Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep tot nietigverklaring - Voor beroep vatbare handelingen - Begrip - Handelingen die rechtsgevolgen in het leven roepen - Beroep tegen beschikking houdende bevestiging van niet binnen termijn bestreden beschikking - Begrip bevestigende beschikking - Identieke beschikking na heronderzoek van situatie - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230 EG)
2. Procedure - Kosten - Nodeloos of vexatoir veroorzaakte kosten
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 87, lid 3, tweede alinea)
Samenvatting
1. Alleen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanzienlijk wijzigen, zijn te beschouwen als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG. Een beroep tot nietigverklaring van een beschikking die slechts de bevestiging is van een niet binnen de termijn bestreden beschikking, is dan ook niet-ontvankelijk. Van een zuiver bevestigende beschikking is sprake wanneer de beschikking geen enkel nieuw element bevat ten opzichte van een eerdere handeling en niet is voorafgegaan door een heronderzoek van de situatie van de adressaat van die eerdere handeling.
( cf. punt 8 )
2. Ingevolge artikel 87, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dient een partij, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, te worden veroordeeld tot vergoeding van de door haar toedoen aan de wederpartij opgekomen kosten die naar het oordeel van het Gerecht nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt. Hiervan is sprake indien deze kosten betrekking hebben op een procedure die zelf nodeloos of vexatoir is.
( cf. punt 14 )
Partijen
In zaak T-35/00,
A. Goldstein, wonende te Harrow, Middlesex (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door R. St John Murphy, Solicitor, 3 King's Bench Walk, Inner Temple, Londen (Verenigd Koninkrijk),
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van de beschikking die de Commissie zou hebben gegeven bij brief van 21 januari 2000 aan verzoekers raadsman,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: V. Tiili, kamerpresident, R. M. Moura Ramos en P. Mengozzi, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Verzoeker is Brits onderdaan en woonachtig in het Verenigd Koninkrijk. Hij is medisch specialist in de reumatologie. Bij brief van 1 november 1994 herinnerde verzoekers raadsman de Commissie eraan, dat de High Court of Justice (England and Wales), Queen's Bench Division, in een bij hem aanhangig geschil tussen verzoeker en de bevoegde autoriteit voor de opleiding en bevoegdheden van medisch specialisten in het Verenigd Koninkrijk, de General Medical Council, de Commissie om bepaalde inlichtingen had verzocht.
2 Bij brief van 7 december 1994 heeft de Commissie in antwoord op een verzoek van de nationale rechter deze de gevraagde inlichtingen verstrekt. Desondanks eiste verzoeker bij verzoekschrift dat op 26 oktober 1999 ter griffie van het Gerecht is ingediend, vergoeding van de schade die de Commissie zou hebben veroorzaakt door de nationale rechter de door deze laatste gevraagde inlichtingen niet naar behoren te verstrekken. Het Gerecht heeft deze eis tot schadevergoeding kennelijk ongegrond verklaard (beschikking van het Gerecht van 16 maart 2000 in zaak T-262/99, Goldstein/Commissie, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
3 Bij brieven van 12 en 29 mei 1998 wees verzoekers raadsman de Commissie opnieuw op haar verplichting, de nationale rechter de in 1994 door deze laatste gevraagde inlichtingen te verstrekken. De Commissie antwoordde bij brief van 30 juli 1998 dat zij reeds aan het verzoek van de nationale rechter had voldaan en deze rechter haar niet had meegedeeld dat dit antwoord onvoldoende zou zijn.
4 Bij brief van 3 december 1999 wees verzoekers raadsman de Commissie onder verwijzing naar zijn brief van 1 november 1994 nogmaals op haar verplichting, de nationale rechter inlichtingen te verstrekken.
5 Bij brief van 21 januari 2000 antwoordde de Commissie als volgt:
Ik verwijs naar uw brief (...) van 3 december 1999 aan de secretaris-generaal van de Commissie, betreffende het verzoek van de Engelse nationale rechterlijke instantie krachtens artikel 10 EG, die mij ter beantwoording is voorgelegd.
Deze kwestie is reeds behandeld in de eerder door de heer Trojan aan u gestuurde brief van 30 juni 1998.
Mocht u van mening zijn dat de Commissie over meer gegevens beschikt die de procedures bij de nationale rechter betreffen, dan is de beste weg dat Dr. Goldstein het High Court verzoekt, deze informatie op te vragen (...).
Ik hoop u hiermee afdoende te hebben ingelicht.
(...)"
6 Bij verzoekschrift, op 23 februari 2000 ingekomen bij de griffie van het Gerecht, heeft verzoeker nietigverklaring gevorderd van de beschikking die in de brief van 21 januari 2000 zou zijn vervat. Bovendien heeft hij het Gerecht verzocht, een aantal procedurevoorschriften van de Commissie onwettig te verklaren.
7 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage, het beroep niet-ontvankelijk, subsidiair ongegrond te verklaren en verzoeker in de kosten te verwijzen.
8 Volgens vaste rechtspraak zijn als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanzienlijk wijzigen (arrest Gerecht van 18 december 1997, ATM/Commissie, T-178/94, Jurispr. blz. II-2529, punt 53; beschikking Gerecht van 16 maart 1998, Goldstein/Commissie, T-235/95, Jurispr. blz. II-523, punt 37). Een beroep tot nietigverklaring van een beschikking die slechts de bevestiging is van een eerdere, niet binnen de termijn bestreden beschikking, is niet-ontvankelijk (beschikking Hof van 21 november 1990, Infortec/Commissie, C-12/90, Jurispr. blz. I-4265, punt 10; arrest Hof van 11 januari 1996, Zunis Holding e.a./Commissie, C-480/93 P, Jurispr. blz. I-1, punt 14). Een besluit is als een loutere bevestiging van een vroeger besluit te beschouwen, indien het ten opzichte van een vroegere handeling geen enkel nieuw element bevat en daaraan geen heronderzoek is voorafgegaan (beschikking van 16 maart 1998, Goldstein/Commissie, reeds aangehaald, punt 42).
9 In de brief van 21 januari 2000 van de Commissie aan verzoekers raadsman wordt enkel het door de Commissie bij brief van 30 juli 1998 ingenomen standpunt over de vraag welke informatie aan de betrokken nationale rechter moest worden verstrekt, zonder heronderzoek bevestigd, en wordt verzoeker verder meegedeeld welke stappen hij vervolgens diende te nemen indien hij wenste dat de Commissie nadere informatie aan een nationale rechter zou geven. De brief van 21 januari 2000 is dan ook niet te beschouwen als een handeling die bindende rechtsgevolgen in het leven roept, welke de rechtspositie van verzoeker aanzienlijk wijzigt. Het eerste deel van de brief is namelijk louter bevestigend van aard, en het tweede deel bevat slechts zuiver informatieve verklaringen, hetgeen verzoeker in punt 21 van zijn beroepschrift ook zelf heeft toegegeven.
10 In dit verband zij eraan herinnerd dat de regel dat een louter bevestigende beschikking niet voor beroep vatbaar is, berust op het streven eenmaal verstreken beroepstermijnen niet opnieuw te doen ingaan (arrest Gerecht van 16 september 1998, Waterleiding Maatschappij/Commissie, T-188/95, Jurispr. blz. II-3713, punt 108). In het onderhavige geval heeft verzoeker, in plaats van een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen het eerder ingenomen standpunt van de Commissie inzake het verzoek om informatie van de nationale rechter dat wordt vermeld in de brief van verzoekers raadsman van 1 november 1994 aan de Commissie, bij brief van 3 december 1999 nogmaals naar genoemd verzoek verwezen, zonder op het bestaan van een nieuw verzoek van de nationale rechter te wijzen. In de brief van 3 december 1999 betreffende de verplichting die de Commissie zou hebben om de nationale rechter informatie te verschaffen, werd slechts nogmaals de aandacht gevestigd op een oud verzoek om informatie waarover de Commissie reeds een standpunt had ingenomen. Aangezien de brief van 3 december 1999 geen nieuwe elementen bevatte, kan die van 21 januari 2000 niet als de uitkomst van het onderzoek van een nieuwe aanvraag worden beschouwd.
11 Uit al het voorgaande volgt, dat de brief van 21 januari 2000 geen voor beroep vatbare beschikking in de zin van artikel 230 EG is. Overigens dient, zoals verzoeker in de punten 13 tot en met 15 van zijn verzoekschrift terecht opmerkt, de door hem krachtens artikel 241 EG met betrekking tot een aantal procedureregels van de Commissie opgeworpen exceptie van onwettigheid slechts ter ondersteuning van zijn beroep tot nietigverklaring van de beschikking die in de brief van 21 januari 2000 zou zijn vervat, zodat deze alleen ontvankelijk zou zijn indien het beroep tot nietigverklaring dit ook zou zijn.
12 Derhalve dient het beroep, zonder dat de behandeling wordt voortgezet, in zijn geheel kennelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard op grond van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
14 Volgens artikel 87, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht een partij, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, veroordelen tot vergoeding van de door haar toedoen aan de wederpartij opgekomen kosten die naar het oordeel van het Gerecht nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt. Vastgesteld moet worden dat het onderhavige beroep vexatoir van aard is. In de eerste plaats is het beroep zeer lichtzinnig, aangezien het is gericht op een vaststelling dat de informatie die de Commissie op aanvraag van een nationale rechter heeft verstrekt, ontoereikend is, terwijl deze gedraging van de Commissie al van 1994 dateert en verzoeker op grond van eerdere soortgelijke procedures wist of behoorde te weten dat bevestigingen van eerder genomen besluiten in geen geval vatbaar zijn voor een beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht (zie met name de beschikking van 16 maart 1998, Goldstein/Commissie, reeds aangehaald). Voorts getuigen de feiten die aan dit beroep ten grondslag liggen reeds van een vexatoir gedrag van verzoeker, aangezien hij de Commissie brieven bleef sturen die in wezen steeds dezelfde inhoud hadden, hoewel de Commissie reeds lang een standpunt over de in die brieven aangehaalde kwestie had ingenomen. Tot slot blijkt het vexatoire karakter van dit beroep nog hieruit, dat het volgt op een reeks even ondoordacht door verzoeker ingestelde beroepen waarmee hij hetzij een schadevergoeding van 100 000 euro voor hetzelfde vermeende gebrek aan medewerking van de Commissie jegens de nationale rechter heeft gevorderd, hetzij voorlopige maatregelen in verband met de verweten gedraging van de Commissie (beschikking van 16 maart 2000, Goldstein/Commissie, reeds aangehaald; beschikkingen president Gerecht van 15 december 1999, Goldstein/Commissie, T-262/99 R I, 24 januari 2000, Goldstein/Commissie, T-262/99 R II, en 10 april 2000, Goldstein/Commissie, T-262/99 R III, Goldstein/Commissie, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
15 Bijgevolg dient verzoeker te worden veroordeeld, de Commissie alle kosten te vergoeden die met de behandeling van zijn aanvragen gemoeid waren (zie punten 3 tot en met 6).
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de procedure en dient aan de Commissie alle kosten te vergoeden die zij heeft gemaakt voor de behandeling van zijn verzoeken naar aanleiding waarvan het op deze verzoeken betreffende beroep is ingesteld.
Full & Egal Universal Law Academy