Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Hogere voorziening - Middelen - Loutere herhaling van voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - Ontbreken van aanwijzing van onjuiste rechtsopvatting - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
2. Hogere voorziening - Middelen - Onjuiste beoordeling van regelmatig voorgelegde bewijzen - Niet-ontvankelijkheid - Afwijzing - Verplichting voor Gerecht om beoordeling van bewijzen te motiveren - Omvang
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51, eerste alinea)
Samenvatting
1. Uit artikel 225 EG, artikel 51, eerste alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven.
Een hogere voorziening waarin slechts de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten worden herhaald, en zelfs geen argumenten naar voren worden gebracht waarmee specifiek wordt aangegeven, op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan dat vereiste. Een dergelijke hogere voorziening vormt in werkelijkheid immers een verzoek om een nieuw onderzoek van de bij het Gerecht ingestelde vordering, waartoe het Hof niet bevoegd is.
( cf. punten 18-19 )
2. Het staat uitsluitend aan het Gerecht staat om het hem voorgelegde bewijsmateriaal op zijn waarde te beoordelen. Onder voorbehoud van zijn verplichting om de algemene beginselen en de procesregels inzake de bewijslast en de bewijslevering te eerbiedigen, en de bewijselementen niet te vervormen, kan het Gerecht dus niet gehouden zijn, zijn beoordeling van de waarde van elk hem voorgelegd bewijselement uitdrukkelijk te motiveren, met name niet wanneer het van oordeel is dat die bewijselementen zonder belang zijn of irrelevant voor de beslissing van het geding.
( cf. punten 36-37 )
Partijen
In zaak C-330/00 P,
Alsace International Car Services SARL (AICS), gevestigd te Straatsburg (Frankrijk), vertegenwoordigd door J.-C. Fourgoux, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 6 juli 2000, AICS/Parlement (T-139/99, Jurispr. blz. II-2849), strekkende tot vernietiging van dat arrest en toewijzing van het door rekwirante in eerste aanleg gevorderde,
andere partij bij de procedure:
Europees Parlement, vertegenwoordigd door O. Caisou-Rousseau en A. Neergaard als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt : A. La Pergola, kamerpresident, D. A. O. Edward en C. W. A. Timmermans (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, op 11 september 2000 neergelegd ter griffie van het Hof, heeft Alsace International Car Services SARL (hierna: AICS") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 6 juli 2000, AICS/Parlement (T-139/99, Jurispr. blz. II-2849; hierna: bestreden arrest"), houdende verwerping van het beroep van AICS tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement om rekwirantes offerte in het kader van aanbesteding nr. 99/S 18-8765/FR betreffende een opdracht voor het vervoer van personen in auto's met chauffeur tijdens de zittingen van het Parlement te Straatsburg terzijde te leggen (hierna: het litigieuze besluit"), alsmede tot vergoeding van de schade die verzoekster door dat besluit zou hebben geleden.
De feiten
2 De feiten die tot het beroep op het Gerecht hebben geleid, worden in het bestreden arrest beschreven als volgt:
1 Op 27 januari 1999 maakte het Europees Parlement krachtens richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209, blz. 1), in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen een aankondiging bekend (PB S 18, blz. 28; hierna: "aankondiging) voor het plaatsen van een opdracht, volgens de openbare procedure, voor het vervoer van personen in voertuigen met chauffeur (aanbesteding nr. 99/S 18-8765/FR; hierna: ,aanbesteding. De voorwaarden waaronder kon worden ingeschreven, werden vermeld in de aankondiging, in het bestek met de administratieve en technische clausules en in de ontwerp-raamovereenkomst.
2 In de aankondiging werd gepreciseerd, dat de opdracht de vorm zou aannemen van een raamovereenkomst met een dienstverlener, uitgevoerd op basis van specifieke opdrachten. De plaats van dienstverlening was Straatsburg (punt 3). Overeenkomstig punt 5 was de opdracht verdeeld in twee partijen. Partij 1 betrof de huur van voertuigen en minibussen met chauffeur, partij 2 de huur van bussen met chauffeur. Het onderhavige beroep betreft enkel de toewijzing van partij 1 van de opdracht.
3 Volgens punt 13 van de aankondiging konden de inschrijvers vennootschappen zijn, individuele ondernemers, dan wel combinaties van vennootschappen en/of individuele ondernemers.
4 In punt 14 van de aankondiging werd gepreciseerd: ,Dienstverleners: De dienstverleners [of hun bedrijfsleider(s)] dienen een activiteit van drie jaar in de sector aan te tonen. Zij dienen tevens een minimumomzet per jaar aan te tonen van 2 000 000 FRF voor partij 1 en van 68 750 FRF voor partij 2.
5 Als criteria voor de gunning van de opdracht werd in punt 16 melding gemaakt van de uit economisch oogpunt voordeligste inschrijving, gelet op de geboden prijzen en de technische waarde van de inschrijving.
6 Artikel 1, lid 1.3, van het bestek (administratieve bepalingen) voorzag, dat het Parlement bij benadering behoefte zou hebben aan gemiddeld 25 tot 60 voertuigen en 2 tot 4 minibussen voor dagelijkse dienstverleningen tussen zes en twaalf werkuren. Punt 5 van het bestek (technische bepalingen) bevatte de uurroosters, waarin gepreciseerd werd dat de dienstverleningen zouden aanvangen om 7.30 uur en zouden eindigen aan het einde van de parlementaire activiteiten (tussen 22 en 24 uur, al naargelang de dag). In hetzelfde punt werd nog vermeld:
,Gezien het feit, dat de drukste momenten zich situeren tussen 7.30 uur en 9 uur en 20 uur en 22 uur, verbindt de onderneming zich er door de indiening van haar offerte toe, indien nodig aan een verzoek om versterking te voldoen. De minimumduur van de dienstverleningen bedraagt twee achtereenvolgende uren.
7 In het bestek (technische bepalingen), onder 2.1, preciseerde het Parlement tevens, dat het betrokken vervoer moest plaatsvinden met voertuigen die niet als [taxi] herkenbaar zijn.
8 Artikel 6, laatste lid, van het bestek (administratieve bepalingen) bepaalde:
,De offerte en de verrichte diensten moeten de geldende voorschriften eerbiedigen.
9 Ook in de bij de aankondiging van de opdracht gevoegde ontwerp-raamovereenkomst (artikel VI, tweede lid) werd aangegeven:
,Bovendien zal de opdrachtnemer erop toezien, dat de nationale en plaatselijke voorschriften die op de uitvoering van de opgedragen taken van toepassing zijn, strikt worden nageleefd.
10 Op 10 februari 1999 diende verzoekster haar offerte bij het Parlement in. Deze was als volgt opgesteld:
,[...]
Wij schrijven in op partij 1 voor de dagelijkse dienst buiten de spitsuren, volgens de uurtarieven vermeld in bijlage 1.
Wij kunnen het Parlement tijdens de zitting van het Parlement te Straatsburg van maandag tot en met vrijdag een dertigtal wagens met chauffeur ter beschikking stellen.
Wij zijn echter niet beschikbaar tijdens de spitsuren [...] dat wil zeggen van 7 uur tot 9 uur en van 19 uur tot 22 uur.
Deze diensten zijn technisch en financieel niet realiseerbaar tijdens de spitsuren.
Ons bedrijf kan de terbeschikkingstelling van de benodigde voertuigen tijdens de spitsuren niet garanderen. Overigens zou geen enkel bedrijf in de regio dit kunnen zonder zelfstandige taxichauffeurs, die de geldende voorschriften niet eerbiedigen, als onderaannemers in te schakelen.
[...]
11 Als bijlage 2 bij haar offerte voegde verzoekster een document bij, getiteld ,De burgerlijke vordering wegens oneerlijke mededinging, waarin zij eraan herinnerde, dat een burgerlijke vordering en vervolgens ook een strafvordering waren ingesteld met betrekking tot de activiteiten van de Association centrale des autos taxis de la communauté urbaine de Strasbourg (hierna: ,ACATS TAXI 13), die voor rekening van het Parlement in het kader van een huurovereenkomst voor voertuigen met chauffeur het vervoer van de Europese ambtenaren en parlementsleden verzorgde met voertuigen die niet als [taxi] herkenbaar zijn. Verzoekster maakte erop opmerkzaam, dat enkel de activiteit van verhuur van voertuigen met chauffeur (limousinedienst) toeliet om aan de eisen van het Parlement tegemoet te komen met eerbiediging van de voorschriften die op de sector van het vervoer van personen tegen vergoeding van toepassing waren. Verzoekster zette haar standpunt in dit document uiteen.
12 Op 24 februari 1999 verzocht het Parlement de inschrijvers aan te geven, over hoeveel voertuigen zij op dat moment beschikten, en over hoeveel voertuigen zij zouden kunnen beschikken indien eventueel een overeenkomst met de instelling zou worden gesloten.
13 Verzoekster antwoordde, dat zij over vijf voertuigen met chauffeur beschikte en bezig was met de aanschaf van drie andere voertuigen. Zij vermeldde daarenboven:
,Wij kunnen van maandag tot en met vrijdag (buiten de spitsuren) tijdens de zittingen van het Parlement een zestigtal voertuigen in overeenstemming met de technische bepalingen van de aankondiging te uwer beschikking stellen.
14 Het Parlement besloot de offerte van de Coopérative Taxi 13, die eveneens had ingeschreven, te aanvaarden, omdat deze, gelet op de in de aankondiging vermelde criteria voor toewijzing, de voordeligste was.
15 Bij brief van 7 april 1999 stelde het Parlement verzoekster in kennis van zijn besluit, verzoeksters offerte terzijde te leggen wegens het prijsverschil tussen deze offerte en de offerte van de vennootschap waarmee het de uit de gunning van de opdracht voortvloeiende overeenkomst had gesloten (hierna: ,bestreden besluit).
16 Bij brief van 15 april 1999 deelde verzoekster het Parlement mee, dat zij meende te hebben begrepen, dat het Parlement de overeenkomst die was gesloten met ,l'association (ou coopérative) des artisans taxis had verlengd. Zij uitte opnieuw haar twijfels over de verenigbaarheid van een dergelijke overeenkomst met Frans recht. Daartoe wees zij er inzonderheid op, dat het taxi's wettelijk verboden is om Europese parlementsleden en ambtenaren te vervoeren onder de in de aanbesteding vermelde voorwaarden (voertuigen die niet als [taxi] herkenbaar zijn). Zij preciseerde dat, zelfs zo de offerte van de ,artisans taxis strasbourgeois financieel voordeliger was, de diensten niettemin buiten elk wettelijk kader zouden worden verricht, zulks in strijd met de aanbesteding. Zij herinnerde er tevens aan, dat zij niet de vele aan taxi's toegekende fiscale voordelen genoot en dat zij, omdat zij de geldende wettelijke en reglementaire voorschriften wilde eerbiedigen, derhalve geen offerte tegen een concurrerende prijs kon indienen. Zij werd aldus geconfronteerd met oneerlijke mededinging. Zij verzocht het Parlement zich over deze argumenten uit te spreken.
17 Bij brief van 19 april 1999 zond verzoekster, ter aanvulling van haar brief van 15 april 1999, een verslag van het Ministerie van Binnenlandse zaken, algemene bestuursinspectie, daterend van maart 1992, betreffende de activiteit van de taxi's binnen de agglomeratie Straatsburg en de luchthaven Strasbourg-Entzheim.
18 Bij brief van 11 mei 1999 antwoordde de heer Rieffel, directeur-generaal van het directoraat-generaal Administratie van het Parlement:
,Naar aanleiding van uw brieven van 15 en 19 april 1999, waarin u ons een aantal voorschriften van Frans recht met betrekking tot taxidiensten heeft meegedeeld en tevens verzocht, dat het Europees Parlement een standpunt zou innemen over de kritische opmerkingen die u geformuleerd heeft in verband met de verenigbaarheid van de diensten van de Coopérative Taxi 13 met deze wetgeving, deel ik u het volgende mee.
Ter voorkoming van latere geschillen heeft het Europees Parlement in aankondiging nr. 99/S 18-8765/FR de verplichting opgenomen, dat de opdrachtnemer erop [zal] toezien, dat de nationale en plaatselijke voorschriften die op de uitvoering van de opgedragen taken van toepassing zijn, strikt worden nageleefd (artikel VI, lid 2, van de ontwerpovereenkomst). Dienaangaande wil ik erop wijzen, dat niet het Europees Parlement, maar de ter zake bevoegde Franse rechterlijke instanties de wetgeving dienen uit te leggen.
Het Europees Parlement heeft met betrekking tot voormelde aanbesteding alle voorschriften en procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten en, in de eerste plaats, richtlijn [...] 92/50 [...] nageleefd.
Wat de uitvoering van de diensten betreft, beschik ik over geen enkel gegeven waaruit ik zou kunnen afleiden, dat de Coopérative Taxi 13 de voorwaarden van de aanbesteding niet in acht neemt. Overigens heeft tot op heden geen administratieve of rechterlijke instantie zich tot het Europees Parlement gewend om de voorwaarden voor de uitvoering van de overeenkomst te betwisten.
[...]"
3 Onder die omstandigheden heeft AICS op 8 juni 1999 beroep bij het Gerecht ingesteld.
Het bestreden arrest
4 Het Gerecht heeft bij het bestreden arrest het beroep van AICS in zijn geheel verworpen.
5 Om te beginnen verwierp het Gerecht in de punten 28 tot en met 34 van zijn arrest het verweer van het Parlement met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep.
6 Vervolgens wees het Gerecht, wat de grond van de zaak betreft, in de punten 39 tot en met 46 van zijn arrest rekwirantes eerste middel - schending van het Franse recht inzake het taxibedrijf en van het bestek - af.
7 Daartoe overwoog het Gerecht het volgende:
40 Krachtens artikel 230, tweede alinea, EG is het Gerecht in het kader van een beroep tot nietigverklaring bevoegd uitspraak te doen op een beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het Verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel misbruik van bevoegdheid. Hieruit volgt, dat het Gerecht de beweerde schending van de Franse wetgeving niet mag behandelen als een rechtsvraag die een onbeperkte toetsing rechtens veronderstelt. Een dergelijke toetsing valt onder de uitsluitende bevoegdheid van de Franse autoriteiten.
41 Niettemin zijn de instellingen ingevolge de beginselen van behoorlijk bestuur en van loyale samenwerking tussen de gemeenschapsinstellingen en de lidstaten gehouden zich ervan te verzekeren, dat de in een aanbesteding opgenomen voorwaarden de potentiële inschrijvers niet aanzetten tot schending van de op hun werkzaamheden toepasselijke nationale wetgeving.
42 In casu heeft het Parlement verklaard, dat de Franse wetgeving de uitvoering van de bij de aanbesteding betrokken vervoerdiensten in niet als zodanig herkenbare taxi's niet verbiedt, mits deze diensten gedekt zijn door een inschrijving in het register van ondernemingen voor het openbaar personenvervoer over de weg. Verzoekster heeft niet aangetoond, dat deze verklaring van het Parlement kennelijk onjuist is. Verzoekster heeft zich enkel beroepen op de Franse wetgeving betreffende de werkzaamheden van taxi's, zonder aan te tonen dat de wetgeving op het gebied van het particuliere niet-stedelijke personenvervoer over de weg niet van toepassing zou kunnen zijn op taxiondernemingen wanneer deze de in de aanbesteding voorziene diensten leveren. Bovendien wordt niet betwist, dat de Coopérative Taxi 13 een verklaring heeft overgelegd waaruit blijkt, dat zij is ingeschreven in het register van ondernemingen voor openbaar personenvervoer over de weg. Het Parlement heeft aangetoond, dat deze inschrijving vereist was door de voormelde Franse wetgeving betreffende particuliere vervoerdiensten, hetgeen zijn betoog geloofwaardig maakt.
43 In die omstandigheden heeft verzoekster niet aangetoond, dat het Parlement de Franse wetgeving kennelijk onjuist heeft uitgelegd.
44 Voor het overige kan verzoekster zich niet beroepen op de clausule in de ontwerp-raamovereenkomst volgens welke de diensten met inachtneming van de geldende wetgeving moeten worden uitgevoerd. Deze clausule kan namelijk niet aldus worden uitgelegd, dat zij het Parlement verplicht niet alleen te controleren, of de inschrijving in hogervermeld register heeft plaats gevonden, maar ook of de gekozen inschrijver de betrokken overeenkomst met inachtneming van de Franse wetgeving uitvoert. Zoals het Parlement duidelijk heeft gesteld, moet de gekozen inschrijver zich op grond van deze bepaling ervan vergewissen, dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden de Franse wetgeving eerbiedigt, en moet hij derhalve de gevolgen dragen van de niet-nakoming van deze verplichting.
45 Ter terechtzitting heeft het Parlement te kennen gegeven, dat indien zijn uitlegging van de Franse wetgeving onjuist zou blijken, het de betrokken overeenkomst op grond van voormelde clausule zou moeten opzeggen."
8 In de derde plaats wees het Gerecht in de punten 52 tot en met 54 van zijn arrest rekwirantes derde middel - schending van het non-discriminatiebeginsel - af.
9 Na in punt 52 te hebben opgemerkt, dat rekwirante erkende dat de gestelde discriminatie uitsluitend het gevolg was van het verschil in behandeling naar Frans recht tussen exploitanten van huurauto's met chauffeur en taxiondernemingen, vervolgde het Gerecht in punt 53:
Aangezien verzoekster niet heeft aangetoond, dat de uitlegging door het Parlement van de Franse wetgeving die op de bij de aanbesteding betrokken diensten van toepassing is, kennelijk onjuist was (zie punt 43 [van het bestreden arrest]), kan zij evenmin beweren, dat het Parlement het beginsel van non-discriminatie heeft geschonden op grond dat het met dit verschil in behandeling geen rekening heeft gehouden. Het Parlement kan op basis van de geldende communautaire voorschriften geen rekening houden met de door het Franse recht veroorzaakte ongelijkheid van kansen op de markt [...]"
10 In de vierde plaats verklaarde het Gerecht in de punten 59 tot en met 67 van zijn arrest rekwirantes derde middel niet ontvankelijk, en wel omdat dit middel, ontleend aan schending van de in de aankondiging gestelde voorwaarde, dat de dienstverleners een werkzaamheid van drie jaar in de sector moesten aantonen, voor het eerst ter terechtzitting was voorgedragen, zonder dat het gebaseerd was op elementen rechtens of feitelijk die in de loop van de procedure aan het licht waren gekomen.
11 In de vijfde plaats merkte het Gerecht met betrekking tot de schadevordering van AICS in punt 68 van zijn arrest op, dat [v]oor het ontstaan van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap uit hoofde van artikel 288, tweede alinea, EG en de algemene beginselen waarnaar in deze bepaling wordt verwezen, moet zijn voldaan aan een aantal voorwaarden betreffende de onrechtmatigheid van de aan de instelling verweten gedraging, het bestaan van schade en een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade (zie arrest Gerecht van 16 oktober 1996, Efisol/Commissie, T-336/94, Jurispr. blz. II-1343, punt 30)".
12 Na in punt 69 van zijn arrest te hebben overwogen, dat rekwirante niet had aangetoond dat de gedraging van het Parlement onrechtmatig was, verwierp het Gerecht bijgevolg de schadevordering.
De hogere voorziening
13 In de hogere voorziening concludeert AICS, dat het het Hof behage:
- het bestreden arrest te vernietigen;
- daar de zaak in staat van wijzen is, te beslissen over de vordering tot nietigverklaring van het besluit van 7 april 1999 om AICS uit te sluiten en om, bijgevolg, de opdracht aan Taxi 13 te gunnen, en over de vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van FRF 2 190 000, behoudens vermeerdering op dezelfde grondslag op de dag van uitspraak van het arrest";
- het Parlement in de kosten te verwijzen.
14 Het Parlement verzoekt het Hof:
- de hogere voorziening af te wijzen;
- AICS in de kosten te verwijzen.
15 Tot staving van de hogere voorziening voert AICS vijf middelen aan, respectievelijk ontleend aan kennelijk verkeerde beoordeling van de feiten en het recht door het Gerecht, schending van het EG-Verdrag en van wezenlijke vormvoorschriften bij de motivering van het bestreden arrest, schending van het non-discriminatiebeginsel, niet-inachtneming van de aan de opdrachtnemer gestelde voorwaarde van drie jaar werkzaamheid, en ongegronde verwerping van de vordering tot schadevergoeding.
16 Vooraf zij eraan herinnerd, dat wanneer de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, het Hof ze ingevolge artikel 119 van zijn Reglement voor de procesvoering op ieder moment bij met redenen omklede beschikking kan afwijzen.
Het eerste middel
Eerste onderdeel
17 In het eerste onderdeel van haar eerste middel stelt rekwirante, dat het Gerecht de feiten en het recht kennelijk verkeerd heeft beoordeeld door in punt 42 van het bestreden arrest te beslissen, dat de stelling van het Parlement, dat het een overeenkomst met taxiondernemingen kon sluiten zonder dat dit ertoe zou leiden, dat die ondernemingen de Franse wettelijke regeling overtraden, geloofwaardig" was.
18 Volgens vaste rechtspraak volgt uit artikel 225 EG, artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven (zie, onder meer, arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C-352/98 P, Jurispr. blz. I-5291, punt 34).
19 Een hogere voorziening waarin slechts de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten worden herhaald, en zelfs geen argumenten naar voren worden gebracht waarmee specifiek wordt aangegeven, op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan dat vereiste. Zij beoogt in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van de bij het Gerecht ingestelde vordering, waartoe het Hof niet bevoegd is (zie, onder meer, arrest Bergaderm en Goupil/Commissie, reeds aangehaald, punt 35).
20 In casu stelt rekwirante, dat het Gerecht in punt 42 van het bestreden arrest een kennelijke beoordelingsfout met betrekking tot de feiten en het recht heeft gemaakt. Zij laat echter na, de vinger te leggen op een specifieke rechtsdwaling in de redenering die het Gerecht in punt 42 van het bestreden arrest tot de conclusie bracht, dat de wijze waarop het Parlement de Franse wetgeving had uitgelegd, niet kennelijk onjuist was, en dat het Parlement derhalve geen inbreuk had gemaakt op zijn uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichting om potentiële inschrijvers niet aan te zetten tot schending van de toepasselijke nationale wetgeving.
21 In wezen doet rekwirante immers niets anders dan de argumenten herhalen die zij al voor het Gerecht heeft aangevoerd, met name die betreffende de duidelijkheid van de toepasselijke Franse wetten en decreten, het feit dat er voor de correctionele rechtbank te Straatsburg een strafzaak tegen leden van ACATS TAXI 13 aanhangig is, en het rapport van het Franse Ministerie van Binnenlandse zaken van maart 1992, waaruit het onwettige karakter van de voor het Parlement verrichte taxidiensten zou blijken. Tevens verklaart zij nogmaals, dat het Parlement wist dat het onrechtmatig handelde door de aanbestede opdracht aan Coopérative Taxi 13 te gunnen. In zoverre het enkel door dergelijke argumenten wordt gestaafd, is dit onderdeel van het eerste middel in het kader van de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk.
22 Tot staving van dit onderdeel van het eerste middel voert requirante echter nog een nieuw argument aan, te weten dat verscheidene leden van ACATS TAXI 13 bij vonnis van de correctionele rechtbank te Straatsburg van 7 april 2000 wegens diverse overtredingen zijn veroordeeld. Maar omdat dit vonnis dateert van na de sluiting van de mondelinge behandeling voor het Gerecht en, wat meer is, van na de datum van het litigieuze besluit, kan het niet worden aangevoerd om de uitlegging die het Parlement op het moment van gunning van de opdracht aan het Franse recht heeft gegeven, te betwisten. Het kan derhalve evenmin worden aangevoerd ter betwisting van de conclusie van het Gerecht, dat de uitlegging van het Franse recht door het Parlement geloofwaardig was. Ook dit argument moet dus als kennelijk niet-ontvankelijk worden afgewezen.
23 Voorts stelt rekwirante, dat het Gerecht, door te concluderen dat de uitlegging van het Franse recht door het Parlement geloofwaardig was, niet slechts blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, doch ook de feiten kennelijk verkeerd heeft beoordeeld, daar het Parlement gewaarschuwd was dat de aan te besteden werkzaamheden naar Frans recht onwettig waren.
24 Dit argument faalt.
25 Immers, het beoordelen van de feiten behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van het Gerecht (zie, onder meer, arrest van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C-7/95 P, Jurispr. blz. I-3111, punt 21), en rekwirante heeft noch met haar argumenten noch met de stukken van haar dossier weten aan te tonen, dat het Gerecht de hem voorgelegde feiten verkeerd heeft geïnterpreteerd toen het in punt 42 van het bestreden arrest vaststelde, dat het Parlement de Franse wettelijke regeling geloofwaardig had uitgelegd.
26 Hieruit volgt, dat het eerste onderdeel van het eerste middel kennelijk niet-ontvankelijk is.
Tweede onderdeel
27 In het tweede onderdeel van het eerste middel stelt rekwirante, dat het Gerecht een kennelijke fout heeft gemaakt door niet op een tegenstrijdigheid in het standpunt van het Parlement te wijzen. Na in een - in punt 18 van het bestreden arrest vermelde - brief van 11 mei 1999 te hebben verklaard, dat niet het Europees Parlement, maar de ter zake bevoegde Franse rechterlijke instanties de [Franse] wetgeving dienen uit te leggen", heeft het Parlement, aldus rekwirante, tijdens de terechtzitting van het Gerecht niettemin een uitlegging van die wetgeving gegeven. Volgens rekwirante heeft het Gerecht derhalve in punt 53 van het bestreden arrest de uitlegging door het Parlement van de Franse wetgeving die op de bij de aanbesteding betrokken diensten van toepassing is", ten onrechte als juist aanvaard.
28 In de eerste plaats zij opgemerkt, dat zelfs indien een dergelijke tegenstrijdigheid in het standpunt van het Parlement komt vast te staan, rekwirante niet duidelijk maakt, in hoeverre de redenering van het Gerecht erdoor kan zijn beïnvloed.
29 In de tweede plaats bestaat er geen enkele tegenstrijdigheid tussen, enerzijds, de verklaring van het Parlement, dat de Franse autoriteiten de Franse wetgeving moeten uitleggen en toepassen, en, anderzijds, het feit dat het Parlement na desbetreffende vragen van het Gerecht ter terechtzitting heeft uitgelegd, waarom het meende bij de gunning van de aanbestede opdracht in overeenstemming met de Franse wetgeving te hebben gehandeld.
30 Het tweede onderdeel van het eerste middel is derhalve als kennelijk ongegrond te beschouwen.
31 Mitsdien dient het eerste middel, dat deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond is, in zijn geheel te worden afgewezen.
Het tweede middel
32 In haar tweede middel stelt rekwirante, dat het Gerecht zijn arrest niet rechtens genoegzaam met redenen heeft omkleed.
33 Dat de motivering tekort schiet, zou in de eerste plaats volgen uit de globale beoordeling van de stelling van het Parlement met betrekking tot de inhoud van de Franse wettelijke regeling; zonder dat de door rekwirante voorgelegde bewijselementen zijn onderzocht, is die stelling eenvoudig als geloofwaardig" bestempeld. Rekwirante wijst in dit verband met name op het in punt 17 van het bestreden arrest vermelde rapport van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken, waarin het gebruik door het Parlement van niet als zodanig herkenbare taxi's onwettig wordt genoemd, en op het feit dat het Parlement in zijn verweerschrift voor het Gerecht heeft toegegeven, dat het al in 1998 van het Franse parket en de Franse politie had vernomen, dat een gerechtelijk onderzoek tegen taxichauffeurs was geopend ter zake van onwettige werkzaamheden ten behoeve van het Parlement.
34 In de tweede plaats zou het Gerecht onvoldoende duidelijk hebben gemaakt, waarom het meende, dat het Parlement gerechtigd was de Franse wettelijke regeling uit te leggen, ofschoon dit in zijn brief van 11 mei 1999 aan AICS had doen weten, dat het daartoe niet bevoegd was; ook had het Gerecht niet gepreciseerd, waarom die uitlegging waarschijnlijk wel juist was.
35 In punt 42 van het bestreden arrest, weergegeven in punt 7 van deze beschikking, heeft het Gerecht uiteengezet, waarom het van oordeel was dat verzoekster niet had aangetoond, dat het Parlement de Franse wettelijke regeling kennelijk verkeerd had uitgelegd. Die motivering is logisch en volstaat om te begrijpen, waarom het Gerecht zich aldus heeft uitgesproken. Rekwirante heeft geen enkel specifiek argument aangevoerd waaruit het tegengestelde zou blijken.
36 Met betrekking tot rekwirantes bewering dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met de door haar geleverde bewijselementen, zij erop gewezen dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend aan het Gerecht staat om het hem voorgelegde bewijsmateriaal op zijn waarde te beoordelen (zie arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 66, en 16 september 1997, Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie, C-362/95 P, Jurispr. blz. I-4775, punt 29).
37 Onder voorbehoud van zijn verplichting om de algemene beginselen en de procesregels inzake de bewijslast en de bewijslevering te eerbiedigen, kan het Gerecht dus niet verplicht zijn, zijn beoordeling van de waarde van elk hem voorgelegd bewijselement uitdrukkelijk te motiveren, met name niet wanneer het van oordeel is, dat die bewijselementen zonder belang zijn of irrelevant voor de beslissing van het geding (zie arrest van 15 juni 2000, Dorsch Consult/Raad en Commissie, C-237/98 P, Jurispr. blz. I-4549, punt 51).
38 Rekwirantes betoog dat het bestreden arrest onvoldoende met redenen is omkleed, waar het verklaart dat de uitlegging van de Franse wettelijke regeling door het Parlement als geloofwaardig is te beschouwen, kan dus niet worden aanvaard.
39 Met betrekking tot de gestelde ontoereikende motivering op het punt van het al dan niet bevoegd zijn van het Parlement om de Franse wettelijke regeling uit te leggen, volstaat de vaststelling, dat dit argument in wezen samenvalt met het tweede onderdeel van het eerste middel en om dezelfde redenen moet worden verworpen.
40 Bijgevolg moet het tweede middel als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
Het derde middel
41 In het derde middel stelt rekwirante, dat het Gerecht het voor hem aangevoerde, op het non-discriminatiebeginsel gebaseerde middel kennelijk verkeerd heeft beoordeeld, door ten onrechte het betoog van het Parlement te aanvaarden, dat er geen sprake was van discriminerende behandeling, aangezien de discriminatie niet aan de instelling viel toe te schrijven, doch aan de lidstaat die de regeling van het taxibedrijf heeft vastgesteld en de taxiondernemers heeft bevoordeeld ten opzichte van andere vervoerders, in het bijzonder de exploitanten van huurwagens met chauffeur.
42 Ofschoon rekwirante het Gerecht in wezen verwijt het non-discriminatiebeginsel te hebben geschonden, voert zij geen enkel argument aan, dat specifiek bedoeld is om de onjuiste rechtsopvatting aan te duiden die in het bestreden arrest op dit punt tot uiting zou komen, en beperkt zij zich ertoe, de argumenten te herhalen die zij reeds voor het Gerecht uiteen had gezet.
43 Overeenkomstig de reeds in de punten 18 en 19 van deze beschikking aangehaalde vaste rechtspraak dient dit derde middel derhalve als kennelijk niet-ontvankelijk te worden afgewezen.
Het vierde middel
44 In het vierde middel stelt rekwirante, dat het Gerecht in punt 67 van het bestreden arrest ten onrecht heeft beslist, dat het voor hem aangevoerde middel, ontleend aan schending van de voorwaarde dat de opdrachtnemer drie jaar bedrijfsactiviteit dient aan te tonen, tardief en dus niet ontvankelijk was, omdat het niet steunde op gegevens rechtens of feitelijk die eerst in de loop van de procedure aan het licht waren gekomen. Rekwirante betoogt met name, dat zij op 15 april 1999 te kennen had gegeven, dat zij meende te begrijpen dat de bestaande overeenkomst met de association (ou coopérative) des artisans taxis" zou worden verlengd, en dat het haar pas uit het verweerschrift van het Parlement in de procedure voor het Gerecht duidelijk was geworden, dat dat niet het geval was, omdat Coopérative Taxi 13 in de plaats van ACATS TAXI 13 was gekomen.
45 Ook hier moet weer worden vastgesteld dat rekwirante, in plaats van te preciseren in welk opzicht de redenering van het Gerecht niet deugt, in de hogere voorziening enkel herhaalt wat zij reeds in eerste aanleg heeft uiteengezet. Overeenkomstig de reeds in de punten 18 en 19 van deze beschikking aangehaalde vaste rechtspraak dient dus ook het vierde middel als kennelijk niet-ontvankelijk te worden afgewezen.
Het vijfde middel
46 Ervan uitgaande, dat het bewezen is dat het Parlement een onrechtmatige dienstverleningsregeling heeft ingevoerd, die de taxiondernemers ten koste van AICS bevoordeelt, stelt rekwirante in haar vijfde middel, dat voldaan is aan de voorwaarden voor het ontstaan van niet-contractuele aansprakelijkheid van de instelling en van het recht van de gelaedeerde particulier op schadevergoeding.
47 Waar echter geen van de middelen van de hogere voorziening slaagt, kan eenvoudig worden vastgesteld, dat het Gerecht in het bestreden arrest terecht tot de slotsom is gekomen, dat niet was aangetoond dat het Parlement onrechtmatig had gehandeld, en bijgevolg de schadevordering terecht heeft verworpen. Rekwirantes vijfde middel dient dus als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
48 Uit het voorgaande volgt, dat de hogere voorziening, waar zij deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond is, in haar geheel moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
49 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van dat reglement op de hogere voorziening van toepassing is, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dat is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van het Parlement in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Alsace International Car Services SARL (AICS) wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy