Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
1. Procedure - Interventie - Kort geding - Belanghebbenden - Hoofdzaak betreffende nietigverklaring van verordening die lidstaten toestaat, vangstquota uit te wisselen - Territoriale lichamen - Niet-ontvankelijkheid
('s Hofs Statuut-EG, art. 37, tweede alinea, en art. 46, eerste alinea)
2. Kort geding - Voorwaarden voor ontvankelijkheid - Ontvankelijkheid van beroep in hoofdzaak - Irrelevantie - Grenzen
(Art. 242 G en 243 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 1)
Samenvatting
1. Onder belang bij de beslissing van het geding, in de zin van artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut, moet worden verstaan een rechtstreeks en dadelijk belang bij de toewijzing respectievelijk afwijzing van het gevorderde. De gemeenschapsrechter verifieert met name of de verzoeker in interventie rechtstreeks door de bestreden handeling wordt geraakt en of zijn belang bij de uitkomst van het geding vaststaat.
Een verzoek tot interventie, ingediend door een territoriaal lichaam van een lidstaat in het kader van een kort geding strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een verordening die twee andere lidstaten toestaat vangstquota uit te wisselen en die het voorwerp vormt van een beroep tot nietigverklaring, dient te worden afgewezen indien niet is aangetoond dat de sociaal-economische structuur van dit lichaam hoofdzakelijk afhankelijk is van werkzaamheden in de visserijsector.
( cf. punten 15, 17-18)
2. Het probleem van de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak moet in beginsel niet worden onderzocht in het kader van een kort geding, teneinde op de grond van de zaak niet te prejudiciëren. Wanneer evenwel wordt gesteld dat het beroep in de hoofdzaak in verband waarmee het verzoek in kort geding is ingediend, kennelijk niet-ontvankelijk is, kan het niettemin noodzakelijk zijn het bestaan van bepaalde elementen vast te stellen op grond waarvan op het eerste gezicht tot de ontvankelijkheid van dat beroep kan worden geconcludeerd.
( cf. punt 21)
Partijen
In zaak T-54/00 R,
Federación de Cofradías de Pescadores de Guipúzcoa, gevestigd te San Sebastián (Spanje),
Federación de Cofradías de Pescadores de Vizcaya, gevestigd te Bilbao (Spanje),
Federación de Cofradías de Pescadores de Cantabria, gevestigd te Santander (Spanje),
en
59 andere verzoekers, wier namen in de bijlage zijn vermeld,
vertegenwoordigd door R. García-Gallardo Gil-Fournier, advocaat te Madrid, en D. Domínguez Pérez, advocaat te La Coruña, van het kantoor S. J. Berwin en Co., de Meeûs Square 19, Brussel (België),
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Carbery, I. Díez Parra en M. Sims-Robertson, leden van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur-generaal van het directoraat juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
betreffende een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening (EG) nr. 2742/1999 van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling, voor het jaar 2000, van de vangstmogelijkheden die gelden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de wateren van de Gemeenschap en, wat vaartuigen van de Gemeenschap betreft, in andere wateren met vangstbeperkingen, tot vaststelling voorts van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften, en tot wijziging van verordening (EG) nr. 66/98 (PB L 341, blz. 1), voorzover daarin wordt bepaald dat het aan Portugal toegekende ansjovisquotum in de gebieden ICES IX en X, en CECAF 34.1.1 gedeeltelijk kan worden gevangen in het Franse deel van gebied ICES VIII, of om elke andere geschikt geachte voorlopige maatregel,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Rechtskader en procesverloop
1 Verordening (EG) nr. 2742/1999 van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling, voor het jaar 2000, van de vangstmogelijkheden die gelden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de wateren van de Gemeenschap en, wat vaartuigen van de Gemeenschap betreft, in andere wateren met vangstbeperkingen, tot vaststelling voorts van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften, en tot wijziging van verordening (EG) nr. 66/98 (PB L 341, blz. 1), stelt de totaal toegestane vangsten (hierna: TAC's) vast voor bepaalde visbestanden, waaronder die voor ansjovis. De TAC van ansjovis is in bijlage 1 D vastgesteld als volgt:
>lt>0
2 Sinds 1995 hebben de Franse en Portugese Republiek visquota uitgewisseld. Volgens punt 1.1 van bijlage IV bij verordening (EG) nr. 685/95 van de Raad van 27 maart 1995 betreffende het beheer van de visserij-inspanningen voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap (PB L 71, blz. 5), kunnen deze uitwisselingen voor de periode 1995-2002 stilzwijgend worden verlengd, mits elke lidstaat de mogelijkheid behoudt om de voorwaarden elk jaar bij de jaarlijkse vaststelling van de TAC's en quota te wijzigen". Uit hoofde van deze uitwisselingen heeft de Raad er, in bijlage 1 D bij verordening nr. 2742/1999, mee ingestemd dat de aan Portugal toegekende 5 220 ton ansjovis tot een hoeveelheid van 3 000 ton mag worden gevist in de wateren van deelgebied ICES VIII die vallen onder de soevereiniteit of jurisdictie van de Franse Republiek.
3 Vanwege de door wetenschappers geuite bezorgdheid omtrent de huidige toestand en ontwikkeling van het ansjovisbestand, is de voor deze soort voor gebied ICES VIII vastgestelde TAC voor het jaar 2000 fors gedaald in vergelijking met die van de voorafgaande jaren.
4 Bij op 11 maart 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben drie verenigingen waarin reders zijn gegroepeerd die boten bezitten waarmee ansjovis wordt of kan worden gevangen in gebied ICES VIII (hierna: drie verenigingen") en 59 reders (natuurlijke personen, gemeenschappen van goederen en vennootschappen), afkomstig uit de Spaanse provincies Asturië, La Coruña, Ponteverda en Lugo (hierna: 59 reders"), beroep ingesteld krachtens artikel 230, vierde alinea, EG, strekkende tot, in de eerste plaats, nietigverklaring van verordening nr. 2742/1999 voorzover hierin, in de negende rubriek van bijlage 1 D, wordt bepaald dat het aan Portugal toegekende ansjovisquotum van 5 220 ton in de gebieden ICES IX en X, en CECAF 34.1.1 tot een hoeveelheid van 3 000 ton mag worden gevist in de wateren van deelgebied ICES VIII die vallen onder de soevereiniteit of jurisdictie van de Franse Republiek, en, in de tweede plaats vaststelling van de onwettigheid van bijlage IV, punt 1.1-i, van verordening nr. 685/95.
5 Bij op 14 maart 2000 ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte hebben zij tevens een verzoek ingediend om opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening nr. 2742/1999, voorzover hierin, in de negende rubriek van bijlage 1 D (hierna: bestreden bepaling"), wordt bepaald dat het aan Portugal toegekende ansjovisquotum van 5 220 ton in de gebieden ICES IX en X, en CECAF 34.1.1 tot een hoeveelheid van 3 000 ton mag worden gevist in de wateren van deelgebied ICES VIII die vallen onder de soevereiniteit of jurisdictie van de Franse Republiek, of elke andere maatregel die het Gerecht geschikt acht.
6 Op 27 maart 2000 heeft de Raad zijn opmerkingen aangaande het verzoek in kort geding ingediend.
7 Bij op 31 maart 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn, juridisch adviseur, en J. Guerra, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg, verzocht om toelating tot interventie aan verweerders zijde, zowel in de hoofdzaak als in het kort geding.
8 Bij op 3 april 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Comunidad Autónoma del País Vasco, vertegenwoordigd door R. García-Gallardo Gil-Fournier, advocaat te Madrid, D. Domínguez Pérez, advocaat te La Coruña en G. Pérez Olmo, advocaat te Barcelona, van het kantoor S. J. Berwin en Co., de Meeûs square 19, Brussel (België), verzocht om toelating tot interventie aan verzoekers' zijde in het kort geding.
9 Beide verzoeken om toelating tot interventie zijn overeenkomstig artikel 116, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht betekend aan partijen, die ter terechtzitting in de gelegenheid zijn gesteld hun opmerkingen over deze verzoeken kenbaar te maken.
10 Bij brieven van 4 april 2000 heeft de griffie van het Gerecht verzoeksters in interventie uitgenodigd de hoorzitting bij te wonen en hun het verzoek in kort geding, alsmede de opmerkingen van de Raad betreffende dit verzoek, betekend.
11 Op 6 april 2000 zijn zowel partijen als verzoeksters in interventie in hun mondelinge uiteenzettingen gehoord.
12 Bij op 18 mei 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Raad uit hoofde van artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen het verzoek tot nietigverklaring opgeworpen.
In rechte
De verzoeken om interventie
13 Overeenkomstig artikel 37, eerste alinea, van het Statuut-EG van het Hof, dat krachtens artikel 46, eerste alinea, van dit Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, kunnen de lidstaten en de instellingen van de Gemeenschap zich voegen in een voor het Gerecht aanhangig rechtsgeding. Het door de Commissie gedane verzoek tot interventie dient dus te worden ingewilligd, aangezien het overeenkomstig artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering is ingediend.
14 Voor wat betreft het door de Comunidad Autónoma del País Vasco gedane verzoek tot interventie zij eraan herinnerd, dat artikel 37, tweede alinea, van het Statuut van het Hof, dat eveneens van toepassing is op het Gerecht, het recht op tussenkomst afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de verzoeker aannemelijk maakt belang te hebben bij de beslissing van een voor het Gerecht aanhangig rechtsgeding.
15 Volgens vaste rechtspraak moet onder belang bij de beslissing van het geding worden verstaan een rechtstreeks en dadelijk belang bij de toewijzing respectievelijk afwijzing van het gevorderde (zie beschikking van de president van het Gerecht van 3 juni 1999, ACAV e.a./Raad, (T-138/98, Jurispr. blz. II-1797, punt 14, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Met name dient te worden geverifieerd of de verzoeker in interventie rechtstreeks door de bestreden handeling wordt geraakt en of zijn belang bij de uitkomst van het geding vaststaat.
16 In casu voert de Comunidad Autónoma del País Vasco tot staving van haar verzoek tot interventie in hoofdzaak aan, dat zij belang heeft bij interventie, aangezien haar economische en sociale structuur hoofdzakelijk afhankelijk is van de visserijsector. Onder verwijzing naar haar autonome status, haar bevoegdheden en de Spaanse Grondwet van 1978 voert zij aan, dat zij haar identiteit en haar belangen dient te verdedigen niet alleen tegenover nationale, maar ook tegenover internationale instellingen waarvan de besluiten haar, zoals in casu het geval is, kunnen raken.
17 Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat niet is aangetoond, dat de gehele economische en sociale structuur van de Comunidad Autónoma del País Vasco voornamelijk afhankelijk is van activiteiten die verband houden met de visserijsector (in dezelfde zin beschikking ACAV e.a./Raad, reeds aangehaald, punt 20). Volgens de door verzoekster in interventie ter terechtzitting verstrekte gegevens draagt de visserij in de strikte zin van het woord slechts 1 % bij aan het bruto binnenlands product en aan de werkgelegenheid van de Comunidad Autónoma del País Vasco. Ook al zou, zoals de Comunidad Autónoma del País Vasco stelt, elke arbeidsplaats op zee 3,5 arbeidsplaatsen aan land opleveren, dan nog kan niet worden staande gehouden dat haar sociaal-economische structuur hoofdzakelijk afhankelijk is van de visserijsector.
18 Uit het voorgaande volgt dat de Comunidad Autónoma del País Vasco niet aannemelijk heeft gemaakt een rechtstreeks en dadelijk belang te hebben bij de beslissing omtrent de vorderingen van verzoeksters in kort geding, zodat haar verzoek tot interventie dient te worden afgewezen.
De ontvankelijkheid
19 Ingevolge de artikelen 242 EG en 243 EG, in samenhang met artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
20 Krachtens artikel 104, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering is een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling slechts ontvankelijk indien de verzoeker tegen die handeling beroep heeft ingesteld bij het Gerecht. Dit is geen loutere formaliteit, maar impliceert dat het beroep ten gronde, in verband waarmee het verzoek in kort geding is ingediend, daadwerkelijk door het Gerecht kan worden onderzocht.
21 Volgens vaste rechtspraak moet het probleem van de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak in beginsel niet worden onderzocht in het kader van een kort geding, teneinde niet op de grond van de zaak te prejudiciëren. Wanneer evenwel, zoals in casu, wordt gesteld dat het beroep in de hoofdzaak in verband waarmee het verzoek in kort geding is ingediend, kennelijk niet-ontvankelijk is, kan het niettemin noodzakelijk zijn het bestaan van bepaalde elementen vast te stellen op grond waarvan op het eerste gezicht tot de ontvankelijkheid van dat beroep kan worden geconcludeerd (zie beschikking van de president van het Gerecht van 15 februari 2000, Hölzl e.a./Commissie, T-1/00, Jurispr. blz. II-251, punt 21, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
22 In casu is de rechter in kort geding van oordeel, dat moet worden onderzocht of het beroep tot nietigverklaring kennelijk niet-ontvankelijk is.
23 Aangezien verzoekers niet betwisten dat de verordening waarvan de betreden bepaling deel uitmaakt naar aard en voorwerp een algemene strekking heeft, dient te worden nagegaan of zij elementen naar voren hebben gebracht op basis waarvan niettemin kan worden geconcludeerd, dat zij door de bestreden handeling of maatregel individueel en rechtstreeks worden geraakt (arresten Hof van 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad, C-358/89, Jurispr. blz. I-2501, punt 13, en 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C-308/89, Jurispr. blz. I-1853, punt 19). Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat de belanghebbende marktdeelnemers individueel worden geraakt, indien de bestreden handeling of maatregel hen treft uit hoofde van bijzondere hoedanigheden of een feitelijke situatie welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen daardoor op soortgelijke wijze individualiseert als de adressaat van een beschikking (arrest Codorníu/Raad, reeds aangehaald, punt 20).
24 Aangezien het beroep tot nietigverklaring is ingesteld door 59 reders en drie verenigingen die de collectieve belangen van reders behartigen, dient van beide groepen verzoekers achtereenvolgens te worden nagegaan in hoeverre hun beroep ontvankelijk is.
De ontvankelijkheid van het beroep, voorzover ingesteld door de 59 reders
25 De 59 reders betogen dat zij door de bestreden bepaling en de verordening waarvan deze deel uitmaakt, ondanks het normatieve karakter ervan, rechtstreeks en individueel worden geraakt.
26 De 59 reders zouden door de bestreden bepaling rechtstreeks worden geraakt aangezien deze een uitputtende regeling geeft, die geen enkele beoordelingsbevoegdheid overlaat aan de nationale autoriteiten van de lidstaten. De bestreden bepaling zou immers op dwingende wijze het maximumaantal tonnen vaststellen dat in het betrokken gebied mag worden gevist, waarbij de Spaanse en Franse autoriteiten zich zouden dienen te beperken zich tot het, met inachtneming van dit maximum, verlenen van vergunningen.
27 De 59 reders zouden eveneens individueel zijn geraakt doordat de bestreden bepaling is vastgesteld op basis van artikel 8, lid 4, van verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (PB L 389, blz. 1). De gemeenschapsinstellingen zouden volgens de artikelen 2 en 4, lid 1, van deze verordening bij het vaststellen van een dergelijke bepaling rekening moeten houden met de belangen van de marktdeelnemers. De 59 reders leiden hieruit af dat de Raad en de Commissie bij het vaststellen van de bestreden bepaling rekening hebben gehouden met de situatie van de Spaanse marktdeelnemers (arresten Hof van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki/Commissie, 11/82, Jurispr. blz. 207; 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C-152/88, Jurispr. blz. I-2477, en 11 februari 1999, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, C-390/95 P, Jurispr. blz. I-769, punten 25-30).
28 Zij voegen hieraan toe dat de bestreden bepaling slechts geldt voor een besloten kring, aangezien zij alleen betrekking heeft op de Portugese Republiek, de Franse Republiek en het Koninkrijk Spanje. Omdat deze twee laatstgenoemde staten de enige zijn die in gebied ICES VIII mogen vissen, zou de kring zich tot hen beperken. De Spaanse vissers zouden als enige door de overdracht van de quota benadeeld worden, aangezien zij, met de Franse vissers, de enige zijn die in dat gebied mogen vissen en de Franse vissers van de quotaoverdracht profiteren. Dientengevolge zouden de Spaanse reders die in gebied ICES VIII vissen, de enige marktdeelnemers zijn die belang hebben bij nietigverklaring van de bestreden bepaling.
29 Aangaande het argument dat de 59 reders individueel betrokken zouden zijn, dient eraan te worden herinnerd dat artikel 2 van verordening nr. 3760/92 als volgt luidt:
1. Wat de exploitatieactiviteiten betreft bestaan de algemene doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid erin de beschikbare en toegankelijke levende mariene aquatische bestanden te beschermen en in stand te houden, te zorgen voor de rationele en verantwoorde exploitatie daarvan op duurzame basis en onder voor deze sector passende economische en sociale voorwaarden, daarbij rekening houdend met de consequenties voor het mariene ecosysteem en in het bijzonder met de behoeften van zowel de producenten als de consumenten.
Te dien einde wordt er een communautaire regeling voor het beheer van de exploitatieactiviteiten ingesteld die het mogelijk dient te maken een duurzaam evenwicht tussen bestanden en exploitatie in de verschillende visserijgebieden tot stand te brengen.
(...)"
Artikel 4 van deze verordening luidt:
1. Teneinde de rationele en verantwoorde exploitatie van de bestanden op duurzame basis te garanderen stelt de Raad, volgens de procedure van artikel 43 van het Verdrag, tenzij anders is bepaald, communautaire bepalingen vast betreffende de voorwaarden voor de toegang tot de wateren en de bestanden en de uitoefening van exploitatieactiviteiten. Deze bepalingen worden opgesteld in het licht van de beschikbare biologische, sociaal-economische en technische analyses en met name van de verslagen van het in artikel 16 bedoelde Comité.
(...)"
30 Volgens vaste rechtspraak brengt de omstandigheid dat een gemeenschapsinstelling op grond van specifieke bepalingen verplicht is rekening te houden met de gevolgen van de door haar te treffen maatregel voor de situatie van bepaalde particulieren, mee dat deze laatsten daardoor worden geïndividualiseerd (arresten Gerecht van 27 april 1995, CCE de Vittel e.a./Commissie, T-12/93, Jurispr. blz. II-1247, punt 36; 17 juni 1998, UEAPME/Raad, T-135/96, Jurispr. blz. II-2335, punt 69, en beschikking Gerecht van 30 september 1997, Federolio/Commissie, T-122/96, Jurispr. blz. II-1559, punt 59).
31 De twee door de 59 reders aangevoerde voorschriften verschaffen evenwel enkel het kader waarbinnen de Raad, op voorstel van de Commissie, communautaire maatregelen kan treffen die de voorwaarden stellen voor de toegang tot de gebieden en bestanden en de uitoefening van exploitatieactiviteiten, zodat deze bepalingen de in de visserijsector actieve marktdeelnemers slechts algemeen raken.
32 Wat het argument betreft dat de bestreden bepaling voor een besloten kring van marktdeelnemers geldt, volgens het verzoek in kort geding vertegenwoordigen de drie verenigingen en de 59 reders alle eventuele houders van een vergunning voor het vissen op ansjovis in het betrokken gebied die door de bestreden bepaling worden benadeeld, omdat het hier gaat om de houders van een door de Spaanse autoriteiten verleende vergunning voor het eerste kwartaal van het jaar. Uit het dossier blijkt evenwel dat het aantal schepen dat in het onderhavige verzoek in kort geding vertegenwoordigd is, groter is dan het aantal schepen dat ten tijde van de indiening van dat verzoek een vergunning bezat voor het eerste kwartaal van het jaar 2000, aangezien ook de schepen in aanmerking zijn genomen waarvoor een aanvraag van een vergunning voor het tweede kwartaal zou worden ingediend.
33 De omstandigheid dat het aantal vergunningen voor het vissen op ansjovis in gebied ICES VIII dus van kwartaal tot kwartaal, naar gelang van de aanvragen van de marktdeelnemers, kan variëren, toont aan dat de Spaanse vissers die een vergunning voor het vissen op ansjovis in gebied ICES VIII bezitten, slechts een groep van wisselende samenstelling vormen en geen besloten en beperkte kring. Hoe dan ook worden de Franse en Portugese vissers op ansjovis in het betrokken gebied eveneens, zo niet in de eerste plaats, door de bestreden bepaling getroffen.
34 Derhalve worden de 59 reders door de bestreden bepaling niet individueel geraakt, Zonder dat hoeft te worden nagegaan of deze bepaling hen rechtstreeks raakt, moet bijgevolg worden vastgesteld dat zij niet de nietigverklaring ervan kunnen vorderen overeenkomstig artikel 230, vierde alinea, EG.
De ontvankelijkheid van het beroep, voorzover ingesteld door de drie verenigingen
35 Opgemerkt zij dat de verenigingen enkel stellen, dat zij beroep kunnen instellen aangezien hun leden dat ook kunnen.
36 Volgens vaste rechtspraak kan een vereniging die is opgericht ter behartiging van de collectieve belangen van een groep justitiabelen, niet worden geacht in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, individueel te worden geraakt door een handeling die de algemene belangen van die groep treft, en kan zij dus geen beroep tot nietigverklaring namens haar leden instellen wanneer deze geen individueel beroep kunnen instellen (arresten Hof van 14 december 1962, Fédération nationale de la boucherie en gros et du commerce en gros des viandes e.a./Raad, 19/62, 20/62, 21/62 en 22/62, Jurispr. blz. 989, en 2 april 1998, Greenpeace Council e.a./Commissie, C-321/95 P, Jurispr. blz. I-1651, punten 14 en 29). Zoals hiervóór werd vastgesteld, kan van de 59 reders echter niet worden gezegd dat zij door het bestreden besluit individueel worden geraakt. Nu niet is aangetoond dat de leden van de drie verenigingen zich in een andere situatie bevinden dan de 59 reders, kan het door de verenigingen ingestelde beroep bijgevolg evenmin ontvankelijk worden verklaard.
37 Hieruit volgt dat de verenigingen door de rechter in kort geding in casu niet kunnen worden beschouwd als zijnde individueel geraakt door de bestreden bepaling. Zonder dat hoeft te worden nagegaan of deze bepaling hen rechtstreeks raakt, moet derhalve worden vastgesteld dat zij niet de nietigverklaring ervan overeenkomstig artikel 230, vierde alinea, EG, kunnen vorderen.
38 Gelet op het voorgaande is het beroep in de hoofdzaak, strekkende tot nietigverklaring van verordening nr. 2742/1999 voorzover deze de bestreden bepaling bevat, op het eerste gezicht kennelijk niet-ontvankelijk.
39 Het onderhavige verzoek in kort geding moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) De Commissie wordt toegelaten tot interventie in zaak T-54/00 R ter ondersteuning van de conclusies van verweerder.
2) Het door de Comunidad Autónoma del País Vascode ingediende verzoek tot interventie in zaak T-54/00 R wordt afgewezen.
3) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
4) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Full & Egal Universal Law Academy