Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Ruil van vangstmogelijkheden tussen lidstaten - Bepaling die overdracht van aan Portugese Republiek toegekend vangstquotum voor ansjovis toestaat - Beroep ingesteld door reders en federaties die collectieve belangen van redersverenigingen vertegenwoordigen - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG; verordening nr. 2742/1999 van de Raad)
2. Exceptie van onwettigheid - Incident - Niet-ontvankelijkheid van beroep ten principale - Niet-ontvankelijkheid van exceptie
(Art. 241 EG)
Samenvatting
1. Het door in Spanje gevestigde reders ingestelde beroep tot nietigverklaring van de negende rubriek van bijlage I D bij verordening nr. 2742/1999, waarin in het kader van de ruil van de vangstmogelijkheden tussen de Franse Republiek en de Portugese Republiek is bepaald dat voor het jaar 2000 van het quotum van 5 220 ton ansjovis dat aan laatstbedoelde staat is toegewezen voor de ICES-gebieden IX en X en het SECAF-gebied 34.1.1 maximaal 3 000 ton mag worden gevangen in de wateren van het ICES-deelgebied VIII die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de Franse Republiek vallen, is niet-ontvankelijk.
Verzoekers worden namelijk door de bestreden bepaling, die een algemene strekking heeft, niet geraakt uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen in het kader van die bepaling ten opzichte van ieder ander karakteriseert. Meer in het bijzonder was de Raad ten tijde van de vaststelling van die bepaling niet verplicht rekening te houden met de bijzondere situatie van verzoekers.
Ook het beroep tot nietigverklaring van dezelfde bepaling dat is ingesteld door drie federaties van redersverenigingen, is niet-ontvankelijk. Een vereniging die is opgericht ter behartiging van de collectieve belangen van een groep justitiabelen, kan namelijk niet worden geacht in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG individueel te worden geraakt, en kan dus geen beroep tot nietigverklaring instellen namens haar leden, wanneer de individuele leden dat ook niet kunnen.
( cf. punten 50-52, 78 )
2. De in artikel 241 EG geboden mogelijkheid om de niet-toepasselijkheid in te roepen van een verordening of een handeling van algemene strekking die de rechtsgrondslag is voor de bestreden uitvoeringshandeling, vormt geen autonoom recht en kan slechts bij wege van incident worden benut. Bij ontbreken van een primair recht van beroep kan op dat artikel geen beroep worden gedaan.
( cf. punt 82 )
Partijen
In de zaken T-54/00 en T-73/00,
Federación de Cofradías de Pescadores de Guipúzcoa, gevestigd te San Sebastián (Spanje),
Federación de Cofradías de Pescadores de Vizcaya, gevestigd te Bilbao (Spanje),
Federación de Cofradías de Pescadores de Cantabria, gevestigd te Santander (Spanje),
59 verzoekers, wier namen in de bijlage bij deze beschikking zijn vermeld,
vertegenwoordigd door J. R. García-Gallardo Gil-Fournier en M. D. Domínguez Pérez, advocaten,
verzoekers in zaak T-54/00,
Nicólas Martínez Rey y otro CB, gevestigd te Ares, La Coruña (Spanje),
Porvenir Numero Cuatro, SL, gevestigd te Riviera, La Coruña (Spanje),
Hermanos Deza, SL, gevestigd te Sanxenxo, Pontevedra (Spanje),
vertegenwoordigd door J. R. García-Gallardo Gil-Fournier en M. D. Domínguez Pérez, advocaten,
verzoeksters in zaak T-73/00,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Carbery, I. Díez Parra en M. Sims-Robertson als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn en J. Guerra Fernández als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte,
betreffende in beide zaken een beroep tot nietigverklaring van de negende rubriek van bijlage I D bij verordening (EG) nr. 2742/1999 van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling, voor het jaar 2000, van de vangstmogelijkheden die gelden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de wateren van de Gemeenschap en, wat vaartuigen van de Gemeenschap betreft, in andere wateren met vangstbeperkingen, tot vaststelling voorts van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften, en tot wijziging van verordening (EG) nr. 66/98 (PB L 341, blz. 1), alsmede tot vaststelling van de onwettigheid van punt 1.1, sub i, van bijlage IV bij verordening (EG) nr. 685/95 van de Raad van 27 maart 1995 betreffende het beheer van de visserij-inspanningen voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap (PB L 71, blz. 5),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, K. Lenaerts en M. Jaeger, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Rechtskader
1 Artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (PB L 389, blz. 1), luidt als volgt:
Wat de exploitatieactiviteiten betreft bestaan de algemene doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid erin de beschikbare en toegankelijke levende mariene aquatische bestanden te beschermen en in stand te houden, te zorgen voor de rationele en verantwoorde exploitatie daarvan op duurzame basis en onder voor deze sector passende economische en sociale voorwaarden, daarbij rekening houdend met de consequenties voor het mariene ecosysteem en in het bijzonder met de behoeften van zowel de producenten als de consumenten.
Te dien einde wordt er een communautaire regeling voor het beheer van de exploitatieactiviteiten ingesteld die het mogelijk dient te maken een duurzaam evenwicht tussen bestanden en exploitatie in de verschillende visserijgebieden tot stand te brengen."
2 In verband hiermee bepaalt artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3760/92:
Teneinde de rationele en verantwoorde exploitatie van de bestanden op duurzame basis te garanderen stelt de Raad, volgens de procedure van artikel 43 van het Verdrag, tenzij anders is bepaald, communautaire bepalingen vast betreffende de voorwaarden voor de toegang tot de wateren en de bestanden en de uitoefening van exploitatieactiviteiten. Deze bepalingen worden opgesteld in het licht van de beschikbare biologische, sociaal-economische en technische analyses en met name van de verslagen van het in artikel 16 bedoelde Comité."
3 Uit artikel 8, lid 4, sub i en ii, van deze verordening volgt voorts dat de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en op voorstel van de Commissie, zo nodig voor meer jaren, voor elke visserijtak of groep van visserijtakken per geval de totaal toegestane vangst (hierna: TAC") en/of de totaal toegestane visserij-inspanning vaststelt, en hij de vangstmogelijkheden op een zodanige wijze over de lidstaten verdeelt, dat elke lidstaat verzekerd is van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk betrokken bestand. Op verzoek van de rechtstreeks betrokken lidstaten kan echter de ontwikkeling van de miniquota en regelmatige quotaswaps sinds 1983 in aanmerking worden genomen, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met het algemene evenwicht van de verdeling.
4 Ten slotte bepaalt artikel 9, lid 1, van verordening nr. 3760/92 dat de lidstaten de hun toegewezen beschikbare vangst, na kennisgeving aan de Commissie, geheel of gedeeltelijk onderling mogen ruilen.
5 Op basis van artikel 4 en artikel 8, lid 4, van verordening nr. 3760/92 zijn voor het jaar 2000 voor bepaalde visbestanden de TAC's vastgesteld bij verordening (EG) Nr. 2742/1999 van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling, voor het jaar 2000, van de vangstmogelijkheden die gelden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de wateren van de Gemeenschap en, wat vaartuigen van de Gemeenschap betreft, in andere wateren met vangstbeperkingen, tot vaststelling voorts van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften, en tot wijziging van verordening (EG) nr. 66/98 (PB L 341, blz. 1). Voor ansjovis voorziet deze verordening voor het statistisch gebied dat door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) is vastgesteld en afgebakend als gebied VIII (hierna: ICES-gebied VIII"), in een TAC van 16 000 ton, waarvan 14 400 ton voor het Koninkrijk Spanje en 1 600 ton voor de Franse Republiek (achtste rubriek van bijlage I D bij de verordening). Voor de ICES-gebieden IX en X en het door de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijke deel van de Atlantische oceaan (CECAF) afgebakende gebied 34.1.1 (hierna: CECAF-gebied 34.1.1") heeft zij een TAC vastgesteld van 10 000 ton, waarvan 4 780 ton voor het Koninkrijk Spanje en 5 220 ton voor de Portugese Republiek (negende rubriek van bijlage I D bij de verordening).
6 De aldus voor het ICES-gebied VIII vastgestelde TAC voor ansjovis is aanzienlijk lager dan de TAC die in de voorafgaande jaren voor dat gebied was goedgekeurd. De reden hiervoor waren wetenschappelijke adviezen die aangaven dat de biomassa van het paaibestand in 2000 gevaarlijk klein zou kunnen worden. Naar aanleiding van begin 2000 opgestelde verbeterde wetenschappelijke ramingen van de omvang van de biomassa besloot de Raad echter om de TAC voor ansjovis in dat gebied te wijzigen en op hetzelfde niveau vast te stellen als in de voorafgaande jaren, dat wil zeggen op 33 000 ton, waarvan 29 700 ton aan het Koninkrijk Spanje werd toegewezen en 3 300 aan de Franse Republiek [verordening (EG) nr. 1446/2000 van de Raad van 16 juni 2000 houdende wijziging van verordening nr. 2742/1999 (PB L 163, blz. 3)].
7 Aan de TAC die voor het ICES-gebied VIII aan Frankrijk is toegewezen, moet voorts nog het ansjovisquotum worden toegevoegd dat Portugal sinds 1995 jaarlijks aan Frankrijk overdraagt.
8 Frankrijk en Portugal gaan namelijk jaarlijks over tot een ruil van de vangstmogelijkheden op grond van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 3760/92. De aard van en de voorwaarden voor deze ruil zijn neergelegd in punt 1.1 van bijlage IV bij verordening (EG) nr. 685/95 van de Raad van 27 maart 1995 betreffende het beheer van de visserij-inspanningen voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap (PB L 71, blz. 5), dat luidt als volgt:
De ruil tussen Frankrijk en Portugal kan voor de periode 1995-2002 stilzwijgend worden verlengd, mits elke lidstaat de mogelijkheid behoudt om de voorwaarden elk jaar bij de jaarlijkse vaststelling van de TAC's en quota te wijzigen.
De ruil heeft betrekking op onderstaande TAC's:
i) aangezien voor de ICES-gebieden VIII en IX een gemeenschappelijke TAC voor ansjovis wordt vastgesteld, wordt elk jaar 80 % van de vangstmogelijkheden van Portugal afgestaan aan Frankrijk, met dien verstande dat deze uitsluitend gelden voor de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van Frankrijk vallen [...]"
9 In het kader van deze ruil heeft de Raad in de negende rubriek van bijlage I D bij verordening nr. 2742/1999 bepaald dat voor het jaar 2000 van het quotum van 5 220 ton ansjovis dat aan Portugal is toegewezen voor de ICES-gebieden IX en X en het SECAF-gebied 34.1.1 (zie hiervoor punt 5) maximaal 3 000 ton mocht worden gevangen in de wateren van het ICES-deelgebied VIII die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Frankrijk vallen (hierna: bestreden bepaling").
Procesverloop in zaak T-54/00
10 In deze omstandigheden hebben 59 reders (natuurlijke personen, gemeenschappen van goederen en vennootschappen), afkomstig uit de Spaanse provincies Asturië, La Coruña, Pontevedra en Lugo, en drie federaties van redersverenigingen uit de provincies Guipúzcoa, Cantabrië en Vizcaya, bij op 11 maart 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, het onderhavige beroep ingesteld.
11 Bij op 14 maart 2000 ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte hebben verzoekers ook een verzoek ingediend om opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden bepaling. Dit verzoek is bij beschikking van de President van het Gerecht van 10 juli 2000, Federación de Cofradías de Pescadores de Guipúzcoa e.a/Raad (T-54/00 R, Jurispr. blz. II-2875), afgewezen, welke beschikking in hogere voorziening bij beschikking van de president van het Hof van 12 oktober 2000 is bevestigd [Federación de Cofradías de Pescadores de Guipúzcoa e.a/Raad (C-300/00 P (R), Jurispr. blz. I-8797)].
12 Bij op 17 mei 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Raad op grond van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Op 5 juli 2000 hebben verzoekers opmerkingen ingediend met betrekking tot deze exceptie.
13 Bij beschikking van 27 juni 2000 is de Commissie toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Raad. Op 4 oktober 2000 heeft de Commissie haar memorie in interventie ingediend, waarop de Raad en verzoekers met schriftelijke opmerkingen van respectievelijk 20 december 2000 en 8 januari 2001 hebben gereageerd.
Procesverloop in zaak T-73/00
14 Bij op 27 maart 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben drie reders uit de Spaanse provincies La Coruña en Pontevedra beroep ingesteld waarvan het voorwerp geheel gelijk is aan dat van het beroep in zaak T-54/00.
15 Bij op 26 mei 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Raad op grond van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Op 5 juli 2000 hebben verzoeksters opmerkingen ingediend met betrekking tot deze exceptie.
16 Bij brief van 29 juni 2000 hebben verzoeksters het Gerecht verzocht om hun beroep en het beroep in zaak T-54/00 te voegen, aangezien beide beroepen een identiek voorwerp hebben. De Raad heeft het Gerecht per brief van 31 juli 2000 laten weten dat hij zich tegen deze voeging verzette.
17 Bij beschikking van 6 november 2000 is de Commissie toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Raad. Op 14 december 2000 heeft de Commissie haar memorie in interventie ingediend, waarop de Raad en verzoeksters met schriftelijke opmerkingen van respectievelijk 9 februari en 5 maart 2001 hebben gereageerd.
Conclusies van partijen in de zaken T-54/00 en T-73/00
18 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behage:
- de beroepen ontvankelijk te verklaren;
- de bestreden bepaling nietig te verklaren;
- vast te stellen dat punt 1.1, sub i, van bijlage IV bij verordening nr. 685/95 onwettig is;
- de Commissie en de Raad in de kosten te verwijzen.
19 De Raad en de Commissie concluderen dat het het Gerecht behage:
- de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoekers te verwijzen in de kosten van het geding.
Voeging van de zaken
20 Aangezien de beroepen in de zaken T-54/00 en T-73/00 verknocht zijn, dienen ze voor de onderhavige beschikking te worden gevoegd.
Ontvankelijkheid
21 Wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, kan het Gerecht op grond van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking. Het Gerecht acht zich in casu na bestudering van het dossier voldoende voorgelicht en beslist op grond van dit artikel zonder de behandeling van de zaak voort te zetten.
22 In beide zaken baseert de Raad de niet-ontvankelijkheid van de beroepen op het ontbreken van procesbevoegdheid van verzoekers. In zaak T-73/00 klaagt hij daarnaast nog dat de identiteit van verzoeksters niet duidelijk en nauwkeurig is aangegeven.
23 Het Gerecht onderzoekt eerst de tweede grief en vervolgens de grief inzake het ontbreken van procesbevoegdheid.
De grief dat de identiteit van verzoeksters in zaak T-73/00 niet duidelijk en nauwkeurig is aangegeven
Argumenten van partijen
24 Volgens de Raad moet het beroep in zaak T-73/00 niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat het, wat de aanduiding van verzoeksters' identiteit betreft, niet voldoet aan de formele vereisten van artikel 19, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG en van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. De identiteit van verzoeksters kan namelijk niet met nauwkeurigheid worden vastgesteld, nu het beroep volgens de eerste bladzijde van het verzoekschrift is ingesteld door de reders (natuurlijke personen, gemeenschappen van goederen en vennootschappen) van de provincies La Coruña en Pontevedra, wat de indruk zou kunnen wekken dat het alle reders van deze twee provincies betreft, terwijl in de bijlage bij het verzoekschrift enkel de namen van drie visserijondernemingen voorkomen.
25 Op dit punt moet volgens de Raad de vaste rechtspraak worden gevolgd, volgens welke elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil voldoende duidelijk en nauwkeurig moet aangeven om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden en de gemeenschapsrechter om, zo nodig zonder nadere ondersteunende gegevens, op het beroep te beslissen (beschikking Gerecht van 29 november 1993, Koelman/Commissie, T-56/92, Jurispr. blz. II-1267, punt 21). Deze rechtspraak geldt ook voor de aanduiding van de identiteit van verzoekers, aangezien verweerder bij gebreke van een dergelijke aanduiding verzoekers' procesbevoegdheid niet kan toetsen aan de vereisten van artikel 230, vierde alinea, EG.
26 Volgens verzoeksters vindt het door de Raad vermelde probleem van de vaststelling van de identiteit zijn verklaring in het feit, dat zij eigenlijk verzoekende partij hadden moeten zijn in zaak T-54/00, maar dat zij het onderhavige beroep hadden moeten instellen omdat zij de vereiste certificaten niet tijdig bijeen hadden kunnen krijgen. Inhoudelijk baseren zij hun argumenten op de memories die in zaak T-54/00 zijn ingediend.
Beoordeling van het Gerecht
27 Volgens artikel 19, eerste alinea, van het Statuut van het Hof, dat ingevolge artikel 46 van dat Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, en artikel 44, lid 1, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet het verzoekschrift de naam en de woonplaats van de verzoeker bevatten. Nagegaan moet worden of in casu aan dit formele vereiste is voldaan.
28 Blijkens de eerste bladzijde van het verzoekschrift is het beroep ingesteld door de reders (natuurlijke personen, gemeenschappen van goederen en vennootschappen) van de provincies La Coruña en Pontevedra, wier personalia in bijlage I zijn opgenomen". Bijlage I bij het verzoekschrift bevat kopieën van officiële documenten betreffende drie reders, te weten Nicólas Martínez Rey y otro CB, Porvenir Numero Cuatro, SL, en Hermanos Deza, SL. Uit deze documenten blijkt hun bestaan rechtens, en dat zij hun advocaten op regelmatige wijze hebben gemachtigd om in het kader van het onderhavige beroep hun belangen te behartigen, zoals artikel 44, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering verlangt. Ook vallen de naam en woonplaats van verzoeksters hieruit op te maken.
29 Ook al valt het te betreuren dat de identiteit van verzoeksters niet duidelijk op de eerste bladzijde van het verzoekschrift is vermeld, dit neemt niet weg dat deze gegevens voldoende duidelijk uit dit stuk naar voren komen.
30 Deze grief moet daarom worden afgewezen.
De grief inzake het ontbreken van procesbevoegdheid van verzoekers
Argumenten van partijen
31 Volgens de Raad zijn de beroepen niet-ontvankelijk, omdat de bestreden bepaling een normatieve handeling van algemene strekking is in de zin van artikel 249 EG; zij is namelijk van toepassing op objectief omschreven situaties en heeft rechtsgevolgen voor algemeen en in abstracto omschreven categorieën van personen. Volgens artikel 230, vierde alinea, EG zijn natuurlijke en rechtspersonen in beginsel niet bevoegd om tegen een dergelijke handeling beroep tot nietigverklaring in te stellen.
32 Subsidiair is de Raad van mening dat de bestreden bepaling verzoekers niet rechtstreeks en individueel raakt.
33 Anders dan zij zelf stellen, behoren verzoekers niet tot een besloten kring van marktdeelnemers. Ten eerste omvatten zij niet noodzakelijkerwijs alle Spaanse vissers die in het ICES-gebied VIII ansjovis kunnen vangen en ten tweede raakt de bestreden bepaling in eerste instantie de in Frankrijk en Portugal gevestigde ansjovisvissers.
34 Ook moeten de vissers en de visserijbedrijven vooraf in het bezit zijn van een door de Franse autoriteiten afgegeven vergunning, om een deel van het aan Frankrijk toegekende ansjovisquotum te mogen vangen. Het feit dat de nationale autoriteiten eraan te pas moeten komen, brengt mee dat de bestreden bepaling verzoekers niet rechtstreeks raakt.
35 Ten slotte wijst de Raad erop dat volgens vaste rechtspraak beroepen die door verenigingen zijn ingesteld, in drie soorten situaties ontvankelijk zijn: wanneer een wettelijke bepaling hun bevoegdheden van procedurele aard toekent, wanneer hun leden bevoegd zijn om beroep in te stellen of wanneer zij aantonen dat hun eigen belangen als vereniging worden geraakt. In casu bevinden de verenigingen zich niet in een van die situaties en is het beroep hen aangaande dus eveneens niet-ontvankelijk.
36 De Commissie steunt de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Raad.
37 Bij wijze van inleiding merken verzoekers op dat zij de wettigheid van de bestreden bepaling niet voor de Spaanse rechter kunnen aanvechten omdat nationale uitvoeringsmaatregelen ontbreken, zodat niet-ontvankelijkverklaring van de onderhavige beroepen op grond van het ontbreken van procesbevoegdheid van verzoekers in strijd zou zijn met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM"). Volgens hen dient met name het Gerecht de verdragsbepalingen betreffende het beroepsrecht van de justitiabelen flexibel uit te leggen.
38 Voorts is de bestreden bepaling weliswaar van algemene strekking, maar raakt zij hen niettemin rechtstreeks en individueel.
39 Om aan te tonen dat de bestreden bepaling hen individueel raakt, stellen verzoekers in de eerste plaats dat de gemeenschapsinstellingen bij de vaststelling van de bestreden bepaling met hun specifieke situatie rekening hadden moeten houden op grond van artikel 161, lid 1, sub f, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassingen van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23; hierna: Toetredingsakte"), waarbij Spanje en Frankrijk in het ICES-gebied VIII 90 % respectievelijk 10 % van de TAC voor ansjovis worden toegekend, en van de artikelen 2, lid 1, en 4, lid 1, van verordening nr. 3760/92 (arrest Hof van 11 februari 1999, Antillean Rice Mills e.a./ Commissie, C-390/95 P, Jurispr. blz. I-769, punten 25-30).
40 Op dit punt onderscheidt de onderhavige zaak zich van andere visserijzaken waarin het Gerecht heeft overwogen dat de artikelen 2, lid 1, en 4, lid 1, van verordening nr. 3760/92, gezien hun zeer algemene aard, geen nauwkeurige verplichting kunnen scheppen om specifiek rekening te houden met de situatie van bepaalde marktdeelnemers (beschikking Gerecht van 8 juli 1999, Area Cova e.a./Raad, T-194/95, Jurispr. blz. II-2271, punt 44). In de onderhavige zaken staat namelijk veel duidelijker vast wie de betrokkenen zijn, aangezien uit de considerans van verordening nr. 1466/2000 blijkt dat de verplichting van de Raad om overeenkomstig die bepalingen met de belangen van de marktdeelnemers rekening te houden, voor elk gebied apart geldt, zodat de Raad met betrekking tot het ICES-gebied VIII enkel rekening mocht houden met de belangen van de Spaanse en Franse marktdeelnemers. Bovendien was de Raad op grond van artikel 161, lid 1, sub f, van de Toetredingsakte verplicht rekening te houden met de specifieke situatie van de Spaanse marktdeelnemers, die in het ICES-gebied VIII het recht hadden om 90 % van de TAC voor ansjovis te vangen.
41 In de tweede plaats achten verzoekers zich door de bestreden bepaling individueel geraakt op grond dat de Raad op het moment dat de bepaling werd vastgesteld, wist hoeveel schepen gedurende het jaar 2000 in het betrokken gebied konden vissen of dit althans met voldoende zekerheid had kunnen weten. Dit aantal is gelijk aan dat van de voorafgaande jaren. Uit het feit dat de Raad verordening nr. 1446/2000 heeft vastgesteld, waarin een TAC voor ansjovis werd goedgekeurd die voor het ICES-gebied VIII op hetzelfde niveau was vastgesteld als in de voorafgaande jaren, blijkt dat hij wist hoeveel schepen in dat gebied visten.
42 In de derde plaats achten zij zich individueel geraakt door de betrokken bepaling, nu zij, in tegenstelling tot de Franse reders die in het ICES-gebied VIII mogen vissen, ernstige economische en ecologische schade lijden als gevolg van de overdracht van het ansjovisquotum, te meer nu de Spaanse reders in hogere mate dan hun Franse collega's afhankelijk zijn van de ansjovisvangst in het ICES- gebied VIII en het voor hen moeilijk is om op iets anders om te schakelen.
43 In de vierde plaats vormen zij een besloten kring van marktdeelnemers die in het bijzonder door de bestreden bepaling worden geraakt. Er zijn hier immers twee duidelijk van elkaar te onderscheiden groepen: degenen die van de quotaruil profiteren en degenen die dat niet doen. Enkel de Spaanse reders behoren tot die tweede groep.
44 Deze kring staat in casu niet in de letterlijke zin des woords absoluut vast, aangezien de vergunningen per kwartaal worden afgegeven. Maar deze kring is de facto besloten, nu de komst van nieuwe vissers met een vergunning om in het ICES-gebied VIII op ansjovis te vissen, vrijwel is uitgesloten wegens de administratieve moeilijkheden waarvoor deze vissers zich geplaatst zien. Dit wordt bevestigd door het feit dat de lijsten van schepen met vergunning om in het ICES-gebied VIII ansjovis te vangen, vrijwel gelijk blijven en niet van jaar tot jaar veranderen, behalve voor vervanging van schepen.
45 Voorts moesten zij voor de instelling van het beroep tot nietigverklaring van de bestreden bepaling een beroepstermijn van twee maanden in acht nemen, zodat zij niet konden wachten totdat alle vergunningen voor de vier kwartalen van het jaar 2000 waren verleend, om op basis van die lijsten de juistheid aan te tonen van hun stelling dat de Spaanse ansjovisvissers een besloten kring vormden. De lijsten van de vergunninghouders voor de ansjovisvangst voor het jaar 2000 waren afgesloten toen zij hun opmerkingen over de memorie in interventie van de Commissie indienden, en blijkens die lijsten was het aantal vergunninghouders stabiel gebleven. Zo hebben praktisch alle verzoekers voor de ansjovisvangst in het jaar 2000 een vergunning aangevraagd en verkregen, met uitzondering van de gevallen waarin de vissersschepen door nieuwe waren vervangen of de reders hadden besloten om zich op de vangst van andere soorten toe te leggen.
46 Bovendien worden zij rechtstreeks geraakt door de bestreden bepaling, omdat deze hun rechtstreeks economische en ecologische schade berokkent. Deze rechtstreekse band kan door geen enkele nationale maatregel worden doorbroken, nu zij van de Franse autoriteiten geen vergunningen voor de ansjovisvangst kunnen krijgen.
47 Ten slotte zijn verzoekers van mening dat de drie federaties van redersverenigingen eveneens beroep kunnen instellen, omdat zij de belangen behartigen van de reders die rechtstreeks en individueel door de bestreden bepaling worden geraakt, door in hun rechten te treden.
Beoordeling van het Gerecht
48 De onderhavige beroepen zijn ingesteld door 62 reders en drie federaties die de collectieve belangen van redersverenigingen behartigen. Voor elk van beide groepen verzoekers onderzoekt het Gerecht achtereenvolgens de vraag of de beroepen ontvankelijk zijn.
- De ontvankelijkheid van de door de reders ingestelde beroepen
49 Verzoekers betwisten niet dat de bestreden bepaling tot de lidstaten is gericht en dat zij ten opzichte van hen van algemene strekking is.
50 Nagegaan moet echter worden of verzoekers, ondanks de algemene strekking van de bestreden bepaling, kunnen worden geacht hierdoor rechtstreeks en individueel te worden geraakt. De algemene strekking van een handeling sluit namelijk niet uit, dat zij bepaalde natuurlijke of rechtspersonen rechtstreeks en individueel kan raken (zie arrest Hof van 18 mei 1994, Cordoníu/Raad, C-309/89, Jurispr. blz. I-1853, punt 19; arresten Gerecht van 14 september 1995, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, T-480/93 en T-483/93, Jurispr. blz. II-2305, punt 66, en 13 december 1995, Exporteurs in Levende Varkens e.a./Commissie, T-481/93 en T-484/93, Jurispr. blz. II-2941, punt 50).
51 Wat om te beginnen de vraag betreft of de bestreden bepaling verzoekers individueel raakt, een natuurlijke of rechtspersoon kan slechts worden geacht individueel te zijn geraakt door een bepaling van algemene strekking indien die bepaling hem treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert (arrest Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 205, blz. 232; beschikkingen Gerecht van 30 september 1997, Federolio/Commissie, T-122/96, Jurispr. blz. II-1559, punt 59, en 29 april 1999, Alce/Commissie, T-120/98, Jurispr. blz. II-1395, punt 19).
52 Verzoekers stellen in dit verband in de eerste plaats dat de bestreden bepaling hen individueel raakt, aangezien de Raad bij de vaststelling daarvan op grond van de artikelen 2, lid 1, en 4, lid 1, van verordening nr. 3760/92 en artikel 161, lid 1, sub f, van de Toetredingsakte verplicht was om rekening te houden met hun bijzondere situatie.
53 Het Hof en het Gerecht hebben beroepen tot nietigverklaring van handelingen van algemene strekking ontvankelijk verklaard, wanneer een hogere rechtsregel de auteur van de handeling verplichtte rekening te houden met de bijzondere situatie van de verzoeker (arresten Hof van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, 11/82, Jurispr. blz. 207, punten 21-31, en 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C-152/88, Jurispr. blz. I-2477, punt 11; arresten Gerecht Antillean Rice Mills e.a./Commissie, reeds aangehaald in punt 50 van deze beschikking, punten 67-78, en van 17 juni 1998, UEAPME/Raad, T-135/96, Jurispr. blz. II-2335, punt 90).
54 Artikel 161, lid 1, sub f, van de Toetredingsakte, waarbij 90 % van de TAC voor ansjovis in het ICES-gebied VIII aan Spanje wordt toegekend en de resterende 10 % aan Frankrijk, beoogt evenwel enkel het ansjovisquotum voor dat gebied te verdelen. De bepaling bevat geen enkele verwijzing naar de situatie van de ansjovisvissers in beide landen die dat gebied mogen bevissen, laat staan een verplichting van de Raad om met de bijzondere situatie van die vissers rekening te houden wanneer hij een overdracht van ansjovisquota van een naburig gebied naar dit gebied toestaat.
55 De artikelen 2, lid 1, en 4, lid 1, van verordening nr. 3760/92 beogen enkel het kader aan te geven waarbinnen de Raad, op voorstel van de Commissie, communautaire bepalingen kan vaststellen betreffende de voorwaarden voor de toegang tot de wateren en de bestanden en de uitoefening van exploitatieactiviteiten. Zij hebben derhalve enkel in algemene zin betrekking op de marktdeelnemers die in de visserijsector actief zijn (zie in die zin de in punt 11 van deze beschikking aangehaalde beschikking Federación de Cofradías de Pescadores de Guipúzcoa e.a./Raad, punt 38; en voor artikel 2, lid 1, van verordening nr. 3760/92 ook de in punt 40 van deze beschikking aangehaalde beschikking Area Cova e.a./Raad, punt 44). Zij kunnen in geen geval zo worden uitgelegd dat zij de Raad verplichten rekening te houden met de specifieke situatie van verzoekers.
56 Dat de Raad, zoals verzoekers stellen, op grond van de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 1446/2000 gehouden zou zijn voor elk visserijgebied afzonderlijk de criteria van de artikelen 2, lid 1, en 4, lid 1, van verordening nr. 3760/92 toe te passen, doet hieraan niet af. Een dergelijke verplichting zou immers, aangenomen dat zij kwam vast te staan, niet slechts erin bestaan rekening te houden met de situatie van de Spaanse vissers die gerechtigd waren tot ansjovisvangst in het ICES-gebied VIII, maar zou ook van toepassing zijn op de situatie van alle marktdeelnemers die in dat gebied actief zijn in de visserijsector. Nu verordening nr. 1446/2000 van later datum is dan de bestreden bepaling, gold deze verplichting, zelfs indien zij kwam vast te staan, bovendien niet ten tijde van de vaststelling van die bepaling.
57 Dit eerste argument moet daarom worden afgewezen.
58 Verzoekers achten zich in de tweede plaats individueel geraakt door de bestreden bepaling, nu de Raad van hun identiteit op de hoogte was of had kunnen zijn toen hij die bepaling vaststelde.
59 Deze stelling mist feitelijke grondslag. Toen de bestreden bepaling werd vastgesteld, beschikte de Raad namelijk niet over bijzondere gegevens over de schepen die onder Spaanse vlag voeren en die voor het eerste kwartaal van het jaar 2000 een vergunning hadden om ansjovis te vangen, laat staan over de schepen die hiervoor in de volgende kwartalen van dat jaar in aanmerking kwamen, nu de vergunningen voor dat laatste tijdvak op die datum nog niet waren verleend.
60 Het is in dit verband irrelevant dat het aantal Spaanse vissers die in het ICES-gebied VIII ansjovis mochten vangen, in de voorafgaande jaren stabiel zou zijn gebleven. Volgens de rechtspraak impliceert de mogelijkheid om het aantal rechtssubjecten waarop een maatregel van toepassing is, min of meer nauwkeurig te bepalen, immers geenszins dat die subjecten moeten worden geacht individueel door die maatregel te worden geraakt, zolang vaststaat dat die toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven (beschikking Hof van 24 mei 1993, Arnaud e.a./Raad, C-131/92, Jurispr. blz. I-2573, punt 13; zie ook arrest Hof van 15 juni 1993, Abertal e.a./Commissie, C-213/91, Jurispr. blz. I-3177, punt 22, en arrest Gerecht van 22 februari 2000, ACAV e.a./Raad,T-138/98, Jurispr. blz. II-341, punt 64). In casu raakt de bestreden bepaling verzoekers op grond van een situatie die objectief in die bepaling is omschreven, te weten in hun hoedanigheid van exploitanten van schepen die onder de vlag van een lidstaat varen die in aanmerking komt voor toekenning van vangstmogelijkheden voor ansjovis in het ICES-gebied VIII.
61 De stelling van verzoekers dat het feit dat de Raad met de vaststelling van verordening nr. 1446/2000 een even grote TAC heeft vastgesteld als in de voorafgaande jaren, een aanwijzing vormt dat de Raad wist hoeveel schepen in het ICES-gebied VIII op ansjovis mochten vissen, moet eveneens worden verworpen. Wanneer de Raad een TAC vaststelt, doet hij dat immers niet aan de hand van het aantal schepen dat in een bepaald gebied vist, maar, zoals artikel 8, lid 4, van verordening nr. 3760/92 verlangt, op basis van beheersdoelstellingen en -strategieën" die hij heeft vastgesteld ten einde de rationele en verantwoorde exploitatie van de bestanden te garanderen. Deze stelling is bovendien, zelfs als zij juist zou zijn, voor het onderhavige argument irrelevant, aangezien zij voor alle schepen geldt die in het ICES-gebied VIII mogen vissen, dat wil zeggen zowel de schepen die onder Spaanse vlag varen als die welke onder Franse vlag varen. Derhalve is niet aangetoond dat de Raad op de hoogte was van de bijzondere situatie van verzoekers.
62 Het tweede argument faalt bijgevolg.
63 Verzoekers stellen in de derde plaats dat de bestreden bepaling hen individueel raakt vanwege de bijzondere weerslag op hun situatie, zowel in economisch als in ecologisch opzicht.
64 Dat een handeling van algemene strekking voor de verschillende rechtssubjecten voor wie ze geldt, in concreto uiteenlopende gevolgen kan hebben, karakteriseert hen niet ten opzichte van alle andere betrokken marktdeelnemers, wanneer de toepassing van die handeling plaatsvindt op grond van een objectief bepaalde situatie (zie beschikkingen Hof van 18 december 1997, Sveriges Betodlares en Henrikson/Commissie, C-409/96 P, Jurispr. blz. I-7531, punt 37, en Gerecht van 8 december 1998, Sadam Zuccherifici e.a./Raad, T-39/98, Jurispr. blz. II-4207, punt 22). Zoals hierboven in punt 60 reeds is beklemtoond, is dit hier het geval.
65 Maar al aangenomen dat de gevolgen van de bestreden bepaling in aanmerking kunnen worden genomen om uit te maken of zij verzoekers ten opzichte van de andere marktdeelnemers karakteriseert, vastgesteld moet worden dat verzoekers niets hebben aangevoerd om de juistheid van hun stelling te bewijzen dat de vaststelling van de bestreden bepaling voor de Spaanse ansjovisvissers ernstige economische en ecologische gevolgen heeft.
66 Het lijkt overigens twijfelachtig dat enkel de Spaanse ansjovisvissers door die gevolgen worden geraakt.
67 Indien immers, zoals verzoekers stellen, de verkoopprijs van ansjovis keldert door de aanvullende vangsten van Franse vissers, is het zeer waarschijnlijk dat die verlaging laatstgenoemden evenzeer zal treffen als de Spaanse ansjovisvissers.
68 Met betrekking tot de door verzoekers gestelde ecologische schade zij opgemerkt dat, indien de overdracht van quota in het ICES-gebied VIII tot een achteruitgang van het ansjovisbestand leidt, alle ansjovisvissers hiervan nadeel ondervinden, dus ook de Franse vissers die in dat gebied vissen.
69 Bovendien valt niet te ontkennen dat de bestreden bepaling ook de belangen van de Portugese ansjovisvissers negatief beïnvloedt, aangezien hun vangstmogelijkheden door de vaststelling hiervan zijn beperkt. Immers, de overdracht van quota van de Portugese Republiek aan de Franse Republiek op grond van die bepaling, ontneemt de Portugese vissers de mogelijkheid om in de ICES-gebieden IX en X en in het CECAF-gebied 34.1.1 de volledige 5 220 ton ansjovis te vangen.
70 Dit derde argument moet bijgevolg worden afgewezen.
71 In de vierde plaats menen verzoekers dat zij, als Spaanse vissers die niet profiteren van de quota-overdracht voor ansjovis in het ICES-gebied VIII, behoren tot een besloten kring van marktdeelnemers die in het bijzonder door de bestreden bepaling worden geraakt.
72 De door verzoekers aangevoerde feitelijke gegevens kunnen echter niet worden beschouwd als factoren die de toepassing van de bestreden bepaling absoluut en definitief beperken tot de Spaanse reders die reeds in het ICES-gebied VIII op ansjovis vissen.
73 Ondanks technische eisen en administratieve formaliteiten kan derhalve niet worden uitgesloten dat reders die deze activiteit nog niet eerder hadden uitgeoefend, het plan hadden kunnen opvatten om dit in het vangstseizoen 2000 te doen, waardoor zij dus door de bestreden bepaling zouden worden geraakt [zie in die zin met betrekking tot het bestaan van een besloten kring van schepen die een vergunning hadden om in de deelgebieden 2 en 3 van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) zwarte heilbot te vangen, eveneens punt 29 van de beschikking Area Cova e.a./Raad, aangehaald in punt 40 van deze beschikking].
74 Ook het feit dat het aantal vissers volgens de lijsten van Spaanse houders van vangstvergunningen voor ansjovis in het ICES-gebied VIII in de voorgaande jaren stabiel is gebleven, levert nog geen bewijs op van het bestaan van een besloten kring van marktdeelnemers. Het aantal vergunningen dat jaarlijks wordt afgegeven, kan immers variëren, nu sommige vissers die in de voorafgaande jaren een vangstvergunning voor ansjovis hadden, konden besluiten om in het jaar 2000 op een ander soort te vissen, terwijl andere vissers die ten tijde van de vaststelling van de bestreden bepaling nog niet eerder in het ICES-gebied VIII op ansjovis hadden gevist, het voornemen konden opvatten om dat in dat jaar te doen.
75 Het vierde argument moet bijgevolg worden afgewezen.
76 Uit het voorafgaande volgt dat de bestreden bepaling niet kan worden aangemerkt als een bepaling die de 62 reders die het onderhavige beroep hebben ingesteld, individueel raakt.
- De ontvankelijkheid van het door de federaties van redersverenigingen ingestelde beroep
77 Het enige argument van de federaties van redersverenigingen is dat zij procesbevoegdheid hebben, aangezien de leden van de verenigingen die zij vertegenwoordigen, deze bevoegdheid hebben. Zij stellen niet dat hun eigen belangen als vereniging zijn geraakt (arrest Hof van 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie, C-313/90, Jurispr. blz. I-1125, punten 29 en 30; arresten Gerecht van 12 december 1996, AIUFFASS en AKT/Commissie,T-380/94, Jurispr. blz. II-2169, punt 50, en 29 september 2000, CETM/Commissie, T-55/99, Jurispr. blz. II-3207, punt 23).
78 Volgens de rechtspraak kan echter een vereniging die is opgericht ter behartiging van de collectieve belangen van een groep justitiabelen, niet worden geacht in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG individueel te worden geraakt, en kan zij dus geen beroep tot nietigverklaring instellen namens haar leden, wanneer de individuele leden dat ook niet kunnen (arresten Hof van 14 december 1962, Fédération nationale de la boucherie en gros et du commerce en gros des viandes e.a/Raad, 19/62-22/62, Jurispr. blz. 989, blz. 1000, en 2 april 1998, Greenpeace Council e.a./Commissie, C-321/95 P, Jurispr. blz. I-1651, punten 14 en 29). Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, kan de bestreden bepaling niet worden geacht de reders individueel te raken.
79 Hieruit volgt dat de bestreden bepaling in casu niet kan worden geacht deze federaties individueel te raken.
- Conclusie
80 Nu gezien het voorafgaande geen van beide groepen verzoekers voldoet aan een van de ontvankelijkheidseisen van artikel 230, vierde alinea, EG, behoeft niet te worden ingegaan op de vraag of de bestreden bepaling hen rechtstreeks raakt.
81 De niet-ontvankelijkheid van de beroepen brengt mee dat de exceptie van onwettigheid die verzoekers met betrekking tot punt 1.1, sub i, van bijlage IV bij verordening nr. 685/95 hebben opgeworpen, eveneens niet-ontvankelijk is.
82 De in artikel 241 EG geboden mogelijkheid om de niet-toepasselijkheid in te roepen van een verordening of een handeling van algemene strekking die de rechtsgrondslag is voor de bestreden uitvoeringshandeling, vormt geen autonoom recht en kan slechts bij wege van incident worden benut. Bij ontbreken van een primair recht van beroep kunnen verzoekers zich niet op artikel 241 EG beroepen (arresten Hof van 16 juli 1981, Albini/Raad en Commissie, 33/80, Jurispr. blz. 2141, punt 17, en 11 juli 1985, Salerno e.a./Commissie en Raad, 87/77, 130/77, 22/83, 9/84 en 10/84, Jurispr. blz. 2523, punt 36, en arrest Gerecht van 22 oktober 1996, CSF en CSME/Commissie, T-154/94, Jurispr. blz. II-1377, punt 16).
83 Overigens moet het argument van verzoekers worden afgewezen dat de beslissing van het Gerecht om hun beroepen niet-ontvankelijk te verklaren wegens ontbreken van procesbevoegdheid, in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM, op grond dat de bestreden bepaling niet voorzag in de vaststelling van enige uitvoeringsmaatregelen door de lidstaten en zij als gevolg hiervan geen enkele rechtsweg hadden om de wettigheid van de bestreden bepaling voor de nationale rechter aan te vechten.
84 Het Gerecht heeft immers in het in punt 60 van deze beschikking aangehaalde arrest ACAV e.a./Raad (punt 68) vastgesteld dat dergelijke omstandigheden, zo zij al vaststaan, geen rechtvaardiging kunnen opleveren voor een wijziging, via een uitlegging door de rechter, van het in het Verdrag neergelegde stelsel van beroepswegen en procedures. In geen geval kan op grond van deze omstandigheden een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring, dat niet aan de bij artikel 230, vierde alinea, EG gestelde voorwaarden voldoet, ontvankelijk worden verklaard (zie ook beschikkingen Hof van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C-10/95 P, Jurispr. blz. I-4149, punt 26, en 24 april 1996, CNPAAP/Raad, C-87/95 P, Jurispr. blz. I-2003, punt 38).
85 Voorts blijken verzoekers niet te zijn verstoken van elk recht van beroep tegen de eventuele consequenties van de bestreden bepaling. Indien de betrokkenen schade menen te hebben geleden die rechtstreeks uit die handeling voortvloeit, kunnen zij deze handeling immers hoe dan ook in geding brengen in het kader van de procedure inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de artikelen 235 EG en 288 EG (beschikking Sveriges Betodlares en Henrikson/Commissie, aangehaald in punt 64 van deze beschikking, punt 52).
86 Het uit artikel 13 EVRM afgeleide algemene beginsel van gemeenschapsrecht, dat eenieder wiens rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een effectief rechtsmiddel, is in casu dus nageleefd.
87 Uit het voorafgaande volgt dat beide beroepen kennelijk niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
88 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, wanneer dit is gevorderd. Verder bepaalt artikel 87, lid 4, van dit Reglement dat de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten dragen. Nu verzoekers in het ongelijk zijn gesteld en de Raad veroordeling in de kosten heeft gevorderd, dienen zij in hun eigen kosten en in die van de Raad te worden verwezen. De Commissie dient haar eigen kosten te dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) De zaken T-54/00 en T-73/00 worden voor de beschikking gevoegd.
2) De beroepen worden kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
3) Verzoekers worden in hun eigen kosten alsmede in die van de Raad verwezen.
4) De Commissie zal haar eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy