BESCHIKKING VAN HET HOF (Vijfde kamer)
4 maart 2002 ( *1 )
In zaak C-175/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Arbeidshof te Antwerpen (België), in het aldaar aanhangige geding tussen
Marie-Josée Verwayen-Boelen
en
Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, S. von Bahr, D. A. O. Edward, A. La Pergola (rapporteur) en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaatgeneraal: P. Léger,
griffier: R. Grass,
nadat de verwijzende rechter overeenkomstig artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering in kennis werd gesteld van het voornemen van het Hof om bij met redenen omklede beschikking te beslissen,
nadat de belanghebbenden bedoeld in artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG werden uitgenodigd hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen,
de advocaatgeneraal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1
Bij arrest van 4 mei 2000, ingekomen bij het Hof op 10 mei daaropvolgend, heeft het Arbeidshof te Antwerpen krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”).
2
Deze vraag is gerezen in het kader van een geding tussen M.-J. Verwayen-Boelen en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna: „RVA”) over de weigering van deze laatste om het tijdvak waarin de betrokkene krachtens de Nederlandse wettelijke regeling uitkeringen ontving, in aanmerking te nemen om te bepalen of zij krachtens de Belgische wettelijke regeling recht heeft op werkloosheidsuitkeringen.
Het gemeenschapsrecht
3
Artikel 4 van verordening nr. 1408/71 bepaalt:
„1.
Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
[...]
g)
werkloosheidsuitkeringen;
[...]
4.
Deze verordening is [niet] op de sociale [...] bijstand [...] van toepassing.”
4
Artikel 67, leden 1 tot en met 3, van verordening nr. 1408/71, getiteld „Samenteilen van tijdvakken van verzekering of van arbeid”, dat deel uitmaakt van titel III, hoofdstuk 6, getiteld „Werkloosheid”, luidt:
„1.
Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt, voorzover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere lidstaat als werknemer vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid alsof het tijdvakken van verzekering waren welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld mits evenwel de tijdvakken van arbeid als tijdvakken van verzekering zouden zijn beschouwd indien zij krachtens bedoelde wettelijke regeling waren vervuld.
2.
Het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van arbeid, houdt, voorzover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere lidstaat als werknemer vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid alsof het tijdvakken van arbeid waren welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld.
3.
Met uitzondering van de in artikel 71, lid 1, onder a), ii, en onder b), ii, bedoelde gevallen, wordt toepassing van de leden 1 en 2 afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene laatstelijk:
—
in het geval van lid 1, tijdvakken van verzekering;
—
in het geval van lid 2, tijdvakken van arbeid,
heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd.”
5
Artikel 80, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, (hierna: „verordening nr. 574/72”) luidt als volgt:
„Verklaring betreffende de tijdvakken van verzekering of van arbeid
1.
Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 67, lid 1, 2 of 4, van [...] verordening [nr. 1408/71], is de belanghebbende verplicht aan het bevoegde orgaan een verklaring over te leggen waarin de tijdvakken van verzekering of van arbeid als werknemer zijn vermeld, die zijn vervuld krachtens de wettelijke regeling waaraan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest, alsmede alle aanvullende inlichtingen die zijn vereist bij de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling.
2.
Deze verklaring wordt op verzoek van de belanghebbende, hetzij door het voor werkloosheid bevoegde orgaan van de lidstaat aan de wettelijke regeling waarvan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest, hetzij door een ander door de bevoegde autoriteit van genoemde lidstaat aangewezen orgaan verstrekt. Indien hij genoemde verklaring niet overlegt, verzoekt het bevoegde orgaan één der voornoemde organen daarom.”
6
De in artikel 80 van verordening nr. 574/72 bedoelde verklaring (hierna: „verklaring E 301”) wordt afgegeven volgens een modelformulier vastgesteld bij besluit nr. 154 (94/605/EG) van de administratieve Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers van 8 februari 1994 betreffende de modelformulieren ten behoeve van de verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72 van de Raad (E 301, E 302, E 303) (PB L 244, blz. 123).
De Belgische regeling
7
In België is de werkloosheidsverzekering geregeld bij het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (Belgisch Staatsblad van 31 december 1991, blz. 29888; hierna: „Koninklijk Besluit van 25 november 1991”). Artikel 30, lid 1, daarvan bepaalt:
„Om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen moet de voltijdse werknemer een wachttijd doorlopen hebben die het hierna vermelde aantal arbeidsdagen omvat:
1°
312 in de loop van de 18 maanden voor de uitkeringsaanvraag indien hij minder dan 36 jaar is;
2°
468 in de loop van de 27 maanden voor die aanvraag indien hij van 36 tot minder dan 50 jaar is;
3°
624 in de loop van de 36 maanden voor die aanvraag indien hij 50 jaar is of meer.
Tot het recht op werkloosheidsuitkeringen wordt eveneens toegelaten de voltijdse werknemer die voldoet aan de voorwaarde gesteld voor een hogere leeftijdsgroep.
[...]”
8
Artikel 32 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 bepaalt bovendien dat de voltijdse werknemer van ten minste 36 jaar die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 30, lid 1, van dit besluit, eveneens wordt toegelaten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen indien hij ten minste de helft van het door dit laatste artikel vereiste aantal arbeidsdagen tijdens de aldaar bepaalde referteperiode bewijst, en bovendien 1560 arbeidsdagen tijdens de 10 jaar die aan de genoemde referteperiode voorafgaan.
9
Artikel 38, lid 1, van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 bepaalt:
„Voor de toepassing van de artikelen 30 tot 36 worden met arbeidsdagen gelijkgesteld:
1° de dagen die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van de wetgeving op [...] de werkloosheidsverzekering [...];
[...]”
De Nederlandse regeling
10
De Rijksgroepsregeling werkloze werknemers van 13 december 1984(Staatsblad 1984, 626; hierna: „RWW”) voert een stelsel van „nationale bijstand” in dat erop gericht is de werkloosheid te bestrijden en de begunstigden in staat te stellen zelfstandig in hun bestaan te voorzien. Dit stelsel is bestemd voor alle personen die niet of niet meer gerechtigd zijn tot uitkeringen krachtens de Werkloosheidswet van 6 november 1986(Staatsblad 566), de Wet werkloosheidsvoorziening van 10 december 1964, of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers van 6 november 1986(Staatsblad 565).
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
11
Verwayen-Boelen, geboren in 1951, bezit de Belgische en de Nederlandse nationaliteit. Tot 1987 woonde zij in België, waar zij van 31 oktober 1977 tot 21 oktober 1986 als zelfstandige werkzaam is geweest.
12
In 1987 is zij in Nederland gaan wonen. Zij oefende er geen enkele werkzaamheid uit en ontving er van 1 oktober 1987 tot 31 oktober 1995 RWW-uitkeringen.
13
Nadat zij zich in november 1995 opnieuw in België had gevestigd, heeft Verwayen-Boelen op 17 juli 1997 een aanvraag ingediend om per 1 april 1997 werkloosheidsuitkeringen op grond van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 te krijgen. Bij deze aanvraag voegde zij een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven verklaring E 301 waarin de periode was vermeld waarin zij RWW-uitkeringen had ontvangen.
14
Op vraag van de RVA — het met de behandeling van die aanvraag belaste orgaan — hebben de bevoegde Nederlandse autoriteiten meegedeeld dat de verklaring E 301 bij vergissing was afgegeven; zij verduidelijkten dienaangaande dat „het ontvangen van een RWW-uitkering [...] in Nederland geen verzekeringsplicht [oplevert] en [dat] van gelijkstelling [...] dan ook geen sprake [is]”.
15
Op 13 augustus 1997 wees de RVA de aanvraag van Verwayen-Boelen af op grond dat niet kon worden aangenomen dat zij in Nederland verzekeringstijdvakken of gelijkgestelde tijdvakken in de zin van artikel 30 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 had vervuld, en dat zij evenmin had aangetoond in de referteperiode arbeids- of gelijkgestelde dagen in België te hebben vervuld.
16
Nadat haar beroep tegen dit besluit van de RVA bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt (België) van 2 juni 1999 was verworpen, heeft Verwayen-Boelen hoger beroep ingesteld bij het Arbeidshof te Antwerpen. Zij stelt met een beroep op artikel 67 van verordening nr. 1408/71 dat de tijdvakken waarin zij een RWW-uitkering ontving, in het kader van de Belgische werkloosheidsverzekering in aanmerking moeten worden genomen.
17
Bij zijn analyse van de RWW tegen de achtergrond van de rechtspraak van het Hof vraagt de verwijzende rechter zich af of deze regeling als een regeling inzake werkloosheidsuitkeringen in de zin van artikel 4, lid 1, sub g, van verordening nr. 1408/71 moet worden beschouwd en bijgevolg binnen de werkingssfeer van deze verordening valt. Volgens de verwijzende rechter kan Verwayen-Boelen zich immers alleen in dat geval op artikel 67 van deze verordening beroepen.
18
In deze omstandigheden heeft het Arbeidshof te Antwerpen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71, waarin is bepaald dat deze verordening van toepassing is op takken van sociale zekerheid, aldus verstaan worden, dat een regeling zoals vervat in de RWW-regeling, die zowel kenmerken heeft van sociale zekerheid als van sociale bijstand, binnen de werkingssfeer van deze verordening valt, waardoor de periode waarin een werknemer van deze regeling genoot in aanmerking kan komen als verzekeringstijdvak, dat mee in rekening dient gebracht te worden in de beoordeling van diens toelaatbaarheid op het recht op werkloosheidsuitkeringen in België?”
19
Op een door het Hof op grond van artikel 104, lid 5, van zijn Reglement voor de procesvoering geformuleerd verzoek om nadere verduidelijking heeft de verwijzende rechter meegedeeld dat Verwayen-Boelen niet laatstelijk krachtens de Belgische wettelijke regeling tijdvakken van verzekering en/of tijdvakken van arbeid had vervuld.
De prejudiciële vraag
20
Uit het verwijzingsarrest en de formulering van de prejudiciële vraag blijkt dat de verwijzende rechter wenst te vernemen hoe de RWW ten aanzien van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 moet worden gekwalificeerd, en of die nationale wettelijke regeling binnen de materiële werkingssfeer van genoemde verordening valt, om uit te maken of de in artikel 67 van die verordening geformuleerde regels inzake samentelling van de tijdvakken van verzekering en/of arbeid moeten worden toegepast.
21
In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat het antwoord op die vraag van de verwijzende rechter geen enkele ruimte voor redelijke twijfel laat, zodat overeenkomstig artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bij met redenen omklede beschikking dient te worden beslist.
22
Zoals uit de door de verwijzende rechter verstrekte nadere verduidelijkingen blijkt, staat immers vast dat Verwayen-Boelen niet laatstelijk krachtens de Belgische wettelijke regeling tijdvakken van verzekering of tijdvakken van arbeid heeft vervuld.
23
Uit de duidelijke formulering van artikel 67, lid 3, van verordening nr. 1408/71 volgt evenwel dat, behalve in de uitdrukkelijk in deze bepaling bedoelde gevallen, samentelling van tijdvakken van verzekering of van arbeid krachtens artikel 67, leden 1 en 2, van de verordening alleen kan plaatsvinden wanneer de betrokkene laatstelijk tijdvakken van verzekering of van arbeid heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de uitkeringen worden gevraagd (zie arresten van 20 februari 1997, Martínez Losada e.a., C-88/95, C-102/95 en C-103/95, Jurispr. blz. I-869, punten 36 en 38, en van 25 februari 1999, Ferreiro Alvite, C-320/95, Jurispr. blz. I-951, punten 16-18).
24
Bovendien zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat in het kader van verordening nr. 1408/71 de vraag of een lidstaat voor de toekenning van een werkloosheidsuitkering de door de betrokkene krachtens de wettelijke regeling van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid in aanmerking dient te nemen, alleen moet worden beantwoord aan de hand van artikel 67 van deze verordening (arrest Martínez Losada e.a., reeds aangehaald, punt 27).
25
In deze omstandigheden kan dan ook worden volstaan met de vaststelling dat artikel 67, leden 1 en 2, van verordening nr. 1408/71 niet van toepassing is op een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, zonder dat behoeft te worden nagegaan of is voldaan aan de andere voorwaarden voor toepassing van deze bepaling, waaronder deze waarop de prejudiciële vraag meer specifiek betrekking heeft.
26
Gelet op het voorgaande moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord dat overeenkomstig artikel 67, lid 3, van verordening nr. 1408/71 de toepassing van de in de leden 1 en 2 van dit artikel geformuleerde regels inzake samentelling van tijdvakken van verzekering of van arbeid, behalve in de in lid 3 uitdrukkelijk bepaalde gevallen, afhankelijk is gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene laatstelijk tijdvakken van verzekering of van arbeid heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de werkloosheidsuitkering wordt aangevraagd.
Kosten
27
De kosten door de Nederlandse regering en door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Arbeidshof te Antwerpen bij arrest van 4 mei 2000 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Overeenkomstig artikel 67, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, is de toepassing van de in de leden 1 en 2 van dit artikel geformuleerde regels voor samentelling van tijdvakken van verzekering of van arbeid, behalve in de in lid 3 uitdrukkelijk bepaalde gevallen, afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene laatstelijk tijdvakken van verzekering of van arbeid heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de werkloosheidsuitkering wordt aangevraagd.
Luxemburg, 4 maart 2002.
De griffier
R. Grass
De president van de Vijfde kamer
P. Jann
( *1 ) Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy