Zaak C-457/00
Koninkrijk België
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
«Staatssteun – Steun ten gunste van Belgische groep Verlipack – Sector van verpakkingsholglas»
Conclusie van advocaat-generaal F. G. Jacobs van 19 september 2002 I - 0000 Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 3 juli 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
1.. Steunmaatregelen van de staten – Onderzoek door Commissie – Bepaling van begunstigde van steun – Daadwerkelijk genot – Mogelijkheid om rekening te houden met formulering van bestemmingsclausules in geval van lening en aldus andere persoon dan geldopnemer als begunstigde aan te merken – Noodzaak om overheidsmaatregel vooraf als steun voor geldopnemer aan te merken – Geen
(Art. 87, lid 1, EG)
2.. Steunmaatregelen van de staten – Beschikking waarin Commissie vaststelt dat steun onverenigbaar is met gemeenschappelijke markt – Moeilijkheden bij uitvoering – Verplichting van Commissie en lidstaat, samen te werken bij zoeken naar oplossing die Verdrag eerbiedigt
(Art. 10 EG en 88, lid 2, eerste alinea, EG)
3.. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikking waarin Commissie vaststelt dat steun onverenigbaar is met gemeenschappelijke markt
(Art. 87 EG en 253 EG)
1. Om de begunstigde van staatssteun te bepalen, moeten de ondernemingen worden aangewezen die daarvan daadwerkelijk hebben geprofiteerd. In geval van een lening is het niet uitgesloten dat de Commissie met de formulering van bestemmingsclausules rekening kan houden om die begunstigde aan te wijzen en dat een dergelijke beoordeling de conclusie wettigt dat de begunstigde niet de geldopnemer is. Aangezien artikel 87, lid 1, EG steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, verbiedt, hoeft, om tot een dergelijke conclusie te komen, niet vooraf worden vastgesteld dat de maatregel staatssteun vormt ten aanzien van de geldopnemer. cf. punten 55-57
2. Een lidstaat die, bij de uitvoering van een beschikking waarin wordt vastgesteld dat steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt en waarbij terugvordering ervan wordt gelast, op onverwachte problemen stuit, kan die problemen aan het oordeel van de Commissie voorleggen. Overeenkomstig het met name in artikel 10 EG tot uitdrukking gebrachte beginsel van loyale samenwerking tussen lidstaten en gemeenschapsinstellingen moeten de Commissie en de betrokken lidstaat in een dergelijk geval te goeder trouw samenwerken om met volledige inachtneming van de verdragsbepalingen, inzonderheid die betreffende steunmaatregelen, de moeilijkheden te overwinnen. cf. punt 99
3. Ook al kan in sommige gevallen reeds uit de omstandigheden waaronder staatssteun is verleend, blijken dat die steun het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig zal beïnvloeden en de mededinging zal vervalsen of dreigen te vervalsen, mag van de Commissie toch op zijn minst worden verwacht dat zij die omstandigheden aangeeft in de motivering van de beschikking waarin zij vaststelt dat die steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. cf. punt 103
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
3 juli 2003 (1)
„Staatssteun – Steun ten gunste van Belgische groep Verlipack – Sector van verpakkingsholglas”
In zaak C-457/00,
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door A. Snoecx als gemachtigde, bijgestaan door J.-M. De Backer, G. Vandersanden en L. Levi, advocaten,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep, strekkende tot nietigverklaring van beschikking 2001/856/EG van de Commissie van 4 oktober 2000 betreffende staatssteun ten gunste van Verlipack ─ België (PB 2001, L 320, blz. 28),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. A. O. Edward, A. La Pergola, P. Jann en S. von Bahr (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 11 juni 2002,gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 september 2002,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 december 2000, heeft het Koninkrijk België krachtens artikel 230, eerste alinea, EG verzocht om nietigverklaring van beschikking 2001/856/EG van de Commissie van 4 oktober 2000 betreffende staatssteun ten gunste van Verlipack ─ België (PB 2001, L 320, blz. 28; hierna: bestreden beschikking).
Rechtskader
2 Artikel 87, lid 1, EG luidt als volgt: Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.
3 Artikel 88 EG bepaalt:
1. De Commissie onderwerpt tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de dienstige maatregelen voor, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de gemeenschappelijke markt vereist.
2. Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel 87 niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, bepaalt zij dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn.
Indien deze staat dat besluit niet binnen de gestelde termijn nakomt, kan de Commissie of iedere andere belanghebbende staat zich in afwijking van de artikelen 226 en 227 rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden.Op verzoek van een lidstaat kan de Raad met eenparigheid van stemmen beslissen dat een door die staat genomen of te nemen steunmaatregel in afwijking van de bepalingen van artikel 87 of van de in artikel 89 bedoelde verordeningen als verenigbaar moet worden beschouwd met de gemeenschappelijke markt, indien buitengewone omstandigheden een dergelijke beslissing rechtvaardigen. Als de Commissie met betrekking tot deze steunmaatregel de in de eerste alinea van dit lid vermelde procedure heeft aangevangen wordt deze door het verzoek van de betrokken staat aan de Raad geschorst, totdat de Raad zijn standpunt heeft bepaald.Evenwel, indien de Raad binnen een termijn van drie maanden te rekenen van het verzoek zijn standpunt niet heeft bepaald, beslist de Commissie.
3. De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 87 onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.
4 Artikel 295 EG bepaalt: Dit Verdrag laat de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten onverlet.
5 Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1), bepaalt in artikel 9, getiteld Herroeping van een beschikking: Na de betrokken lidstaat de gelegenheid te hebben gegeven opmerkingen in te dienen, kan de Commissie een uit hoofde van artikel 4, leden 2 en 3, of artikel 7, leden 2, 3 en 4, gegeven beschikking herroepen, indien de beschikking berustte op tijdens de procedure verstrekte onjuiste informatie die voor de beschikking doorslaggevend was. [...]
6 De Commissie heeft haar algemeen standpunt met betrekking tot de deelneming van overheidsinstanties in het kapitaal van ondernemingen weergegeven in het Bulletin van de Europese Gemeenschappen (9-1984, blz. 98; hierna: richtsnoeren).
7 Volgens punt 3.1 van de richtsnoeren vormt het gewoon gedeeltelijk of volledig verwerven van het maatschappelijk kapitaal van een bestaande onderneming zonder inbreng van nieuw kapitaal geen steunmaatregel met betrekking tot die onderneming.
8 Overeenkomstig punt 3.2 van de richtsnoeren is er geen sprake van staatssteun bij het inbrengen van nieuw kapitaal in ondernemingen, indien die inbreng geschiedt in omstandigheden welke aanvaardbaar zouden zijn voor een particuliere investeerder die volgens de in een markteconomie normale gebruiken handelt.
9 Volgens punt 3.3 van de richtsnoeren is er daarentegen sprake van staatssteun bij de inbreng van nieuw kapitaal in ondernemingen, indien die inbreng geschiedt in omstandigheden welke niet aanvaardbaar zouden zijn voor een particuliere investeerder die handelt volgens de in een markteconomie normale voorwaarden.
10 Volgens punt 3.4 van de richtsnoeren is het bovendien mogelijk dat sommige deelnemingen niet kunnen worden ingedeeld in de onder de punten 3.2 en 3.3 van de richtsnoeren omschreven categorieën. In sommige gevallen mag evenwel worden vermoed dat het om steun gaat. Dat is met name het geval wanneer de financiële verrichting van de overheid een combinatie is van een deelneming en andere maatregelen waarvan op grond van artikel 88, lid 3, EG kennisgeving moet worden gedaan.
11 De mededeling van de Commissie aan de lidstaten van 13 november 1993 betreffende de toepassing van de artikelen [87] en [88] van het [EG]-Verdrag en van artikel 5 van richtlijn 80/723/EEG van de Commissie op openbare bedrijven in de industriesector (PB C 307, blz. 3; hierna: mededeling van 13 november 1993), hanteert volgens punt 12 ervan het criterium van de investeerder die tegen normale marktvoorwaarden handelt, zowel [...] om te bepalen of er sprake is van steun als om, in het bevestigende geval, het steungehalte te berekenen [...].
12 In punt 25 van de mededeling van 13 november 1993 wordt verduidelijkt dat niet [kan] worden onderscheiden tussen steun in de vorm van leningen en steun in de vorm van deelneming in het kapitaal van ondernemingen. Om vast te stellen of een dergelijke maatregel staatssteun oplevert, moet worden uitgegaan van het [...]criterium, te weten de mogelijkheden voor de onderneming om de betrokken bedragen op de particuliere kapitaalmarkt te verkrijgen.
13 In punt 39 van de mededeling van 13 november 1993 wordt erop gewezen dat het potentieel verlies [...] het volledige geleende bedrag (de hoofdsom) [is] en de rente die verschuldigd doch niet betaald is bij een eventuele staking van betalingen. Volgens hetzelfde punt komt het risico dat aan een lening is verbonden, doorgaans tot uiting in twee onderscheiden parameters, namelijk de berekende rentevoet en de gevraagde zekerheidstelling voor de lening. Volgens punt 40 van deze mededeling mag, wanneer het aan de lening verbonden risico naar schatting relatief groot is, worden verwacht dat het in die twee parameters tot uitdrukking komt. De Commissie voegt hieraan toe dat, wanneer dit niet het geval is, zij ervan zal uitgaan dat de betrokken onderneming een voordeel geniet, dit wil zeggen dat zij steun ontvangt.
14 Overeenkomstig punt 41 van de mededeling van 13 november 1993, is het steungehalte [...] het verschil tussen de rente die de onderneming normaliter zou moeten betalen (welke afhankelijk is van de financiële positie van het bedrijf en de geboden zekerheid) en de werkelijk betaalde rente. In hetzelfde punt preciseert de Commissie dat in het extreme geval dat een lening zonder zekerheid wordt toegekend aan een bedrijf dat onder normale omstandigheden geen financiering zou kunnen verkrijgen (bijvoorbeeld omdat de kans dat het de lening zal kunnen terugbetalen naar verwachting gering is), [...] de lening in feite gelijk[staat] met een subsidie en [...] zij als zodanig door de Commissie zal worden beoordeeld. Volgens punt 42 van die mededeling moet de situatie worden bekeken vanuit het standpunt van de kapitaalverschaffer op het tijdstip van de toekenning van de lening.
15 In de mededeling van de Commissie van 10 augustus 1996 over de methode voor de vaststelling van de referentie- en disconteringspercentages (PB C 232, blz. 10; hierna: mededeling van 10 augustus 1996), wordt in de derde alinea opgemerkt dat aan de hand van het referentiepercentage a priori het steunelement van rentesubsidieregelingen voor investeringskredieten kan worden berekend en dat het referentiepercentage wordt geacht een afspiegeling te zijn van het gemiddelde niveau van de geldende rentetarieven voor leningen met middellange en lange looptijd (vijf tot tien jaar), die van de gebruikelijke zekerheden vergezeld gaan. Overeenkomstig de vierde alinea van die mededeling wordt het referentiepercentage met ingang van 1 augustus 1996 berekend op basis van het gemiddelde rendement op staatsobligaties op de secundaire markt, na harmonisatie door het Europees Monetair Instituut, vermeerderd met een voor elke lidstaat afzonderlijk bepaalde premie.
16 De mededeling van 10 augustus 1996 is vervangen door de mededeling van de Commissie van 9 september 1997 over de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PB C 273, blz. 3), die bepaalt dat te rekenen van 1 augustus 1997 de referentiepercentages worden berekend aan de hand van de swaprente voor telkens vijf jaar, in de betrokken munteenheid, vermeerderd met een opslag van 75 basispunten.
De feiten ten grondslag aan het geding
17 De groep Verlipack (hierna: Verlipack) was tot haar faillissement in 1999 de grootste producent in België van holglas voor verpakkingen, met een marktaandeel van 20 % in België en 2 % in de Europese Unie. Zij stelde 735 personen tewerk in haar fabrieken te Ghlin, Jumet en Mol (België), die elk aan een afzonderlijke vennootschap toebehoorden.
18 In 1985 heeft de Belgische overheid een deelneming genomen in het kapitaal van Verlipack. De deelneming bedroeg toentertijd 49 % van het kapitaal. De rest van het kapitaal was in handen van een particuliere onderneming, de groep Beaulieu. Door kapitaalverhogingen door de groep Beaulieu is de staatsdeelneming geleidelijk verminderd. In 1996 heeft het Waalse Gewest zijn deelneming in het kapitaal van de vennootschappen Verlipack Ghlin en Verlipack Jumet aan de groep Beaulieu overgedragen.
19 Verlipack bevond zich toentertijd in economische moeilijkheden. In september 1996 heeft zij een akkoord inzake technische samenwerking gesloten met een van de belangrijkste Europese producenten van holglas voor verpakkingen ─ de Duitse groep Heye (hierna: Heye). Dit akkoord is in april 1997 uitgebreid tot managements- en financiële bijstand. De groepen Beaulieu en Heye hebben een door Heye gecontroleerde holding opgericht, de vennootschap Verlipack Holding I. Een tweede holding, de vennootschap Verlipack Holding II, is opgericht door de aandeelhouders van de vennootschap Verlipack Holding I en het Waalse Gewest, dat 350 miljoen BEF aan kapitaal heeft ingebracht.
20 Op 16 september 1998 heeft de Commissie besloten geen bezwaar tegen bedoelde kapitaalinbreng te maken (hierna: beschikking van 16 september 1998), na toetsing van de betrokken maatregelen aan de bepalingen van de artikelen 87 EG en 88 EG. Volgens deze beschikking strookten die maatregelen met de richtsnoeren. Zij heeft met name geconcludeerd dat de inbreng van het Waalse Gewest overeenkwam met het gedrag van een investeerder van risicokapitaal in normale omstandigheden van een markteconomie. Bovendien heeft de daarmee gepaard gaande meerderheidsinbreng van 500 miljoen BEF door een particulier investeerder, Heye, in de vennootschap Verlipack Holding I aangetoond dat de groep Verlipack op termijn rendabel en levensvatbaar was.
21 Volgens de pers en verschillende klagers hebben de productievestigingen van Verlipack in 1998 nieuwe verliezen geleden. Bovendien is de van april 1997 daterende particuliere inbreng van Heye in het kapitaal van de vennootschap Verlipack Holding I, volgens een klager in werkelijkheid verstrekt door het Waalse Gewest, in de vorm van twee leningen van 250 miljoen BEF.
22 Daarop heeft het Koninkrijk België verduidelijkingen verschaft over de evolutie van Verlipack en de beweringen met betrekking tot de verstrekking van twee leningen aan Heye. Het heeft met name uitgelegd dat Heye's deelneming, ten belope van 500 miljoen BEF, in het kapitaal van de vennootschap Verlipack Holding I, afkomstig was van twee leningen van de Société régionale d'investissement de Wallonie (hierna: SRIW).
23 De eerste lening, uitgegeven op 27 maart 1997, betrof 250 miljoen BEF, met een looptijd van vijf jaar en een vaste rente van 5,10 % plus 1 % risicopremie. Zij was bestemd voor de financiering van de kapitalisatie van de vestigingen te Ghlin en Jumet, alsmede van investeringen in de drie exploitatievestigingen van de groep Verlipack, waaronder de vestiging te Mol in Vlaanderen. Een clausule inzake de voorwaardelijke afstand van schuldvordering bepaalde dat, ingeval op de overeengekomen vervaldag van een schijf van de lening, de vennootschap Verlipack Holding II en de drie exploitatievennootschappen failliet zouden zijn verklaard, de bedragen die Heye vanaf die vervaldag, met inbegrip van het op die dag vervallen bedrag, verschuldigd was, niet meer hoefden worden terugbetaald aan de SRIW, die zich er in dat geval toe verbond afstand van schuldvordering te doen, mits Heye tot die dag regelmatig zowel de hoofdsom als de rente had afgelost. Deze clausule was evenwel niet van toepassing indien het faillissement het gevolg was van een weloverwogen beleid van meerderheidsaandeelhouder Heye als gevolg waarvan de productie naar derde landen werd overgebracht.
24 De tweede lening, met een looptijd van tien jaar, werd op 28 maart 1997 door de SRIW aan Heye toegekend tegen de interbancaire BIBOR-rente (Belgian Interbank Offered Rate) op zes maanden die gold op de eerste werkdag van elk semester waarvoor zij verschuldigd was, vermeerderd met 1,5 %. De lener kon evenwel vanaf het zesde jaar op elk moment voor een vaste rente van 7 % per jaar opteren, welke dan onveranderlijk werd voor de gehele resterende looptijd van de lening. De in de leningsovereenkomst opgenomen bestemmingsclausule bepaalde dat het gehele geleende bedrag, zoals bij de eerste lening, bestemd was voor de financiering van de kapitalisaties van de vestigingen te Ghlin en Jumet, en van investeringen in de drie exploitatievestigingen van de groep Verlipack. In de leningsovereenkomst was een clausule inzake onmiddellijke opeisbaarheid opgenomen waardoor de SRIW haar schuldvordering in bepaalde omstandigheden onmiddellijk kon terugvorderen, onder meer in geval van niet-uitvoering van de bestemmingsclausule.
25 Bij brief van 1 juli 1999 heeft de Commissie het Koninkrijk België in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, EG tegen de steun van het Waalse Gewest. Na de inleiding van die procedure heeft de Commissie opmerkingen ontvangen van drie klagers, van Heye en van genoemde lidstaat.
26 In januari 1999, dat wil zeggen geruime tijd voordat bedoelde brief werd verstuurd, waren de vennootschappen van de groep Verlipack failliet verklaard. In mei 1999 werd de vennootschap Verlipack Holding II geliquideerd.
De bestreden beschikking
27 In punt 98 van de motivering van de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat de kapitaalinbreng door het Waalse Gewest in april 1997 ten gunste van de groep Verlipack, alsook de toekenning van twee leningen door de SRIW in maart 1997 aan Heye ter financiering van diens kapitaalinbreng in Verlipack (hierna: litigieuze leningen), afkomstig waren uit overheidsmiddelen.
28 In punt 99 van de motivering van de bestreden beschikking heeft de Commissie opgemerkt dat, overeenkomstig de richtsnoeren, een vermoeden van steun bestaat wanneer de participatie gepaard gaat met andere maatregelen die op grond van artikel 88, lid 3, EG dienen te worden aangemeld. Volgens de Commissie kon de toekenning van de litigieuze leningen ter financiering van Heye's kapitaalinbreng in Verlipack als staatssteun worden beschouwd welke, in combinatie met de door het Waalse Gewest verrichte kapitaalinbreng in Verlipack, had moeten worden aangemeld.
29 In de punten 101 tot en met 114 van de motivering van de bestreden beschikking heeft de Commissie onderzocht of de betrokken steunmaatregelen verenigbaar zijn met het beginsel van de particuliere investeerder.
30 In punt 102 heeft de Commissie erop gewezen dat elke door een lidstaat toegekende steun die niet met het gedrag van een particulier investeerder overeenkomt, de begunstigde onderneming bevoordeelt, het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen of dreigen te vervalsen in de zin van artikel 87, lid 1, EG. In punt 103 heeft zij gesteld dat zulks overeenkomstig de richtsnoeren het geval zou zijn wanneer bij een kapitaalinbreng in ondernemingen waarvan het kapitaal tussen particuliere en openbare aandeelhouders is verdeeld, de overheidsparticipatie naar verhouding aanzienlijk groter is dan die van haar oorspronkelijke aandeel en de relatief kleinere deelneming van de particuliere aandeelhouders in hoofdzaak moet worden toegeschreven aan de slechte rentabiliteitsvooruitzichten van de onderneming.
31 De Commissie heeft in punt 106 een relatief kleinere deelneming van Heye vastgesteld bij haar intrede in de vennootschap Verlipack Holding II in april 1997. Gelet op de bestemmingsclausules, die erop gericht waren de herkapitalisatie van de groep Verlipack door middel van aan Heye geleende middelen te financieren, was de Commissie in punt 111 van mening dat die middelen slechts door Heye alsook door de vennootschap Verlipack Holding II waren doorgegeven aan Verlipack. Derhalve moest deze vennootschap worden beschouwd als de begunstigde van de leningen, waarvan zij als enige het genot heeft gehad.
32 In het licht van die overwegingen heeft de Commissie in punt 112 opgemerkt dat een geldschieter enerzijds geen deelneming van 350 miljoen BEF zou hebben genomen en anderzijds geen risicokapitaal voor een bedrag van 500 miljoen BEF zou hebben geleend en daarbij 50 % van het risico zou hebben gedekt, ingeval de rentabiliteitsvooruitzichten van Verlipack niet gunstig zouden blijken te zijn. Zij is in punt 114 tot de slotsom gekomen dat het Koninkrijk België zich niet heeft gedragen als een particuliere investeerder die handelt volgens de in een markteconomie normale voorwaarden.
33 Aangaande de eerste litigieuze lening, ten belope van 250 miljoen BEF, heeft de Commissie in punt 115 van de motivering van de bestreden beschikking vastgesteld dat zij een clausule bevat inzake afstand van schuldvordering bij faillissement van de groep Verlipack. Volgens haar zou geen enkele geldschieter de afstand van schuldvordering voor een bedrag van 250 miljoen BEF hebben aanvaard voor de indirecte financiering van de herkapitalisatie van een groep als Verlipack, waarvan de bedrijfsresultaten de moeilijkheden bewezen. Bijgevolg heeft de Commissie in punt 116 geconcludeerd dat die lening, die aan Heye was toegekend ter financiering van haar inbreng in het kapitaal van de groep Verlipack, een steunmaatregel ten gunste van deze laatste in de zin van artikel 87, lid 1, EG vormde.
34 Aangaande de tweede litigieuze lening, van eveneens 250 miljoen BEF, heeft de Commissie eraan herinnerd dat deze in maart 1997 was toegekend tegen een rentevoet van 4,92 % voor het tijdvak van 28 maart tot en met 30 september 1997, en tegen een rentevoet van 5,30 % voor het tijdvak van 1 oktober 1997 tot en met 30 september 1998. Volgens de Commissie moest men bij de vergelijking van de marktvoorwaarden met de voorwaarden van de onderzochte leningen echter uitgaan van de datum van toekenning van de leningen, dat wil zeggen 27 en 28 maart 1997. De referentierente die op die datum in België van toepassing was, bedroeg 7,21 %. De Commissie heeft geconcludeerd dat bij een looptijd van tien jaar met een aflossingvrije periode van drie jaar en voorzover de rentesubsidie variabel was, de toekenning van deze lening een steunelement van 2,85 % bruto bevatte, hetgeen overeenkwam met een bedrag van 7,125 miljoen BEF. Bovendien heeft de Commissie vastgesteld, dat in de leningsovereenkomst niet was voorzien in een zekerheidstelling door Heye voor het van de SRIW geleende bedrag. De Commissie heeft weliswaar kennis genomen van de brief van de bank van Heye waarin de solvabiliteit van deze laatste werd bevestigd, maar heeft opgemerkt dat zij eraan twijfelde of, bij gebreke van een zekerheidstelling, een particuliere financiële instelling een dergelijk risico zou hebben genomen.
35 Na te hebben vastgesteld dat de steunmaatregelen niet vielen onder de in artikel 87, leden 2 en 3, EG bedoelde afwijkingen, heeft de Commissie om te beginnen in punt 141 van de motivering van de bestreden beschikking geconcludeerd dat de kapitaalinbreng van het Waalse Gewest voor een bedrag van 350 miljoen BEF ten gunste van de groep Verlipack, in combinatie met de toekenning van de twee litigieuze leningen, die eveneens afkomstig waren uit staatsmiddelen, als steun in de zin van artikel 87, lid 1, EG moest worden aangemerkt, omdat de kapitaalinbreng van het Waalse Gewest niet was verricht in omstandigheden welke aanvaardbaar zouden zijn geweest voor een particuliere investeerder die handelt volgens de in een markteconomie normale voorwaarden.
36 Voorts heeft de Commissie in punt 142 geoordeeld dat de toekenning van de eerste litigieuze lening, die in werkelijkheid ten goede was gekomen aan Verlipack, een steunmaatregel in de zin van artikel 87, lid 1, EG vormde omdat de aanvaarding van een clausule inzake afstand van schuldvordering in geval van faillissement van Verlipack niet als het normale gedrag van een particuliere investeerder kon worden beschouwd.
37 Tot slot heeft de Commissie in punt 143 geoordeeld dat de toekenning van de tweede litigieuze lening, voor een identiek bedrag, waarvan de begunstigde eveneens in werkelijkheid Verlipack was, een steunelement van 7,125 miljoen BEF bevatte. Daar geen zekerheid was gesteld, kon het gedrag van de SRIW evenmin als dat van een particuliere investeerder worden aangemerkt.
38 In die omstandigheden heeft de Commissie de bestreden beschikking gegeven, waarvan de artikelen 1 tot en met 5, lid 1, als volgt luiden: Artikel 1 De beschikking van de Commissie van 16 september 1998 geen bezwaar te maken tegen de kapitaalinbreng ten gunste van Verlipack wordt op grond van artikel 9 van verordening (EG) nr. 659/1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag herroepen. Artikel 2 De door België ten uitvoer gelegde staatssteun ten gunste van de groep Verlipack voor een bedrag van 8 676 273 EUR (350 miljoen BEF) is met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar. Artikel 3 De door België ten uitvoer gelegde staatssteun ten gunste van de groep Verlipack voor een bedrag van 6 197 338 EUR (250 miljoen BEF) is met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar. Artikel 4 De door België ten uitvoer gelegde staatssteun ten gunste van de groep Verlipack voor een bedrag van 6 197 338 EUR (250 miljoen BEF) bevat een steunelement van 176 624 EUR (7,125 miljoen BEF) dat met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is. Artikel 5
1. België neemt alle nodige maatregelen om de in de artikelen 2 tot en met 4 bedoelde en reeds onwettig ter beschikking gestelde steun van de begunstigde terug te vorderen.
Conclusies van partijen
39 Het Koninkrijk België vordert nietigverklaring van de bestreden beschikking en veroordeling van de Commissie in de kosten.
40 Tot staving van zijn beroep voert het aan dat de Commissie de artikelen 87 EG en 295 EG heeft geschonden door vast te stellen dat de betrokken maatregelen van het Waalse Gewest overheidssteun vormden. Het Koninkrijk België voert met name aan dat de Commissie ten onrechte heeft vastgesteld dat de SRIW niet als een particuliere investeerder had gehandeld bij de toekenning van de litigieuze leningen en dat de Commissie Verlipack ten onrechte als begunstigde van de in de artikelen 2 tot en met 4 van de bestreden beschikking heeft aangemerkt. Het stelt voorts dat de Commissie een aantal keren de motiveringsplicht heeft geschonden.
41 De Commissie vordert ongegrondverklaring van het beroep en verwijzing van het Koninkrijk België in de kosten.
Het eerste middel, ontleend aan schending van de artikelen 87 EG en 295 EG
Het eerste onderdeel van het eerste middel, ontleend aan het vermoeden dat de litigieuze leningen staatssteun vormden
42 Het Koninkrijk België voert aan dat, door er in punt 99 van de motivering van de bestreden beschikking van uit te gaan dat de twee litigieuze leningen steunmaatregelen vormden omdat het Waalse Gewest kapitaal ten gunste van de vennootschap Verlipack Holding II had ingebracht, de Commissie het begrip staatssteun heeft miskend en heeft geprejudicieerd op de grond van de zaak, in strijd met de artikelen 87 EG en 295 EG.
43 Dienaangaande zij vastgesteld dat de Commissie in voormeld punt 99 herinnert aan de inhoud van punt 3.4 van de richtsnoeren, die zij terecht als van toepassing op de bedoelde maatregelen heeft aangemerkt.
44 Voormeld punt van de motivering van de bestreden beschikking vormt de inleiding van het onderdeel dat gewijd is aan de beoordeling van de steun. In dit onderdeel van de beschikking onderzoekt de Commissie de omstandigheden waaronder de twee litigieuze leningen zijn verstrekt en concludeert zij na een grondige beoordeling, dat die omstandigheden onverenigbaar zijn met het beginsel van de particuliere investeerder. Derhalve kan uit geen enkel element worden afgeleid dat de Commissie, in strijd met de artikelen 87 EG en 295 EG, heeft geprejudicieerd op de grond van de zaak.
45 In die omstandigheden moet het eerste onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.
Het tweede onderdeel van het eerste middel, ontleend aan onjuiste toepassing van het criterium van de particuliere investeerder
46 Het Koninkrijk België voert aan dat de Commissie het criterium van de particuliere investeerder onjuist heeft toegepast. Volgens hem heeft de SRIW het dossier van de financiering van Verlipack door Heye grondig onderzocht op basis van het zakenplan en de documenten die deze laatste had meegedeeld. Op de datum van de toekenning van de twee litigieuze leningen waren de elementen die de geloofwaardigheid van het dossier bewezen talrijk en in detail aan de Commissie uiteengezet.
47 Dienaangaande zij vastgesteld dat, om te bepalen of de Commissie het criterium van de particuliere investeerder correct heeft toegepast, moet worden nagegaan of een particuliere investeerder die aangaande de financiële situatie van Verlipack over dezelfde informatie beschikte als de Waalse autoriteiten, onder dezelfde voorwaarden als de Waalse autoriteiten de twee litigieuze leningen zou hebben toegekend.
48 Wat de economische situatie van Verlipack betreft, blijkt met name uit een interne nota van 7 januari 1997 aan de raad van beheer van de SRIW, dat aan de toekenning van de twee litigieuze leningen, die bestemd waren voor de herstructurering van Verlipack, zeer grote risico's verbonden waren. Volgens die nota was de groep Beaulieu er ondanks aanzienlijke investeringen niet in geslaagd te komen tot een betere kwaliteit van het product, een normale productiviteit of financiële resultaten op grond waarvan op een betere toekomst voor Verlipack kon worden gehoopt. Volgens die nota was de overname van Verlipack door Heye de enige en laatste kans om een faillissement te vermijden.
49 In het licht van die omstandigheden hebben de Waalse autoriteiten ingestemd met de toekenning van de eerste litigieuze lening, die een clausule van afstand van schuldvordering in geval van faillissement bevatte, alsmede met de tweede litigieuze lening, zonder enige zekerheid van Heye te eisen.
50 Bijgevolg toont het Koninkrijk België niet aan dat de Commissie het criterium van de particuliere investeerder onjuist heeft toegepast door te oordelen dat de Waalse autoriteiten de twee litigieuze leningen hebben toegekend in omstandigheden die niet aanvaardbaar zouden zijn geweest voor een particuliere investeerder die handelt volgens de in een markteconomie normale voorwaarden.
51 Derhalve moet het tweede onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
Het derde onderdeel van het eerste middel, volgens hetwelk Verlipack ten onrechte als begunstigde van de twee litigieuze leningen is aangemerkt
52 Het Koninkrijk België voert aan dat de vaststelling in punt 109 van de motivering van de bestreden beschikking, als zou Verlipack de daadwerkelijke begunstigde zijn van overheidsmiddelen die aan Heye ter beschikking zijn gesteld, berust op een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten. Het voert subsidiair aan dat een dergelijke vaststelling het begrip begunstigde schendt.
53 Een bestemmingsclausule is als zodanig niet betwistbaar, aangezien zij in de meeste kredietovereenkomsten is vervat. Heye is wel degelijk de daadwerkelijke schuldenaar van de door de SRIW geleende bedragen en moest deze overigens vervroegd terugbetalen, niettegenstaande de voor de eerste litigieuze lening voorziene clausule van afstand van schuldvordering. Alvorens te bepalen wie de begunstigde van de steun is, moet bijgevolg worden vastgesteld of er sprake is van steun, en daarvoor moeten de kenmerken van de maatregel worden beoordeeld.
54 Het Koninkrijk België voert eveneens aan dat de aanduiding van Verlipack als begunstigde van de litigieuze leningen, met zich brengt dat de bestreden beschikking onmogelijk kan worden uitgevoerd.
55 Dienaangaande moeten, om de begunstigde van staatssteun te bepalen, de ondernemingen worden aangewezen die daarvan daadwerkelijk hebben geprofiteerd.
56 Ofschoon clausules betreffende de bestemming van geleende bedragen zonder meer legitiem zijn, is het niet uitgesloten dat de Commissie met de formulering ervan rekening kan houden om de begunstigde van een steunmaatregel aan te wijzen.
57 Het is mogelijk dat een dergelijke beoordeling de conclusie wettigt dat de begunstigde van de staatssteun niet de lener is. Aangezien artikel 87, lid 1, EG steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, verbiedt, hoeft, om tot een dergelijke conclusie te komen, niet vooraf worden vastgesteld dat de maatregel staatssteun vormt ten aanzien van de lener.
58 In casu heeft de Commissie, kort gezegd, in de punten 109 en 111 van de motivering van de bestreden beschikking vastgesteld dat Heye, gelet op de bestemmingsclausules, verplicht was de middelen die hem door de SRIW waren geleend aan Verlipack door te geven om de herstructurering van die groep mogelijk te maken.
59 Voorts moet worden vermeld dat het Koninkrijk België niet betwist dat genoemde middelen inderdaad voor Verlipack zijn aangewend.
60 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Commissie terecht heeft geconcludeerd dat de betrokken overheidsmiddelen uiteindelijk ten goede zijn gekomen aan Verlipack.
61 Tot slot kunnen de moeilijkheden die aan terugvordering van de steun verbonden zijn doordat Verlipack als de begunstigde van de betrokken maatregelen wordt beschouwd, niet afdoen aan de geldigheid van deze conclusie.
62 In die omstandigheden moet het derde onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
Het vierde onderdeel van het eerste middel, ontleend aan tegenstrijdigheid van de bestreden beschikking met de beschikking van 16 september 1998
63 Het Koninkrijk België voert aan dat de Commissie niet, zonder zichzelf tegen te spreken, in de beschikking van 16 september 1998 kon oordelen dat Verlipack in april 1997 redelijkerwijze rendabel kon worden geacht, en in punt 115 van de motivering van de bestreden beschikking van mening zijn, dat de bedrijfsresultaten van die groep dermate waren dat in maart 1997 geen enkele geldschieter de eerste litigieuze lening zou hebben verstrekt. Toentertijd waren de economische omstandigheden immers dezelfde, namelijk een redelijk vooruitzicht op levensvatbaarheid van de groep. Bijgevolg heeft de Commissie de feiten kennelijk verkeerd beoordeeld, haar beschikking onjuist gemotiveerd, het begrip staatssteun miskend en tevens afbreuk gedaan aan het beginsel van rechtszekerheid.
64 De Commissie heeft hoe dan ook het begrip staatssteun miskend door te oordelen dat de volledige eerste lening een steunmaatregel vormde. Aangezien Heye financieel gezond was, bestond het steunelement in de lening uitsluitend in het verschil tussen de rentevoet op basis van een referentiepercentage en de rentevoet die op de markt zou zijn verkregen gelet op de terugbetalingsvoorwaarden. De clausule van afstand van schuldvordering vormde overigens een minder groot risico dan de Commissie aannam, aangezien die clausule de terugbetaling van het bedrag van die lening wegens de voortijdige opzegging door de SRIW van de tussen deze laatste en Heye gesloten overeenkomst niet kon beletten.
65 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de beschikking van 16 september 1998 is ingetrokken krachtens artikel 9 van verordening nr. 659/1999, aangezien zij berustte op onjuiste informatie die in de loop van de procedure was verstrekt. Bijgevolg vormt het feit dat die beschikking en de bestreden beschikking wegens naderhand verstrekte informatie verschillende beoordelingen met betrekking tot de economische situatie van Verlipack bevatten, geen tegenstrijdige motivering.
66 In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat krachtens de clausule van afstand van terugvordering die is vervat in de eerste litigieuze lening, Heye in geval van faillissement van Verlipack niet meer verplicht was de door haar aan de SRIW verschuldigde bedragen terug te betalen. Het aan deze lening verbonden risico hing dus niet zozeer af van de financiële situatie van Heye, maar van die van Verlipack. En zoals blijkt uit de bestreden beschikking, die op dit punt door verzoeker niet wordt betwist, was de financiële situatie van Verlipack zeer slecht, welke situatie SRIW bekend was op de datum waarop de lening is toegekend.
67 In die omstandigheden heeft de Commissie terecht geoordeeld, dat de toekenning van de eerste litigieuze lening een belangrijk risico impliceerde voor de SRIW en dat geen enkele geldschieter een dergelijk risico op zich zou hebben genomen.
68 Derhalve moet het vierde onderdeel van het eerste middel worden verworpen.
Het vijfde onderdeel van het eerste middel, ontleend aan de toepassing van een verkeerd referentiepercentage
69 Het Koninkrijk België is het er niet mee eens, dat de Commissie het voor de eerste helft van 1997 geldende referentiepercentage van 7,21 % op de lening van 28 maart 1997 heeft toegepast. De Commissie heeft dit referentiepercentage toegepast zonder de voorwaarden voor de toekenning van de twee litigieuze leningen te toetsen aan de stukken en de argumenten die de Belgische autoriteiten hadden meegedeeld in het kader van de procedure van artikel 88 EG, inzonderheid zonder zich uit te spreken over de brieven van diverse banken in dat verband of over een door de vennootschap KPMG uitgevoerd onderzoek met betrekking tot de wijze van vaststelling van de referentiepercentages in de context van steunregelingen voor ondernemingen binnen de Europese Unie. Derhalve heeft de Commissie de motiveringsplicht geschonden. Door automatisch het referentiepercentage toe te passen heeft zij voorts verzuimd de haar door artikel 87 EG verleende beoordelingsbevoegdheid uit te oefenen en het criterium van de particuliere investeerder miskend.
70 Volgens het onderzoek van de vennootschap KPMG stemde het bijzonder hoge referentiepercentage toentertijd niet overeen met de marktrente. Het Koninkrijk België voegt hieraan toe dat de Commissie naar aanleiding van dit onderzoek heeft besloten haar methode voor de vaststelling van de referentiepercentages per 1 augustus 1997 te wijzigen. Het wijst er bovendien op dat de Belgische autoriteiten de Commissie twee brieven hebben meegedeeld, de ene van de bank Artesia en de andere van het Krediet aan de Nijverheid, die aantoonden dat de rentevoeten overeenstemden met de marktrente en met het door de Commissie per 1 augustus 1997 vastgestelde referentiepercentage. Het herinnert eraan dat de Belgische autoriteiten de Commissie een brief van de Dresdner Bank hadden overgelegd waarin werd verklaard dat deze bank kredietfaciliteiten voor een bedrag tussen 10 en 99 miljoen DEM zonder waarborg toekende. Bijgevolg kan het verwijt van de Commissie dat ten gunste van de SRIW geen zekerheid was gesteld, niet worden aanvaard.
71 Dienaangaande zij erop gewezen dat het referentiepercentage wordt gebruikt ter berekening van het steunelement dat besloten ligt in rentesubsidieregelingen voor investeringsleningen. In de bestreden beschikking heeft de Commissie het referentiepercentage toegepast zoals dat was berekend op basis van de in de mededeling van 10 augustus 1996 vastgestelde criteria, welke mededeling van toepassing was op de op 28 maart 1997 toegekende lening.
72 Om redenen van rechtszekerheid en gelijkheid van behandeling is de Commissie doorgaans van mening, dat het legitiem is het gedurende een bepaald tijdvak vigerende referentiepercentage op alle gedurende dit tijdvak toegekende leningen toe te passen.
73 Bovendien blijkt uit punt 117 van de bestreden beschikking, dat de Commissie het referentiepercentage heeft toegepast gelet op de specifieke kenmerken van de leningsovereenkomst, namelijk dat deze was toegekend op basis van een looptijd van tien jaar, met een vrijstelling van terugbetaling van drie jaar, een variabele rentesubsidie en zonder dat Heye zekerheid hoefde te stellen.
74 Gelet op deze bijzonderheden heeft verzoeker derhalve niet aangetoond dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de litigieuze lening, ook al was deze verstrekt tegen een normale rentevoet, een element van staatssteun bevatte.
75 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de toepassing van het op de datum van toekenning van de litigieuze lening van 28 maart 1997 geldende referentiepercentage volledig gerechtvaardigd lijkt. Geen van de door het Koninkrijk België aangevoerde bankbrieven ontkracht deze conclusie.
76 In die omstandigheden moet het vijfde onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
Het zesde onderdeel van het eerste middel, ontleend aan het ontbreken van een bijzondere beoordeling van de betrokken steunmaatregelen
77 Het Koninkrijk België voert aan dat de Commissie maatregelen die in juridisch opzicht volledig verschillen en die afzonderlijk hadden moeten worden beoordeeld, tot één pakket heeft samengevoegd. De Commissie heeft bij haar onderzoek van de kapitaalinbreng van het Waalse Gewest, de twee litigieuze leningen beoordeeld alsof deze waren geherkwalificeerd als rechtstreekse kapitaalinbreng ten gunste van Verlipack. Derhalve heeft zij het begrip staatssteun miskend.
78 Dienaangaande zij vastgesteld dat alle in geding zijnde maatregelen, namelijk de twee litigieuze leningen en de kapitaalinbreng, min of meer gelijktijdig zijn uitgevoerd door twee nauw met elkaar verbonden instellingen die dezelfde doelstelling nastreefden, te weten de herstructurering van het in zware moeilijkheden verkerende Verlipack mogelijk te maken.
79 Zoals blijkt uit punt 3.4 van de richtsnoeren, bestaat een vermoeden van steun wanneer de financiële verrichting van de overheid een combinatie is van een deelneming en andere maatregelen waarvan op grond van artikel 88, lid 3, EG kennisgeving moet worden gedaan.
80 In die omstandigheden heeft de Commissie bij het onderzoek van de verenigbaarheid van de kapitaalinbreng met artikel 87 EG terecht rekening gehouden met het bestaan van de twee litigieuze leningen.
81 Hieruit volgt dat het zesde onderdeel van het eerste middel moet worden afgewezen.
Het zevende onderdeel van het eerste middel, ontleend aan kennelijk onjuiste beoordeling van de aard van de met staatsmiddelen bekostigde maatregelen
82 Het Koninkrijk België voert aan dat de Commissie, door te oordelen dat Heye geen risicokapitaal, maar gelden uit staatsmiddelen heeft ingebracht, de juridische en economische aard van de betrokken verrichtingen zonder enige rechtvaardiging heeft geherkwalificeerd.
83 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat de Commissie in de punten 101 en 106 van de motivering van de bestreden beschikking terecht heeft vastgesteld dat de gelden van de twee litigieuze leningen niet afkomstig waren van een particuliere geldschieter, maar van een overheidsorgaan, in casu de SRIW, die niet met een particuliere investeerder kan worden gelijkgesteld. Deze vaststelling vormt geen ongerechtvaardigde herkwalificatie van de betrokken verrichtingen.
84 In die omstandigheden moet het zevende onderdeel van het eerste middel worden verworpen.
Het achtste onderdeel van het eerste middel, ontleend aan kennelijk onjuiste beoordeling van de daadwerkelijke deelneming van de particuliere partners
85 Het Koninkrijk België voert in de eerste plaats aan dat de Commissie in punt 106 van de motivering van de bestreden beschikking ten onrechte stelt dat Heye zich, door de SRIW om financiering te verzoeken, op het moment van haar intrede in Verlipack heeft teruggetrokken. Deze leningen moesten immers tegen normale marktvoorwaarden worden terugbetaald. Bovendien was Heye belast met een belangrijk investeringsprogramma, als gevolg waarvan deze onderneming een aanzienlijke kapitaalverhoging heeft moeten doorvoeren.
86 In de tweede plaats voert het Koninkrijk België aan dat het juridisch en economisch onjuist is te oordelen, zoals de Commissie in de punten 108 tot en met 110 van de motivering van de bestreden beschikking doet, dat Heye slechts als tussenpersoon is opgetreden en geen risicokapitaal in Verlipack heeft ingebracht. De Commissie heeft bijgevolg niet zonder een kennelijke beoordelingsfout te begaan kunnen oordelen, dat de particuliere partners van het Waalse Gewest zich vanaf de maand maart 1997 hebben teruggetrokken.
87 In de derde plaats is het standpunt van de Commissie tegenstrijdig. Hoewel de Commissie de twee litigieuze leningen als kapitaalinbreng van het Waalse Gewest lijkt aan te merken, beschouwt zij ze immers als leningen wanneer zij de voorwaarden voor toekenning ervan onderzoekt om na te gaan of er al dan niet sprake is van een steunelement. De Commissie moet bijgevolg erkennen dat, ook al kon Heye eventueel worden geacht in die leningen vervatte steun te hebben ontvangen, de kapitaalinbreng van 515 250 000 BEF een onderscheiden en autonome verrichting vormde, door een particuliere vennootschap uitgevoerd als een investering die op den duur rendabel kon worden.
88 In de vierde plaats is het standpunt van de Commissie eveneens tegenstrijdig wanneer zij oordeelt dat een particuliere investeerder geen kapitaalinbreng ten belope van 350 miljoen BEF zou hebben verricht, noch risicokapitaal ten bedrage van 500 miljoen BEF zou hebben geleend, maar ten aanzien van laatstgenoemd bedrag wel concludeert dat enkel een bedrag van 257 125 000 BEF (250 miljoen BEF + 7,125 miljoen BEF) staatssteun vormde.
89 Wat het eerste argument betreft, blijkt uit punt 106 van de motivering van de bestreden beschikking, dat de Commissie een zekere terugtrekking van Heye heeft vastgesteld wegens het feit dat deze laatste slechts 50 % van het risico van haar investering in Verlipack dekte. Zelfs gelet op de door het Koninkrijk België aangevoerde omstandigheden vormt deze vaststelling geen kennelijke beoordelingsfout.
90 Aangaande het tweede en het derde argument moet worden verwezen naar de punten 55 tot en met 62 en 78 en 79 van dit arrest, waarin respectievelijk de redenen worden uiteengezet waarom de Commissie het recht had rekening te houden met de litigieuze leningen om te beoordelen of de kapitaalinbreng strookte met artikel 87 EG, en de redenen waarom de Commissie terecht heeft geconcludeerd dat de begunstigde van de staatssteun Verlipack en niet Heye was.
91 Wat het vierde argument betreft zij vastgesteld dat de bestreden beschikking geen tegenstrijdigheid bevat tussen de overwegingen van de Commissie dat geen enkele particuliere investeerder kapitaal ten belope van het totale bedrag van de twee litigieuze leningen zou hebben verstrekt en het feit dat zij heeft geconcludeerd dat dat bedrag niet volledig staatssteun vormde.
92 Derhalve moet het achtste onderdeel van het eerste middel, en bijgevolg het gehele middel, worden afgewezen.
Het tweede middel, ontleend aan schending van de motiveringsplicht
93 Het Koninkrijk België voert aan dat de bestreden beschikking de in artikel 253 EG bedoelde motiveringsplicht op vier verschillende wijzen heeft geschonden.
94 In de eerste plaats heeft de Commissie in het dispositief van de bestreden beschikking Verlipack zonder nadere precisering aangewezen als begunstigde van de twee litigieuze leningen. Derhalve kan aan de hand van die beschikking niet worden bepaald, ten aanzien van welke vennootschap de Commissie de terugvordering van de betrokken steun gelast.
95 In de tweede plaats voert het Koninkrijk België aan dat artikel 4 van de bestreden beschikking een flagrante tegenstrijdigheid bevat, aangezien het bepaalt dat de door België ten uitvoer gelegde staatssteun ten gunste van de groep Verlipack voor een bedrag van 6 197 338 EUR (250 miljoen BEF) [...] een steunelement van 176 624 EUR (7,125 miljoen BEF) [bevat] dat met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is.
96 In de derde plaats herhaalt de bestreden beschikking woordelijk het standpunt dat de Commissie had ingenomen bij de inleiding van de formele onderzoeksprocedure, zodat moet worden aangenomen dat zij geen rekening heeft gehouden met de stukken, verklaringen en argumenten die de Belgische autoriteiten in de loop van die procedure naar voren hebben gebracht.
97 In de vierde plaats heeft de Commissie verzuimd, in de bestreden beschikking voor elk van de bekritiseerde verrichtingen de weerslag van de betrokken maatregelen op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten te onderzoeken. In de punten 102 en 103 van de motivering verwijst de beschikking enkel naar de criteria die in de richtsnoeren in theoretische en algemene bewoordingen zijn vermeld. Het Koninkrijk België voert aan dat de bestreden beschikking zelfs geen beschrijving van de betrokken markt bevat. Dit onderzoek was te meer vereist nu de Commissie in 1998 had besloten geen bezwaar te maken tegen de kapitaalverhoging door het Waalse Gewest ten gunste van de vennootschap Verlipack Holding II.
98 Wat de eerste grief betreft, zij erop gewezen dat de onwettige steun blijkens de bestreden beschikking moet worden teruggevorderd van de groep Verlipack, die bestaat uit de vennootschappen Verlipack Holding I en Verlipack Holding II, alsmede van hun dochtermaatschappijen.
99 Zo het Koninkrijk België dienaangaande ernstige twijfel koesterde, had het, zoals iedere lidstaat die bij de uitvoering van een bevel tot terugvordering op onverwachte problemen stuit, die problemen hoe dan ook aan het oordeel van de Commissie kunnen voorleggen. Overeenkomstig het met name in artikel 10 EG tot uitdrukking gebrachte beginsel van loyale samenwerking moeten de Commissie en de betrokken lidstaat in een dergelijk geval te goeder trouw samenwerken om met volledige inachtneming van de verdragsbepalingen, inzonderheid die betreffende steunmaatregelen, de moeilijkheden te overwinnen (arrest van 21 maart 1991, Italië/Commissie, C-303/88, Jurispr. blz. I-1433, punt 58).
100 Aangaande de tweede grief zij vastgesteld dat hier, zoals de Commissie erkent, sprake is van een schrijffout. Deze kan de lezer van de bestreden beschikking evenwel niet in verwarring brengen. Uit de motivering van de beschikking, inzonderheid punt 143 ervan, blijkt immers duidelijk dat de lening ten belope van 250 miljoen BEF, die door de SRIW is toegekend aan Heye, een steunelement van 7,125 miljoen BEF bevat.
101 Aangaande de derde grief volstaat het vast te stellen, zoals de advocaat-generaal in punt 117 van zijn conclusie opmerkt, dat tal van elementen van de motivering van de bestreden beschikking met betrekking tot de beoordeling van de in het geding zijnde verrichtingen, bedoeld zijn als antwoord op de argumenten die de Belgische autoriteiten en de andere partijen in de loop van de administratieve procedure aan de Commissie hebben voorgelegd.
102 Wat de vierde en laatste grief betreft staat vast dat het Koninkrijk België deze pas in het stadium van de repliek heeft aangevoerd. Een gebrek aan motivering of een ontoereikende motivering, waardoor toetsing door de gemeenschapsrechter wordt belemmerd, is evenwel een middel van openbare orde dat door deze laatste ambtshalve kan en zelfs moet worden opgeworpen (arrest van 20 februari 1997, Commissie/Daffix, C-166/95 P, Jurispr. blz. I-983, punt 24). Derhalve moet ook deze laatste grief worden onderzocht.
103 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, ook al kan in sommige gevallen reeds uit de omstandigheden waaronder de steun is verleend, blijken dat die steun het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig zal beïnvloeden en de mededinging zal vervalsen of dreigen te vervalsen, van de Commissie toch op zijn minst mag worden verwacht dat zij die omstandigheden in de motivering van haar beschikking aangeeft (arrest van 24 oktober 1996, Duitsland e.a./Commissie, C-329/93, C-62/95 en C-63/95, Jurispr. blz. I-5151, punt 52).
104 Zoals de advocaat-generaal in punt 123 van zijn conclusie opmerkt, vermeldt de Commissie in punt 130 van de motivering van de bestreden beschikking de omstandigheden die de structuur van de betrokken markt aantonen, het marktaandeel van Verlipack en de redenen waarom de verleende steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging op die markt kan vervalsen.
105 Hieruit volgt dat het tweede middel, ontleend aan schending van de in artikel 253 EG bedoelde motiveringsplicht, moet worden verworpen.
106 In die omstandigheden moet het beroep volledig worden verworpen.
Kosten
107 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst het Koninkrijk België in de kosten.
Timmermans
Edward
La Pergola
Jann
von Bahr
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 juli 2003.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
R. Grass
M. Wathelet
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy