Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging - Ontoelaatbaarheid
(art. 226 EG)
Partijen
In zaak C-460/00,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius en M. Patakia als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door N. Dafniou en S. Chala als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om volledig te voldoen aan richtlijn 96/48/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem (PB L 235, blz. 6), en, subsidiair, door deze niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: S. von Bahr, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. A. O. Edward, A. La Pergola, L. Sevón (rapporteur), en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 juli 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 december 2000, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om volledig te voldoen aan richtlijn 96/48/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem (PB L 235, blz. 6; hierna: richtlijn") en, subsidiair, door deze niet aan de Commissie mede te delen, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 De richtlijn heeft met name tot doel, de onderlinge koppeling en de interoperabiliteit van de nationale netten voor hoge-snelheidstreinen alsmede de toegang tot deze netten te bevorderen.
3 Artikel 23, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten uiterlijk 30 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om aan deze richtlijn te voldoen en dat zij de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis stellen.
4 Artikel 25 van de richtlijn bepaalt, dat zij in werking [treedt] op de eenentwintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen". Aangezien de richtlijn op 17 september 1996 is bekendgemaakt, is zij dus op 8 oktober 1996 in werking getreden en verstreek de omzettingstermijn op 8 april 1999.
5 Overeenkomstig de procedure van artikel 226, eerste alinea, EG heeft de Commissie, na de Helleense Republiek in de gelegenheid te hebben gesteld haar opmerkingen te maken, deze lidstaat bij brief van 24 januari 2000 een met redenen omkleed advies toegezonden, met het verzoek binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van dit advies de nodige maatregelen te nemen om aan zijn verplichtingen uit hoofde van de richtlijn te voldoen.
6 Aangezien de Griekse regering geen gevolg heeft gegeven aan de in het met redenen omkleed advies geformuleerde grieven, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
7 De Commissie is van mening, dat de Helleense Republiek, door niet de voor de omzetting van de richtlijn noodzakelijke maatregelen vast te stellen, de krachtens de artikelen 10, eerste alinea, EG en 249, derde alinea, EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
8 Tot staving van haar verweer wijst de Griekse regering op een ontwerp van presidentieel besluit dat is opgesteld om de Griekse wetgeving met de richtlijn in overeenstemming te brengen. De procedure voor de vaststelling van dit decreet is nog niet voltooid. In dupliek preciseert de Griekse regering, dat dit ontwerp door de minister van Transport en Communicatie is ondertekend, maar nog moet worden ondertekend door de minister van Nationale Economie en de minister van Ontwikkelingssamenwerking. Vervolgens zal het ontwerp door de Raad van State worden onderzocht en door de president van de Republiek worden ondertekend.
9 De Griekse regering stelt, dat de omzetting van de richtlijn is vertraagd omdat de met de verwezenlijking van de essentiële eisen verbonden problemen moeten worden geregeld en moet worden bepaald welke instanties voor de procedures betreffende de EG-verklaring van conformiteit worden aangewezen".
10 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen (zie, onder meer, arresten van 15 juni 2000, Commissie/Griekenland, C-470/98, Jurispr. blz. I-4657, punt 11, en 7 december 2000, Commissie/Italië, C-423/99, Jurispr. blz. I-11167, punt 10).
11 Aangezien de richtlijn niet binnen de voorgeschreven termijn is omgezet, moet het door de Commissie ingestelde beroep gegrond worden geacht.
12 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek, door niet binnen de voorgeschreven termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om volledig aan de richtlijn te voldoen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de voorgeschreven termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om volledig te voldoen aan richtlijn 96/48/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem, is de Helleense Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy