Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep wegens nalaten - Termijnen - Verval van recht - Mogelijkheid om zich op beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen te beroepen - Voorwaarde
[EG-Verdrag, art. 175 (thans art. 232 EG)]
2. Beroep wegens nalaten - Opheffing van nalaten na instelling van beroep - Beroep zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing - Brief in zin van artikel 6 van verordening nr. 99/63
[EG-Verdrag, art. 175 en 176 (thans art. 232 EG en 233 EG); verordening nr. 99/63 van de Commissie, art. 6]
3. Hogere voorziening - Middelen - Middel gericht tegen beslissing van Gerecht omtrent kosten - Niet-ontvankelijkheid in geval van afwijzing van alle andere middelen
('s Hofs Statuut-EG, art. 51, tweede alinea)
Samenvatting
1. Om een beroep te kunnen doen op het vertrouwensbeginsel teneinde het verval van recht ten gevolge van het overschrijden van de termijn voor het instellen van een beroep wegens nalaten te vermijden, moet de verzoeker zich kunnen beroepen op verwachtingen die zijn gebaseerd op nauwkeurige toezeggingen vanwege de communautaire administratie of van gedragingen van die administratie die bij een burger te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken kan worden verlangd, een aanvaardbare verwarring kunnen veroorzaken. Dit is niet het geval met algemene, openbare verklaringen van een lid van de Commissie, noch met herhaalde contacten tussen de betrokkene en de Commissie na de aanmaning van deze laatste.
Aangezien uit de zeer algemene formulering van een brief van het met het concurrentiebeleid belaste lid van de Commissie aan de indiener van een klacht als bedoeld in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 17 volgt dat deze brief in geen geval nauwkeurige toezeggingen kon bevatten of voor de betrokkene een bron kon zijn van een aanvaardbare verwarring, welke gegronde verwachtingen konden wekken die een voor rechterlijke bescherming vatbaar gewettigd vertrouwen konden doen ontstaan, heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat betrokkene geen beroep op het vertrouwensbeginsel kon doen om te ontsnappen aan het verstrijken van de beroepstermijnen, die van openbare orde zijn en door partijen niet naar eigen believen kunnen worden vastgesteld.
( cf. punten 50-52 )
2. De grondgedachte van de in artikel 175 van het Verdrag (thans artikel 232 EG) voorziene beroepsmogelijkheid is, dat bij onwettig nalaten van de betrokken instelling het Hof kan worden verzocht vast te stellen dat dit nalaten, voor zover de betrokken instelling hieraan nog geen einde heeft gemaakt, in strijd is met het Verdrag. Blijkens artikel 176 van het Verdrag (thans artikel 233 EG) heeft deze vaststelling tot gevolg dat de verwerende instelling gehouden is de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof, onverminderd de vorderingen wegens niet-contractuele aansprakelijkheid die uit deze vaststelling kunnen voortvloeien. Wanneer de handeling waarvan het uitblijven het voorwerp van het geschil vormt, is vastgesteld nadat het beroep aanhangig is gemaakt, doch voordat het arrest is gewezen, kan een verklaring van het Hof houdende vaststelling van de onwettigheid van het aanvankelijke nalaten niet meer tot de in artikel 176 van het Verdrag voorziene gevolgen leiden. Bijgevolg is het beroep in een dergelijk geval, evenals wanneer de verwerende instelling binnen twee maanden heeft gereageerd op de uitnodiging tot handelen, zonder voorwerp geraakt, zodat op dit beroep niet meer behoeft te worden beslist. Het feit dat verzoekster geen genoegen neemt met het aldus door de Commissie ingenomen standpunt, is in dit verband niet van belang, daar artikel 175 van het Verdrag ziet op een nalaten door het niet nemen van een besluit of het niet bepalen van een standpunt, en niet op het verrichten van een andere handeling dan de betrokkene wenselijk of noodzakelijk acht.
Meer in het bijzonder in het kader van een klacht wegens schending van de mededingingsregels, vormt een door de Commissie aan de indiener van een op artikel 3, lid 2, van verordening nr. 17 gebaseerde klacht gezonden brief die aan de voorwaarden van artikel 6 van verordening nr. 99/63 voldoet, een standpuntbepaling in de zin van artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag, waardoor een einde komt aan het niet-handelen van de Commissie en het door de indiener van de klacht ingestelde beroep wegens nalaten zonder voorwerp geraakt.
( cf. punten 83-84 )
3. Wanneer alle andere middelen van een hogere voorziening zijn afgewezen, moet het middel inzake de vermeende onwettigheid van de beslissing van het Gerecht omtrent de kosten ingevolge artikel 51, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG, volgens hetwelk een hogere voorziening niet uitsluitend betrekking kan hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten, niet ontvankelijk worden verklaard.
( cf. punt 93 )
Partijen
In zaak C-44/00 P,
Société de distribution mécanique et d'automobiles SA (Sodima), in gerechtelijke vereffening, gevestigd te Istres (Frankrijk), vertegenwoordigd door J. C. Fourgoux, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van P. Schiltz, advocaat aldaar, Rue Béatrix de Bourbon 4,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Eerste kamer) van 13 december 1999, Sodima/Commissie (T-190/95 en T-45/96, Jurispr. blz. II-3617), strekkende tot vernietiging van dit arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Marenco, juridisch hoofdadviseur, en F. Siredey-Garnier, bij de juridische dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: V. Skouris, kamerpresident, R. Schintgen (rapporteur) en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: R. Grass
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 februari 2000, heeft Société de distribution mécanique et d'automobiles SA (hierna: Sodima") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 13 december 1999, Sodima/Commissie (T-190/95 en T-45/96, Jurispr. blz. II-3617; hierna: bestreden arrest"), waarbij haar beroep in zaak T-190/95 niet-ontvankelijk is verklaard, waarbij is verstaan dat op haar vordering wegens nalaten in zaak T-45/96 niet behoefde te worden beslist, waarbij haar beroep in die laatste zaak voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard, en waarbij Sodima is verwezen in de kosten van zaak T-190/95 en is beslist dat in zaak T-45/96 elke partij haar eigen kosten zal dragen.
De feiten en de procedure voor het Gerecht
2 In de punten 1 tot en met 17 van het bestreden arrest worden de aan het geding ten grondslag liggende feiten en de procedure voor het Gerecht uiteengezet als volgt.
3 Sodima was sinds 1984 dealer van motorvoertuigen van het merk Peugeot. De dealerovereenkomst werd door Automobiles Peugeot SA, fabrikant van voertuigen van de merken Peugeot en Citroën (hierna: PSA"), opgezegd op een datum die niet uit het dossier blijkt. Op 17 december 1992 meldde Sodima surseance van betaling aan. Op 24 juli 1996 werd zij in gerechtelijke vereffening gesteld.
4 Bij de Franse rechterlijke instanties is een geding aanhangig tussen Sodima en PSA, in het kader waarvan Sodima vordert dat PSA wordt veroordeeld tot aanzuivering van haar passief van 14 miljoen FRF.
5 Op 1 juli 1994 diende Sodima bij de Commissie tegen PSA een klacht in op grond van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204; hierna: verordening nr. 17"). Sodima stelde dat de door haar gesloten dealerovereenkomst, zowel wat de tekst als de uitvoering ervan betreft, onverenigbaar was met artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) en verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen (PB 1985, L 15, blz. 16). Zij vorderde van de Commissie intrekking van de groepsvrijstelling overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 123/85 en artikel 8 van verordening nr. 17, alsmede vaststelling van voorlopige maatregelen.
6 Op 5 augustus 1994 deelde de Commissie aan PSA de klacht van Sodima tezamen met de lijst van de door deze geproduceerde bewijsstukken mee, opdat deze haar standpunt zou bepalen. Op 26 oktober 1994 richtte de Commissie, waarbij meerdere soortgelijke klachten waren ingediend, een verzoek om inlichtingen aan PSA op grond van artikel 11 van verordening nr. 17.
7 Nadat PSA om toezending van alle door Sodima geproduceerde stukken had verzocht, vroeg de Commissie Sodima, of zij hiertegen bezwaar had in verband met het zakengeheim. Sodima stemde toe, doch verzette zich tegen mededeling van haar stukken aan derden of gebruik ervan in andere door de diensten van de Commissie gevolgde procedures.
8 Bij brieven van 13 december 1994 en 16 januari 1995 en vervolgens bij brieven van 23 januari, 7 februari en 1 maart 1995 verzocht Sodima de Commissie, haar het aan PSA gerichte verzoek om inlichtingen respectievelijk de opmerkingen van PSA betreffende haar klacht mee te delen. Zij ontving evenwel geen antwoord.
9 Op 15 februari 1995 antwoordde PSA op het verzoek om inlichtingen van de Commissie, waarbij zij zich verzette tegen mededeling van haar antwoorden aan Sodima op grond dat het om zakengeheimen ging. Op 27 februari 1995 deed PSA de Commissie haar standpunt betreffende Sodima's klacht toekomen.
10 In een brief van 14 maart 1995 maande Sodima de Commissie aan, zo spoedig mogelijk overeenkomstig artikel 175 EG-Verdrag (thans artikel 232 EG) haar standpunt betreffende de klacht te bepalen.
11 Op 12 oktober 1995 heeft Sodima het beroep in zaak T-190/95 ingesteld, dat bij aanvullende memorie van 17 mei 1996 is gecompleteerd. Sodima concludeerde, dat het het Gerecht behage:
- vast te stellen dat de Commissie op onrechtmatige wijze heeft nagelaten een standpunt betreffende Sodima's klacht te bepalen;
- nietig te verklaren de stilzwijgende beschikking van de Commissie houdende weigering stukken aan Sodima mede te delen;
- nietig te verklaren de stilzwijgende beschikking van de Commissie tot voeging van Sodima's klacht met andere klachten;
- de Commissie niet-contractueel aansprakelijk te verklaren en te verklaren, dat zij de schade ten belope van 200 000 euro per jaar met ingang van 14 maart 1995 moet vergoeden;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
12 Bij afzonderlijke akte van 8 december 1995 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid van dit beroep opgeworpen, die bij beschikking van 30 januari 1997 met de zaak ten gronde is gevoegd.
13 Bij schrijven van 4 januari 1996 maande Sodima de Commissie overeenkomstig artikel 175 van het Verdrag andermaal aan, PSA een mededeling van de punten van bezwaar te sturen.
14 Op 27 maart 1996 heeft Sodima het beroep in zaak T-45/96 ingesteld, dat hetzelfde voorwerp heeft als het beroep in zaak T-190/95.
15 Op 27 januari 1997 stuurde de Commissie Sodima een mededeling in de zin van artikel 6 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, 127, blz. 2268), waarin zij liet weten voornemens te zijn de klacht af te wijzen. In bijlage bij die brief zond de Commissie Sodima de door PSA verstrekte inlichtingen waarvoor het zakengeheim niet gold. Op 13 maart 1997 antwoordde Sodima, dat zij niet naar behoren haar opmerkingen kenbaar kon maken, omdat haar slechts een gedeelte van het dossier was meegedeeld.
16 Bij beschikking van 5 januari 1999 wees de Commissie Sodima's klacht af. Sodima heeft bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring van die beschikking ingesteld (zaak T-62/99).
17 Bij beschikking van 21 januari 1999 heeft de president van de Eerste kamer van het Gerecht besloten, de zaken T-190/95 en T-45/96 voor de mondelinge behandeling en het arrest te voegen.
18 Bij op 25 maart 1999 ter griffie van het Gerecht binnengekomen brief heeft Sodima verzocht om voeging van zaak T-62/99 met de reeds eerder gevoegde zaken T-190/95 en T-45/96. Zij liet weten, dat zij in geval van voeging van laatstbedoelde zaken met zaak T-62/99 afstand zou doen van haar vorderingen wegens nalaten. Aangezien de zaken T-190/95 en T-45/96 in staat van wijzen waren, heeft het Gerecht beslist dat deze niet met zaak T-62/99 dienden te worden gevoegd.
Het bestreden arrest
19 Wat om te beginnen het beroep van Sodima in zaak T-190/95 betreft, stelde het Gerecht in punt 24 van het bestreden arrest vast dat Sodima's aanmaningsbrief aan de Commissie 14 maart 1995 was gedateerd, en dat hoewel de datum waarop de Commissie die brief had ontvangen, niet bleek uit het dossier, Sodima niet betwistte dat de in artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag gestelde termijn van in totaal vier maanden was verstreken op het tijdstip waarop zij het beroep heeft ingesteld.
20 In punt 25 van het bestreden arrest oordeelde het Gerecht dat Sodima niet met een beroep op het vertrouwensbeginsel de toepassing van artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag kan vermijden onder verwijzing naar haar contacten met de Commissie na de aanmaning. Het Gerecht herinnerde eraan dat de beroepstermijnen van openbare orde zijn, zodat partijen en de rechter er niet naar believen over kunnen beschikken, en leidde daaruit af dat verklaringen van de Commissie in haar briefwisseling met Sodima of openbare standpuntbepalingen van deze instelling niet van invloed konden zijn op de ontvankelijkheid van het beroep.
21 In punt 26 van het bestreden arrest voegde het Gerecht hieraan toe dat in de verklaringen waarop Sodima zich in casu beriep, hoe dan ook werd gesproken over de wijze waarop de Commissie de klacht wilde behandelen en over de activiteiten van de Commissie in de automobielsector in het algemeen, doch dat deze verklaringen niets bevatten dat verwarring kon wekken omtrent de in artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag vastgelegde beroepstermijn.
22 In punt 29 van het bestreden arrest leidde het Gerecht hieruit af dat de vordering wegens nalaten in zaak T-190/95 niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
23 Wat de vordering tot nietigverklaring in die zaak betreft, merkte het Gerecht in punt 31 van het bestreden arrest op, dat als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG), zijn te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, doch dat het loutere stilzwijgen van een instelling dergelijke gevolgen niet in het leven kon roepen, behoudens wanneer zulks uitdrukkelijk in een bepaling van gemeenschapsrecht is voorzien.
24 Zoals het Gerecht in punt 32 van het bestreden arrest in herinnering brengt, bepaalt het gemeenschapsrecht in een aantal specifieke gevallen immers dat het stilzwijgen van een instelling als een besluit geldt wanneer die instelling om een standpuntbepaling is verzocht en zij bij het verstrijken van een bepaalde termijn niets van zich heeft laten horen. Zonder dergelijke uitdrukkelijke bepalingen, waarbij een termijn wordt gesteld na afloop waarvan een stilzwijgend besluit wordt geacht te zijn genomen en de inhoud van dat besluit wordt vastgesteld, kan het niet-handelen van een instelling echter niet worden gelijkgesteld met een besluit, omdat anders het door het Verdrag ingestelde stelsel van rechtsbescherming op losse schroeven zou worden gezet. In punt 33 van het bestreden arrest oordeelt het Gerecht verder dat de verordeningen nr. 17 en nr. 99/63 evenwel niet bepalen dat het stilzwijgen van de Commissie na een verzoek om mededeling van documenten als impliciete afwijzende beschikking geldt. Zo aan haar verzoek geen gevolg wordt gegeven, kan de klagende partij dus hetzij de Commissie op grond van artikel 175 van het Verdrag aanmanen en in voorkomend geval beroep wegens nalaten instellen, hetzij in het kader van een beroep tot nietigverklaring van de na afloop van de procedure door de Commissie gegeven beschikking elke eventuele onwettigheid als gevolg daarvan aanvoeren.
25 In punt 34 van het bestreden arrest leidde het Gerecht hieruit af, dat het verzuim van de Commissie om het verzoek van Sodima om mededeling van bepaalde stukken in te willigen, niet als een voor beroep vatbare beschikking kon worden gekwalificeerd.
26 Wat de beweerde stilzwijgende beschikking tot voeging van de klachten betreft, stelde het Gerecht in punt 36 van het bestreden arrest vast, dat Sodima niet had aangetoond dat een dergelijke beschikking was gegeven, noch in hoeverre een voeging van de klachten voor haar bezwarend zou zijn, en in het bijzonder dat het verwijt dat de Commissie door Sodima geproduceerde stukken aan andere klagers zou hebben meegedeeld, niet door enig element uit het dossier werd bevestigd.
27 In punt 37 van het bestreden arrest leidde het Gerecht hieruit af dat de vorderingen tot nietigverklaring in zaak T-190/95 niet-ontvankelijk waren.
28 Wat de vordering tot schadevergoeding in die zaak betreft, oordeelde het Gerecht als volgt:
41 Volgens artikel 19 van 's Hofs Statuut en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze aanduiding moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden, en om het Gerecht in staat te stellen, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep. Om de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, wordt voor de ontvankelijkheid van een beroep geëist, dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk zijn weergegeven in de tekst van het verzoekschrift zelf (zie beschikking Gerecht van 29 november 1993, Koelman/Commissie, T-56/92, Jurispr. blz. II-1267, punt 21, en arrest Gerecht van 6 mei 1997, Guérin automobiles/Commissie, T-195/95, Jurispr. blz. II-679, punt 20).
42 Om aan deze vereisten te voldoen, moet een beroep tot vergoeding van de door een gemeenschapsinstelling veroorzaakte schade bevatten: de gegevens die het mogelijk maken te bepalen welke gedraging de verzoeker aan de instelling verwijt, de redenen waarom de verzoeker meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een oorzakelijk verband bestaat, en de aard en de omvang van die schade (zie arrest Gerecht van 18 september 1996, Asia Motor France e.a./Commissie, T-387/94, Jurispr. blz. II-961, punt 107).
43 In casu verwijt verzoekster in haar memories de Commissie, dat deze haar klacht met vertraging heeft behandeld, en stelt zij, dat haar door die vertraging schade is berokkend.
44 Wat evenwel de aard en de omvang van die schade en het oorzakelijk verband betreft, maakt verzoekster enkel, zonder nadere precisering gewag van een door haar bij de Franse rechter tegen PSA ingestelde schadevordering. Zij spreekt in dit verband ook van ,aanzuivering van haar passief, zonder evenwel te verduidelijken wat de nationaalrechtelijke grondslag van haar vordering is. Evenmin verschaft zij concrete aanwijzingen over het stadium waarin die procedure zich bevindt, noch over de door PSA aangevoerde verweermiddelen. Zij stelt weliswaar, dat haar schadevergoedingsactie door de nationale rechter is aangehouden totdat de Commissie uitspraak op haar klacht heeft gedaan, doch zij geeft niet concreet aan, welke invloed een eventuele beschikking van de Commissie zal hebben op de door de nationale rechter te geven beslissing. Voorts maakt zij melding van een door PSA ingediend verzoek om opschorting van de behandeling, zonder evenwel te preciseren, wanneer of met welke motivering dit verzoek is ingediend, noch welk gevolg daaraan is of zou kunnen worden gegeven.
45 Op grond van het verzoekschrift kan dus niet worden uitgemaakt, wat de aard en de omvang van de door verzoekster gestelde schade is, noch kan op basis daarvan worden bepaald dat er een oorzakelijk verband tussen die beweerde schade en de gelaakte gedraging van de Commissie bestaat. Het stelt de gemeenschapsrechter dus niet in staat om zijn toezicht uit te oefenen en de Commissie niet om verweer te voeren.
46 Hieruit volgt, dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 19 van 's Hofs Statuut en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
47 Derhalve is het beroep tot schadevergoeding niet-ontvankelijk."
29 Wat vervolgens Sodima's beroep in zaak T-45/96 betreft, merkte het Gerecht in punt 48 van het bestreden arrest op dat de vordering wegens nalaten in die zaak zonder voorwerp was geraakt, omdat de Commissie Sodima op 27 januari 1997 een mededeling in de zin van artikel 6 van verordening nr. 99/63 had doen toekomen en op 5 januari 1999 een definitieve beschikking tot afwijzing van Sodima's klacht had gegeven. In punt 49 van het bestreden arrest oordeelde het Gerecht bijgevolg dat op deze vordering niet meer behoefde te worden beslist.
30 In punt 50 van het bestreden arrest stelde het Gerecht vast dat Sodima's vorderingen in de zaken T-45/96 en T-190/95 identiek waren, dezelfde beweerde beschikkingen betroffen en tot vergoeding van dezelfde schade strekten, en dat Sodima tot staving van die vorderingen dezelfde middelen en argumenten aanvoerde. In punt 51 van het bestreden arrest leidde het Gerecht hieruit af dat de vorderingen tot nietigverklaring en tot schadevergoeding in zaak T-45/96 dan ook niet-ontvankelijk waren op dezelfde gronden als uiteengezet bij het onderzoek van zaak T-190/95.
31 Wat ten slotte de kosten betreft, oordeelde het Gerecht in punt 52 van het bestreden arrest dat, aangezien Sodima in zaak T-190/95 in het ongelijk was gesteld, zij overeenkomstig artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moest worden verwezen in de kosten.
32 In punt 53 van het bestreden arrest oordeelde het Gerecht dat het overeenkomstig artikel 87, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering in zaak T-45/96 vrijelijk over de kosten kon beslissen, omdat niet meer behoefde te worden beslist op het beroep wegens nalaten. Op grond van de vaststelling dat Sodima in het ongelijk was gesteld met betrekking tot haar vorderingen tot nietigverklaring en tot schadevergoeding, besliste het Gerecht overeenkomstig artikel 87, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering dat elke partij haar eigen kosten zou dragen.
De hogere voorziening
33 In hogere voorziening vordert Sodima vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de Commissie in alle kosten.
34 De Commissie vordert de afwijzing van de hogere voorziening wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid of alleszins wegens kennelijke ongegrondheid, en verwijzing van Sodima in de kosten.
Beoordeling door het Hof
35 Wanneer de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, kan het Hof overeenkomstig artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering op ieder moment bij met redenen omklede beschikking de hogere voorziening afwijzen zonder tot de mondelinge behandeling over te gaan.
36 Dienaangaande zij er om te beginnen aan herinnerd dat volgens artikel 225 EG en artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG de hogere voorziening is beperkt tot rechtsvragen en moet zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht (zie, met name, arrest van 16 maart 2000, Parlement/Bieber, C-284/98 P, Jurispr. blz. I-1527, punt 30).
37 Artikel 112, lid 1, eerste alinea, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat het verzoekschrift in hogere voorziening de aangevoerde middelen en argumenten moet bevatten.
38 Uit bovengenoemde bepalingen volgt dat een hogere voorziening slechts kan worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof ingevolge artikel 225 EG bevoegd, toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en daaraan rechtsgevolgen heeft verbonden (zie, met name, reeds aangehaald arrest Parlement/Bieber, punt 31).
39 Uit deze bepalingen volgt eveneens dat een hogere voorziening de bestreden elementen van het arrest alsmede de argumenten rechtens tot staving van de vordering tot vernietiging daarvan nauwkeurig moet aangeven. Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten herhaalt of letterlijk overneemt, en zelfs geen argumenten naar voren brengt waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof niet bevoegd is (zie, onder meer, arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C-352/98 P, Jurispr. blz. I-5291, punten 34 en 35).
40 De hogere voorziening van Sodima moet worden onderzocht tegen de achtergrond van deze beginselen.
41 In deze hogere voorziening kunnen zes middelen worden onderscheiden, die achtereenvolgens dienen te worden beoordeeld.
Het eerste middel
42 Met haar eerste middel verwijt Sodima het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste beoordeling feitelijk en rechtens", door de vordering wegens nalaten in zaak T-190/95 niet-ontvankelijk te verklaren.
43 Volgens Sodima heeft het Gerecht bij de beoordeling van de laattijdige instelling van haar beroep wegens nalaten niet naar behoren rekening gehouden met het vertrouwensbeginsel.
44 Volgens Sodima was zij omtrent de voortgang en de gunstige afloop van haar dossier gerustgesteld door de door het met het concurrentiebeleid belaste lid van de Commissie aan de advocaat van Sodima gerichte brief van 28 juni 1995 volgens welke Sodima's klacht reeds aanleiding tot een grondig onderzoek" had gegeven, waardoor de Commissie weldra een standpunt (kon) bepalen". Gelet op de hoedanigheid van de ondertekenaar ervan was deze brief overduidelijk bedoeld om Sodima ertoe aan te zetten niet onmiddellijk een beroep wegens nalaten in te stellen ten vervolge op haar aanmaningsbrief van 14 maart 1995.
45 De rechtmatige verwachtingen die de Commissie aldus bij Sodima had doen ontstaan, werden bevestigd door de herhaalde openbare verklaringen en standpunten van hetzelfde lid van de Commissie.
46 Volgens Sodima heeft zij haar beroep ingesteld onmiddellijk nadat zij een kopie van een brief van de Commissie van 12 september 1995 aan PSA had ontvangen, waaruit bleek dat in het dossier geen vooruitgang was geboekt. Onder die omstandigheden meent Sodima dat het beroep moet worden geacht binnen de voorgeschreven termijnen te zijn ingesteld en derhalve ontvankelijk te zijn.
47 Om over dit middel te oordelen zij er meteen aan herinnerd dat, zoals uit de punten 36 en 38 van deze beschikking blijkt, een hogere voorziening slechts kan worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels door het Gerecht, met uitsluiting van iedere feitelijke vaststelling of beoordeling.
48 Bijgevolg is de hogere voorziening slechts ontvankelijk voor zover het Gerecht wordt verweten, rechtsregels te hebben geschonden waarvan het de naleving diende te verzekeren.
49 Daaruit volgt dat Sodima's eerste middel als kennelijk niet-ontvankelijk moet worden afgewezen voor zover het is gebaseerd op een beweerde onjuiste beoordeling van de feiten" door het Gerecht.
50 Verder moet worden opgemerkt dat volgens de rechtspraak, om een beroep te kunnen doen op het vertrouwensbeginsel teneinde het verval van recht ten gevolge van het overschrijden van de termijn voor het instellen van een beroep wegens nalaten te vermijden, de verzoeker zich moet kunnen beroepen op verwachtingen die zijn gebaseerd op nauwkeurige toezeggingen vanwege de communautaire administratie of van gedragingen van die administratie die bij een burger te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken kan worden verlangd, een aanvaardbare verwarring kunnen veroorzaken. Dit is echter niet het geval met algemene, openbare verklaringen van een lid van de Commissie, noch met herhaalde contacten tussen de betrokkene en de Commissie na de aanmaning van deze laatste (zie, in die zin, arresten van 15 december 1994, Bayer/Commissie, C-195/91 P, Jurispr. blz. I-5619, punt 26, en 23 november 1995, Dominikanerinnen-Kloster Altenhohenau, C-285/93, Jurispr. blz. I-4069, punt 27).
51 Onder die omstandigheden heeft het Gerecht in de punten 25 en 26 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat Sodima in casu geen beroep op het vertrouwensbeginsel kon doen om te ontsnappen aan het verstrijken van de beroepstermijnen, die van openbare orde zijn en door partijen niet naar believen kunnen worden vastgesteld (zie, met name, arrest van 11 mei 1989, Maurissen en Union syndicale/Rekenkamer, 193/87 en 194/87, Jurispr. blz. 1045, punt 39).
52 Zoals de Commissie terecht heeft betoogd, volgt uit de zeer algemene formulering van de brief van het met het concurrentiebeleid belaste lid van de Commissie aan de advocaat van Sodima van 28 juni 1995 immers, dat die brief in geen geval nauwkeurige toezeggingen kon bevatten of voor Sodima een bron zijn van aanvaardbare verwarring welke gegronde verwachtingen konden wekken, die een voor rechterlijke bescherming vatbaar gewettigd vertrouwen konden doen ontstaan.
53 Dit klemt temeer, daar in die brief geenszins wordt gepreciseerd in welke richting de door de Commissie te nemen beslissing zou gaan, zodat Sodima helemaal geen grond had om aan te nemen dat aan haar klacht een gunstig gevolg zou worden gegeven.
54 Gelet op het voorgaande moet het eerste middel als ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en ten dele kennelijk ongegrond worden afgewezen.
Het tweede middel
55 Met haar tweede middel verwijt Sodima het Gerecht dat het een beoordelingsfout heeft gemaakt en de procedurele waarborgen heeft geschonden door de vordering tot nietigverklaring in zaak T-190/95 niet-ontvankelijk te verklaren.
56 Dit middel bestaat uit twee onderdelen.
57 Ter ondersteuning van het eerste onderdeel van dit middel betoogt Sodima dat het Gerecht de rechten van de verdediging en haar recht op een eerlijk proces heeft geschonden door de stilzwijgende beschikking van de Commissie houdende weigering haar na haar aanmaningsbrief van 14 maart 1995 bepaalde stukken van het dossier mede te delen, niet nietig te verklaren. Volgens Sodima had het Gerecht deze grief ambtshalve moeten onderzoeken, aangezien de weigering van de Commissie een schending inhield van de van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht deel uitmakende fundamentele rechten die zijn geformuleerd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
58 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat dit deel van Sodima's vordering voor het Gerecht strekte tot de nietigverklaring van een beweerde stilzwijgende beschikking van de Commissie houdende weigering haar na haar aanmaningsbrief van 14 maart 1995 bepaalde stukken van het dossier mede te delen.
59 Alvorens deze vordering ten gronde te beoordelen, heeft het Gerecht onderzocht of de beschikking" als een voor beroep tot nietigverklaring vatbare handeling kon worden aangemerkt. Het Gerecht is terecht tot de conclusie gekomen dat dit in casu niet het geval was om de in de punten 31 tot en met 33 van het bestreden arrest vermelde redenen die reeds zijn uiteengezet in de punten 23 en 24 van deze beschikking. Bijgevolg heeft het Gerecht Sodima's vordering tot nietigverklaring logischerwijs niet-ontvankelijk verklaard zonder zich over de wettigheid van de beweerde beschikking van de Commissie te moeten uitspreken.
60 De argumenten die Sodima in het kader van het eerste onderdeel van haar tweede middel aanvoert, hebben evenwel tot doel noch tot gevolg deze conclusie van het Gerecht op losse schroeven te zetten. Zij betreffen immers uitsluitend de grond van de zaak en doen niet af aan de vaststellingen in de punten 32 en 33 van het bestreden arrest dat in een situatie als de onderhavige het stilzitten van de Commissie niet als een voor beroep vatbare beschikking kan worden aangemerkt, en dat over de eventuele onrechtmatigheid van de handelwijze van deze instelling slechts in het kader van een beroep tot nietigverklaring van de eindbeschikking van de Commissie betreffende verzoekster klacht, kan worden geoordeeld.
61 Onder die omstandigheden treft het eerste onderdeel van dit middel geen doel en is het bijgevolg kennelijk ongegrond.
62 Ter ondersteuning van het tweede onderdeel van haar tweede middel betoogt Sodima ten eerste dat het Gerecht is voorbijgegaan aan de voorwaarde van vertrouwelijkheid, die Sodima's advocaat uitdrukkelijk had opgelegd in de brief aan de Commissie van 8 december 1994 - volgens welke Sodima zich verzette tegen mededeling van de aan PSA overgelegde stukken aan derden of gebruik ervan in andere door de diensten van de Commissie gevolgde procedures - door te oordelen dat de klachtendossiers in casu niet waren gevoegd en dat niet was aangetoond dat de stukken van Sodima aan andere klagers waren medegedeeld.
63 Volgens Sodima toont de brief van de Commissie aan PSA van 12 september 1995, waarin werd verwezen naar vier verschillende klachten tegen PSA, aan dat de diensten van de Commissie een systeem van communicerende vaten" tussen het dossier van Sodima en andere klachten wilde toepassen en dat de dossiers in strijd met het vertrouwelijkheidbeginsel feitelijk waren gevoegd.
64 Ten tweede oordeelde het Gerecht volgens Sodima ten onrechte dat die voeging Sodima geen nadeel berokkende, aangezien hierdoor de mogelijkheid voor de dealer om met PSA een onderhandelde oplossing voor het geschil te vinden, werd bemoeilijkt.
65 Met betrekking tot het tweede onderdeel van het tweede middel van Sodima moet worden opgemerkt dat het Gerecht in het bestreden arrest heeft vastgesteld dat Sodima's verwijt dat haar stukken door de Commissie aan andere klagers werden medegedeeld, door geen enkel element van het dossier wordt bevestigd, en dat Sodima niet had aangetoond dat de Commissie een stilzwijgende beschikking houdende voeging van de dossiers had genomen.
66 Opgemerkt moet worden dat dit een soevereine vaststelling van de feiten door het Gerecht is.
67 Derhalve moet het tweede onderdeel van het tweede middel van Sodima als kennelijk niet-ontvankelijk worden afgewezen voor zover het tegen die feitelijke vaststellingen is gericht.
68 Hetzelfde geldt voor de grief dat de beweerde voeging van de dossiers de situatie van Sodima nadelig beïnvloedt doordat daardoor haar kansen op een regeling met PSA verminderden, aangezien dit argument in elk geval uitgaat van het bestaan van een beschikking tot voeging van het dossier van Sodima met andere klachten.
69 Het tweede onderdeel van het tweede middel van Sodima is dus kennelijk niet-ontvankelijk.
70 Derhalve moet dit middel in zijn geheel worden afgewezen.
Het derde middel
71 Met haar derde middel betoogt Sodima dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling feitelijk en rechtens" door de vordering tot schadevergoeding in zaak T-190/95 niet-ontvankelijk te verklaren.
72 In dit verband verwijt Sodima de Commissie haar klacht met vertraging te hebben behandeld, hoewel het met het concurrentiebeleid belaste lid van de Commissie in zijn brief van 28 juni 1995 het communautaire belang van een snelle afhandeling van het dossier had erkend. De weigering om Sodima alle stukken van het dossier mede te delen bewijst het gebrek aan transparantie bij de behandeling van het dossier door de Commissie en het nalaten van de Commissie zou Sodima benadelen door de voor de Franse rechterlijke instanties tegen PSA gevoerde procedure tot aanzuivering van het passief van 14 miljoen FRF te vertragen. Deze schade kan worden geraamd op het bedrag van de interesten over 14 miljoen FRF op de voet van 10 % per jaar, hetzij 200 000 euro per jaar vanaf de aanmaningsbrief.
73 Om de in de punten 36, 38 en 47 tot en met 49 van deze beschikking genoemde redenen moet het derde middel van Sodima als kennelijk niet-ontvankelijk worden afgewezen voor zover het is gebaseerd op een kennelijk verkeerde beoordeling van de feiten door het Gerecht in het bestreden arrest.
74 Voor zover dit middel is gebaseerd op een beweerde kennelijk onjuiste rechtsopvatting", moet worden vastgesteld dat Sodima geen enkel argument aandraagt voor haar stelling dat het betreden arrest het gemeenschapsrecht heeft geschonden door de vordering tot schadevergoeding in zaak T-190/95 niet-ontvankelijk te verklaren. Sodima beperkt zich er immers toe in de punten 74 tot en met 79 van haar hogere voorziening de punten 29 tot en met 34 van haar verzoekschrift voor het Gerecht bijna woordelijk te herhalen.
75 Dienaangaande moet in het bijzonder worden beklemtoond dat de argumenten van Sodima in het kader van dit middel beogen aan te tonen dat zij door de handelwijze van de Commissie schade heeft geleden, waarvoor de Gemeenschap niet-contractueel aansprakelijk kan worden gesteld.
76 Deze argumenten betreffen dus uitsluitend de grond van de zaak, terwijl bij het arrest van het Gerecht Sodima's vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk is verklaard.
77 Derhalve houdt dit middel in hogere voorziening in feite een verzoek tot een nieuw onderzoek van het verzoekschrift in eerste aanleg in.
78 Zoals uit de punten 38 en 39 van deze beschikking blijkt, is het Hof echter uitsluitend bevoegd na te gaan of het Gerecht bij zijn beslissing een rechtsregel heeft geschonden, met uitsluiting van enig nieuw onderzoek van de grond van de zaak.
79 Uit het voorgaande volgt dat het derde middel in zijn geheel kennelijk niet-ontvankelijk is.
Het vierde middel
80 Met haar vierde middel verwijt Sodima het Gerecht een onjuiste beoordeling feitelijk en rechtens" doordat het zich ertoe heeft beperkt vast te stellen dat de vordering wegens nalaten in zaak T-45/96 zonder voorwerp was geraakt, met name wegens de definitieve beschikking van de Commissie van 5 januari 1999 tot afwijzing van Sodima's klacht.
81 Zelfs al zou het Gerecht terecht hebben geoordeeld dat het nalaten op dat moment had opgehouden, had het volgens Sodima het nalaten van de Commissie in de periode vóór de definitieve beschikking moeten vaststellen, op straffe van het aanmoedigen van een onrechtmatig stilzitten van de betrokken instelling. Bovendien zou vaststelling van het nalaten hebben aangetoond dat een fout werd begaan waardoor een schade en een recht op vergoeding daarvan is ontstaan.
82 Om de in de punten 36, 38, 47 tot en met 49 en 73 van deze beschikking genoemde redenen moet dit middel als kennelijk niet ontvankelijk worden afgewezen, voor zover het Gerecht daarin een onjuiste beoordeling van de feiten wordt verweten.
83 Voor zover dit middel is gebaseerd op een beweerde onjuiste rechtsopvatting" door het Gerecht, moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de grondgedachte van de in artikel 175 van het Verdrag voorziene beroepsmogelijkheid is, dat bij onwettig nalaten van de betrokken instelling het Hof kan worden verzocht vast te stellen dat dit nalaten, voor zover de betrokken instelling hieraan nog geen einde heeft gemaakt, in strijd is met het Verdrag. Blijkens artikel 176 EG-Verdrag (thans artikel 233 EG) heeft deze vaststelling tot gevolg dat de verwerende instelling gehouden is de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof, onverminderd de vorderingen wegens niet-contractuele aansprakelijkheid die uit deze vaststelling kunnen voortvloeien. Wanneer de handeling waarvan het uitblijven het voorwerp van het geschil vormt, is vastgesteld nadat het beroep aanhangig is gemaakt, doch voordat het arrest is gewezen, kan een verklaring van het Hof tot vaststelling van de onwettigheid van het aanvankelijke nalaten niet meer tot de in artikel 176 van het Verdrag voorziene gevolgen leiden. Bijgevolg is het beroep in een dergelijk geval, evenals wanneer de verwerende instelling binnen twee maanden heeft gereageerd op de uitnodiging tot handelen, zonder voorwerp geraakt, zodat op dit beroep niet meer behoeft te worden beslist. Het feit dat verzoekster geen genoegen neemt met het aldus door de Commissie ingenomen standpunt, is in dit verband niet van belang, daar artikel 175 van het Verdrag ziet op een nalaten door het niet nemen van een besluit of het niet bepalen van een standpunt, en niet op het verrichten van een andere handeling dan de betrokkene wenselijk of noodzakelijk acht (zie, onder meer, arresten van 12 juli 1988, Parlement/Raad, 377/87, Jurispr. blz. 4017, punten 9 en 10, en Commissie/Raad, 383/87, Jurispr. blz. 4051, punten 9 en 10, en 24 november 1992, Buckl e.a./Commissie, C-15/91 en C-108/91, Jurispr. blz. I-6061, punten 14-17).
84 Wat meer in het bijzonder een situatie als de onderhavige betreft, volgt eveneens uit de vaste rechtspraak van het Hof dat een door de Commissie aan de indiener van een op artikel 3, lid 2, van verordening nr. 17 gebaseerde klacht gezonden brief die aan de voorwaarden van artikel 6 van verordening nr. 99/63 voldoet, een standpuntbepaling in de zin van artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag vormt, waardoor een einde komt aan het niet-handelen van de Commissie en het beroep van Sodima wegens nalaten zonder voorwerp geraakt (zie, met name, arresten van 18 oktober 1979, Gema/Commissie, 125/78, Jurispr. blz. 3173, punt 21, en 18 maart 1997, Guérin automobiles/Commissie, C-282/95 P, Jurispr. blz. I-1503, punten 30 en 31).
85 Onder die omstandigheden heeft het Gerecht niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de vordering wegens nalaten in zaak T-45/96 zonder voorwerp was geraakt omdat de Commissie Sodima op 27 januari 1997 een mededeling in de zin van artikel 6 van verordening nr. 99/63 had doen toekomen en op 5 januari 1999 een definitieve beschikking tot afwijzing van Sodima's klacht had gegeven.
86 Derhalve moet het vierde middel als ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en ten dele kennelijk ongegrond worden afgewezen.
Het vijfde middel
87 Met haar vijfde middel betoogt Sodima dat het Gerecht haar vorderingen tot nietigverklaring en tot schadevergoeding in zaak T-45/96 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
88 Aangezien het Gerecht ter motivering van zijn beslissing dienaangaande alleen heeft verwezen naar de gronden die het bij het onderzoek van de vorderingen tot nietigverklaring en tot schadevergoeding in zaak T-190/95 had uiteengezet, verwijst Sodima naar de middelen en argumenten die zij dienaangaande heeft aangevoerd in het kader van deze hogere voorziening.
89 Dienaangaande volstaat het op te merken dat, door zich ertoe te beperken te verwijzen naar de grieven die zij tegen het bestreden arrest heeft aangevoerd, voor zover daarbij haar vorderingen tot nietigverklaring en tot schadevergoeding in zaak T-190/95 niet-ontvankelijk zijn verklaard, Sodima dezelfde argumenten als die ter ondersteuning van het tweede en het derde middel van deze hogere voorziening aanvoert (zie punten 55-57, 62-64, 71 en 72 van deze beschikking).
90 Bijgevolg moet het vijfde middel van Sodima worden afgewezen op dezelfde gronden als die waarop het Hof het tweede en het derde middel van Sodima heeft afgewezen (zie punten 58-61, 65-70 en 73-79 van deze beschikking).
Het zesde middel
91 Met haar zesde middel betoogt Sodima alleen dat het Gerecht de Commissie niet in de kosten heeft verwezen op grond van een onjuiste beoordeling feitelijk en rechtens".
92 Dienaangaande moet enerzijds worden vastgesteld dat dit middel kennelijk niet-ontvankelijk is voor zover het is gebaseerd op een beweerde onjuiste beoordeling van de feiten door het Gerecht (zie punten 36, 38, 47-49, 73 en 82 van deze beschikking).
93 Anderzijds volstaat het dienaangaande eraan te herinneren dat volgens vaste rechtspraak het middel inzake de vermeende onwettigheid van de beslissing van het Gerecht omtrent de kosten ingevolge artikel 51, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG, volgens hetwelk een hogere voorziening niet uitsluitend betrekking kan hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten, niet ontvankelijk moet worden verklaard wanneer alle andere middelen van de hogere voorziening zijn afgewezen (zie, met name, arrest van 14 september 1995, Henrichs/Commissie, C-396/93 P, Jurispr. blz. I-2611, punt 66, en beschikking van 16 oktober 1997, Dimitriadis/Rekenkamer, C-140/96 P, Jurispr. blz. I-5635, punt 56).
94 Onder die omstandigheden moet het zesde middel van Sodima in zijn geheel als kennelijk niet-ontvankelijk worden afgewezen.
95 Uit een en ander volgt dat de door Sodima ter ondersteuning van haar hogere voorziening aangevoerde middelen ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en ten dele kennelijk ongegrond zijn.
96 Mitsdien moet de hogere voorziening van Sodima overeenkomstig artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
97 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat volgens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Sodima in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten van de hogere voorziening te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Société de distribution mécanique et d'automobiles SA (Sodima) wordt verwezen in de kosten van de hogere voorziening.
Full & Egal Universal Law Academy