Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
1. Procedure - Interventie - Kort geding - Belanghebbende personen - Geding in hoofdzaak betreffende geldigheid van beschikking tot toepassing van mededingingsregels - Onderneming die klacht indient
('s Hofs Statuut-EG, art. 37, tweede alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 115)
2. Kort geding - Opschorting van uitvoering - Opschorting van nakoming van verplichting om bankgarantie te stellen als voorwaarde voor niet onmiddellijk invorderen van geldboete - Voorwaarden - Uitzonderlijke omstandigheden
(Art. 242 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Samenvatting
1. Aangezien de procedure in kort geding ondergeschikt is aan de procedure in de hoofdzaak, heeft een partij die reeds is toegelaten tot interventie ter ondersteuning van een verwerende instelling in een beroep ten principale strekkende tot nietigverklaring van een beschikking van deze instelling, in beginsel belang bij ondersteuning van de door deze instelling in kort geding geformuleerde conclusies, voorzover deze strekken tot handhaving van die beschikking.
( cf. punt 25 )
2. Een verzoek in kort geding strekkende tot het verkrijgen van toestemming om in plaats van de door de Commissie verlangde garantie een lagere garantie te stellen als voorwaarde voor het niet onmiddellijk invorderen van een geldboete, kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden toegewezen. De mogelijkheid om zekerheidsstelling te eisen, waarin de reglementen voor de procesvoering van het Hof en het Gerecht uitdrukkelijk voorzien voor procedures in kort geding, beantwoordt aan een algemene en redelijke gedragslijn van de Commissie.
Ingeval door middel van een besluit van een ondernemersvereniging inbreuk is gemaakt op artikel 81, lid 1, EG, moet het maximumbedrag van de geldboete, te weten 10 % van de omzet in het voorafgaande boekjaar, worden berekend op basis van de omzet die is behaald door alle ondernemingen die lid zijn van de ondernemersvereniging, mits de vereniging op grond van haar interne regels haar leden kan binden.
Met betrekking tot een geldboete opgelegd aan een ondernemersvereniging waarvan de objectieve belangen op het eerste gezicht losstaan van die van de bij haar aangesloten ondernemingen, moet bij de beoordeling van het gevaar voor ernstige en onherstelbare schade dat het stellen van de door Commissie verlangde garantie zou opleveren, de omvang en de economische macht van de bij de vereniging aangesloten ondernemingen in aanmerking worden genomen.
( cf. punten 52, 54, 58-59 )
Partijen
In zaak T-5/00 R,
Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied, gevestigd te Den Haag (Nederland), vertegenwoordigd door E. H. Pijnacker Hordijk, advocaat te Amsterdam, S. B. Noë, advocaat te Den Haag, en M. S. H. de Ranitz, advocaat te Amsterdam, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Wils, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om gedeeltelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van beschikking 2000/117/EG van de Commissie van 26 oktober 1999 betreffende een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag [zaak IV/33.884 - Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied en Technische Unie (FEG en TU)] (PB 2000, L 39, blz. 1),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten en procedure
1 Verzoekster, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied (hierna: FEG"), is een vereniging naar Nederlands recht. Haar leden zijn groothandelaren op elektrotechnisch gebied in Nederland. Haar statutaire doel is de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de voorraadhoudende groothandel in elektrotechnische artikelen.
2 Bij artikel 1 van beschikking 2000/117/EG van de Commissie van 26 oktober 1999 betreffende een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag (PB 2000, L 39, blz. 1; hierna: beschikking"), wordt vastgesteld, dat verzoekster inbreuk heeft gepleegd op artikel 81, lid 1, EG door op basis van een overeenkomst met de NAVEG (een Nederlandse vereniging waarvan de leden alleenvertegenwoordigers op elektrotechnisch gebied zijn), alsmede op basis van onderling afgestemde feitelijke gedragingen met leveranciers die niet in de NAVEG vertegenwoordigd zijn, een collectieve exclusief-verkeersregeling aan te gaan die erop gericht is leveringen aan niet-FEG-leden te verhinderen.
3 Volgens artikel 2 van de beschikking heeft verzoekster ook inbreuk gepleegd op artikel 81, lid 1, EG door met verschillende middelen rechtstreeks en onrechtstreeks de vrijheid van haar leden te beperken om zelfstandig hun verkoopprijzen vast te stellen.
4 Technische Unie BV, de grootste groothandel in elektrotechnisch installatiemateriaal in Nederland en daarmee tegelijkertijd het grootste FEG-lid", heeft volgens de negende overweging van de considerans en artikel 3 van de beschikking actief deelgenomen aan bovengenoemde inbreuken.
5 Artikel 5 van de beschikking luidt als volgt:
1. Aan de FEG wordt wegens de in de artikelen 1 en 2 vastgestelde inbreuken een geldboete opgelegd van 4,4 miljoen EUR.
2. Aan [Technische Unie] wordt wegens de in artikel 3 vastgestelde inbreuken een geldboete opgelegd van 2,15 miljoen EUR."
6 In artikel 6 van de beschikking wordt bepaald, dat de aan verzoekster opgelegde geldboete binnen drie maanden na de datum van kennisgeving van de beschikking moet worden betaald. De beschikking is officieel ter kennis gebracht bij brief van de Commissie van 8 november 1999. In die brief preciseerde de Commissie, dat in geval van een beroep bij het Gerecht niet tot inning van de geldboete zou worden overgegaan zolang de zaak voor dat rechtscollege hangende is, mits de schuld rente draagt en een aanvaardbare bankgarantie wordt gesteld.
7 Bij een op 17 januari 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, dat is ingeschreven onder het nummer T-5/00, heeft verzoekster een beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld.
8 De in artikel 6 van de beschikking gestelde termijn is op 8 februari 2000 verstreken.
9 Op 17 februari 2000 ontving de Commissie een faxbericht van verzoeksters advocaat, waarin deze bevestigde dat hij zowel in de procedure tot nietigverklaring voor het Gerecht als voor verdere contacten met de Commissie als gemachtigde van verzoekster zou optreden.
10 Bij brief van 25 februari 2000 wees de Commissie verzoekster erop, dat de termijn voor het betalen van de geldboete of voor het stellen van een bankgarantie reeds was verstreken. Zij deelde verzoekster ook mee, dat wanneer ten laatste binnen de 14 dagen na ontvangst van de brief geen bankgarantie zou worden voorgelegd die op correcte wijze de verwijlinteresten van 6 % voor haar rekening neemt (hierna: verlangde bankgarantie"), zij zou overgaan tot gerechtelijke invordering van de hoofdsom, vermeerderd met interesten tot en met de dag van de eigenlijke betaling van de geldboete.
11 Daarop verzocht verzoekster de diensten van de Commissie om een onderhoud. Tijdens dat onderhoud, dat op 12 april 2000 heeft plaatsgevonden, verklaarde verzoekster, dat zij niet in staat was de opgelegde geldboete te betalen of de verlangde bankgarantie te stellen. De Commissie antwoordde daarop, dat zij niettemin tot gerechtelijke invordering zou overgaan, daar zij van oordeel was dat de leden van de FEG in staat waren haar te helpen om de verlangde garantie te stellen.
12 Derhalve leidde de Commissie bij de Nederlandse autoriteiten de procedure van artikel 256 EG in om de formule van tenuitvoerlegging te verkrijgen, terwijl verzoekster in een brief van 21 april 2000 herhaalde, dat zij de geldboete niet kon betalen en evenmin de verlangde garantie kon stellen. Later volgde nog een briefwisseling van dezelfde strekking.
13 Bij een op 28 augustus 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift verzochten CEF City Electrical Factors BV (hierna: CEF City"), vennootschap naar Nederlands recht, en CEF Holdings Ltd (hierna: CEF Holdings"), vennootschap naar Engels recht, vertegenwoordigd door C. M. H. C. Vinken-Geijselaers, advocaat te 's Hertogenbosch, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Arendt en Medernach, Rue Mathias Hardt 8-10, om toelating tot interventie in de hoofdzaak ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
14 In juni 2000 werd de door artikel 256 EG geëiste formule van tenuitvoerlegging op de inningsbeschikking aangebracht, waarop de Commissie die beschikking op 22 september 2000 door een Nederlandse gerechtsdeurwaarder aan verzoekster liet betekenen.
15 Bij een op 25 september 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte verzocht verzoekster krachtens artikel 242 EG de tenuitvoerlegging van de beschikking op te schorten tot twee maanden nadat het arrest in de hoofdzaak is gewezen. Zij verzocht eveneens, de Commissie in de kosten van de procedure in kort geding te verwijzen.
16 Nog dezelfde dag liet de Commissie verzoeksters advocaat bij faxbericht weten, dat zij geen verdere uitvoeringsmaatregelen zou nemen totdat het Gerecht op dat verzoek heeft beslist.
17 Op 11 oktober 2000 legde de Commissie haar opmerkingen over het verzoek tot opschorting neer. Zij concludeerde daarin tot afwijzing van het verzoek.
18 Bij beschikking van 16 oktober 2000 verleende de president van de Eerste kamer van het Gerecht CEF City en CEF Holdings toelating tot interventie in de hoofdzaak ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Op 18 oktober 2000 verzochten die twee vennootschappen, zonder weet te hebben van bovengenoemde beschikking van 16 oktober 2000, om toelating tot interventie in de procedure in kort geding.
19 Bij een op 25 oktober 2000 ter griffie van het Gerecht geregistreerde brief wijzigde verzoekster haar verzoek in kort geding. Zij verklaarde, dat zij zich zou beijveren een bankgarantie te verkrijgen ten belope van haar eigen vermogen aan het einde van het boekjaar 1999. Om die reden verzocht zij de rechter in kort geding, haar verzoek toe te wijzen op voorwaarde dat zij binnen een maand na de beschikking tot opschorting van de tenuitvoerlegging een bankgarantie zou stellen ten belope van 401 417 Nederlandse gulden (NLG), hetzij 182 155 euro (hierna: voorgestelde garantie").
20 Op 26 oktober 2000 zijn partijen, CEF City en CEF Holdings daaronder begrepen, door de rechter in kort geding in hun toelichtingen gehoord.
21 Bij brief van 6 november 2000 liet verzoekster weten, dat haar leden niet bereid waren een bankgarantie te stellen voor een substantieel hoger bedrag dan dat van de voorgestelde garantie, en dat zij evenmin bereid waren met de Commissie in onderhandelingen te treden over de mogelijkheid om dit te doen.
22 Vanwege dit standpunt van verzoekster handhaafde de Commissie bij brief van 13 november 2000 haar conclusies strekkende tot afwijzing van het verzoek in kort geding.
Het verzoek tot tussenkomst
23 Tijdens de hoorzitting heeft verzoekster zich verzet tegen toewijzing van het door CEF City en CEF Holdings op 18 oktober 2000 geformuleerde verzoek tot tussenkomst in de procedure in kort geding, op grond dat die vennootschappen geen belang hebben bij ondersteuning van de conclusies van de Commissie, die, voor zover zij strekken tot afwijzing van de gevraagde opschorting, tot gevolg kunnen hebben dat zij failliet gaat.
24 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
25 Aangezien de procedure in kort geding ondergeschikt is aan de procedure in de hoofdzaak, heeft een partij die reeds is toegelaten tot interventie ter ondersteuning van een verwerende instelling in een hoofdzaak strekkende tot nietigverklaring van een beschikking van die instelling, in beginsel belang bij ondersteuning van de door deze instelling in kort geding geformuleerde conclusies, voor zover deze strekken tot handhaving van die beschikking (zie, in die zin, beschikking van de president van het Hof van 15 oktober 1974, Fruit- en Groentenimporthandel/Commissie, 71/94 R en RR, Jurispr. blz. 1031, 1033).
26 In het onderhavige geval heeft de president van de Eerste kamer van het Gerecht in bovengenoemde beschikking van 16 oktober 2000 erkend, dat CEF City en CEF Holdings het recht hebben in de hoofdzaak tussen te komen ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Daartoe overwoog hij (punt 6 van de beschikking), dat een partij die om toelating tot interventie in een voor het Gerecht aanhangig rechtsgeding verzoekt, volgens artikel 37 van 's Hofs Statuut-EG aannemelijk [moet maken] belang te hebben bij de beslissing van dat rechtsgeding", en dat in het kader van een beroep tegen een beschikking die de Commissie heeft gegeven op een klacht over overeenkomsten of praktijken die de mededinging beperken, (...) de indiener van die klacht een dergelijk belang [heeft], inzonderheid wanneer hij vervolgens heeft deelgenomen aan de procedure voor de Commissie (zie beschikking van de president van het Gerecht van 13 mei 1993, CMBT/Commissie, T-24/93 R, Jurispr. blz. II-543, punten 15 en 16, en beschikking van de president van de Derde kamer van het Gerecht van 24 maart 1997, British Coal/Commissie, T-367/94, Jurispr. blz. II-469, punt 31)". Zoals in punt 7 van bovengenoemde beschikking van 16 oktober 2000 is vastgesteld, is dit in casu het geval met CEF City en CEF Holdings.
27 Verder zij erop gewezen, dat niet kan worden uitgesloten dat die vennootschappen schade hebben geleden ten gevolge van de in de beschikking van de Commissie vastgestelde inbreuken. Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling, dat toen die vennootschappen om toelating tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie in de onderhavige procedure verzochten, het verzoek in kort geding van verzoekster zonder enige beperking of voorwaarde strekte tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie.
28 Uit een en ander volgt, dat opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie, net als nietigverklaring van die beschikking, de belangen van CEF City en CEF Holdings kan schaden. Deze vennootschappen hebben dus belang bij interventie in de onderhavige procedure in kort geding, zodat hun verzoek tot tussenkomst moet worden aanvaard.
In rechte
29 Om te beginnen dient het voorwerp van het onderhavige verzoek in kort geding nauwkeurig te worden afgebakend.
30 In haar verzoekschrift, zoals gewijzigd bij haar op 25 oktober 2000 geregistreerde brief, vordert verzoekster opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie tot twee maanden nadat het arrest in de hoofdzaak is gewezen, op voorwaarde dat de voorgestelde garantie wordt gesteld.
31 Opgemerkt zij, dat verzoekster alleen belang heeft bij opschorting van de tenuitvoerlegging van de volgende bepalingen van de beschikking: artikel 4, lid 1, waarin wordt bepaald dat zij onverwijld een einde dient te maken aan de in de artikelen 1 en 2 genoemde inbreuken voor zover zij dat niet reeds heeft gedaan, artikel 5, lid 1, waarin wordt bepaald dat haar een geldboete van 4,4 miljoen euro wordt opgelegd, en artikel 6, waarin wordt bepaald dat die geldboete binnen drie maanden na de datum van kennisgeving van de beschikking moet worden betaald.
32 Aangaande de bij artikel 4, lid 1, van de beschikking opgelegde verplichting blijkt noch uit de opmerkingen die verzoekster in het kader van dit kort geding heeft ingediend, noch uit de briefwisseling, noch uit de contacten tussen partijen, dat verzoekster opschorting van de tenuitvoerlegging van die verplichting verlangt.
33 Bijgevolg moet het onderhavige verzoek in kort geding aldus worden begrepen, dat het alleen strekt tot het verkrijgen van opschorting van de tenuitvoerlegging van de twee in artikel 5, lid 1, en artikel 6 van de beschikking geformuleerde verplichtingen.
34 In het onderhavige geval staat evenwel vast (zie de punten 6, 10 en 16 hierboven), dat de Commissie heeft verklaard dat niet tot inning van de geldboete zou worden overgegaan zolang het beroep in de hoofdzaak hangende is voor het Gerecht, mits verzoekster de verlangde garantie stelt. In die omstandigheden kan het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging geen ander nuttig doel hebben dan het verkrijgen van toestemming om in plaats van de verlangde garantie de voorgestelde garantie te stellen als voorwaarde voor het niet onmiddellijk invorderen van de bij de beschikking opgelegde geldboete (zie, in die zin, beschikking van de president van het Gerecht van 21 juli 1999, DSR-Senator Lines/Commissie, T-191/98 R, Jurispr. blz. II-2531, punt 58).
35 Ingevolge de artikelen 242 EG en 243 EG juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling en de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
36 Artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat een verzoek in kort geding een duidelijke omschrijving moet bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt (fumus boni juris). Die voorwaarden zijn cumulatief, zodat een verzoek tot opschorting van tenuitvoerlegging moet worden afgewezen wanneer een van die voorwaarden niet is vervuld [beschikking van de president van het Hof van 14 oktober 1996, SCK en FNK/Commissie, C-268/96 P(R), Jurispr. blz. I-4971, punt 30, en beschikking van de president van het Gerecht van 15 juli 1998, Prayon-Rupel/Commissie, T-73/98 R, Jurispr. blz. II-2769, punt 25].
Argumenten van partijen
De fumus boni juris
37 Verzoekster geeft in haar verzoekschrift een bondige uiteenzetting van de in haar beroep in de hoofdzaak aangevoerde middelen, die haars inziens de fumus boni juris van het onderhavige verzoek aantonen. Die middelen betreffen, ten eerste, schending van het beginsel van de redelijke termijn en van de rechten van de verdediging, ten tweede, onjuiste afbakening van de relevante markt, ten derde, ontbreken van een collectieve exclusief-verkeersregeling en van prijsafspraken tussen haar leden, en ten vierde, de te hoge geldboete.
38 Volgens de Commissie kan geen enkel van die middelen slagen, maar kan de vraag naar de fumus boni juris worden opengelaten omdat het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging niet spoedeisend is.
De voorwaarde van spoedeisendheid
39 Verzoekster voert aan, dat de Commissie niet betwist dat de gerechtelijke tenuitvoerlegging van de beschikking onvermijdelijk tot faillissement zal leiden, hetgeen voor verzoekster ernstige en onherstelbare schade zou opleveren.
40 Zij betoogt, dat noch het Nederlandse recht noch haar interne regels haar de mogelijkheid bieden, haar leden of voormalige leden te verplichten de opgelegde geldboete te betalen of de verlangde garantie te stellen, en dat die leden dat ook niet spontaan zullen doen aangezien zij daartoe wettelijk niet gehouden zijn.
41 Verder biedt ook het gemeenschapsrecht niet de mogelijkheid, de leden van een ondernemersvereniging aansprakelijk te houden voor een aan die vereniging opgelegde geldboete. Verzoekster verwijst dienaangaande naar punt 127 van het Witboek betreffende de modernisering van de regels inzake de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag (thans de artikelen 81 EG en 82 EG) van 28 april 1998. Daarin erkent de Commissie, dat de omstandigheid dat artikel 15 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204), niet voorziet in aansprakelijkheid in solidum van de leden van een vereniging, een beletsel kan vormen voor de inning van geldboeten. Door te eisen, dat de leden van verzoekster een bankgarantie stellen, zou de Commissie het ontbreken van een verhaalsmogelijkheid op de leden trachten te omzeilen.
42 Tijdens de hoorzitting heeft verzoekster beklemtoond, dat artikel 6, lid 5, van haar huishoudelijk reglement weliswaar toestaat dat de algemene vergadering de jaarlijkse contributie van de haar leden verhoogt, maar dat een dergelijke verhoging nooit 4,4 miljoen euro, te weten 18 tot 20 keer het totale bedrag van de huidige contributie kan bedragen. Daarbij komt, dat de bevoegdheid van de raad van bestuur van de FEG om van de leden aanvullende bijdragen te heffen, alleen is bedoeld om op de begroting opgevoerde extra uitgaven te dekken, en dat het bedrag van die betalingen nooit dat van de jaarlijkse contributie kan benaderen. Wat er ook van zij, de raad van bestuur staat onder het toezicht van de algemene vergadering, die hem aanwijst.
43 Verder stelt verzoekster, dat aangezien de gerechtelijke invordering van de geldboete onvermijdelijk tot gevolg zal hebben dat zij failliet gaat, een dergelijke uitvoeringsmaatregel haar waarschijnlijk haar rechtsmiddel zal ontnemen omdat haar curator of bewindvoerder het in geval van faillissement waarschijnlijk niet in het belang van alle schuldeisers zal achten, nog uitgaven te doen om het beroep in de hoofdzaak voort te zetten.
44 Verzoekster is van mening, dat in die omstandigheden het vereiste van spoedeisendheid is vervuld.
45 De Commissie stelt met een beroep op de beschikking van de president van het Gerecht van 4 juni 1996, SCK en FNK/Commissie (T-18/96 R, Jurispr. blz. II-407), zoals deze op hogere voorziening is bevestigd bij de reeds aangehaalde beschikking van 14 oktober 1996, SCK en FNK/Commissie, dat het is toegestaan de geldboete gerechtelijk in te vorderen alvorens het Gerecht uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak. Haars inziens moet bij de beoordeling van het gevaar voor ernstige en onherstelbare schade dat uit de verplichting om de geldboete te betalen of een bankgarantie te stellen voortvloeit voor een vereniging als verzoekster, die tot doel heeft de belangen van haar leden te behartigen en aan hun beslissingsbevoegdheid is onderworpen, rekening worden gehouden met de financiële situatie van die leden.
46 De Commissie beklemtoont onder verwijzing naar de zesde overweging van de considerans van haar beschikking, dat verzoeksters leden in 1994 een gezamenlijke omzet van ongeveer 1 miljard euro hadden behaald. Dit betekent, ook al zou dat omzetcijfer inmiddels niet zijn gestegen, de opgelegde geldboete van 4,4 miljoen euro minder dan 0,5 % van die omzet bedraagt. Zij wijst erop, dat artikel 6, lid 5, van verzoeksters huishoudelijk reglement de mogelijkheid biedt om van de leden een aanvullende bijdrage te heffen bovenop hun normale contributie. Niets belet de leden van de FEG derhalve de vereniging ter hulp te komen indien zij dit willen.
47 Wat de voorgestelde garantie betreft, heeft de Commissie tijdens de hoorzitting betwijfeld, of het bedrag ervan overeenkomt met de waarde van het vermogen van de FEG aan het einde van het boekjaar 1999. Die twijfel wordt versterkt door de omstandigheid dat de leden van de FEG bereid zijn het stellen van de voorgestelde geldboete mogelijk te maken.
48 Derhalve zou er, indien de gerechtelijke invordering van de geldboete tot het faillissement van verzoekster zou leiden, geen rechtstreeks en noodzakelijk oorzakelijk verband bestaan tussen de gedwongen tenuitvoerlegging en dit faillissement. De beslissende tussenkomende factor is dan immers de keuze van de leden van de FEG om de vereniging niet financieel te ondersteunen.
49 Tijdens de hoorzitting hebben CEF City en CEF Holdings beklemtoond, dat verzoekster zich uiterlijk sedert 1995 bewust was van het gevaar dat zij een geldboete zou oplopen, en tijdens haar algemene vergadering van 20 november 1995 had beslist, een reserve aan te leggen voor het dekken van de kosten van haar verdediging, zowel op communautair als op nationaal niveau, tegen een eventuele veroordelingsbeschikking van de Commissie. Aangezien de leden van de FEG bereid waren deze kosten, blijkbaar zonder enige beperking, te betalen, zou de gedwongen invordering van de geldboete hun geen schade berokkenen, althans niet wat hun eigen activa betreft. Bovendien blijkt uit de bereidheid van de leden van de FEG om die kosten te dragen, dat zij belang hebben bij het betalen van de geldboete om het faillissement van de vereniging te voorkomen.
50 De Commissie, ondersteund door CEF City en CEF Holdings, concludeert dat de voorwaarde van spoedeisendheid in casu derhalve niet is vervuld.
Beoordeling door de rechter in kort geding
51 In casu moet worden nagegaan, of de voorwaarde van spoedeisendheid is vervuld.
52 Aangezien het onderhavige verzoek volgens de punten 30 tot en met 34 hierboven strekt tot het verkrijgen van toestemming om in plaats van de verlangde garantie de voorgestelde garantie te stellen als voorwaarde voor het niet onmiddellijk invorderen van de bij de beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete, dient allereerst te worden vastgesteld, dat volgens vaste rechtspraak een dergelijk verzoek slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden toegewezen [beschikkingen van de president van het Hof van 6 mei 1982, AEG/Commissie, 107/82 R, Jurispr. blz. 1549, punt 6; 14 december 1999, HFB e.a./Commissie, C-335/99 P(R), Jurispr. blz. I-8705, punt 55, en DSR-Senator Lines/Commissie, C-364/99 P(R), Jurispr. blz. I-8733, punt 48]. De reglementen voor de procesvoering van het Hof en het Gerecht voorzien voor procedures in kort geding immers uitdrukkelijk in de mogelijkheid om zekerheidsstelling te eisen, en het eisen van zekerheidsstelling is een algemene en redelijke gedragslijn van de Commissie.
53 Derhalve moet worden onderzocht, of verzoekster het bewijs heeft geleverd van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden, te weten dat het voor haar onmogelijk is de verlangde bankgarantie te stellen zonder haar voortbestaan in gevaar te brengen (beschikking van de president van het Gerecht van 20 juli 1999, Ventouris/Commissie, T-59/99 R, Jurispr. blz. II-2519, punten 16 en 18).
54 Vervolgens zij eraan herinnerd, dat ingeval door middel van een besluit van een ondernemersvereniging inbreuk is gemaakt op artikel 81, lid 1, EG, het maximumbedrag van de geldboete, te weten 10 % van de omzet in het voorafgaande boekjaar (artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17), moet worden berekend op basis van de omzet die is behaald door alle ondernemingen die lid zijn van de ondernemersvereniging gezamenlijk, althans wanneer de vereniging op grond van haar interne regels haar leden kan binden (beschikking van 4 juni 1996, SCK en FNK/Commissie, reeds aangehaald, punt 33, op hogere voorziening bevestigd bij beschikking van 14 oktober 1996, SCK en FNK/Commissie, reeds aangehaald, punt 35). Deze analyse berust op de gedachte dat de invloed die een ondernemersvereniging op de markt heeft kunnen uitoefenen, niet afhangt van haar eigen omzet", die niets zegt over haar omvang of haar economische macht, maar wel van de omzet van haar leden, die een aanwijzing van haar omvang en haar economische macht vormt (arresten Gerecht van 23 februari 1994, CB en Europay/Commissie, T-39/92 en T-40/92, Jurispr. blz. II-49, punt 137, en 21 februari 1995, SPO e.a./Commissie, T-29/92, Jurispr. blz. II-289, punt 385, alsmede de beschikking van 4 juni 1996, SCK en FNK/Commissie, reeds aangehaald, punt 33).
55 Bijgevolg moet worden nagegaan, of de statuten en het huishoudelijk reglement van de FEG bepalingen bevatten die de vereniging de mogelijkheid bieden haar leden te binden.
56 Volgens artikel 2, lid 1, en lid 3, sub f en g, van haar statuten heeft de FEG tot doel, de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de voorraadhoudende groothandel in elektrotechnische artikelen, onder andere door het bevorderen van geordende marktverhoudingen (...) in de ruimste zin des woords" en door het sluiten van overeenkomsten tot samenwerking met andere lichamen of organisaties, welke in betrekking staan tot de groothandel in elektrotechnische artikelen. Alle leden zijn, met name volgens artikel 16 van de statuten, verplicht tot het stipt nakomen van de bepalingen van de statuten, het huishoudelijk reglement alsmede de bestuurs- en vergaderbesluiten". Ingevolge artikel 5, lid 1, sub c, en artikel 6 van de statuten kan een lid worden geroyeerd wanneer het niet meer voldoet aan de in de statuten en het huishoudelijk reglement van de vereniging gestelde voorwaarden. Een lid kan ook een berisping, een schorsing of een geldboete van maximaal 10 000 NLG oplopen wanneer de raad van bestuur oordeelt, dat het in strijd met de statuten, het huishoudelijk reglement of de door de vereniging rechtsgeldig vastgestelde besluiten heeft gehandeld.
57 Met betrekking tot de in de artikelen 1 en 2 van de beschikking jegens verzoekster vastgestelde inbreuken wordt er onder meer in de overwegingen 39, 44, 48, 53, 71, 76, 79, 82, 84, 85, 92, 111 en 122 van de considerans van de beschikking op gewezen, dat de gedragslijn van de vereniging die aan de oorsprong ligt van de gestelde mededingingsregelingen, te weten de collectieve exclusief-verkeersregeling en de prijsafspraken tussen de leden, bindend was voor de leden. Ofschoon verzoekster de gegrondheid betwist van de conclusies die de Commissie in de beschikking met betrekking tot het bestaan van die inbreuken heeft getrokken, bevat het dossier geen enkel element op basis waarvan op het eerste gezicht kan worden betwijfeld, dat de toepassing van de gestelde mededingingsregelingen in het belang van haar leden was.
58 Bijgevolg kan op het eerste gezicht niet worden aangenomen, dat de objectieve belangen van verzoekster los staan van die van de ondernemingen die bij haar zijn aangesloten.
59 Hieruit volgt, dat overeenkomstig bovengenoemde rechtspraak bij de beoordeling van het gevaar voor ernstige en onherstelbare schade dat het stellen van de verlangde garantie in het onderhavige geval zou opleveren, de omvang en de economische macht van de bij de FEG aangesloten ondernemingen in aanmerking moeten worden genomen.
60 De Commissie heeft er evenwel op gewezen, zonder op dit punt door verzoekster te zijn weersproken, dat de geldboete minder dan 0,5 % van het totale omzetcijfer van de leden van de FEG in het boekjaar 1994 bedraagt. Derhalve mag worden aangenomen, dat de leden van de FEG voldoende financiële draagkracht hebben om de opgelegde geldboete te betalen of, a fortiori, om de verlangde garantie te stellen.
61 Derhalve heeft verzoekster niet aangetoond, dat de tenuitvoerlegging van artikel 5, lid 1, en artikel 6 van de beschikking alvorens het Gerecht op het beroep in de hoofdzaak heeft beslist, de gestelde ernstige en onherstelbare schade, bestaande in het eventuele faillissement van verzoekster, kan meebrengen.
62 Deze conclusie kan niet worden ontkracht door verzoeksters betoog betreffende de voorgestelde garantie.
63 Dat verzoekster zich bereid verklaart een dergelijke garantie te stellen, ook al komt die overeen met de gestelde waarde van haar vermogen aan het einde van het boekjaar 1999, het jaar waarin de geldboete is opgelegd, is op zichzelf niet ter zake dienend. Uit de opmerkingen die verzoekster tijdens de hoorzitting heeft gemaakt, en uit haar latere brief van 6 november 2000 blijkt duidelijk, dat de kleine fractie (ongeveer 4 %) van de opgelegde geldboete die door de voorgestelde garantie zou worden gedekt, slechts overeenkomt met het deel dat bepaalde leden van de FEG uiteindelijk bereid waren te dragen om de vereniging in staat te stellen het beroep in de hoofdzaak voort te zetten. Verzoekster heeft geen enkel bewijs aangedragen voor haar stelling, dat het voor die leden niet mogelijk was de nodige gelden bijeen te brengen om de verlangde garantie te stellen.
64 Uit een en ander volgt, dat verzoekster niet aannemelijk heeft weten te maken dat zij zonder toekenning van de gevraagde voorlopige maatregelen ernstige en onherstelbare schade zou lijden.
65 Mitsdien moet het verzoek in kort geding worden afgewezen zonder dat behoeft te worden onderzocht, of de andere voorwaarden voor toekenning van de gevraagde opschorting zijn vervuld.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) CEF City Electrical Factors BV en CEF Holdings Ltd worden toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verweerster in de procedure in kort geding.
2) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Full & Egal Universal Law Academy