Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Verordening tot wijziging van gecombineerde nomenclatuur - Beroep ingesteld door importeur van verduurzaamde paddestoelen van soort Agaricus - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG, 234 EG en 249, tweede alinea, EG; verordening nr. 2626/1999 van de Commissie tot wijziging van bijlage I bij verordening nr. 2658/87 van de Raad)
Samenvatting
$$Is niet-ontvankelijk het beroep tot nietigverklaring dat een onderneming die verduurzaamde paddestoelen van de soort Agaricus importeert, instelt tegen verordening nr. 2626/1999 van de Commissie tot wijziging van bijlage I bij verordening nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, die, om de paddestoelen van postonderverdeling 2001 90 50 van de gecombineerde nomenclatuur te onderscheiden van die van postonderverdeling 2003 10, bepaalt dat het zoutgehalte van paddestoelen van postonderverdeling 2001 90 50 een bepaalde grenswaarde niet mag overschrijden.
Deze verordening dient zich immers aan als een maatregel van algemene strekking in de zin van artikel 249, tweede alinea, EG. Zij betreft, in het belang van een eenvormige toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief, een objectief bepaalde situatie en heeft rechtsgevolgen voor op algemene en abstracte wijze omschreven categorieën van personen, met name de importeurs van de in de verordening beschreven producten.
Ook al maakt verzoekster deel uit van een beperkte kring van marktdeelnemers die partij zijn bij contracten waarvan de uitvoering door die verordening onmogelijk zou worden gemaakt, zij noemt geen enkele specifieke bepaling die de Commissie zou hebben verplicht, in de bestreden verordening rekening te houden met de situatie van deze marktdeelnemers.
Bovendien impliceert de mogelijkheid om met meer of minder nauwkeurigheid het aantal of zelfs de identiteit te bepalen van de rechtssubjecten waarop een maatregel van toepassing is, geenszins dat die rechtssubjecten moeten worden beschouwd als individueel door die maatregel te zijn geraakt, zolang vaststaat dat die toepassing voortvloeit uit een in de betrokken handeling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie. Welnu, de bestreden verordening is van toepassing op een objectief omschreven situatie en raakt verzoekster slechts in haar objectieve hoedanigheid van importeur van de bedoelde producten. De omstandigheid dat een normatieve handeling uiteenlopende concrete gevolgen kan hebben voor de verschillende rechtssubjecten waarop zij van toepassing is, karakteriseert die rechtssubjecten niet ten opzichte van alle andere betrokken marktdeelnemers, omdat de toepassing van die handeling op grond van een objectief omschreven situatie plaatsvindt.
Ofschoon zij niet de nietigverklaring van de bestreden verordening kan vorderen, blijft het voor verzoekster wel mogelijk de onwettigheid ervan op te werpen voor de nationale rechterlijke instanties, die rechtdoen met inachtneming van artikel 234 EG.
( cf. punten 24, 27, 29, 31-33, 36 )
Partijen
In zaak T-49/00,
Industria pugliese olive in salamoia erbe aromatiche Snc (Iposea), gevestigd te Cerignola (Italië), vertegenwoordigd door A. Guarino en A. Lorang, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Schieferer als gemachtigde, bijgestaan door M. Moretto, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening nr. 2626/1999 van de Commissie van 13 december 1999 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 321, blz. 3),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. W. H. Meij, kamerpresident, A. Potocki en J. Pirrung, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten en de toepasselijke bepalingen
1 Verzoekster is een onderneming die in de Gemeenschap verduurzaamde groenten voor menselijke voeding in de handel brengt. In het kader van die activiteit importeert zij - hoofdzakelijk uit de Volksrepubliek China - verduurzaamde paddestoelen van de soort Agaricus.
2 Ingevoerde paddestoelen vallen onder het gemeenschappelijk douanetarief. Hoofdstuk 20 van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2505/92 van de Commissie van 14 juli 1992 (PB L 267, blz. 1), omvat onder meer de volgende posten en postonderverdelingen:
2001 Groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur:
[...]
2001 90 50 - - Paddestoelen
[...]
2003 Paddestoelen en truffels, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur:
2003 10 - Paddestoelen:
- - van het geslacht Agaricus:
2003 10 20 - - - voorlopig verduurzaamd, volledig gekookt
2003 10 30 - - - andere [...]"
3 Bij verordening (EEG) nr. 3537/91 van de Commissie van 4 december 1991 tot wijziging van verordening nr. 2658/87 (PB L 335, blz. 9), is aan hoofdstuk 20 van de gecombineerde nomenclatuur de volgende aanvullende aantekening toegevoegd:
1. Voor de toepassing van post 2001 worden als groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur, enkel aangemerkt de producten met een gehalte aan vrij, vluchtig zuur, berekend als azijnzuur, van 0,5 of meer gewichtspercenten."
4 Verordening (EG) nr. 1196/97 van de Commissie van 27 juni 1997 houdende indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur (PB L 170, blz. 13), preciseert in de punten 3 en 4 van de bijlage, dat in postonderverdeling 2001 90 50 moeten worden ingedeeld:
3. Bereide paddestoelen (van het geslacht ,Agaricus), geblancheerd, ondergedompeld in vloeistof, met de volgende kenmerken:
[...]
4. Paddestoelen (van het geslacht ,Agaricus), volledig gekookt [...], verduurzaamd in een sterke zoutoplossing (15-25 % zout), met toegevoegde azijn of azijnzuur, met een gehalte aan vrij, vluchtig zuur, berekend als azijnzuur, van 0,5 of meer gewichtspercenten."
5 Om de paddestoelen van postonderverdeling 2001 90 50 te onderscheiden van die van postonderverdeling 2003 10, zijn bij verordening (EG) nr. 2626/1999 van de Commissie van 13 december 1999 tot wijziging van bijlage I bij verordening nr. 2658/87 (PB L 321, blz. 3; hierna: bestreden verordening"), de punten 3 en 4 van de bijlage bij verordening nr. 1196/97 ingetrokken en is de eerste aanvullende aantekening van hoofdstuk 20 van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: GN") vervangen door de volgende tekst: 1. Voor de toepassing van post 2001 dienen groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur, een gehalte te hebben aan vrij, vluchtig zuur van 0,5 gewichtspercent, berekend als azijnzuur. Bovendien mag het zoutgehalte van paddestoelen van postonderverdeling 2001 90 50 niet meer bedragen dan 2,5 gewichtspercenten." Ingevolge artikel 3 van de verordening is deze in werking getreden op de eenentwintigste dag na die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 14 december 1999.
6 Volgens het verzoekschrift werden de door verzoekster ingevoerde paddestoelen vóór de inwerkingtreding van de bestreden verordening in postonderverdeling 2001 90 50 ingedeeld en heeft de bestreden verordening tot gevolg, dat zij thans onder postonderverdeling 2003 10 vallen. Nog steeds volgens verzoekster bestaat er een groot tariefverschil tussen die twee postonderverdelingen, want voor postonderverdeling 2003 10 is niet slechts het evenredige gedeelte van het recht hoger, maar bovendien wordt het daaronder vallende product bij invoer belast met een extra heffing van ongeveer 2,5 ecu per kg. Voorts wijst verzoekster erop, dat de betrokken producten door de wijziging van de tariefindeling thans onder een contingenteringsregeling vallen, waardoor haar importen voor een zeer groot deel onmogelijk zijn gemaakt (zie punt 22 infra).
7 Verzoekster preciseert dat zij, evenals andere marktdeelnemers, op de dag van vaststelling van de bestreden verordening reeds contracten met haar leveranciers had gesloten voor de levering van Agaricus-paddestoelen verduurzaamd in een zoutoplossing met een hoger zoutgehalte dan volgens de bestreden verordening is toegestaan, en dat de uitvoering van die leveringscontracten na de inwerkingtreding van die verordening zou plaatsvinden. De producten worden immers over zee aangevoerd en de gemiddelde reisduur bedraagt, afhankelijk van het seizoen, 30 tot 40 dagen. Onweersproken door de Commissie voegt verzoekster hieraan toe, dat zij met haar leveranciers jaarcontracten sluit, waarin het ritme van de leveringen en de telkens te leveren hoeveelheid zijn vastgelegd.
Het procesverloop
8 Bij op 8 maart 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
9 In haar verzoekschrift concludeert zij dat het het Gerecht behage:
- de bestreden verordening nietig te verklaren;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
10 Bij afzonderlijke akte, op 22 juni 2000 neergelegd ter griffie van het Gerecht, heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Zij concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
11 Op 12 september daaraanvolgend heeft verzoekster krachtens artikel 114, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering opmerkingen over die exceptie ingediend. Zij concludeert dat het het Gerecht behage:
- de exceptie van niet-ontvankelijkheid af te wijzen;
- subsidiair, ze te voegen met de zaak ten gronde;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
De ontvankelijkheid
12 Volgens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering doet het Gerecht, indien een partij daarom verzoekt, uitspraak over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Volgens lid 3 van hetzelfde artikel geschiedt de verdere behandeling mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende voorgelicht om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te kunnen beslissen.
Argumenten van partijen
13 De Commissie is van oordeel dat verzoekster niet kan stellen, door de bestreden verordening individueel te zijn geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG. Die verordening is een normatieve handeling, die verzoekster slechts raakt in haar objectieve hoedanigheid van importeur van de betrokken producten. Verzoekster kan zich niet op een bijzondere feitelijke situatie beroepen die haar ten opzichte van ieder ander zou karakteriseren.
14 Verder wijst de Commissie erop, dat geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht haar verplicht, rekening met verzoeksters situatie te houden en voor goederen die onderweg zijn, een overgangsregeling in te stellen. Bovendien had verzoekster haar belangen kunnen beschermen door een bindende tariefinlichting aan te vragen, zodat zij overeenkomstig artikel 12 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: douanewetboek"), onder bepaalde voorwaarden nog enige tijd aanspraak had gehad op toepassing van de vroegere tariefindeling, zelfs nadat de tariefinlichting haar geldigheid heeft verloren, wanneer de aanvrager op basis van die inlichting vaste en definitieve leveringsovereenkomsten heeft gesloten. In casu heeft verzoekster evenwel geen bindende tariefinlichting voor de zich op transport bevindende producten aangevraagd.
15 Verzoekster repliceert, dat een persoon in principe individueel door een handeling wordt geraakt, wanneer hij vóór de vaststelling van de handeling althans logisch als de feitelijke adressaat ervan had kunnen worden geïdentificeerd. Dat het een handeling van algemene strekking betreft, belet niet, dat zij bepaalde belanghebbende particulieren individueel raakt (arrest Hof van 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C-309/89, Jurispr. blz. I-1853, punten 19 en 20). Wanneer men een bepaalde kring van personen kan aanwijzen, die zich van alle andere onderscheidt en waartoe na de vaststelling van de handeling geen enkel rechtssubject nog toegang kan krijgen, raakt de handeling alle tot de aldus bepaalde kring behorende adressaten individueel.
16 Indien een gemeenschapshandeling waarbij het douaneregiem voor bepaalde producten wordt gewijzigd, ook geldt voor de producten die vóór de vaststelling van de handeling zijn verzonden, maar waarvoor de douaneformaliteiten na de inwerkingtreding ervan worden vervuld, vormt de groep van bij die producten belanghebbende handelaars een gesloten kring, aangezien na de vaststelling van de handeling geen enkele nieuwe handelaar meer tot die kring kan toetreden. Bijgevolg raakt de bestreden verordening elk van die handelaars individueel.
17 Daarbij komt, dat op het moment waarop de betrokken producten van het oorsprongsland naar de Gemeenschap werden overgebracht,de gevolgen van de bestreden verordening voor die handelaars niet voorzienbaar waren. Daarentegen konden alle andere handelaars die later dezelfde categorie van producten invoerden, meteen bepalen, of zij onder postonderverdeling 2001 90 50 dan wel onder postonderverdeling 2003 10 GN vielen. Zij hadden dus precies het bedrag van de douaneschuld kunnen berekenen en kunnen vaststellen, of de invoer in het kader van de contingenteringsregeling mogelijk was (zie punt 22 infra).
18 Volgens verzoekster zijn de gevolgen van de bestreden verordening van dezelfde aard als die van een handeling met terugwerkende kracht. In beide gevallen is aan de feitelijke voorwaarden die voor de toepasselijkheid van de handeling bepalend zijn, reeds voldaan op het moment waarop de handeling wordt vastgesteld, en kan na deze vaststelling de situatie niet meer worden gewijzigd. Duidelijk is evenwel, dat een handeling met terugwerkende kracht al haar adressaten individueel raakt.
19 Verzoekster beklemtoont, dat de stelling van de Commissie, dat zij geen rekening behoefde te houden met de situatie van de importeurs die hun producten vóór de vaststelling van de bestreden verordening al hadden verzonden, voor de ontvankelijkheidsvraag van geen belang is en enkel de grond van de zaak kan betreffen.
20 Die stelling van de Commissie is bovendien onjuist. Juist wegens haar specifieke situatie bevindt verzoekster zich in een bijzondere rechtspositie, waarmee de Commissie rekening had moeten houden. Verzoekster kan zich immers beroepen op een gewettigd vertrouwen, te weten dat de Commissie in de bestreden verordening bepalingen opneemt die de toepassing van de verordening uitsluiten ten aanzien van invoer waarmee vóór haar vaststelling reeds een begin is gemaakt. Het feit dat de Commissie met dat gewettigd vertrouwen geen rekening heeft gehouden, laat slechts één conclusie toe, te weten dat de Commissie wilde, dat de bestreden verordening ook gevolgen had voor handelaars die hun producten al vóór de vaststelling van de verordening hadden verzonden. Deze vaststelling heeft evenwel geen enkele negatieve consequentie voor de ontvankelijkheid van het beroep.
21 In dit verband beroept verzoekster zich nog op het uitdrukkelijk in artikel 12 van het douanewetboek neergelegde algemene beginsel, dat niet slechts de douaneautoriteiten, maar ook de Commissie een bepaling inzake de indeling van producten niet kan wijzigen zonder de belanghebbenden ten minste zes maanden tijd voor aanpassingen te geven, wanneer zij op basis van die bepaling een contract voor de aan- of verkoop van de betrokken producten hebben gesloten. Volgens verzoekster komt in deze regel het beginsel inzake bescherming van gewettigd vertrouwen tot uitdrukking.
22 Ten slotte betoogt verzoekster, dat de uitvoering van de verrichtingen waartoe zij zich contractueel verbonden heeft, door de bestreden verordening onmogelijk wordt gemaakt. Terwijl haar contracten betrekking hebben op een hoeveelheid van meer dan 4 000 ton, is de invoer van paddestoelen van postonderverdeling 2003 10 GN thans onderworpen aan een quotaregeling ingevolge verordening (EG) nr. 2125/95 van de Commissie van 6 september 1995 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor conserven van paddestoelen van het geslacht Agaricus (PB L 212, blz. 16), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2493/98 van de Commissie van 18 november 1998 (PB L 309, blz. 38). Deze verordening staat een invoer per jaar toe van 22 750 ton producten van oorsprong uit China. Volgens de verdelingsregeling van deze verordening is 85 % van die hoeveelheid gereserveerd voor importeurs die de gecontingenteerde producten al in de voorgaande jaren hebben ingevoerd. Verzoekster behoort niet tot die traditionele importeurs, want de producten die zij invoerde, vielen vóór de inwerkingtreding van de bestreden verordening onder postonderverdeling 2001 90 50 GN en waren dus niet gecontingenteerd. Verzoekster kan derhalve enkel deelnemen aan de verdeling van de resterende 15 %, dat wil zeggen 3 412 ton, tussen alle nieuwe importeurs van de Gemeenschap. Deze te verdelen hoeveelheid is dus veel kleiner dan de hoeveelheid die zij contractueel verplicht is in het lopende jaar in te voeren.
Beoordeling door het Gerecht
23 Om te bepalen, of verzoekster door de bestreden verordening individueel wordt geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, moet vooraf worden vastgesteld, dat die verordening de tariefindeling van een bepaald soort producten beoogt te verduidelijken door twee postonderverdelingen van de GN, die vóór de inwerkingtreding van de verordening voor de indeling van die producten in aanmerking konden komen, beter af te bakenen. Zoals verzoekster opmerkt, heeft de bestreden verordening tot gevolg gehad, dat producten die voorheen in postonderverdeling 2001 90 50 konden worden ingedeeld, thans tot postonderverdeling 2003 10 GN behoren.
24 De bestreden verordening dient zich aan als een maatregel van algemene strekking in de zin van artikel 249, tweede alinea, EG. Zij betreft, in het belang van een eenvormige toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief, een objectief bepaalde situatie en heeft rechtsgevolgen voor op algemene en abstracte wijze omschreven categorieën van personen, met name de importeurs van de in de verordening beschreven producten (zie, in die zin, arrest Hof van 14 februari 1985, Casteels/Commissie, 40/84, Jurispr. blz. 667, punt 11, en beschikking Gerecht van 29 april 1999, Alce/Commissie, T-120/98, Jurispr. blz. II-1395, punt 18).
25 Onder verwijzing naar rechtspraak volgens welke ook een handeling van algemene strekking bepaalde marktdeelnemers individueel kan raken, betoogt verzoekster, kort gezegd, dat zij behoort tot een beperkte kring van door de bestreden verordening speciaal getroffen marktdeelnemers, te weten de kring van importeurs die vóór de vaststelling van die verordening koopcontracten hadden gesloten welke tijdens haar geldingsduur moesten worden uitgevoerd, waarbij kwam, dat de producten waarop enerzijds die contracten en anderzijds de verordening betrekking hadden, op de dag van haar vaststelling reeds naar de Gemeenschap onderweg waren. Omdat de uitvoering van die contracten door de bestreden verordening en de contingenteringsregeling van de verordeningen nrs. 2125/95 en 2493/98 onmogelijk werd gemaakt, had de Commissie, zo meent verzoekster, met de bijzondere situatie van die importeurs rekening moeten houden.
26 Evenwel moet worden vastgesteld, dat die door verzoekster gestelde feiten en omstandigheden niet volstaan om haar in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG te individualiseren.
27 Volgens de vaste rechtspraak betreffende de situatie van een verzoeker die deel uitmaakt van een beperkte kring van marktdeelnemers die partij zijn bij contracten waarvan de uitvoering door de bestreden normatieve handeling onmogelijk zou worden gemaakt, kan het beroep tot nietigverklaring van die handeling slechts ontvankelijk worden verklaard, indien de instelling die de handeling heeft verricht, krachtens specifieke bepalingen verplicht was rekening te houden met de gevolgen van de handeling voor de situatie van die marktdeelnemers (arrest Hof van 15 februari 1996, Buralux e.a./Raad, C-204/94 P, Jurispr. blz. I-615, punten 33 en 34, en arrest Gerecht van 14 september 1995, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, T-480/93 en T-483/93, Jurispr. blz. II-2305, punt 67; zie, in dezelfde zin, beschikking president Hof van 12 oktober 2000, Federación de Cofradías de Pescadores de Guipúzcoa e.a./Raad en Commissie, C-300/00 P(R), Jurispr. blz. I-8787, punt 46).
28 Deze rechtspraak geldt ook voor de situatie van marktdeelnemers die te maken krijgen met de instelling van een contingenteringsregeling voor bepaalde importen en die om die reden geen invoercertificaten meer kunnen krijgen (beschikking Gerecht van 15 september 1998, Michailidis/Commissie, T-100/94, Jurispr. blz. II-3115, punt 64, met verwijzing naar arrest Hof van 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C-152/88, Jurispr. blz. I-2477).
29 In casu weet verzoekster geen enkele specifieke bepaling te noemen die de Commissie zou hebben verplicht, in de bestreden verordening rekening te houden met de situatie van marktdeelnemers als verzoekster in verband met de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief en de bij de verordeningen nrs. 2125/95 en 2493/98 ingestelde contingenteringsregeling. Zij beroept zich te dezen enkel op het algemene beginsel inzake bescherming van gewettigd vertrouwen, dat in artikel 12 van het douanewetboek tot uitdrukking zou komen.
30 Hoe dan ook moet erop worden gewezen, dat verzoekster zich voor de ontvankelijkheid van haar beroep niet op dat algemene beginsel kan beroepen. Enerzijds staat immers vast, dat verzoekster de door artikel 12 van het douanewetboek, zoals gewijzigd bij artikel 1, punt 3, van verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 (PB 1997, L 17, blz. 1), geboden mogelijkheid om door middel van een bindende tariefinlichting althans enige bescherming van haar individuele belangen te verkrijgen, niet heeft benut. Anderzijds heeft de Commissie, door de bestreden verordening eerst op de eenentwintigste dag na haar bekendmaking in werking te doen treden, zowel het bepaalde in artikel 254, lid 2, EG geëerbiedigd als rekening gehouden met de rechtspraak volgens welke het vertrouwensbeginsel niet zover kan worden opgerekt, dat een nieuwe regeling in het algemeen niet van toepassing zou mogen zijn op de gevolgen in de toekomst van onder vigeur van de oude regeling ontstane situaties (arrest Hof van 29 juni 1999, Butterfly Music, C-60/98, Jurispr. blz. I-3939, punt 25, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Voorzover verzoekster nog beklemtoont, dat de kring van importeurs waarvan zij deel uitmaakt, een gesloten kring is in die zin, dat geen enkele nieuwe handelaar na de vaststelling van de bestreden verordening nog tot de categorie van door die verordening geraakte importeurs kan toetreden, zodat deze laatsten door de Commissie gemakkelijk kunnen worden geïdentificeerd, zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de mogelijkheid om met meer of minder nauwkeurigheid het aantal of zelfs de identiteit te bepalen van de rechtssubjecten waarop een maatregel van toepassing is, geenszins impliceert dat die rechtssubjecten moeten worden beschouwd als individueel door die maatregel te zijn geraakt, zolang vaststaat dat die toepassing voortvloeit uit een in de betrokken handeling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie (arrest Gerecht van 22 februari 2000, ACAV e.a./Raad, T-138/98, Jurispr. blz. II-341, punt 64, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Zoals reeds vermeld, bepaalt de bestreden verordening, dat het zoutgehalte van paddestoelen van postonderverdeling 2001 90 50 GN een bepaalde grenswaarde niet mag overschrijden. Zij is dus van toepassing op een objectief omschreven situatie en raakt verzoekster niet dan in haar objectieve hoedanigheid van importeur van de bedoelde producten.
33 Om dezelfde reden faalt verzoeksters stelling, dat de bestreden verordening ernstige economische consequenties voor haar activiteit heeft, doordat zij de uitvoering van haar lange-termijnkoopcontracten heeft verhinderd. Het is immers vaste rechtspraak, dat de omstandigheid dat een normatieve handeling uiteenlopende concrete gevolgen kan hebben voor de verschillende rechtssubjecten waarop zij van toepassing is, die rechtssubjecten niet ten opzichte van alle andere betrokken marktdeelnemers karakteriseert, omdat de toepassing van die handeling op grond van een objectief omschreven situatie plaatsvindt (arrest ACAV e.a./Raad, reeds aangehaald, punt 66, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 Wat dit laatste punt betreft, zij nog opgemerkt, dat het bij de omstandigheid dat verzoekster leveringscontracten voor een heel jaar heeft gesloten, gaat om een keuze waarmee zij haar eigen commerciële belangen heeft menen te dienen.Een dergelijke contractuele positie, die een noodzakelijk element van de normale activiteit van elk importbedrijf is, kan niet worden aangemerkt als een specifiek recht in de zin van eerder genoemd arrest Codorníu/Raad (zie, in die zin, beschikking Michailidis e.a./ Commissie, reeds aangehaald, punten 66 en 67). Zij kan dus evenmin verzoekster ten opzichte van de bestreden verordening individualiseren.
35 Uit het voorgaande volgt, dat de bestreden verordening niet kan worden geacht verzoekster individueel te raken. Nu verzoekster niet voldoet aan een van de door artikel 230, vierde alinea, EG gestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden, moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
36 Hoewel zij niet de nietigverklaring van de bestreden verordening kan vorderen, blijft het voor verzoekster wel mogelijk een beroep wegens onwettigheid in te stellen bij de nationale rechterlijke instanties, die rechtdoen met inachtneming van artikel 234 EG (arrest Hof van 17 november 1998, Kruidvat/Commissie, C-70/97 P, Jurispr. blz. I-7183, punten 48 en 49).
Beslissing inzake de kosten
Kosten
37 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Daar verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy