de Commissie in. Zij stelde dat het aantal ecopunten voor 2000 volgens de berekeningsmethode van bijlage 5, punt 3, bij het protocol met ongeveer 20 % procent (dat wil zeggen met 2 184 552 ecopunten) moest worden verlaagd. Volgens de Commissie zou deze verlaging tot gevolg hebben, dat in de loop van het laatste kwartaal van 2000 bijna geen ecopunten meer beschikbaar zouden zijn zodat alle transitoverkeer van vrachtwagens door Oostenrijk verboden zou zijn. Daar de toepasselijke bepalingen van het protocol volgens de Commissie met inachtneming van de fundamentele vrijheden moesten worden uitgelegd, stelde zij voor, de verlaging van het aantal ecopunten te spreiden over de jaren 2000 tot en met 2003, de laatste vier jaren waarin de overgangsregeling van toepassing is. In 2000, 2001 en 2002 zou het aantal ecopunten telkens met 30 % van dat bedrag worden verlaagd en in 2003 met de resterende 10 %.
14 Van oordeel dat het protocol geen enkel richtsnoer gaf voor de verdeling van de verlaging over de lidstaten, stelde de Commissie ook voor, de last van de verlaging te leggen op de lidstaten waarvan de vervoerders tot de overschrijding van de in artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol bedoelde drempel in 1999 hadden bijgedragen.
15 Daar in het ecopuntencomité geen gekwalificeerde meerderheid kon worden bereikt voor het voorstel van de Commissie, diende zij het op 21 juni 2000 bij de Raad in als voorstel COM(2000) 395 def. voor een verordening van de Raad.
16 Gelet op de voortgang van het dossier binnen de Raad, heeft de Commissie haar bevoegde lid, mevrouw de Palacio, op 20 september 2000 gemachtigd om ingeval de Raad met gekwalificeerde meerderheid een beslissing neemt die in de lijn ligt van het thans door de voorzitter voorgestelde compromis, het voorstel van de Commissie dienovereenkomstig te wijzigen.
17 Op 21 september 2000 diende het Franse voorzitterschap bij de Raad een compromisvoorstel in, waarbij, met behoud van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie van spreiding van de verlaging van de ecopunten tot 2003, werd voorzien in een nieuwe berekeningsmethode die zou leiden tot een verlaging met 1 009 501 ecopunten. Daarop wijzigde het bevoegde lid van de Commissie haar oorspronkelijke voorstel in de zin van het Franse compromisvoorstel en kon de Raad het gewijzigde voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid goedkeuren. Dat voorstel werd de bestreden verordening. De Republiek Oostenrijk stemde tegen.
18 De vijfde tot en met de zevende overweging van de considerans van de bestreden verordening luiden:
(5) Protocol nr. 9 moet worden toegepast in het licht van de fundamentele vrijheid omsloten in het Verdrag. Het is derhalve noodzakelijk maatregelen te nemen die het vrij verkeer van goederen en de volledige werking van de interne markt verzekeren.
(6) Het opleggen van de volledige verlaging van de ecopunten uitsluitend in het jaar 2000 zou een onevenredig effect geven waardoor het gehele transitoverkeer door Oostenrijk nagenoeg zou worden stilgelegd; de verlaging van het totale aantal ecopunten wordt derhalve over de jaren 2000-2003 gespreid.
(7) Ter verkrijging van een evenredige verlaging van het aantal ecopunten moeten de lidstaten die het meest tot de overschrijding van de 8 %-drempel hebben bijgedragen op hun ecopuntquotum worden gekort, om zo de totale vermindering te bewerkstelligen. Voor dit doel is een wijziging van de verdeelsleutel voor de verdeling van de ecopunten onder de lidstaten vereist.
19 Artikel 1 van de bestreden verordening wijzigt bijlage 4 bij het protocol als volgt om het nieuwe aantal ecopunten per jaar vast te stellen: Jaar Percentage ecopunten Ecopunten voor EU-15 2000 48,5 % 11 428 150 2001 47,2 % 11 121 897 2002 43,5 % 10 250 317 2003 39,6 % 9 321 531
20 Artikel 2, punt 1, van de bestreden verordening vervangt artikel 6, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 3298/94 door de volgende bepaling: In het in artikel 11, lid 2, sub c, van Protocol nr. 9 bedoelde geval wordt het aantal ecopunten verlaagd. De verlaging wordt berekend volgens de methode van punt 3 van bijlage 5 van het Protocol. De aldus berekende verlaging van het aantal ecopunten wordt over een aantal jaren gespreid.
21 Ten slotte wordt in artikel 2, punt 4, van de bestreden verordening bijlage D bij verordening nr. 3298/94 gewijzigd om de ecopunten te herverdelen over de lidstaten.
22 Op 21 december 2000 stelde de Commissie krachtens artikel 11, lid 4, van het protocol ten behoeve van de Raad rapport COM(2000) 862 def. betreffende het transitogoederenvervoer over de weg door Oostenrijk vast.
23 Daar de Commissie in haar rapport niet tot de conclusie komt, dat de doelstelling van een vermindering van de vervuiling met 60 % op permanente grondslag is verwezenlijkt, en de Raad niet de bij artikel 11, lid 4, derde volzin, van het protocol bedoelde maatregelen heeft vastgesteld, is de overgangsperiode automatisch met een laatste periode van drie jaar verlengd van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2003, periode waarin artikel 11, lid 2, van het protocol en in het bijzonder punt c ervan van toepassing zijn.
De procedure
24 Op 4 december 2000 werd het beroep van de Republiek Oostenrijk ter griffie van het Hof neergelegd.
25 Bij beschikkingen van de president van het Hof van 26 januari en 30 april 2001 zijn de Bondsrepubliek Duitsland, de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Italiaanse Republiek toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
26 Bij op 4 december 2000 ter griffie van het Hof neergelegde afzonderlijke akte heeft de Republiek Oostenrijk krachtens de artikelen 242 EG en 243 EG om opschorting van de toepassing van de bestreden verordening alsook om voorlopige maatregelen verzocht.
27 Bij beschikking van 23 februari 2001, Oostenrijk/Raad (C-445/00 R, Jurispr. blz. I-1461), heeft de president van het Hof de opschorting van de uitvoering van artikel 2, punt 1, van de bestreden verordening tot aan de uitspraak van het arrest in de hoofdzaak gelast, het verzoek voor het overige afgewezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
28 Op verzoek van de Commissie heeft het Hof bij beschikking van 23 oktober 2002, Oostenrijk/Raad (C-445/00, Jurispr. blz. I-9151), gelast het door de Republiek Oostenrijk als bijlage bij haar verzoekschrift overgelegde advies van de juridische dienst van de Commissie van 11 april 2000 uit het dossier te verwijderen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
Conclusies van partijen
29 De Republiek Oostenrijk concludeert dat het het Hof behage:
─ primair, de bestreden verordening nietig te verklaren;
─ subsidiair, de artikelen 1 en 2, punten 1 en 4, van de bestreden verordening nietig te verklaren;
─ de Raad te verwijzen in de kosten.
30 De Raad, ondersteund door de Bondsrepubliek Duitsland, de Italiaanse Republiek en de Commissie, concludeert dat het het Hof behage:
─ de jegens de Commissie, die door verzoekster niet in het geding was geroepen, geformuleerde grieven niet-ontvankelijk te verklaren;
─ het beroep ongegrond te verklaren;
─ subsidiair, voor het geval dat het Hof het beroep zou toewijzen en de bestreden verordening nietig zou verklaren, de handhaving van de rechtsgevolgen ervan te gelasten;
─ verzoekster te verwijzen in de kosten.
Ontvankelijkheid
31 De Raad betoogt dat van de tot staving van het beroep aangevoerde middelen, de jegens de Commissie geformuleerde grieven niet-ontvankelijk zijn aangezien de Commissie niet in het geding is geroepen, en dat het in de onderhavige zaak te wijzen arrest niet zal kunnen worden tegengeworpen aan een instelling die geen bij het geding betrokken partij is.
32 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 230 EG moet zijn gericht tegen de instelling die de bestreden handeling heeft vastgesteld, en dat een dergelijk beroep niet-ontvankelijk is voorzover het tegen een andere instelling is gericht (zie in die zin beschikking van 11 november 1987, Nashua Corporation e.a./Raad en Commissie, 150/87, Jurispr. blz. 4421).
33 Aangezien het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van een verordening van de Raad, kan het alleen tegen deze laatste zijn gericht. Niettemin kunnen omstandigheden die de wettigheid van de bestreden handeling aantasten, tot staving van een dergelijk beroep worden aangevoerd, zelfs wanneer zij betrekking hebben op de handelwijze van een andere dan de verwerende instelling.
34 Een instelling waarvan de handelwijze op die manier in geding wordt gebracht, kan niet als partij ten principale in het geding worden betrokken, maar kan erin interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van één van de partijen ten principale, zoals de Commissie in dit geval heeft gedaan.
35 Dientengevolge dient de door de Raad opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te worden verworpen.
Ten gronde
36 De Oostenrijkse regering voert tot staving van haar beroep zes middelen aan. Het eerste, primaire, middel betreft schending van wezenlijke vormvoorschriften bij de vaststelling van de bestreden verordening. De volgende middelen worden subsidiair aangevoerd. Het tweede middel betreft schending van het Verdrag of van het protocol omdat het voorstel van de Commissie werd gewijzigd nadat het bij de Raad was ingediend. Het derde middel stelt ontoereikende motivering van de bestreden verordening. Het vierde middel heeft betrekking op schending van het Verdrag of van het protocol door de bestreden verordening. Het vijfde middel is ontleend aan schending van de wettelijke bepalingen en ontoereikende motivering bij de toepassing van de berekeningswijze bedoeld in bijlage 5, punt 3, van het protocol. Ten slotte heeft het zesde middel betrekking op het ontbreken van een rechtsgrondslag voor de bestreden verordening.
Eerste middel: schending van wezenlijke vormvoorschriften bij de vaststelling van de bestreden verordening
37 Met haar eerste middel stelt de Oostenrijkse regering schending van wezenlijke vormvoorschriften bij de vaststelling van de bestreden verordening. Haars inziens is de beslissing van de Commissie om haar aanvankelijke voorstel voor een verordening in de zin van het door het voorzitterschap van de Raad voorgestelde compromis te wijzigen, niet door het college genomen. Bovendien is volgens de Oostenrijkse regering een machtiging van het bevoegde lid van de Commissie om in voorkomend geval een voorstel van de Commissie aldus te wijzigen dat het de goedkeuring van de Raad met gekwalificeerde meerderheid wegdraagt, in strijd met het reglement van orde van de Commissie, dat machtigingen beperkt tot duidelijk omschreven maatregelen van beheer en bestuur.
38 Vaststaat dat de Commissie op 20 september 2000, de dag vóór de vaststelling van de bestreden verordening, het bevoegde lid van de Commissie heeft gemachtigd het aan de Raad voorgelegde voorstel voor een verordening te wijzigen ingeval de Raad bereid zou zijn met gekwalificeerde meerderheid een beslissing te nemen die in de lijn ligt van het door het Franse voorzitterschap voorgestelde compromis, hetgeen ook is gebeurd.
39 Op 21 september 2000 diende het Franse voorzitterschap bij de Raad een compromisvoorstel in, waarbij, met behoud van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie van spreiding van de verlaging van de ecopunten tot 2003, werd voorzien in een nieuwe berekeningsmethode, die zou leiden tot een verlaging met 1 009 501 ecopunten. Daarop wijzigde het bevoegde lid van de Commissie haar oorspronkelijke voorstel in de zin van het Franse compromisvoorstel en kon de Raad het gewijzigde voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid goedkeuren.
40 Volgens artikel 13 van de ten tijde van de feiten geldende versie van haar reglement van orde kon de Commissie in overleg met de voorzitter één of meer van haar leden opdragen de definitieve tekst van [...] een voorstel dat aan de andere instellingen moet worden voorgelegd en waarvan zij de hoofdinhoud tijdens haar beraadslagingen heeft vastgesteld, goed te keuren.
41 Uit de aan het Hof overgelegde documenten blijkt dat de betrokken machtiging door de Commissie als college is verleend nadat de Commissie over de inhoud van het aangekondigde compromis was geïnformeerd. Daaruit volgt dat het bevoegde lid van de Commissie naar behoren gemachtigd was om de betrokken verordening aldus te wijzigen.
42 Er is dus geen sprake van schending van wezenlijke vormvoorschriften bij de vaststelling van de bestreden verordening.
43 Daaruit volgt dat het eerste middel ongegrond moet worden verklaard.
Tweede middel: schending van het Verdrag of van het protocol omdat het voorstel van de Commissie werd gewijzigd nadat het bij de Raad was ingediend
44 Met haar tweede middel betoogt de Oostenrijkse regering dat de Commissie in het kader van de procedure van artikel 16 van het protocol niet bevoegd was, achteraf wezenlijke wijzigingen aan te brengen in het voorstel dat zij bij de Raad had ingediend.
45 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 250, lid 2, EG bepaalt: Zolang de Raad geen besluit heeft genomen kan de Commissie te allen tijde gedurende de procedures die tot aanneming van een communautair besluit leiden haar voorstel wijzigen.
46 Derhalve stond het de Commissie vrij haar voorstel voor een verordening te wijzigen, zoals zij in het onderhavige geval heeft gedaan.
47 Bijgevolg moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.
Derde middel: ontoereikende motivering van de bestreden verordening
48 Met haar derde middel stelt de Oostenrijkse regering dat de bestreden verordening niet voldoet aan de motiveringsplicht met betrekking tot de berekening van de verlaging van de ecopunten, de verdeling van de verlaging over de lidstaten, de spreiding van de betrokken verlaging over vier jaar alsook de invoering van een algemene regel van spreiding van de verlaging van de ecopunten over verschillende jaren bij overschrijding van de bij artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol vastgestelde drempel.
49 Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de door artikel 253 EG geëiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie met name arresten van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink's France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 63, en 9 januari 2003, Petrotub en Republica/Raad, C-76/00 P, Jurispr. blz. I-79, punt 81).
50 Bovendien kunnen enerzijds de voornaamste redenen voor de standpunten over de berekening van de verlaging van de ecopunten, de verdeling van de verlaging over de lidstaten en de spreiding van de betrokken verlaging over een aantal jaren voldoende duidelijk worden afgeleid uit de considerans van de bestreden verordening. Anderzijds staat vast dat de Republiek Oostenrijk volledig op de hoogte was van de redenen voor de bestreden verordening, met name doordat zij deelneemt aan het ecopuntencomité.
51 Daaruit volgt dat de bestreden verordening, gelet op zowel inhoud als de context ervan, rechtens genoegzaam met redenen is omkleed.
52 Om deze redenen dient het derde middel ongegrond te worden verklaard.
Eerste onderdeel van het vierde middel en zesde middel: spreiding van de verlaging van de ecopunten over een aantal jaren
53 Met het eerste onderdeel van haar vierde middel, in wezen herhaald in haar zesde middel, betoogt de Oostenrijkse regering dat de bestreden verordening in twee opzichten het Verdrag en het protocol schendt.
54 In de eerste plaats, aldus de Oostenrijkse regering, is de tekst van de betrokken bepalingen van het protocol klaar en duidelijk en laat hij geen ruimte voor uitlegging: nadat de in artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol vastgestelde drempel in 1999 was overschreden, moest de verlaging van het aantal ecopunten voor 2000 worden berekend volgens de methode van bijlage 5, punt 3, van het protocol. Voor 2000 past artikel 1 van de bestreden verordening de verlaging van de ecopunten ten gevolge van de in 1999 vastgestelde overschrijding van de drempel van de transitoritten evenwel niet volledig toe, doch verdeelt deze over de vier jaar, te weten 2000 tot en met 2003. De formele wijziging van het tot het primaire recht behorende protocol bij de bestreden verordening, die een handeling van afgeleid recht is, is zonder uitdrukkelijke machtiging van de Raad in het primaire recht evenwel kennelijk onwettig.
55 De Oostenrijkse regering vindt de door de Raad in de considerans van de bestreden verordening aangevoerde rechtvaardigingsgronden, dat het opleggen van de volledige verlaging van de ecopunten in het jaar 2000 een onevenredig effect zou hebben en dat het protocol moet worden toegepast overeenkomstig de fundamentele vrijheden van het Verdrag, onaanvaardbaar, daar de door de Raad gehanteerde uitleggingsmethode haars inziens ingaat tegen de duidelijke tekst van het protocol.
56 Ten tweede leidt ook artikel 2, punt 1, van de bestreden verordening, dat artikel 6, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 3298/94 wijzigt, tot een wijziging van de doelstellingen van primair recht, aangezien daarin in het algemeen wordt bepaald, dat een buitengewone verlaging van de ecopunten over een aantal jaren gespreid wordt. De omzetting van de spreiding van de verlaging van de ecopunten in een algemene regel voor alle gevallen van toepassing van artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol, vindt geen enkele rechtsgrondslag in het protocol en is kennelijk in strijd met de daarbij ingevoerde regeling.
57 Als eerste moet de tweede van deze grieven worden onderzocht, te weten die betreffende de definitieve invoering van het beginsel van spreiding van de verlaging van de ecopunten over een aantal jaren.
58 In dit verband stelt de Commissie dat artikel 2, punt 1, van de bestreden verordening de regel inzake de verdeling van de ecopunten uitsluitend voor het jaar 2000 heeft gewijzigd en geen algemene regel voor de toekomst bevat. Volgens de Commissie zou deze bepaling inderdaad onwettig zijn, indien zij werkelijk een dergelijke algemene regel zou bevatten.
59 Dit argument kan niet worden aanvaard gelet op de categorische bewoordingen van artikel 2, punt 1, van de bestreden verordening. Deze bevat immers geen enkele beperking in de tijd en verwijst geenszins naar de bijzondere omstandigheden van het jaar 2000. Deze bepaling moet aldus worden gelezen dat zij beoogt een permanente en definitieve wijziging van het ecopuntensysteem in te voeren.
60 Bijlage 5, punt 3, bij het protocol bepaalt dat in geval van verlaging het aantal ecopunten wordt vastgesteld voor het volgende jaar.
61 Daaruit volgt dat artikel 2, punt 1, van de bestreden verordening artikel 6, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 3298/94 wijzigt op een wijze die onverenigbaar is met bijlage 5, punt 3, van het protocol.
62 Bovendien vormen protocollen en bijlagen bij een toetredingsakte bepalingen van primair recht die, behoudens andersluidende bepaling in de toetredingsakte, slechts kunnen worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken volgens de procedures voor de herziening van de oorspronkelijke verdragen (zie in die zin arrest van 28 april 1988, LAISA en CPC España/Raad, 31/86 en 35/86, Jurispr. blz. 2285, punt 12).
63 Daaruit vloeit voort dat artikel 2, punt 1, van de bestreden verordening ongeldig is voorzover het definitief een beginsel van spreiding van de verlaging van de ecopunten over een aantal jaren beoogt in te voeren in strijd met wat het protocol voorschrijft.
64 Deze bepaling moet derhalve nietig worden verklaard.
65 Met betrekking tot de grief inzake de spreiding over de jaren 2000 tot en met 2003 van de verlaging van de ecopunten voortvloeiend uit de overschrijding van de in artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol bedoelde drempel voor transitoritten in 1999, stellen de Italiaanse Republiek en de Raad in wezen, dat deze overschrijding te wijten is aan de handelwijze van de Republiek Oostenrijk zelf, aangezien deze niet voldoende maatregelen heeft genomen om de spoorweginfrastructuur in Oostenrijk te ontwikkelen met het oog op het ontlasten van het goederenverkeer over de weg, waartoe zij krachtens het protocol verplicht was. De Oostenrijkse regering wijst deze stelling van de hand en merkt op dat de regeling inzake gecombineerd rail/wegvervoer in Oostenrijk naar behoren werkt.
66 Dienaangaande zij opgemerkt dat het protocol niet alleen betrekking heeft op goederenvervoer over de weg, maar ook op vervoer per spoor en op gecombineerd vervoer. De artikelen 6 en 7 van het protocol alsmede bijlage 3 bij het protocol leggen bepaalde verplichtingen op, met name aan de Republiek Oostenrijk, om de spoorwegcapaciteit te ontwikkelen en te gebruiken. Indien deze capaciteit was ontwikkeld zoals voorzien, had zij de trans-Alpijnse wegen kunnen ontlasten van een deel van het goederenverkeer per vrachtwagen.
67 Vaststaat evenwel dat het protocol niet voorziet in een mechanisme waarbij de bepalingen inzake ecopunten buiten toepassing blijven ingeval de Republiek Oostenrijk haar verplichtingen inzake de ontwikkeling van de spoorwegcapaciteit niet nakomt. Bij ontbreken van dergelijke mechanismen in het protocol zelf, staat het niet aan het Hof om zich in het kader van het onderhavige beroep tot nietigverklaring uit te spreken over het nakomen van genoemde verplichtingen door de Republiek Oostenrijk.
68 Wat het overschrijden van het aantal voor 1999 toegestane wegritten betreft, blijkt uit de aan het Hof verstrekte gegevens dat de Oostenrijkse autoriteiten in maart 2000 weliswaar bepaalde statistieken aan de communautaire instanties hebben meegedeeld, maar dat die onjuist waren, en dat pas in september 2000 definitieve statistieken konden worden opgesteld.
69 Gelet op de termijnen die inherent zijn aan het regelgevingsproces en met name verband houden met de in artikel 16 van het protocol vastgestelde procedure van het ecopuntencomité, dienden de verlagingen als gevolg van de in 1999 vastgestelde overschrijdingen in het laatste kwartaal van het jaar 2000 te worden toegepast.
70 Het protocol, en met name artikel 11, lid 2, sub c, ervan en bijlage 5 erbij, bevat evenwel geen enkele bepaling die specifiek de situatie regelt die ontstaat door het laattijdig meedelen van betrouwbare statistische gegevens door de Oostenrijkse autoriteiten.
71 De artikelen 11, lid 2, sub c, en 16 van het protocol machtigen de Commissie en, in voorkomend geval, de Raad daarentegen om passende maatregelen te nemen overeenkomstig bijlage 5, punt 3, van het protocol. Deze bepalingen verlenen aan de gemeenschapsinstellingen een beoordelingsmarge om passende maatregelen te nemen in een situatie waarin de bevoegde nationale autoriteiten laattijdig betrouwbare statistieken hebben meegedeeld.
72 In het kader daarvan kan de Raad rekening houden met het feit dat het ecopuntensysteem een afwijking van de algemene regels van het gemeenschapsrecht vormt die alleen geldig is tijdens een overgangsperiode.
73 Enerzijds blijkt immers uit artikel 11, leden 3 tot en met 5, van het protocol dat de bij dat protocol ingevoerde bijzondere regeling voor het transitogoederenvervoer over de weg door Oostenrijk moet worden toegepast overeenkomstig de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht, zoals de goede werking van de interne markt, het vrije verkeer van goederen en de vrijheid van dienstverrichting. Anderzijds was aanvankelijk voorzien dat de regeling zou gelden tot 1 januari 1998 en kon zij onder bepaalde voorwaarden met betrekking tot de herziening ervan worden verlengd voor twee extra tijdvakken, die uiterlijk op 31 december 2003 zouden eindigen. Het protocol bepaalt dat aan het einde van de overgangsperiode het acquis communautaire volledig wordt toegepast.
74 Tussen partijen, daaronder begrepen de Republiek Oostenrijk, staat evenwel vast dat wanneer de verlaging van de ecopunten als gevolg van de in 1999 vastgestelde overschrijding uitsluitend in de resterende maanden van het jaar 2000 zou worden opgelegd, dit het onevenredige effect zou hebben dat het gehele transitoverkeer van goederen over de weg door Oostenrijk nagenoeg zou worden stilgelegd. Een dergelijk effect zou in strijd zijn met de basisbeginselen van het gemeenschapsrecht en met name met het vrije verkeer van goederen en de verwezenlijking van de interne markt.
75 Onder die omstandigheden had de Raad goede gronden om de verlaging van ecopunten te spreiden over het einde van 2000 heen.
76 Zoals de Oostenrijkse regering heeft gesteld, is een spreiding over vier jaar, namelijk over de jaren 2000 tot en met 2003, echter onverenigbaar met het protocol. Geen enkele bepaling van het protocol voorziet immers in een spreiding over een aantal jaren. Integendeel, bijlage 5, punt 3, bij het protocol heeft het over het volgende jaar en stelt zo duidelijk een tijdschema van een jaar vast. Overeenkomstig deze bepaling kon de Raad de verlaging van de ecopunten spreiden over een periode van een jaar die inging op een later tijdstip om rekening te houden met vertragingen die te wijten waren aan het laattijdig mededelen van betrouwbare statistische gegevens. In de onderhavige zaak zou een spreiding over de resterende maanden van 2000 en over het hele jaar 2001 toelaatbaar zijn geweest.
77 Daaruit volgt dat artikel 1 van de bestreden verordening in strijd is met het protocol voorzover het de verlaging van de ecopunten wegens de voor het jaar 1999 vastgestelde overschrijding van de drempel voor transitoritten spreidt over de jaren 2000 tot en met 2003.
Tweede onderdeel van het vierde middel: verdeling van de ecopunten over de lidstaten
78 Met het tweede onderdeel van haar vierde middel betoogt de Oostenrijkse regering dat de in artikel 2, punt 4, van de bestreden verordening vastgestelde nieuwe verdeling van de ecopunten over de lidstaten onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Aangezien het protocol niets zegt over de verdelingsmethode, moeten bij de verdeling haars inziens de algemene rechtsbeginselen worden toegepast, met name het solidariteitsbeginsel tezamen met het beginsel dat de vervuiler betaalt en het evenredigheidsbeginsel.
79 Er zij aan herinnerd dat de verdeling van de ecopunten over de lidstaten niet in het protocol is vastgesteld, maar in een handeling van afgeleid recht, te weten verordening nr. 3298/94 en meer bepaald in bijlage D erbij, die bij artikel 2, punt 4, van de bestreden verordening werd gewijzigd.
80 De verdeling van de ecopunten over de lidstaten behoort volgens de artikelen 11, lid 6, en 16 van het protocol tot de bevoegdheid van de Commissie en, in voorkomend geval, van de Raad.
81 Het protocol bevat echter geen aanwijzing omtrent de te volgen methode bij de verdeling van de verlaging van de ecopunten over de lidstaten.
82 De gemeenschapsinstellingen beschikken ter zake derhalve over een ruime beoordelingsvrijheid.
83 Uit de zevende overweging van de considerans van de bestreden verordening blijkt met name dat de Raad zijn beoordelingsvrijheid heeft gebruikt om de verlaging van de ecopunten op een evenredige manier over de lidstaten te verdelen naar gelang van hun bijdrage tot de overschrijding van de vastgestelde drempel voor transitoritten.
84 Op die manier heeft de Raad de beoordelingsmarge waarover hij beschikt, niet overschreden.
85 Aangezien echter artikel 2, punt 4, van de bestreden verordening een overeenkomstig artikel 1 van dezelfde verordening over vier jaar gespreide verlaging van de ecopunten over de lidstaten beoogt te verdelen, is het even onwettig als dat artikel.
Vijfde middel: schending van de wettelijke bepalingen en ontoereikende motivering bij de toepassing van de berekeningswijze bedoeld in bijlage 5, punt 3, van het protocol
86 Volgens de Oostenrijkse regering is de in de bestreden verordening gehanteerde methode voor de berekening van de verlaging van de ecopunten onverenigbaar met de algemene doelstellingen van het protocol; zij is derhalve in strijd met het protocol en vormt een onjuiste toepassing van de in bijlage 5, punt 3, bij het protocol vastgestelde berekeningsmethode. Deze berekeningsmethode leidde tot een geringere verlaging dan die waarin het protocol voorzag. De Oostenrijkse regering preciseert dat de door haar overgelegde ecopuntstatistiek voor 1999 niet alleen de transitoritten door Oostenrijk omvatte, waarvoor feitelijke ecopunten zijn afgetrokken, doch ook de illegale transitoritten die zijn verricht zonder aftrek van ecopunten en waarvoor als NO x -uitstootwaarde nul wordt opgegeven. De Raad is voor de berekening van de verlaging van de ecopunten evenwel alleen uitgegaan van de feitelijke gemiddelde NO x -uitstoot per vrachtwagen, zonder rekening te houden met de illegale transitoritten.
87 De bestreden verordening vertoont bovendien een motiveringsgebrek, aangezien zij geen concrete gegevens bevat over de berekeningsmethode die voor de in artikel 1 ervan bepaalde verlaging van de ecopunten is toegepast.
88 Dienaangaande zij opgemerkt dat in geval van overschrijding van de in artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol vastgestelde drempel voor transitoritten, de verlaging van het aantal ecopunten voor het volgend jaar wordt berekend volgens de in punt 3 van bijlage 5 bij het protocol beschreven berekeningsmethode, die luidt als volgt: Op basis van de kwartaalwaarden van het lopende jaar, berekend overeenkomstig punt 2 hierboven, wordt een extrapolatie gemaakt om het gemiddelde NO x -niveau van vrachtwagens voor het volgende jaar te ramen. Deze geraamde waarde levert bij vermenigvuldiging met 0,0658 en met het aantal ecopunten voor 1991 als bedoeld in bijlage 4, het aantal ecopunten voor het betrokken jaar op.
89 In deze berekeningsmethode is de gemiddelde NO x -uitstoot voor het jaar volgend op het lopende jaar, de enige variabele. Deze variabele is van doorslaggevend belang voor het bepalen van de verlaging van het aantal ecopunten. Het gaat om een gemiddelde, geëxtrapoleerd op basis van de kwartaalwaarden van NO x -uitstoot van het lopende jaar, in dit geval het jaar 1999.
90 Met betrekking tot het vaststellen van de kwartaalwaarden van NO x -uitstoot tijdens het lopende jaar, bepaalt punt 2 van bijlage 5 bij het protocol: De Commissie berekent overeenkomstig de procedures van artikel 16 om de drie maanden het aantal ritten en het gemiddelde NO x -niveau van de vrachtwagens, gespecificeerd naar elke nationaliteit.
91 Blijkens de door de Commissie verstrekte en door de andere partijen niet betwiste inlichtingen wordt het gemiddelde niveau van NO x -uitstoot berekend op basis van het vermoeden dat het aantal voor elke transitorit gebruikte ecopunten overeenstemt met de NO x -uitstoot van de vrachtwagen die de rit aflegt, wat tot gevolg heeft dat in de berekening het gemiddelde niveau van de NO x -uitstoot door het gemiddelde gebruik van ecopunten wordt vervangen. Derhalve blijkt de in punt 2 van bijlage 5 bij het protocol voorgeschreven berekening van het gemiddelde niveau van de NO x -uitstoot van vrachtwagens in de praktijk gewoon neer te komen op het delen van het aantal gebruikte ecopunten door het totaal aantal geregistreerde ritten.
92 In de onderhavige zaak staat echter vast dat de Republiek Oostenrijk de Commissie voor het jaar 1999 statistieken heeft verstrekt waarin alle op haar grondgebied afgelegde transitoritten waren opgenomen, inclusief de ritten waarvoor de transporteur ecopunten had moeten gebruiken, maar dat niet heeft gedaan ( illegale transitoritten genoemd). Daaruit volgt dat in de aldus verstrekte statistieken het totaal aantal gebruikte ecopunten niet werd gedeeld door het aantal transitoritten waarvoor ecopunten werden gebruikt, maar door de som van dat aantal en het aantal ritten afgelegd zonder dat ecopunten in mindering werden gebracht, terwijl dit wel had moeten gebeuren.
93 In die berekening houdt het totaal aantal gebruikte ecopunten geen rekening met de illegale transitoritten, aangezien per definitie elke illegale transitorit overeenstemt met een gebruik van nul ecopunten. In dezelfde berekening zijn de illegale transitoritten echter wel opgenomen in het totaal aantal afgelegde transitoritten. Het opnemen in de noemer (te weten het totaal aantal afgelegde transitoritten) van de illegale transitoritten zonder ze ook op te nemen in de teller (te weten het totaal aantal gebruikte ecopunten) leidt er noodzakelijkerwijs toe dat het resultaat van de berekening naar beneden toe wordt omgebogen. De aldus berekende statistieken voor 1999, geëxtrapoleerd voor het volgende jaar overeenkomstig punt 3 van bijlage 5 bij het protocol, hebben geleid tot een gemiddelde NO x -uitstoot van 6,159 voor het jaar 2000.
94 Het is nochtans niet correct te beweren dat een vrachtwagen, door bij een transitorit door Oostenrijk geen enkel ecopunt te gebruiken, tijdens die transitorit geen NO x -uitstoot heeft veroorzaakt.
95 De in de punten 2 en 3 van bijlage 5 bij het protocol vermelde berekeningen zijn op de NO x -uitstoot en niet op het gebruik van de ecopunten gebaseerd. Deze laatste worden bij de berekeningen slechts fictief gebruikt in de plaats van de NO x -uitstoot.
96 Daaruit volgt dat de in de punten 92 en 93 van het onderhavige arrest beschreven en door de Oostenrijkse autoriteiten bepleite berekeningsmethode niet in overeenstemming is met de geldende bepalingen en tot een onjuist resultaat leidt. Volgens de aan het Hof verstrekte gegevens is deze fout ontdekt in augustus 2000 en heeft de Commissie, na een technische vergadering te Wenen, de statistieken over de kwartaalwaarden van de NO x -uitstoot in 1999 en de extrapolatie daarvan voor het volgende jaar overeenkomstig punt 3 van bijlage 5 bij het protocol verbeterd. Deze verbetering leverde een gemiddelde NO x -uitstoot van 6,9975 voor 2000 op. De opneming van dit cijfer in de berekening bedoeld in punt 3 van bijlage 5 bij het protocol leidde tot een geringere verlaging dan de oorspronkelijke. Deze verlaging werd door de Raad overgenomen in de bestreden verordening.
97 Vaststaat dat de Raad, door aldus te werk te gaan, overeenkomstig de letter en de geest van het protocol heeft gehandeld. De punten 2 en 3 van bijlage 5 bij het protocol hebben immers betrekking op de gemiddelde NO x -uitstoot van vrachtwagens en beogen niet de berekening van een fictief aantal ecopunten.
98 De argumenten van de Republiek Oostenrijk betreffende de toepassing van de berekeningsmethode bedoeld in punt 3 van bijlage 5 van het protocol moeten derhalve worden verworpen.
99 Met betrekking tot het middel inzake ontoereikende motivering zij eraan herinnerd dat het volgens de rechtspraak niet noodzakelijk is dat alle feitelijk of juridisch relevante omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst, doch ook op de context van de handeling, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Dit geldt te meer wanneer de lidstaten nauw betrokken zijn geweest bij het totstandkomingsproces van de bestreden handeling en dus de redenen kennen die aan deze handeling ten grondslag liggen (zie arrest van 22 november 2001, Nederland/Raad, C-301/97, Jurispr. blz. I-8853, punt 188, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
100 Vaststaat echter dat in de onderhavige zaak de Republiek Oostenrijk de aan de betrokken berekeningen ten grondslag liggende statistieken heeft verstrekt, dat deze statistieken met de Oostenrijkse autoriteiten werden besproken tijdens een bijzondere vergadering te Wenen en dat de Oostenrijkse regering zowel in het ecopuntencomité als in de Raad in elk stadium op de hoogte is gehouden van de wijzigingen die tot het vaststellen van de door haar betwiste cijfers hebben geleid.
101 De argumenten van de Oostenrijkse regering betreffende ontoereikende motivering zijn derhalve ongegrond. Bijgevolg moet het vijfde middel in zijn geheel worden afgewezen.
De handhaving van de gevolgen van de bestreden verordening
102 De Raad verzoekt het Hof om, in geval van nietigverklaring van de bestreden verordening, met name om redenen van rechtszekerheid de gevolgen van de verordening te handhaven totdat een nieuw besluit wordt vastgesteld. De Oostenrijkse regering en de Commissie hebben zich tijdens de mondelinge behandeling bij dit verzoek aangesloten.
103 Uit punt 77 van het onderhavige arrest blijkt dat artikel 1 van de bestreden verordening in strijd is met het protocol, voorzover het de verlaging van de ecopunten wegens de voor het jaar 1999 vastgestelde overschrijding van de drempel van de transitoritten spreidt over de jaren 2000 tot en met 2003.
104 Overeenkomstig artikel 231, tweede alinea, EG dienen de gevolgen van artikel 1 de bestreden verordening evenwel als gehandhaafd te worden beschouwd.
105 Uit punt 85 van het onderhavige arrest blijkt dat artikel 2, punt 4, van de bestreden verordening even onwettig is als artikel 1 ervan, aangezien het een overeenkomstig genoemd artikel 1 over vier jaar gespreide verlaging van de ecopunten over de lidstaten beoogt.
106 Net als met betrekking tot artikel 1 van de bestreden verordening dienen ook de gevolgen van artikel 2, punt 4, van genoemde verordening als gehandhaafd te worden beschouwd.
Kosten
107 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voorzover dit is gevorderd. Ingevolge artikel 69, lid 3, van het Reglement kan het Hof de proceskosten evenwel over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien in casu elke partij gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, moet worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding en van de procedure tot het verwijderen van een stuk uit het dossier van de zaak.
108 Volgens artikel 69, lid 4, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering dragen de Bondsrepubliek Duitsland, de Italiaanse Republiek en de Commissie als interveniënten hun eigen kosten.
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Verklaart nietig artikel 2, punt 1, van verordening (EG) nr. 2012/2000 van de Raad van 21 september 2000 houdende wijziging van bijlage 4 van Protocol nr. 9 van de Toetredingsakte van 1994 en van verordening (EG) nr. 3298/94 met betrekking tot het ecopuntensysteem voor in transito door Oostenrijk rijdende vrachtwagens.
2) Verklaart nietig de artikelen 1 en 2, punt 4, van deze verordening, maar verstaat dat de gevolgen ervan als gehandhaafd moeten worden beschouwd.
3) Verwerpt het beroep voor het overige.
4) Verstaat dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, daaronder begrepen de kosten van de procedure in kort geding en van de procedure tot het verwijderen van een stuk uit het dossier van de zaak.
5) Verstaat dat de Bondsrepubliek Duitsland, de Italiaanse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen hun eigen kosten zullen dragen.
Rodríguez Iglesias
Puissochet
Wathelet
Schintgen
Gulmann
Edward
La Pergola
Jann
Skouris
Macken
Colneric
von Bahr
Cunha Rodrigues
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 september 2003.
De griffier
De president
R. Grass
G. C. Rodríguez Iglesias
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy