Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Hogere voorziening - Middelen - Onjuiste beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Toetsing door Hof van beoordeling van aan Gerecht voorgelegde gegevens - Uitgesloten, behoudens geval van verkeerde opvatting
(Statuut-EGKS van het Hof van Justitie, art. 51, eerste alinea)
2. EGKS - Steun aan ijzer- en staalindustrie - Begrip - Criterium van particuliere investeerder - Uitzicht op rendement
(EGKS-Verdrag, art. 4, sub c; algemene beschikking nr. 3855/91, art. 1, lid 2)
3. EGKS - Steun aan ijzer- en staalindustrie - Beschikking van Commissie die ingewikkelde economische beoordeling vergt - Rechterlijke toetsing - Grenzen
(EGKS-Verdrag, art. 4, sub c, en 33)
4. Hogere voorziening - Middelen - Loutere herhaling van reeds voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - Niet-ontvankelijkheid - Afwijzing
(Statuut-EGKS van het Hof van Justitie, art. 49; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, eerste alinea, sub c)
5. EGKS - Steun aan ijzer- en staalindustrie - Terugvordering van onwettige steun - Herstel van vroegere toestand
(EGKS-Verdrag, art. 4, sub c)
Samenvatting
1. Alleen het Gerecht is bevoegd om de feiten vast te stellen, tenzij uit de overgelegde stukken blijkt dat zijn bevindingen materieel onjuist zijn, en deze vervolgens te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van de voorgelegde bewijsmiddelen.
( cf. punt 34 )
2. Om vast te stellen of een deelneming van de overheid in het kapitaal van een onderneming, in welke vorm dan ook, het karakter van staatssteun heeft, dient te worden beoordeeld of in soortgelijke omstandigheden een particulier investeerder van een soortgelijke omvang als de organisaties die de overheidssector beheren, ertoe zou kunnen worden gebracht een even belangrijke kapitaalinbreng te doen. Ofschoon het gedrag van een particulier investeerder, waarmee de deelneming van een publiek investeerder die doelstellingen van economisch beleid nastreeft, moet worden vergeleken, niet noodzakelijkerwijs het gedrag van een gewone investeerder behoeft te zijn die zijn kapitaal belegt om daaruit op min of meer korte termijn een rendement te halen, moet het toch ten minste het gedrag zijn van een particuliere holding of een particuliere groep ondernemingen met een algemene of sectoriële structuurpolitiek, die wordt geleid door het uitzicht op rendement op langere termijn.
( cf. punt 42 )
3. Het onderzoek door de Commissie of een bepaalde maatregel als staatssteun kan worden aangemerkt omdat de staat niet als een gewone marktdeelnemer heeft gehandeld, vereist een ingewikkelde economische beoordeling. Indien de Commissie een handeling verricht waarbij zulke beoordelingen vereist zijn, beschikt zij over een ruime beoordelingsvrijheid en is de rechterlijke toetsing van die handeling, zoals blijkt uit artikel 33 EGKS-Verdrag, beperkt tot de vraag of de procedure- en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel misbruik van bevoegdheid. In het bijzonder mag het Gerecht zijn beoordeling op economisch vlak niet in de plaats stellen van de beoordeling van de Commissie.
( cf. punt 43 )
4. Een hogere voorziening waarin de rekwirant slechts de in eerste aanleg gebruikte argumenten herhaalt, is in werkelijkheid slechts gericht op heronderzoek van het bij het Gerecht ingediende beroep, waartoe het Hof op grond van artikel 49 van zijn Statuut-EGKS niet bevoegd is.
( cf. punt 54 )
5. Wat de steunregeling van het EG-Verdrag betreft, is de ongedaanmaking van onrechtmatig toegekende staatssteun door middel van terugvordering het logische gevolg van de vaststelling dat de steun onwettig is, en beoogt de op de staat rustende verplichting om een door de Commissie als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt aangemerkte steun ongedaan te maken, de vroegere toestand te herstellen. Hieruit volgt dat een uitdrukkelijke bevoegdheid van de Commissie om terugbetaling te vorderen, niet noodzakelijk is. In zoverre is er geen aanleiding voor een andere beoordeling van de steunmaatregelen die onder het EGKS-Verdrag vallen.
Enerzijds is de steunregeling van het EGKS-Verdrag niet minder streng dan die van het EG-Verdrag. Integendeel, artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag bevat een aanzienlijk strengere regeling dan die van het EG-Verdrag, aangezien het de Commissie de bevoegdheid verleent om alle staatssteun op voorhand te verbieden, ongeacht of de mededinging wordt vervalst of dreigt te worden vervalst en of de steunmaatregelen onder een uitzondering op het verbod vallen.
Anderzijds moet de Commissie, wanneer een lidstaat niet voldoet aan de beslissing van de Commissie om onrechtmatige steun terug te vorderen, in de regeling van het EGKS-Verdrag, net als in die van het EG-Verdrag, de niet-nakomingsprocedure inleiden. Pas in een later stadium van die procedure, namelijk wanneer sancties moeten worden opgelegd wegens niet-nakoming van de verplichtingen, moet op grond van artikel 88, derde alinea, EGKS-Verdrag, anders dan in de niet-nakomingsprocedure van het EG-Verdrag, de Raad optreden.
( cf. punten 65-68 )
Partijen
In zaak C-323/00 P,
DSG Dradenauer Stahlgesellschaft mbH, vertegenwoordigd door U. Theune en M. Luther, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer - uitgebreid) van 29 juni 2000, DSG/Commissie (T-234/95, Jurispr. blz. II-2603), en strekkende tot vernietiging van dit arrest,
andere partijen bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K.-D. Borchardt als gemachtigde, bijgestaan door M. Hilf, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing als gemachtigde, bijgestaan door W. Kirchhoff en M. Schütte, advocaten,
en
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
interveniënten in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, D. A. O. Edward, M. Wathelet, C. W. A. Timmermans en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 1 september 2000 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft DSG Dradenauer Stahlgesellschaft mbH (hierna: DSG") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EGKS hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 29 juni 2000, DSG/Commissie (T-234/95, Jurispr. blz. II-2603; hierna: bestreden arrest"), waarbij haar beroep tot nietigverklaring van beschikking 96/236/EGKS van de Commissie van 31 oktober 1995 inzake staatssteun door de Freie und Hansestadt Hamburg aan de EGKS-staalonderneming Hamburger Stahlwerke GmbH, Hamburg (PB 1996, L 78, blz. 31, hierna: bestreden beschikking") is verworpen.
De feiten van de zaak en het procesverloop voor het Gerecht
2 De feiten van deze zaak, zoals deze met name blijken uit de punten 8 tot en met 22 van het bestreden arrest kunnen als volgt worden samengevat:
3 De Hamburgische Landesbank Girozentrale (hierna: HLB"), een publiekrechtelijke kredietinstelling die voor 100 % in handen is van de stad Hamburg, hield van 1974 tot 1983 fiduciair 49 % van de aandelen in Hamburger Stahlwerke GmbH (hierna: oude HSW") tot zekerheid voor kredieten die zij deze vennootschap had verleend zonder borg- of zekerheidstelling door de stad Hamburg. In 1983 failleerde die vennootschap. Op dat moment hadden de stad Hamburg en HLB 181 miljoen DEM aan opeisbare vorderingen op de oude HSW, namelijk 129 miljoen waarvoor de stad Hamburg garanties had verleend, en 52 miljoen waarvoor HLB het financiële risico alleen droeg.
4 Om de exploitatie van de activa voort te zetten teneinde - volgens de Duitse regering - verhaal voor een deel van hun schuldvorderingen te vinden, hebben de stad Hamburg en HLB besloten, financieel deel te nemen in de oprichting van een overnemende vennootschap. Aldus is door HLB bij de oprichting in 1984 van de nieuwe Hamburger Stahlwerke GmbH (hierna: HSW") een bedrag van 20 miljoen DEM - vrijwel haar gehele maatschappelijk kapitaal - dat door de stad Hamburg beschikbaar was gesteld aan HLB, geleend aan de eigenaren van HSW. Overeengekomen was, dat rentebetaling en aflossing van de lening slechts zou plaatsvinden indien HSW winst maakte, dat de eigenaren van HSW hun aanspraken op winstuitkeringen door HSW zouden overdragen aan HLB in de verhouding tussen het geleende bedrag en het totale maatschappelijk kapitaal van HSW, en dat beslissingen over het management of de raad van bestuur van de onderneming vooraf ter goedkeuring aan HLB zouden worden voorgelegd.
5 Bovendien is aan HSW bij de aanvang van haar activiteiten in 1984 door HLB een revolverend krediet van 130 miljoen DEM verleend op basis van regelmatig te verlengen jaarovereenkomsten; 52 miljoen hiervan was voor risico van HLB en 78 miljoen was verleend in opdracht van de stad Hamburg. Voor deze kredietlijn werd zekerheid gesteld door eigendomsoverdracht tot zekerheid van het vlottend vermogen en door zekerheidscessie van de vorderingen van HSW op derden.
6 Van 1984 tot 1993 heeft HSW zes jaar verlies geleden en vier jaar winst gemaakt. In 1991 heeft zij 8,5 miljoen DEM verlies geleden.
7 In 1992 leed zij 19,8 miljoen DEM verlies en moest het door HLB verleende krediet van 130 miljoen DEM niet alleen worden vernieuwd, maar ook met 20 miljoen worden verhoogd. HLB besloot de voor haar risico komende 52 miljoen DEM van de kredietlijn te vernieuwen, maar participeerde niet in de verhoging ervan. In opdracht van de stad Hamburg heeft zij het krediet van 20 miljoen DEM in december 1992 uiteindelijk verleend, op voorwaarde dat HSW een herstructureringsplan zou opstellen.
8 In 1993 heeft HSW in totaal 24,4 miljoen DEM verlies geleden, aangezien de gehele staalmarkt met toenemende problemen te kampen had. Volgens een deskundigenrapport van het adviesbureau McKinsey, waartoe de stad Hamburg in 1993 opdracht had gegeven en dat op 19 januari 1994 is gepresenteerd, stevende HSW op een faillissement af en moest zij geprivatiseerd worden voordat zij nog meer verlies zou gaan lijden.
9 HLB heeft in die omstandigheden geweigerd, de kredietlijn te verlengen. Evenmin was zij bereid, haar eerdere verbintenis voort te zetten, die voor een bedrag van 52 miljoen DEM niet was gedekt door de opdracht tot kredietverlening van de stad Hamburg. Niettemin gaf de stad Hamburg HLB in december 1993 opdracht om met ingang van 1 januari 1994 een kredietlijn van 150 miljoen DEM, vermeerderd met 24 miljoen DEM, alsook een kredietmarge van 10 miljoen DEM voor HSW te openen. De stad Hamburg nam daarmee het volledige economische risico van deze lening van in totaal 184 miljoen DEM voor haar rekening.
10 Eind 1994 is HSW aan een particuliere investeerder verkocht voor 275 000 DEM en tegen overneming van de nog terug te betalen 17,2 miljoen DEM van de oorspronkelijk voor het maatschappelijk kapitaal verstrekte lening van 20 miljoen DEM.
11 De Commissie van de Europese Gemeenschappen, die uit de pers had vernomen dat de stad Hamburg HSW financieel steunde, heeft begin 1994 een procedure wegens inbreuk op artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag ingeleid. Na onderzoek is zij tot de slotsom gekomen dat de aan HSW verstrekte leningen - in december 1992 op basis van de verruiming van de kredietlijn met 20 miljoen DEM en in december 1993 door de verleende totale kredietlijn van 174 miljoen DEM en een kredietmarge van 10 miljoen DEM - staatssteun vormden die onverenigbaar was met het EGKS-Verdrag en met haar beschikking nr. 3855/91/EGKS van 27 november 1991 tot invoering van communautaire regels voor de steun aan de ijzer- en staalindustrie (PB L 362, blz. 57; hierna: vijfde staalsteuncode"). Zij heeft aldus op 31 oktober 1995 de bestreden beschikking vastgesteld. Hierin heeft zij de betrokken steun onverenigbaar verklaard met bovenvermelde bepalingen (artikel 2 van de bestreden beschikking) en de Bondsrepubliek Duitsland bevolen, de steun terug te vorderen van de begunstigde onderneming (artikel 3 van de bestreden beschikking) en haar mee te delen welke maatregelen werden getroffen om aan deze beschikking te voldoen (artikel 4 van de bestreden beschikking). Daarentegen heeft de Commissie de aanvankelijke, in 1984 door HLB verstrekte lening van 20 miljoen DEM ter afdekking van het maatschappelijk kapitaal van HSW (artikel 1 van de bestreden beschikking), die in de onderhavige procedure niet aan de orde is, verenigbaar met het gemeenschapsrecht verklaard.
12 In de motivering van de bestreden beschikking heeft de Commissie overwogen dat de stad Hamburg, zonder juridisch eigenaar van HSW te zijn, aan een risico was blootgesteld dat gelijk is aan dat van een eigenaar die risicodragend kapitaal verstrekt. De in de artikelen 2 en 3 van de bestreden beschikking bedoelde leningen zijn verstrekt terwijl HSW op de rand van een faillissement stond, verdere verliezen werden verwacht en de markt niet was aangetrokken, en terwijl de conclusies van het deskundigenrapport van bureau McKinsey bekend waren. Volgens de Commissie zou in zulke omstandigheden geen enkele particuliere investeerder nieuw kapitaal aan HSW ter beschikking hebben gesteld, hetgeen reeds bleek uit het feit dat HLB aanvankelijk de gevraagde financiering had geweigerd en de stad Hamburg, die op haar beurt alle risico's op zich nam, HLB opdracht had moeten geven om deze toch te verstrekken.
13 Op 21 december 1995 heeft DSG, die in de rechten en de verplichtingen van HSW is getreden, beroep ingesteld bij het Gerecht, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, met uitzondering van artikel 1.
14 In de procedure voor het Gerecht is de Bondsrepubliek Duitsland toegelaten tot interventie ter ondersteuning van rekwirante en is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de Commissie.
15 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen.
Het bestreden arrest
16 In het bestreden arrest heeft het Gerecht de eerste twee middelen samen behandeld na ze in de punten 68 tot en met 72 te hebben uitgelegd als beide betrekking hebbend op schending van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag en van artikel 1, lid 2, van de vijfde staalsteuncode. Vervolgens heeft het Gerecht het derde en laatste middel behandeld, dat misbruik van bevoegdheid door de Commissie betreft.
17 Ten aanzien van de eerste twee middelen heeft het Gerecht ter inleiding in de punten 115 tot en met 119 van het bestreden arrest overwogen, dat de gemeenschapsrechter in het kader van zijn bevoegdheid om uitspraak te doen op beroepen tot nietigverklaring van beschikkingen van de Commissie slechts toetst of de Commissie haar bevoegdheden heeft misbruikt dan wel de bepalingen van het EGKS-Verdrag of enige op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregel klaarblijkelijk heeft miskend. De uitdrukking klaarblijkelijk" onderstelt in dat verband een kennelijk onjuiste beoordeling van de toestand met het oog waarop de beschikking is gegeven. Met name kan de gemeenschapsrechter zijn feitelijke beoordeling op economisch vlak niet in de plaats stellen van de beoordeling van de Commissie, aldus het Gerecht.
18 In het licht van deze overwegingen heeft het Gerecht in de punten 123 tot en met 131 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door in de eerste plaats voor de toepassing van het criterium van de particuliere investeerder een onderscheid te maken tussen de door HLB voor eigen risico aan rekwirante verstrekte leningen en die welke zij had verleend op grond van een kredietopdracht van de stad Hamburg, en in de tweede plaats te menen dat HLB door een verhoging of verlenging op eigen risico van de kredietlijnen te weigeren, zich heeft gedragen zoals een particuliere investeerder in een soortgelijke situatie had kunnen doen.
19 Het Gerecht heeft vervolgens in de punten 132 tot en met 169 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie, met name gelet op rekwirantes precaire financiële situatie, haar dringende behoefte aan financiering en de ongunstige conjunctuur op de Europese staalmarkt, geen kennelijke beoordelingsfout heeft begaan door zich op het standpunt te stellen dat een particuliere investeerder de verhoging van de kredietlijn in 1992 niet zou hebben toegestaan (punt 139 van het bestreden arrest) en dat de kans dat een particuliere investeerder bereid zou kunnen worden gevonden om het krediet en een kredietmarge te verlenen, verwaarloosbaar, ja zelfs onbestaande was (punt 163 van het bestreden arrest). Volgens het Gerecht kon de Commissie dus op goede gronden aannemen dat een particuliere investeerder het betrokken krediet niet zou hebben verleend (punten 145 en 167 van het bestreden arrest) en dat het staatssteun vormde (punt 169 van het bestreden arrest).
20 Voorts heeft het Gerecht in de punten 171 tot en met 181 van het bestreden arrest geoordeeld dat de hypothese dat rekwirante op basis van haar zekerheden leningen van derden had kunnen verkrijgen, niets veranderde aan het feit dat de Commissie de betwiste maatregelen als staatssteun kon aanmerken.
21 Tot slot heeft het Gerecht in de punten 182 tot en met 187 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie gerechtigd was terugbetaling van de steun te verlangen.
22 Met betrekking tot het derde middel, waarin de Commissie werd verweten dat zij geen rekening had gehouden met een vermindering van de geplande productiecapaciteit in de HSW-vestiging in Euskirchen, heeft het Gerecht in de punten 193 tot en met 209 van het bestreden arrest geoordeeld dat gebeurtenissen die zich ten tijde van de feiten in kwestie slechts in het stadium van planning bevonden, niet in aanmerking konden worden genomen.
23 Het Gerecht heeft het beroep dus in zijn geheel verworpen.
De hogere voorziening
24 DSG en de Bondsrepubliek Duitsland concluderen dat het den Hove behage:
- het bestreden arrest te vernietigen;
- de artikelen 2, 3 en 4 van de bestreden beschikking nietig te verklaren;
- de Commissie in de kosten te veroordelen.
25 DSG voert drie middelen aan. Het eerste middel, dat uit vier onderdelen bestaat, betreft schending van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag doordat het Gerecht in de eerste plaats het begrip economische eenheid onjuist heeft toegepast, in de tweede plaats het criterium van de particuliere investeerder onjuist heeft toegepast, in de derde plaats de verlenging van de kredietlijn in december 1993 ten onrechte als inbreng van kapitaal heeft gekwalificeerd, en in de vierde plaats de andere financieringsmogelijkheden van HSW onjuist heeft beoordeeld. Het tweede middel betreft schending van artikel 88 EGKS-Verdrag doordat het Gerecht ten onrechte de Commissie bevoegd heeft geacht om terugbetaling te verlangen van de met genoemd Verdrag onverenigbaar beschouwde steun. Het derde middel betreft schending van algemene rechtsbeginselen, met name de wetten van de logica, in verband met de invloed van de productiecapaciteitsvermindering van de HSW-vestiging in Euskirchen op de kwalificatie van de betrokken steun.
26 De Commissie verzoekt het Hof, de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen en rekwirante in de kosten van de procedure te verwijzen.
Beoordeling door het Hof
27 Krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof een hogere voorziening die kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op ieder moment bij gemotiveerde beschikking afwijzen.
Het eerste middel
Het eerste onderdeel van het eerste middel
28 Hierin verwijt rekwirante het Gerecht schending van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag doordat het geen kennelijke beoordelingsfout van de Commissie heeft aangenomen waar deze de stad Hamburg en HLB als aparte economische eenheden beschouwde en op basis van dat onderscheid het gedrag van HLB als maatstaf nam om te beoordelen wat het gedrag van een particuliere investeerder in een markteconomie zou zijn geweest.
29 Rekwirante zet uitvoerig de redenen uiteen waarom de stad Hamburg en HLB als een economische eenheid zijn te beschouwen. Het Gerecht zou deze gegevens hebben genegeerd en het bestreden arrest aldus hebben gebaseerd op een onjuiste uitlegging van het begrip economische eenheid, dat een rechtsbegrip en geen feitelijk begrip is.
30 De Commissie antwoordt dat al deze argumenten in eerste aanleg reeds op dezelfde wijze naar voren zijn gebracht en dat rekwirante het Hof slechts vraagt om een nieuwe beoordeling van haar stellingen en om haar zo mogelijk in het gelijk te stellen. Een dergelijk verzoek is in hogere voorziening niet-ontvankelijk.
31 In ieder geval acht de Commissie het middel ongegrond. In de onderhavige zaak moet worden bepaald of HSW van een volgens marktcondities opererende particuliere investeerder soortgelijke economische voordelen had kunnen krijgen als door de stad Hamburg zijn toegekend. Deze test van de particuliere investeerder" is vastgelegd in artikel 1, lid 2, van de staalsteuncode, waarin het volgende wordt bepaald: Onder het begrip steun vallen ook elementen van steunverlening die zijn begrepen in de overdracht van staatsmiddelen [...] die niet kunnen worden aangemerkt als een echte inbreng van risicodragend kapitaal volgens de normale investeringspraktijk in een markteconomie."
32 De vergelijking met een particuliere investeerder is dus gebaseerd op de hypothetische gedraging van een derde. Zij vereist een complexe analyse van de globale situatie van de begunstigde onderneming, de markt waarop zij actief is, de betrokken economische vooruitzichten en de situatie op de kapitaalmarkt. De Commissie stelt dat zij in dit verband over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, zoals het Gerecht in punt 125 van het bestreden arrest terecht heeft vastgesteld. Het door haar als voorbeeld van het gedrag van een particuliere investeerder genoemde feit dat HLB had geweigerd om voor eigen risico het door HSW gevraagde krediet te verlenen en de betaling slechts in opdracht van de stad Hamburg had verricht, is een van meerdere punten geweest in de globale beoordeling van de economische situatie.
33 In dit verband geeft rekwirante in de eerste plaats niet aan in hoeverre het begrip economisch eenheid een rechtsbegrip - en geen feitelijk begrip - is, dat essentieel is voor de vraag of een overheidsmaatregel al dan niet moet worden gekwalificeerd als staatssteun in de zin van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag.
34 In de tweede plaats, voorzover dit onderdeel van het eerste middel het Gerecht onjuiste waarderingen verwijt bij de beoordeling van de resultaten van de door de Commissie uitgevoerde test van de particuliere investeerder", moet erop worden gewezen dat enkel het Gerecht bevoegd is om de feiten vast te stellen, tenzij uit de overgelegde stukken blijkt dat zijn bevindingen materieel onjuist zijn, en deze vervolgens te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde interpretatie van de voorgelegde bewijsmiddelen (zie onder meer beschikking president Hof van 11 april 2001, Commissie/Gerot Pharmazeutika, C-479/00 P(R), Jurispr. blz. I-3121, punt 45).
35 Hieruit volgt dat het eerste onderdeel van rekwirantes eerste middel gedeeltelijk kennelijk ongegrond en gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk is.
Het tweede onderdeel van het eerste middel
36 Dit onderdeel verwijt het Gerecht schending van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag wegens verkeerde toepassing van het criterium van de particuliere investeerder, doordat het Gerecht zich op een onjuist referentiecriterium heeft gebaseerd. In de punten 135 en 166 van het bestreden arrest pretendeert het Gerecht volgens rekwirante te onderzoeken of een particuliere investeerder in december 1992 en in december 1993 de aan HSW toegekende kredietlijn zou hebben verhoogd of verlengd tegen dezelfde voorwaarden als de stad Hamburg. In werkelijkheid zou het Gerecht als referentiecriterium echter alleen het gedrag hebben genomen van een externe investeerder die voor de eerste keer een financiële verbintenis met HSW wil aangaan.
37 Volgens 's Hofs rechtspraak zou echter als referentiecriterium gelden bij de beoordeling of een financieringsmaatregel al dan niet als staatssteun moet worden aangemerkt, het gedrag van een particuliere investeerder in een situatie die die van de overheid zo dicht mogelijk benadert, dus in het onderhavige geval in een situatie waarin het dreigende faillissement van de onderneming die om de financieringsmaatregel vraagt, aanzienlijke verliezen voor genoemde investeerder met zich brengt.
38 Volgens rekwirante handelt een kapitaalverschaffer duidelijk als een particuliere investeerder in marktomstandigheden indien hij, in een situatie van dreigend algeheel verlies van een investering, zijn debiteur die betalingsmoeilijkheden heeft, blijft steunen en hem zelfs aanvullende steun verleent om een zo hoog mogelijke terugbetaling van de eerder toegekende lening te krijgen. De vermindering van het verlies dat zonder deze maatregel onvermijdelijk zou zijn, staat dus gelijk aan winst, hetgeen de Commissie overigens in verscheidene beschikkingen inzake andere ondernemingen heeft erkend.
39 De Commissie betoogt in de eerste plaats dat de toetsing van de handelingen van de Commissie door de gemeenschapsrechter volgens artikel 33 EGKS-Verdrag slecht betrekking heeft op misbruik van bevoegdheid of klaarblijkelijke schending van het toepasselijke gemeenschapsrecht. Dit geldt volledig voor de toepassing van het criterium van de particuliere investeerder. Het Gerecht heeft dus niet het recht geschonden door zijn toetsing tot die aspecten te beperken en aldus de bestreden beschikking te bevestigen.
40 Met name heeft het Gerecht volgens de Commissie in deze zaak naar behoren rekening gehouden met het door rekwirante gestelde rendement van de betwiste maatregelen uit het oogpunt van verliesbeperking. Aangezien HSW echter op de rand van het faillissement stond en in een zeer ongunstige conjunctuur opereerde, zou verhoging van de kredietlijn zoals deze hier heeft plaatsgehad, voor geen enkele particuliere investeerder zin hebben gehad, zelfs niet om eerdere investeringen te redden. Dit geldt voor december 1992 en zeker voor december 1993, toen de situatie nog veel slechter was geworden.
41 In dit verband moet erop worden gewezen dat artikel 1, lid 2, van de vijfde staalsteuncode bepaalt dat wanneer moet worden nagegaan hoe een hypothetische particuliere investeerder in een specifieke situatie zou hebben gehandeld, wordt uitgegaan van de normale investeringspraktijk in een markteconomie."
42 Voorts blijkt uit 's Hofs rechtspraak betreffende artikel 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG), die ook relevant is voor de toepassing van de overeenkomstige bepalingen van het EGKS-Verdrag, dat om vast te stellen of een deelneming van de overheid in het kapitaal van een onderneming, in welke vorm dan ook, het karakter van staatssteun heeft, dient te worden beoordeeld of in soortgelijke omstandigheden een particulier investeerder ertoe zou kunnen worden gebracht een even belangrijke kapitaalinbreng te doen. Ofschoon het gedrag van een particulier investeerder, waarmee de deelneming van een publiek investeerder die doelstellingen van economisch beleid nastreeft moet worden vergeleken, niet noodzakelijkerwijs het gedrag van een gewone investeerder behoeft te zijn die zijn kapitaal belegt om daaruit op min of meer korte termijn een rendement te halen, moet het toch ten minste het gedrag zijn van een particuliere holding of een particuliere groep ondernemingen met een algemene of sectoriële structuurpolitiek, die wordt geleid door het uitzicht op rendement op langere termijn (zie onder meer arrest van 14 september 1994, Spanje/Commissie, C-42/93, Jurispr. blz. I-4175, punten 13 en 14).
43 Ook staat vast dat het onderzoek door de Commissie van de vraag of een bepaalde maatregel als staatssteun kan worden aangemerkt omdat de staat niet als een gewone marktdeelnemer heeft gehandeld, een complexe economische beoordeling vereist. Indien de Commissie een handeling verricht waarbij zulke beoordelingen vereist zijn, beschikt zij over een ruime beoordelingsbevoegdheid en is de rechterlijke toetsing van die handeling, zoals blijkt uit artikel 33 EGKS, beperkt tot de vraag of de procedure- en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel misbruik van bevoegdheid. In het bijzonder mag het Gerecht zijn beoordeling op economisch vlak niet in de plaats stellen van de beoordeling van de Commissie.
44 Bovendien kan de toetsing van het Hof in hogere voorziening blijkens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EGKS alleen rechtsvragen betreffen en kan hogere voorziening alleen zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht waardoor aan de belangen van de betrokken partij afbreuk is gedaan, of schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht. Het Hof moet zich dus beperken tot de beoordeling of het Gerecht het recht heeft geschonden bij zijn toetsing van de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid door de Commissie zoals hierboven is omschreven.
45 In dit verband heeft het Gerecht in de punten 132 tot en met 169 van het bestreden arrest om te beginnen uitgebreid de analyse van de Commissie getoetst, op basis waarvan zij heeft geconcludeerd dat in de economische context van de onderhavige zaak geen enkele weldenkende particuliere investeerder de financiering van HSW zou hebben voortgezet. Op grond van deze toetsing heeft het Gerecht de beoordeling van de Commissie bevestigd, namelijk dat de financiële situatie van HSW zo precair was dat de verhoging van de kredietlijn in 1992 moest worden beschouwd als een spoedmaatregel om HSW in stand te houden zonder enig vooruitzicht op rentabiliteit, ook niet op lange termijn (punt 137 van het bestreden arrest), en dat, wat de maatregelen van december 1993 betreft, toen de situatie nog verder was verslechterd, de kans voor HSW om een particuliere investeerder te vinden die bereid was te handelen zoals de stad Hamburg, vrijwel onbestaande was (punt 163 van het bestreden arrest).
46 Deze constateringen houden dus in ruime mate rekening met de verschillende aspecten van de betrokken situatie en met het gedrag dat redelijkerwijze was te verwachten van een particulier investeerder die streeft naar rendement op lange termijn. Daarentegen zou rekwirantes standpunt ertoe leiden dat voor de toepassing van het criterium van de particuliere investeerder iedere denkbare gedraging als uitgangspunt werd genomen, onafhankelijk van de vraag of deze in een dergelijk perspectief redelijk lijkt. Het spreekt vanzelf dat een dergelijk gedrag geen passend criterium kan zijn.
47 In deze omstandigheden heeft het Gerecht niet het recht geschonden door de beoordeling te bevestigen waartoe de Commissie in de uitoefening van haar ruime beoordelingsbevoegdheid was gekomen.
48 Het tweede onderdeel van het eerste middel is dan ook kennelijk ongegrond en moet dus worden verworpen.
Het derde onderdeel van het eerste middel
49 Het derde middelonderdeel houdt in dat het Gerecht in de punten 183 en 184 van het bestreden arrest ten onrechte de in december 1993 genomen maatregelen als inbreng van kapitaal heeft aangemerkt. In werkelijkheid betrof het volgens DSG slechts een verlenging van de kredietlijn die sinds lang was toegekend. De kredietlijn van 130 miljoen DEM was namelijk sinds 1984 aan HSW verleend en door de Commissie al die jaren gedoogd.
50 DSG stelt dat het oorspronkelijke krediet geheel was verbruikt en dus in feite in kapitaal was omgezet. De verlenging van de kredietlijn kwam dan ook niet neer op een inbreng van nieuwe liquide middelen. Het Gerecht heeft derhalve de economische en juridische situatie, die werd gekenmerkt door een uitstel van de terugbetaling van een eerder toegekende lening, onjuist beoordeeld; dit uitstel was in juridisch en economisch opzicht onvermijdelijk om het faillissement van HSW af te wenden.
51 Het Gerecht had ten minste artikel 2 van de bestreden beschikking nietig moeten verklaren, waarin de Commissie de in december 1993 verstrekte leningen in hun geheel als staatssteun heeft aangemerkt. Volgens DSG hadden alleen de leningen die in de vorm van een verhoging van de oorspronkelijke kredietlijn waren verstrekt, te weten 20 miljoen DEM in december 1992 en 24 miljoen DEM in december 1993, eventueel als steun kunnen worden aangemerkt. De in december 1993 toegekende kredietmarge van 10 miljoen DEM is nooit gebruikt.
52 Volgens de Commissie is dit onderdeel niet-ontvankelijk, aangezien rekwirante slechts de in eerste aanleg naar voren gebrachte argumenten herhaalt en aldus probeert een nieuwe beoordeling van de feiten door het Hof te verkrijgen. Het bevat ook geen klacht over een rechtsschending door het Gerecht.
53 Overigens is het middelonderdeel volgens de Commissie in ieder geval ongegrond. Aangezien HSW aan de rand van het faillissement stond, bestond het aan haar toegekende voordeel in verband met de verleende kredieten niet in het verschil tussen de rente van die kredieten en de gebruikelijke rente, maar in de verstrekking van die kredieten op zichzelf, aangezien geen enkele particuliere investeerder hiertoe bereid zou zijn geweest. De Commissie wijst erop dat over de verlening van de kredietlijn ieder jaar opnieuw moest worden beslist en dat hiervoor telkens een beoordeling van de betrokken situatie nodig was. Gezien de rampzalige financiële toestand van HSW eind 1993 vormde de verlenging van het krediet wel degelijk staatssteun.
54 De Commissie wijst er terecht op dat rekwirante met dit onderdeel van haar eerste middel slechts de in eerste aanleg gebruikte argumenten herhaalt om eenvoudigweg een nieuw onderzoek door het Hof van haar bij het Gerecht ingediende beroep te verkrijgen. Een dergelijke hogere voorziening is in werkelijkheid slechts gericht op heronderzoek van het bij het Gerecht ingediende beroep, waartoe het Hof op grond van artikel 49 van 's Hofs Statuut-EGKS niet bevoegd is (zie onder meer beschikking van 25 januari 2001, Lech-Stahlwerke/Commissie, C-111/99 P, Jurispr. blz. I-727, punt 33).
55 Voorzover dit onderdeel van het eerste middel moet worden opgevat als een verwijt aan het Gerecht dat het niet de juiste juridische consequenties uit de aan hem voorgelegde feitelijke stellingen heeft getrokken, moet worden vastgesteld dat een dergelijke kennelijke vergissing niet uit de constateringen van het Gerecht is af te leiden. In punt 183 van het bestreden arrest heeft het Gerecht overwogen dat uit de feiten van de onderhavige zaak duidelijk blijkt, dat elk jaar over de verlenging van het betrokken krediet moest worden onderhandeld, waarbij de stad Hamburg en HLB konden beslissen deze kredieten al dan niet te verlengen of te verhogen op grond van de economische situatie van dat moment. Het Gerecht heeft hieruit in punt 184 van het bestreden arrest afgeleid dat de Commissie op goede gronden kon aannemen dat het steunbedrag overeenkwam met het bedrag van de verstrekte leningen. In deze beoordeling is geen enkele fout te ontdekken.
56 Hieruit volgt dat het derde onderdeel van het eerste middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond is.
Het vierde onderdeel van het eerste middel
57 Het vierde onderdeel van het eerste middel strekt ten betoge dat het Gerecht in de punten 173 tot en met 175 van het bestreden arrest ten onrechte geen kennelijke beoordelingsfout heeft aanvaard in het standpunt van de Commissie dat de mogelijkheid voor HSW om leningen van derden te verkrijgen op basis van de zekerheden die zij kon bieden, niet eraan in de weg stond dat de litigieuze maatregelen als steunmaatregelen werden aangemerkt. Volgens DSG had namelijk de mogelijkheid om leningen van derden te verkrijgen, in het hypothetische geval dat HSW nog beschikte over de zekerheden die zij aan HLB had overgedragen, bij de test van de particuliere investeerder" in aanmerking moeten worden genomen.
58 De Commissie wijst in dit verband erop dat de hypothese van door derden verstrekte leningen geen redelijke referentiesituatie vormt. Dergelijke leningen zouden zeer onwaarschijnlijk zijn geweest, gezien de geringe mogelijkheden om zekerheden te bieden bij een naderend faillissement. Bovendien hadden de leningen van de stad Hamburg in de onderhavige omstandigheden het karakter van participerende leningen, hetgeen niet het geval zou zijn geweest bij eventuele leningen van derden.
59 Haars inziens heeft het Gerecht in punt 174 van het bestreden arrest derhalve terecht overwogen dat hypothetische leningen van derden niet vergelijkbaar zouden zijn geweest met die welke door HLB in opdracht van de stad Hamburg waren verstrekt, en in punt 180 van het bestreden arrest, dat het zeer twijfelachtig is dat derden voldoende zekerheden hadden kunnen verkrijgen voor het verstrekken van de noodzakelijke leningen.
60 In de beoordeling door het Gerecht van de aan hem voorgelegde feiten valt geen fout op dit punt te ontdekken. Het heeft terecht geoordeeld dat in de situatie van een dreigend faillissement waarin HSW zich bevond, de hypothetische mogelijkheid dat een derde haar een even hoog krediet als de stad Hamburg zou hebben verleend tegen de zekerheden die in die situatie nog beschikbaar waren, zeer onwaarschijnlijk leek en dat derhalve de betwiste staatssteunmaatregelen onverenigbaar met het EGKS-Verdrag moesten worden geacht.
61 Hieruit volgt dat dit onderdeel van het eerste middel ongegrond moet worden verklaard. Bijgevolg moet het eerste middel in zijn geheel worden verworpen.
Het tweede middel
62 Het tweede middel verwijt het Gerecht, artikel 88 EGKS te hebben geschonden door in punt 187 van het bestreden arrest te overwegen dat de Commissie bevoegd is, terugbetaling te vorderen van de staatssteun die zij als onverenigbaar met dit verdrag beschouwt.
63 Rekwirante betoogt dat het EGKS-Verdrag geen regeling kent die overeenkomt met de gecombineerde bepalingen van de artikelen 93, lid 2, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, EG) en 14 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1), waarin de Commissie een uitdrukkelijke bevoegdheid wordt toegekend om terugbetaling van onrechtmatige steun te vorderen. Als oudste verdrag kent het EGKS-Verdrag de Commissie ten opzichte van de lidstaten een veel zwakkere rol toe dan het EG-Verdrag. Het enig mogelijke middel voor de Commissie om in te grijpen, is de procedure van artikel 88, derde alinea, EGKS-Verdrag, waarvoor echter wel de voorafgaande goedkeuring van de Raad met een meerderheid van twee derden is vereist. In het onderhavige geval is van een dergelijke goedkeuring geen sprake. Op grond van het subsidiariteitsbeginsel is het aan de lidstaten om consequenties te verbinden aan steun die als onverenigbaar met het EGKS-Verdrag is te beschouwen. Artikel 3 van de bestreden beschikking moet volgens rekwirante dus nietig worden verklaard.
64 De Commissie acht deze argumenten ongegrond. De verplichting om een situatie in overeenstemming met het gemeenschapsrecht te brengen en dus de onrechtmatige steun terug te vorderen, vloeit rechtstreeks voort uit de strikte steunregeling van het EGKS-Verdrag en uit de verplichting van de lidstaten die uit die regeling voortvloeit. Artikel 88 van genoemd verdrag bepaalt uitdrukkelijk dat de Commissie deze verplichting kan vaststellen en de betrokken lidstaat een termijn kan opleggen om deze uit te voeren. Toestemming van de Raad wordt alleen voorgeschreven in de derde alinea van dat artikel, voor de vaststelling van de daarin omschreven specifieke maatregelen. Van dergelijke maatregelen is volgens de Commissie in de onderhavige zaak geen sprake.
65 In dit verband volstaat de opmerking dat, wat de steunregeling van het EG-Verdrag betreft, de ongedaanmaking van onrechtmatig toegekende staatssteun door middel van terugvordering het logische gevolg is van de vaststelling dat de steun onwettig is, en dat de op de staat rustende verplichting om een door de Commissie als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt aangemerkte steun ongedaan te maken, de vroegere toestand beoogt te herstellen (zie onder meer arrest van 17 juni 1999, België/Commissie, C-75/97, Jurispr. blz. I-3671, punt 64). Hieruit volgt dat een uitdrukkelijke bevoegdheid van de Commissie om terugbetaling te vorderen, niet noodzakelijk is.
66 In zoverre is er geen aanleiding voor een andere beoordeling van de steunmaatregelen die onder het EGKS-Verdrag vallen.
67 Enerzijds is de steunregeling van het EGKS-Verdrag, anders dan rekwirante wil doen geloven, niet minder streng dan die van het EG-Verdrag. Integendeel, artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag bevat een aanzienlijk strengere regeling dan die van het EG-Verdrag, aangezien het de Commissie de bevoegdheid verleent om alle staatssteun op voorhand te verbieden, ongeacht of de mededinging wordt vervalst of dreigt te worden vervalst en of de steunmaatregelen onder een uitzondering op het verbod vallen.
68 Anderzijds moet de Commissie, wanneer een lidstaat niet voldoet aan de beslissing van de Commissie om terugbetaling van onrechtmatige steun te vorderen, in de regeling van het EGKS-Verdrag, net als in die van het EG-Verdrag, de niet-nakomingsprocedure inleiden. Pas in een later stadium van die procedure, namelijk wanneer sancties moeten worden opgelegd wegens niet-nakoming van de verplichtingen, moet op grond van artikel 88, derde alinea, EGKS-Verdrag, anders dan in de niet-nakomingsprocedure van het EG-Verdrag, de Raad optreden.
69 Toen rekwirante in de onderhavige zaak haar beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht instelde, was de procedure nog in het stadium van de vaststelling van de onrechtmatigheid van de betrokken steunmaatregelen door de Commissie. In dit stadium is een optreden van de Raad klaarblijkelijk niet voorzien. Het is overigens niet denkbaar dat het subsidiariteitsbeginsel aldus is geschonden. Het Gerecht heeft dus in punt 189 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat de Commissie geen kennelijke vergissing heeft begaan door terugbetaling van de betrokken steun te eisen.
70 Het tweede middel is dus kennelijk ongegrond en moet worden verworpen.
Het derde middel
71 Met haar derde middel verwijt DSG het Gerecht schending van algemene rechtsbeginselen in verband met de vermindering van de productiecapaciteit op een van de vestigingen, namelijk die in Euskirchen.
72 Volgens rekwirante had deze capaciteitsvermindering grote invloed op de in aanmerking te nemen feitelijke situatie bij de kwalificatie van de betrokken betalingen, omdat het mogelijk was geweest, subsidies te verkrijgen die vervolgens met de betrokken steun hadden kunnen worden gecompenseerd.
73 Het Gerecht heeft volgens rekwirante de wetten van de logica geschonden door in punt 200 van het bestreden arrest het argument, dat terug te betalen steun kon worden gecompenseerd met een niet-gesubsidieerde capaciteitsvermindering, te behandelen alsof het was aangevoerd in het kader van de door de Commissie uitgevoerde test van de particuliere investeerder". Het compensatie-argument is in deze context echter niet relevant. Het is namelijk niet gericht op ontkenning van het karakter van staatssteun van een maatregel, maar neemt dit als uitgangspunt.
74 Bovendien heeft het Gerecht de doorslaggevende vraag niet onderzocht, of niet-gebruikte of niet-aangevraagde herstructureringssubsidies een compensatie kunnen vormen voor onrechtmatige steun die moet worden teruggevorderd. In casu bestaat de compensatie eruit, de latere en niet-gesubsidieerde vermindering van de productiecapaciteit van HSW in aanmerking te nemen, en deze, tot het bedrag van de subsidies die voor de herstructurering hadden kunnen worden verleend, af te trekken van het door HSW terug te betalen bedrag. De door de stad Hamburg verstrekte leningen als onrechtmatige steun te kwalificeren en terugbetaling ervan, te vorderen, zonder rekening te houden met de later zonder subsidie doorgevoerde herstructurering, is een onevenredig strenge handelwijze. Indien het Gerecht dit argument van rekwirante correct had geanalyseerd, was het tot een andere conclusie gekomen.
75 Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk, aangezien het zich beperkt tot het herhalen van argumenten die juridisch irrelevant zijn en door het Gerecht ook zo zijn beschouwd, zonder een concrete rechtsschending van laatstgenoemde te kunnen aanwijzen. Overigens is het middel irrelevant, aangezien het Gerecht rekwirantes argumenten terecht als niet van belang heeft gekwalificeerd.
76 Tussen partijen staat vast dat ten tijde van de verlening van de omstreden steun nog geen vermindering van de productiecapaciteit op de HSW-vestiging in Euskirchen had plaatsgehad, maar dat deze zich in de planningsfase bevond.
77 Het Gerecht heeft in de punten 200 en 201 van het bestreden arrest dus terecht kunnen constateren dat rekwirantes argumenten met betrekking tot gebeurtenissen die zich na het verlenen van de steun hebben voorgedaan, irrelevant zijn, aangezien voor de vergelijking met een particuliere investeerder alleen mag worden uitgegaan van de gegevens waarover de stad Hamburg ten tijde van de omstreden leningen beschikte, en dat derhalve bij het onderzoek van de bestreden beschikking geen rekening kon worden gehouden met de gunstige gevolgen van een latere sluiting van de fabriek te Euskirchen, gesteld dat deze gunstige gevolgen bewezen zouden zijn. Deze overwegingen bevatten onmiskenbaar geen schending van het recht.
78 Het derde middel is dan ook kennelijk ongegrond.
79 Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat de door DSG aangevoerde middelen hetzij kennelijk niet-ontvankelijk, hetzij kennelijk ongegrond zijn. Derhalve moet het beroep op grond van artikel 119 van het reglement voor de procesvoering worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
80 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat volgens artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien DSG in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen. Aangezien lidstaten en instellingen die in het geding tussenkomen, volgens artikel 69, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering hun eigen kosten dragen, moet worden beslist van de Bondsrepubliek Duitsland haar eigen kosten draagt.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) DSG Dradenauer Stahlwerke mbH wordt verwezen in de kosten.
3) De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten.
Full & Egal Universal Law Academy