Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Ambtenaren - Personeelsleden van Europese Centrale Bank - Beroep - Termijnen
(Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, art. 36.2; Algemene arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de Europese Centrale Bank, art. 42; Personeelsverordeningen en -regelingen van de Europese Centrale Bank, art. 8.2)
2. Hogere voorziening - Middelen - Middel dat voor het eerst in hogere voorziening is aangevoerd - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51)
3. Hogere voorziening - Middelen - Verkeerde beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Toetsing door Hof van beoordeling van bewijselementen - Uitgesloten behoudens geval van verkeerde opvatting
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51)
Samenvatting
1. Uit artikel 36.2 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank blijkt duidelijk dat de gemeenschapsrechter, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de Europese Centrale Bank, bevoegd is kennis te nemen van geschillen tussen de Europese Centrale Bank en haar personeelsleden. Op grond van de in artikel 42 van de algemene arbeidsvoorwaarden bedoelde en in artikel 8.2 van de Personeelsverordeningen en -regelingen uitgewerkte voorwaarden voor het instellen van een beroep bij de gemeenschapsrechter is met name vereist dat het beroep wordt ingesteld binnen twee maanden.
( cf. punten 15-16 )
2. Een middel dat voor het eerst in hogere voorziening voor het Hof is aangevoerd, moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Immers, indien het een partij zou worden toegestaan om een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof aan te voeren, dan zou haar in feite worden toegestaan om bij het Hof een geschil aanhangig te maken dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof evenwel alleen bevoegd de beoordeling door het Gerecht van de aldaar bepleite middelen te onderzoeken.
( cf. punten 22-23 )
3. Uit de artikelen 225 EG en 51 van het Statuut van het Hof van Justitie blijkt dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. Derhalve is het Gerecht bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, tenzij de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert, behoudens het geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht overgelegde bewijselementen, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof.
( cf. punt 26 )
Partijen
In zaak C-467/00 P,
Personeelscomité van de Europese Centrale Bank, gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),
Johannes Priesemann, personeelslid van de Europese Centrale Bank, wonende te Frankfurt am Main,
Marc van de Velde, personeelslid van de Europese Centrale Bank, wonende te Usingen-Kransberg (Duitsland),
en
Maria Concetta Cerafogli, personeelslid van de Europese Centrale Bank, wonende te Frankfurt am Main,
vertegenwoordigd door N. Pflüger, R. Steiner en S. Mittländer, Rechtsanwälte, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwiranten,
betreffende hogere voorziening tegen de op 24 oktober 2000 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer) gegeven beschikking Personeelscomité van de ECB e.a./ECB (T-27/00, JurAmbt. blz. I-A-217 en II-987), strekkende tot vernietiging van deze beschikking,
andere partij bij de procedure:
Europese Centrale Bank, vertegenwoordigd door C. Zilioli, V. Saintot en M. López Torres als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, F. Macken (rapporteur) en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 27 december 2000, hebben het personeelscomité van de Europese Centrale Bank (hierna: personeelscomité"), alsmede J. Priesemann, M. van de Velde en M. C. Cerafogli, personeelsleden van de Europese Centrale Bank (hierna: ECB"), krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 24 oktober 2000, Personeelscomité van de ECB e.a./ECB (T-27/00, JurAmbt. blz. I-A-217 en II-987; hierna: bestreden beschikking"), waarbij het Gerecht hun beroep tot nietigverklaring van administratieve circulaire n° 11/98 van de directie van de ECB van 12 november 1998 betreffende het beleid van de ECB inzake het gebruik van internet, niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Toepasselijke bepalingen en aan het geding ten grondslag liggende feiten
2 De toepasselijke bepalingen en de aan het geding ten grondslag liggende feiten zijn in de punten 1 tot en met 9 van de bestreden beschikking uiteengezet als volgt:
1 Het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank [...], dat is gehecht aan het EG-Verdrag (hierna: ,ESCB-statuten), bevat onder meer de volgende bepalingen:
,Artikel 35
Toetsing door de rechter en aanverwante aangelegenheden
35.1. De handelingen en nalatigheden van de ECB zijn onderworpen aan toetsing en uitlegging door het Hof van Justitie in de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in het Verdrag. De ECB kan gerechtelijke procedures aanspannen in de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in het Verdrag.
[...]
Artikel 36
Personeel
36.1. De Raad van Bestuur stelt op voorstel van de Directie de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de ECB vast.
36.2. Het Hof van Justitie is, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de arbeidsvoorwaarden, bevoegd ter zake van geschillen tussen de ECB en haar personeelsleden.
2 In de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de ECB (besluit van de Europese Centrale Bank van 9 juni 1998 inzake de goedkeuring van de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de Europese Centrale Bank, zoals gewijzigd op 31 maart 1999, PB L 125, blz. 32; hierna: ,algemene arbeidsvoorwaarden), wordt onder meer bepaald:
,Deel 8
Rechtsmiddelen en tuchtprocedures
41. De personeelsleden kunnen met gebruikmaking van de in de personeelsverordeningen en -regelingen vastgestelde procedure bezwaren en klachten indienen met het oog op een administratief onderzoek van de samenhang van de in elk individueel geval gestelde handelingen met het personeelsbeleid en de arbeidsvoorwaarden van de ECB. Voor de personeelsleden die geen genoegdoening hebben verkregen na het administratieve onderzoek, staat de in de personeelsverordeningen en -regelingen vastgestelde klachtprocedure open.
Bovenbedoelde procedures kunnen niet worden gebruikt ter betwisting van:
i) enig besluit van de Raad van Bestuur of enig intern richtsnoer van de ECB, met inbegrip van enig richtsnoer dat is vastgesteld in de algemene arbeidsvoorwaarden of in de personeelsverordeningen en -regelingen,
ii) enig besluit waarvoor specifieke beroepsprocedures openstaan,
iii) enig besluit waarbij de aanstelling van een personeelslid op proef niet wordt bevestigd.
42. Na uitputting van alle beschikbare interne procedures is het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen de ECB en een personeelslid of gewezen personeelslid op wie de onderhavige arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn.
Deze bevoegdheid is beperkt tot toetsing van de wettigheid van de maatregel of het besluit, behalve indien het geschil van geldelijke aard is, in welk geval het Hof van Justitie over volledige rechtsmacht beschikt.
[...]
Deel 9
Vertegenwoordiging van het personeel
[...]
46. Het personeelscomité wordt geraadpleegd vóór elke wijziging van de onderhavige arbeidsvoorwaarden, de personeelsverordeningen en -regelingen en alle daarmee verband houdende zaken als omschreven in artikel 45 hierboven.
3 Deze bepalingen zijn uitgewerkt in de personeelsverordeningen en -regelingen die van toepassing zijn op werknemers van de Europese Centrale Bank (hierna: ,Staff Rules), die onder meer bepalen:
,Deel 8
Rechtsmiddelen en tuchtprocedures
[...]
8.2. Beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie
De bepalingen van artikel 42 van de algemene arbeidsvoorwaarden dienen als volgt te worden toegepast:
8.2.1.Beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap moet worden ingesteld binnen twee maanden. Deze termijn vangt aan:
- op de dag van kennisgeving aan het betrokken personeelslid van het naar aanleiding van de klacht genomen definitieve besluit, of
- op de dag waarop de voor de klachtprocedure geldende termijn van één maand is verstreken zonder dat een besluit is genomen. Wanneer een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht echter is afgekomen na het verstrijken van deze termijn van één maand, maar vóór het verstrijken van de beroepstermijn van twee maanden, dan vangt laatstgenoemde termijn hierdoor opnieuw aan. [...]
4 Artikel 11.2 van het Reglement van Orde van de ECB van 22 april 1999, zoals gewijzigd [(PB 1999 L 125, blz. 34)], luidt: ,Onverminderd de artikelen 36 en 47 van de Statuten stelt de Directie organisatievoorschriften [...] vast. Het ECB-personeel dient zich te houden aan deze voorschriften. Op basis van deze bepaling stelde de directie op 12 november 1998 administratieve circulaire n° 11/98 betreffende het beleid van de ECB inzake het gebruik van internet (hierna: ,administratieve circulaire n° 11/98 of ,[litigieuze] handeling), vast. Deze circulaire legt de voorwaarden vast waaronder internetdiensten ter beschikking staan van het personeel van de ECB, en maakt deze bekend. Zij stelt het beleid vast van de ECB inzake het gebruik van internet, alsmede de rechten en plichten die daaruit voortvloeien voor het personeel van de ECB. Administratieve circulaire n° 11/98 werd aangenomen zonder raadpleging van het personeelscomité van de ECB.
5 Administratieve circulaire n° 11/98 werd op 12 november 1998 langs elektronische weg en de dag daarop in gedrukte vorm ter kennis gebracht van de personeelsleden.
6 Bij brief van 20 december 1999 vroeg het personeelscomité van de ECB aan vice-president Noyer van de ECB om intrekking van administratieve circulaire n° 11/98, op grond dat het niet overeenkomstig artikel 46 van de algemene arbeidsvoorwaarden was geraadpleegd,
7 Bij brief van 10 januari 2000 antwoordde de directeur-generaal Algemeen Beheer en Personeel van de ECB dat dergelijke voorschriften niet voor raadpleging behoefden te worden voorgelegd aan het personeelscomité.
8 In januari 2000 verzocht het personeelscomité van de ECB als geheel om administratieve toetsing van het besluit van de directie waarbij administratieve circulaire n° 11/98 was vastgesteld.
9 Zonder evenwel de in de artikelen 41 en 42 van de algemene arbeidsvoorwaarden bedoelde en in de artikelen 8.1 en 8.2 van de Staff Rules uitgewerkte interne administratieve procedures te hebben uitgeput, hebben het personeelscomité van de ECB in eigen naam en drie van zijn leden individueel het onderhavige beroep ingesteld tot nietigverklaring van administratieve circulaire n° 11/98 op grond dat het personeelscomité van de ECB niet vóór de vaststelling van deze circulaire is geraadpleegd."
De procedure voor het Gerecht en de bestreden beschikking
3 In hun verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 februari 2000, hebben verzoekers geconcludeerd dat het het Gerecht behage, de ECB te gelasten geen rechten en plichten van haar personeel meer af te leiden uit administratieve circulaire n° 11/98, deze circulaire in te trekken en af te zien van de vaststelling van gedragsregels voor het personeel als geheel zonder voorafgaand overleg met het personeelscomité van de ECB, alsmede dat het het Gerecht behage te bevestigen dat administratieve circulaire n° 11/98 nietig is wegens schending van de rechten van het personeelscomité.
4 Bij afzonderlijke akte, neergelegd op 18 mei 2000, heeft de ECB geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Op 26 juni 2000 hebben verzoekers hun opmerkingen ingediend over de exceptie van niet-ontvankelijkheid.
5 Om te beginnen wijst het Gerecht in punt 15 van de bestreden beschikking het argument de stelling van verzoekers af dat de ECB zich niet kan laten vertegenwoordigen door een gemachtigde.
6 Wat in de eerste plaats de vordering tot nietigverklaring van de litigieuze handeling betreft, behandelt het Gerecht in de punten 24 tot en met 36 van de bestreden beschikking het laatste van de drie door de ECB ter onderbouwing van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid aangevoerde middelen, dat van overschrijding van de beroepstermijnen. Het Gerecht zegt hierover het volgende:
24 De [litigieuze] handeling werd op 12 november 1998 door de ECB vastgesteld. De individuele verzoekers (Priesemann, Van de Velde en Cerafogli) ontkennen niet dat zij hiervan reeds diezelfde dag op de hoogte waren. Toch stelt het personeelscomité administratieve circulaire [n° 11/98] als orgaan niet te hebben ontvangen.
25 Vastgesteld moet worden dat het personeelscomité slechts kan handelen via zijn vertegenwoordigers. Aangezien zijn woordvoerder, Priesemann, op de hoogte was van administratieve circulaire n° 11/98, moet ervan worden uitgegaan dat het personeelscomité als orgaan hiervan gelijktijdig op de hoogte was.
26 Bijgevolg moet worden nagegaan of het onderhavige beroep binnen de hiervoor gestelde termijn is ingesteld.
27 Verzoekers hebben het onderhavige beroep ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 36.2 van de ESCB-statuten.
28 In dit verband zij opgemerkt dat artikel 36.2 van de ESCB-statuten voor de voorwaarden waaronder de gemeenschapsrechter uitspraak kan doen in een geschil tussen de ECB en haar personeelsleden, verwijst naar de voor hen geldende arbeidsvoorwaarden.
29 Op grond van artikel 42 van de algemene arbeidsvoorwaarden kan de gemeenschapsrechter pas worden geadieerd na uitputting van alle beschikbare interne procedures. Vaststaat dat verzoekers noch de administratieve onderzoeksprocedure, noch de in artikel 8.1 van de Staff Rules bedoelde klachtprocedure tot het eind toe gevolgd hebben.
30 Verzoekers stellen echter dat zij zich ook zonder uitputting van de interne procedures van de ECB tot het Gerecht mochten wenden.
31 Al aangenomen dat uitputting van de interne procedures van de ECB niet vereist is om een administratieve circulaire te mogen aanvechten, dan nog geldt voor de instelling van een beroep bij het Gerecht de in artikel 8.2.1 van de Staff Rules - dat de algemene uitvoeringsbepalingen bevat van artikel 42 van de algemene arbeidsvoorwaarden - genoemde termijn van twee maanden. Aangezien het beroep meer dan 15 maanden na de vaststelling en bekendmaking van de litigieuze handeling werd ingesteld, is het tardief.
32 Deze uitlegging wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof, volgens welke de strikte toepassing van de gemeenschapsregeling inzake procestermijnen vereist is ter wille van de rechtszekerheid en de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden (zie met name beschikking Hof van 7 mei 1998, Ierland/Commissie, C-239/97, Jurispr. blz. I-2655, punt 7).
33 Ten slotte zij eraan herinnerd dat zelfs al zou artikel 35.1 van de ESCB-statuten moeten worden toegepast, deze bepaling verwijst naar de gevallen en voorwaarden vastgesteld in het Verdrag, en aldus naar artikel 230, vijfde alinea, EG dat bepaalt dat het beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen (beschikking Gerecht van 30 maart 2000, Méndez Pinedo/ECB, T-33/99, JurAmbt. blz. [I-A-63 en] II-273, punt 23).
34 Hieruit volgt dat het beroep, dat meer dan 15 maanden na de vaststelling en bekendmaking van de [litigieuze] handeling werd ingesteld, in ieder geval tardief is.
35 Mitsdien behoeven de andere middelen niet te worden behandeld.
36 Uit het voorgaande volgt dat vordering van verzoekers, strekkende tot nietigverklaring in ieder geval als tardief moet worden aangemerkt en derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard."
7 Wat in de tweede plaats de andere onderdelen van de vordering betreft, heeft het Gerecht in punt 37 van de bestreden beschikking geoordeeld:
37 De andere vorderingen strekken ertoe dat het Gerecht bevelen richt tot een orgaan van de Gemeenschap. Aangezien volgens vaste rechtspraak het Gerecht niet bevoegd is om dergelijke bevelen te geven, moeten ook de andere vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard (zie bijvoorbeeld arrest Gerecht van 6 februari 1998, Interporc/Commissie, T-124/96, Jurispr. blz. II-231, punt 61)."
8 Het Gerecht heeft het beroep derhalve niet-ontvankelijk verklaard en elk der partijen in de eigen kosten verwezen.
De hogere voorziening
9 In hun hogere voorziening, die op drie middelen steunt, concluderen rekwiranten tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde. Subsidiair concluderen zij tot verwijzing van de zaak naar het Gerecht.
10 De ECB stelt dat rekwiranten met hun hogere voorziening in werkelijkheid vragen om een nieuw onderzoek door het Hof van de feiten en de voor het Gerecht aangevoerde argumenten, zonder concreet aan te geven in welk opzicht het Gerecht het recht heeft geschonden. Zij concludeert derhalve tot afwijzing van de hogere voorziening en verwijzing van rekwiranten in de kosten.
11 Volgens artikel 119 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, deze op ieder moment bij met redenen omklede beschikking afwijzen, zonder de mondelinge procedure te openen.
Het eerste middel
12 In hun eerste middel, dat uiteenvalt in vier onderdelen, stellen rekwiranten dat het Gerecht weliswaar terecht heeft geoordeeld dat hun beroep was ingesteld krachtens de artikelen 236 EG en 36.2 van de ESCB-statuten, doch ten onrechte heeft gemeend dat dit beroep niet voldeed aan de bij deze bepalingen vastgestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden.
Het eerste onderdeel
13 Met het eerste onderdeel van dit middel verwijten rekwiranten het Gerecht in punt 31 van de bestreden beschikking te hebben geoordeeld dat op de aan hem voorgelegde zaak de termijn van artikel 8.2.1 van de Staff Rules van toepassing was. Deze bepaling heeft huns inziens alleen betrekking op geschillen inzake individuele rechten, terwijl rechten als de onderhavige collectieve rechten zijn. Krachtens de artikelen 42 en 45 van de algemene arbeidsvoorwaarden kan bij het Gerecht een beroep inzake collectieve rechten worden ingesteld zonder dat daarvoor een termijn geldt.
14 In dit verband zij eraan herinnerd dat het beroep voor het Gerecht een geschil betrof tussen de ECB, enerzijds, en enkele van haar personeelsleden en het personeelscomité, anderzijds.
15 Uit artikel 36.2 van de ESCB-statuten blijkt duidelijk dat de gemeenschapsrechter, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de ECB, bevoegd is kennis te nemen van geschillen tussen de ECB en haar personeelsleden.
16 Op grond van de in artikel 42 van de algemene arbeidsvoorwaarden bedoelde en in artikel 8.2 van de Staff Rules uitgewerkte voorwaarden voor het instellen van een beroep bij de gemeenschapsrechter is met name vereist dat het beroep wordt ingesteld binnen twee maanden.
17 Ook al zou het personeelscomité bevoegd zijn om een handeling als administratieve circulaire n° 11/98 aan te vechten voor een gemeenschapsrechter, dan nog is het daarbij in ieder geval gebonden aan een vervaltermijn van twee maanden, hetzij ingevolge artikel 8.2.1 van de Staff Rules, hetzij ingevolge artikel 35.1 van de ESCB-statuten en artikel 230, vijfde alinea, EG.
18 Daarom heeft het Gerecht niet blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting door in punt 31 van de bestreden beschikking te oordelen dat een beroep bij hem binnen twee maanden moet worden ingesteld.
19 Het eerste onderdeel van het eerste middel moet derhalve kennelijk ongegrond
worden verklaard.
Het tweede onderdeel
20 Met het tweede onderdeel van het eerste middel verwijten rekwiranten het Gerecht geen rekening te hebben gehouden met het feit dat artikel 8.2.1 van de Staff Rules nietig is, aangezien aan de vaststelling van de Staff Rules - regels die gelden voor het personeel - een onherstelbaar juridisch gebrek kleeft, nu deze niet is geschied conform de artikelen 36, lid 1, en 47, lid 2, van de ESCB-statuten. De directie van de ECB heeft de Staff Rules immers vastgesteld buiten de deelneming van de Raad van Bestuur en de Algemene Raad van de ECB om, en is daarmee in strijd met deze bepalingen buiten haar bevoegdheden getreden.
21 In dit verband kan worden volstaan met de vaststelling dat rekwiranten een dergelijk gebrek op geen enkel moment voor het Gerecht hebben aangevoerd.
22 Zou het een partij worden toegestaan om een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof aan te voeren, dan zou haar in feite worden toegestaan om bij het Hof een geschil aanhangig te maken dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof evenwel alleen bevoegd de beoordeling door het Gerecht van de aldaar bepleite middelen te onderzoeken (zie arrest van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 59, en beschikking van 25 januari 2001, Lech-Stahlwerke/Commissie, C-111/99 P, Jurispr. blz. I-727, punt 25).
23 Aangezien het tweede onderdeel van het eerste middel niet voor het Gerecht is aangevoerd, is het kennelijk niet-ontvankelijk.
Het derde onderdeel
24 In het derde onderdeel van het eerste middel stellen rekwiranten dat zij, alvorens beroep in te stellen bij het Gerecht, gepoogd hebben het geschil binnen de ECB op te lossen, en dat er ingevolge de algemene arbeidsvoorwaarden in ieder geval geen verplichting bestaat om bij een geschil inzake collectieve rechten een interne procedure te volgen alvorens beroep in te stellen bij het Gerecht.
25 De eerste grief van dit onderdeel, die is ontleend aan de vermeende eerbiediging van interne procedures door het personeelscomité, komt neer op een betwisting van de feitelijke beoordeling door het Gerecht in punt 29 van de bestreden beschikking.
26 Uit de artikelen 225 EG en 51 van 's Hofs Statuut-EG blijkt evenwel dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. Derhalve is het Gerecht bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, tenzij de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert, behoudens het geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht overgelegde bewijselementen, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (zie arresten van 2 maart 1994, Hilti/Commissie, C-53/92 P, Jurispr. blz. I-667, punt 42, en 21 juni 2001, Moccia Irme e.a./Commissie, C-280/99 P-C-282/99 P, Jurispr. blz. I-4717, punt 78).
27 Aangezien rekwiranten in casu niet het bewijs hebben geleverd van een onjuiste voorstelling van het aan het Gerecht overgelegde bewijs, dient de eerste grief van het derde onderdeel kennelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard.
28 De tweede grief van het derde onderdeel treft geen doel, aangezien, zoals reeds in punt 31 van de bestreden beschikking werd aangegeven, het beroep meer dan 15 maanden na de vaststelling en bekendmaking van de litigieuze handeling werd ingesteld en er, zoals reeds in de punten 16 en 17 van de onderhavige beschikking is vastgesteld, in ieder geval een vervaltermijn van twee maanden gold.
29 De tweede grief van het derde onderdeel moet derhalve worden afgewezen.
Het vierde onderdeel
30 In het laatste onderdeel van het eerste middel ten slotte stellen rekwiranten dat het Gerecht in punt 25 van de bestreden beschikking blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat het personeelscomité als orgaan op de hoogte was van administratieve circulaire n° 11/98, aangezien zijn vertegenwoordigers ervan op de hoogte waren. Een dergelijke redenering mist volgens hen evenwel elke rechtsgrondslag en leidt tot onacceptabele resultaten. Het personeelscomité kan niet worden geacht op de hoogte te zijn van een handelen of nalaten van de werkgever zolang een van zijn leden of vertegenwoordigers in die hoedanigheid daaromtrent niet is ingelicht.
31 In dit verband hoeft slechts erop te worden gewezen dat het Gerecht in punt 25 van de bestreden beschikking terecht heeft geoordeeld dat het personeelscomité slechts kan handelen via zijn vertegenwoordigers, zodat ervan moet worden uitgegaan dat het personeelscomité van administratieve circulaire n° 11/98 op de hoogte was vanaf het moment dat zijn woordvoerder hiervan op de hoogte was.
32 Aangezien rekwiranten niet hebben aangetoond dat het Gerecht dienaangaande blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, moet het vierde onderdeel van het eerste middel kennelijk ongegrond worden verklaard.
33 Uit het voorgaande volgt dat het eerste middel deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
Het tweede middel
34 Met hun tweede middel betwisten rekwiranten de redenering van het Gerecht in punt 33 van de bestreden beschikking, op grond dat artikel 230, vijfde alinea, EG en de daarin gestelde termijnen niet kunnen gelden voor een beroep tegen administratieve circulaire n° 11/98. Een dergelijke circulaire is immers geen normatieve handeling, en enkel dergelijke handelingen kunnen met een op genoemd artikel gebaseerd beroep worden aangevochten.
35 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat uit de bestreden beschikking duidelijk blijkt, dat het Gerecht de eventuele ontvankelijkheid van het beroep krachtens artikel 35.1 van de ESCB-statuten en bijgevolg krachtens artikel 230 EG slechts heeft aangeroerd in een overweging ten overvloede.
36 In die omstandigheden is het irrelevant dat het Gerecht in punt 33 van de bestreden beschikking heeft overwogen dat het beroep van rekwiranten tardief was. Aangezien dit een overweging ten overvloede betrof, kunnen de daartegen gerichte grieven, ook al zouden zij gegrond zijn, niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking (zie, in die zin, arrest van 16 september 1997, Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie, C-362/95 P, Jurispr. blz. I-4775, punt 23).
37 Het tweede middel treft derhalve geen doel en moet worden afgewezen.
Het derde middel
38 Met hun laatste middel verwijten rekwiranten het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 37 van de bestreden beschikking te oordelen dat hun vorderingen tot het richten van bevelen aan ECB niet-ontvankelijk waren, daar het Gerecht niet bevoegd was om dergelijke bevelen te geven aan een orgaan van de Gemeenschap.
39 Aangezien met name gelet op punt 28 van de onderhavige beschikking vaststaat dat het beroep bij het Gerecht niet binnen de beroepstermijn is ingesteld, is dit middel ondeugdelijk en moet het derhalve worden afgewezen.
40 Mitsdien moet de hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
41 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de ECB in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Het personeelscomité van de Europese Centrale Bank, alsmede J. Priesemann, M. van de Velde en M. C. Cerafogli worden verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy